Onder striptekenaars: de avonturen van Urbanus en Marc Sleen

Tweehonderdzeventien Nero-albums, honderdnegenendertig Urbanus-titels: tel daar alle 'Piet Fluwijnen', 'Bollekes', 'Lustige Kapoentjes', 'Stropke en Flopkes', 'Plankgas en Plastronnekes' en 'Geverniste Vernepelingskes' bij, en Marc Sleen (87) en Urbain Servranckx (61) hebben samen méér strips verkocht dan er Vlamingen zijn.

Als er bovendien al zoiets als een Vlaamse volksaard bestaat, en als kijvende moeders, dikke champetters, wafelenbakken, griezelige nonkels, onder soepjurken uitpiepende combinaisons, hun plan trekkende huisvaders en een onverwoestbare gezelligheid daar onderdelen van zijn, dan is die volksaard nergens zo schilderachtig tentoongesteld als in ‘Nero’ en ‘urbanus’ – twee keer anders, ‘maar op precies dezelfde golflengte,’ zegt Sleen.

''Het is een beestenstiel geweest. Ik heb mezelf kapotgetekend''

De Sleen die we op een bloedhete middag aan de arm van urbain het Nerocafé in Hoeilaart zien binnenstappen, is een fiere, rijzige man in een smetteloos zomerpak. Hij nadert de negentig; zijn gezicht is gegroefd, zijn ogen zijn verstopt achter vingerdikke wallen, maar hij gaat verwoed op zoek naar een kam om z’n zilveren haren in de plooi te leggen voor de foto’s. urbain heeft zijn hemd van de barbecue van gisteren nog aan, zegt hij – het zou kunnen dat er nog een klad cocktailsaus op zit. Maar het zijn vrienden, dat zie je zo. Broeders in de humor.

Terwijl we op de mosselen wachten, kijkt Sleen vergenoegd toe hoe een stel kinderen met de tong tussen de lippen de Nero-bibliotheek zit leeg te lezen.

HUMO Zouden die kleintjes beseffen dat de meester toekijkt?

Urbanus «Er loerde er daarnet toch eentje.»

Sleen «Ik denk dat de vader buiten gezegd heeft: kijk, dat is urbanus, binnen. Da’s zoals met de mop van de paus en Stanneke Ockers: wie is die witte naast Stanneke Ockers? (lacht).»

Urbanus «Marc heeft er daarnet, over moppen gesproken, een goeie verteld. Over een kleine in de zandbak die altijd maar zand aan het eten is.»

Sleen «En die moeder zegt: enfin, stop daarmee, en ze geeft hem water om dat wat uit te spoelen, maar dat maakt de zaak alleen maar erger en tenslotte gaat ze naar de dokter, echt in paniek: dokter, wat moet ik hem nú geven? Ah, zegt die dokter, vooral geen cement (lacht).»

HUMO Wat is jouw vroegste Neroherinnering, Urbain?

Urbanus «Nero is voor mij ná de ‘Bollekes’ en ‘De lustige Kapoentjes’ gekomen. ik vond dat gemakkelijker leesvoer. ik ben altijd een halve autist geweest, ik kan mij niet al te lang concentreren. Een bóék – daar geraak ik niet door. ‘Bolleke’ en ‘De Kapoentjes’, dat waren verhaaltjes van hooguit een bladzijde.»

Sleen «ik heb hem net de herdrukken van de eerste vijf albums cadeau gedaan – uit 1949: zijn geboortejaar! ik heb mij onlangs, toen we die herdrukken aan het voorbereiden waren, nog zitten verwonderen over het werk dat ik toen verzette: ‘De Neus’, ‘Tom en Tony’, ‘Piet Fluwijn’, ‘Stropke en Flopke’, ‘Nero’, op een bepaald moment was ik zeven reeksen tegelijk aan het maken. Voor Het Volk, de Volksmacht, noem het maar op. Zéven reeksen. Tot De Standaard zei: Sleen, doe er nog één, Nero, we betalen u evenveel, en we doen het in kleur! En kwáád dat ze bij Het Volk waren, en processen voeren! Daar werd zwaar strijd om geleverd. Weet u waarom? Het Volk was dértigduizend lezers kwijtgespeeld, in één week tijd, doordat die strip weg was. Er was nog geen televisie en zo: je moet dat in zijn tijd zien.»

Urbanus «Tegenwoordig vragen ze als je met je strip in de krant wil: ‘Wat betaalt ge?’ Dat wordt beschouwd als reclame voor je product, daar moet je voor opleggen.»

Sleen «in die tijd was er nauwelijks verstrooiing voor de mensen. ik weet nog dat mijn moeder speciaal Het laatste Nieuws las voor het feuilleton dat daar instond. Dat was nogal realistisch geschreven, ik mocht het niet lezen van haar, er kwam een man in van vijftig die zijn snor zwart maakte omdat hij met een meisje van vijfentwintig was – vuile manieren. Dan zat ze elke dag ingespannen te lezen: wat zou er morgen gebeuren? Die opwinding! Zo was dat ook met mijn strips: ik bedacht elke dag een spannend einde, zodat de mensen zeiden: wat zou er morgen komen?»

Urbanus «Soms wist jij dat zelf niet, hè?»

Sleen «Dat is waar.»

Urbanus «Sommige van zijn strips hadden veertig bladzijden, andere zevenenzeventig. Het hing van de inspiratie van het moment af.»

Sleen «Er waren ook tijden van papierschaarste, en dan vroegen ze: kunt ge het niet wat korter maken? Stel je voor: je begint aan een verhaal, je komt op stoom... En dan ineens: ‘Ge hebt nog tien stroken om het af te maken.’ Zo ging dat soms. De plot moest nog komen, en ik moest al afronden.»

Urbanus «Dan pakten ze de slechterik van de eerste keer. Als het papier goedkoper was, kon hij nog vijf keer de benen nemen (lacht).»

Sleen «De maandag was altijd het verschrikkelijkst. Dan zat ik voor een wit papier, en daar moest weer voor de hele week op getekend worden. De druppels zweet – néé: bloed – die daar dan op vielen. Het is een beestenstiel geweest, als ik bedenk wat ik allemaal gemaakt heb. ik heb mezelf eigenlijk kapotgetekend. Die reeksen, en dan nog politieke karikaturen, ernstige dingen voor Spectator, rechtbanktekeningen, ik deed alles. ik tekende de rokjes in het damesblad Penelope. Als er nog ergens een half blad open was, riepen ze: ‘Sléééén!’»

Urbanus «En dan nog de koers erbij. De Tour, elk jaar.»

Sleen «Drie weken zwoegen! Vandaag zou dat veel moeilijker zijn, met al die modemannekes die in hun Ferrari naar de start worden gevoerd, maar tóén: die koppen! Die Franse en italiaanse coureurs, afschuwelijke gasten met haakneuzen, hoe lelijk kon je zijn! René Vietto, Pierre Brambilla – die heeft de bolletjestrui nog gewonnen, in ’47. Dat waren geschenken uit de hemel, om te tekenen. Briek Schotte werkte tijdens de winter in de bieten, dat zág je aan hem, en als hij ergens moest koersen, reed hij er met de fiets naartoe. (Stilte) Niettemin: ik heb ooit eens mijn productie van één week op de vloer gelegd, en de living lag vol. Van één week. En dat een heel leven lang.»

Lachen met Links

Urbanus «Ik maak de scenario’s en schetsen voor vier reeksen – ‘urbanus’, ‘De Vernepelingskes’, ‘Mieleke Melleke Mol’ en ‘Plankgas’. Voor de urbanusstrip doet Linthout het meeste werk, anders hield ik het niet vol. Maar ik moet alleen de verhalen bedenken en de krabbels maken. Marc moest het dan nog eens allemaal in inkt zetten.»

Sleen «Je ziet het aan mijn ogen. Aan de wallen. En ik voel het aan mijn hoofd. ik ben nog niet dement, maar ik ben bijna achtentachtig, ik kan niks meer onthouden. ik heb mezelf leeggetekend. ik kan niet meer tekenen, ik beef te veel. ik kan niet meer schrijven.»

Urbanus «Gelukkig heeft hij zijn rijbewijs nog.»

Sleen «ik heb een uur gewerkt aan een voorwoordje voor urbain zijn boek – ‘Aan mijn vriend’ – en toen kon ik toch niet meer op zijn naam komen! Servranckx, juist! En hoe schrijf je dat dan, met ckx?»

Urbanus «Pas maar op, of het is zoals met de vorige paus. Die ging pater Damiaan zalig verklaren, maar hij had het zo slecht gearticuleerd dat hij Saddam Hussein zalig verklaarde (lacht).»

HUMO Mijnheer Sleen, het eerste spoor van Urbanus in uw strips dateert uit 1983: in ‘De terugkeer van Geeraard de Duivel’ zit hij in de hel, samen met Hitler, Arafat, Napoleon en Karel Van Miert.

Sleen «Dat was in de tijd van ‘Bakske vol met stro’. Hoe dat zoveel ophef kon maken!»

HUMO U moest dat van uw werkgever, hè: zoveel mogelijk blauwen, rooien en ketters door de mangel halen? Geeraard de Duivel had in zijn telefoonboekje naast Stalin Camille Huysmans staan.

Sleen «ik werkte voor een katholiek Vlaams dagblad, ik moest reclame maken voor de CVP. En dat deed ik. ik tekende tegen alles wat communistisch, socialistisch en blauw was. Tegen Achiel Van Acker, onze eerste minister toen. Een brave vent, maar hij had een spraakgebrek, hij zei ‘sarbon’, als het ‘charbon’ moest zijn, en daar dreef ik bijna dagelijks de spot mee. ik vond het eigenlijk ellendig, maar ik heb daar aan meegedaan, ja.

»Paul Struye, de minister van justitie die na de oorlog de Vlamingen veroordeelde tot de doodstraf, die tekende ik ook, tot hij mij eens uitnodigde bij hem thuis. ik kreeg daar een diner, fantastisch, opgediend door personeel met witte handschoenen aan. ik was toen juist beginnen te roken en hij was net terug uit Rusland, hij had van die papirosjka’s bij, Russische sigaretten, dat maakte grote indruk op mij, als twintigjarige. Allemaal opdat ik geen karikaturen meer van hem zou maken, en dat heb ik dan ook niet meer gedaan. Ça prenait. En Van Acker deed hetzelfde, hij liet mij zijn kapitale bibliotheek zien, en ik stopte met spotten.»

Urbanus «Erik Meynen ontwijkt dat, hè. Hij probeert zo min mogelijk contact te hebben met die gasten. Van het moment dat je sympathie voor ze krijgt, is het gedaan met het sarcasme.»

Sleen «Dat zijn truken die ook in de handel worden toegepast, in de sport zelfs. Haal de champagne boven, maak vrienden!»

Urbanus «ik kan me voorstellen dat het in die tijd nog wel een andere impact had, als je een spotprent over een politieker maakte. Nu zeggen ze: wij bestaan pas als er met ons gelachen wordt.»

Sleen «Camille Huysmans was woedend op mij. ik tekende hem altijd als de meeuw, met een lange hals, statig en autoritair. Theo Lefèvre gaf ik een nog grotere kin dan hij van zichzelf had, en hij was al niet de knapste. Maar die vroeg: ‘Wanneer kom ik er nog eens in?’ je had mensen die er dol op waren, zelfs al werden ze in hun hemd gezet.»

Urbanus «Nu, we hebben het toch maar allemaal fijn kunnen dóén. Met de islam hoef je het niet te proberen. De katholieke kerk ondergaat dat, die vinden dat niet plezant, die morren even en zeggen hun gedacht, maar die komen uw tong er niet uitsnijden met een bot patattenmeske.»

HUMO Zowel in ‘Nero’ als in ‘Urbanus’ is er altijd geflirt met de grenzen van de politieke correctheid – nu ja, flirten: zonder vragen langs achter.

Sleen «ik ging mijn vrouw eens bezoeken in een ziekenhuis in Brussel, en dan stonden daar de rijen zwangere vrouwen, allemaal zwarte en Marokkaanse, met een rits kinderen aan de hand, en dat tekende ik dan in ‘Nero’, als ik er de kans toe kreeg. Zwaar protest van de vrouwen op de redactie: Sleen is een racist! Een seksist! Ze hingen dat tegen de muur! En dan werd ik op het matje geroepen, ik mocht dat niet meer doen. Geen negers meer.»

HUMO Geen negers meer, of geen negers meer met dikke lippen en een knookje in hun kroeshaar, die hun krant ondersteboven lazen?

Sleen (ernstig) «Dát mocht nog. Omgekeerde kranten mochten nog. De rest niet meer.»

Urbanus «Teken een neger met dikke lippen en je bent een racist, teken er een met een dikke lul en hij is je kameraad.»

Sleen «ik tekende gewoon wat ik zag. liepen er plots Marokkanen op straat, dan bracht ik die in mijn strip. En dat mocht niet.»

Urbanus «Ik vraag mij soms af: als die migranten allemaal Denen, Noren en Zwitsers zouden zijn, die massaal aan ons sociaal vangnet kwamen hangen, dan zouden we toch probleemloos ons gedacht zeggen? Mijn zus werkt in Brussel op zo’n sociale dienst. Daar komen mannen die juist het land binnen zijn: combien de temps dois-je travailler pour pouvoir chômer? Wij hebben het recht om daar niet tevreden over te zijn. En ik ben er zeker van: was het een Zwitser die met zo’n vraag afkwam, we zouden terecht antwoorden: ‘Vriend, zo werkt dat niet’.»

HUMO Maar u bond dus wel in, mijnheer Sleen?

Sleen «Ik begreep het niet altijd. Die vrouwenemancipatie, die bestond in mijn tijd niet. De vrouw, dat was: moeder aan de haard. laatst hadden we bijna een vrouwelijke premier, ik had dat graag gehad want ik vond dat een reuze sympathieke dame. Veel liever dat dan de volgende zeveraar.

»Maar goed: ik geloofde daar ook nog in, dat de vrouw het best is als zij de pot kookt, als zij zorgt voor jou. Nu zijn er veel vrouwen, wier mannen een briefje vinden: ‘uw eten staat in de ijskast’.»

Urbanus «Erger: ‘uw eten staat in het kookboek’.»

Sleen «En de mannen strijken en zo. Oké, dat moeten zij weten. ik heb daar niks tegen. Maar ik heb een andere tijd gekend, en ik heb moeite om mij aan te passen aan de moderne manier van leven, op mijn bijna-achtentachtigste. ik zou dat nooit verdragen hebben, gedomineerd worden door een vrouw, zoals mijn figuurtje Octaaf Keuninck, die als hij wilde gaan kaarten, alle truken moest bovenhalen. ik ben eenenzestig jaar getrouwd geweest met Maddy, mijn engel, die kookte verschrikkelijk goed, dat was een droom van een vrouw. Zij was de eerste aan wie ik mijn tekeningen liet zien. Als zij er mee kon lachen, was het goed.»

(De mosselen zijn daar. Marc Sleen wil zijn slabbetje – ‘Ik mors altijd en ze moeten nog foto’s maken’ – Urbanus: ‘Draai die ventilator een beetje, dan vliegt het in die van de tafel hiernaast hun gezicht’.)


Godfather

HUMO Leest u alle Urbanussen, mijnheer Sleen?

Sleen «Alles. Als hij ze mij geeft, tenminste. ik ben dol op zijn ‘Vernepelingskes’. Mede door het werk van onze grootste tekenaar, Jan Bosschaert, zeker de number one na Franquin. Een grote meneer.»

HUMO En de Urbanusstrip? Sleen «Dat kan er mee door (lacht). Op mijn bureau staat een kalender, met voor iedere maand een andere foto die Katrien gemaakt heeft. ik zit al heel juli naar een foto te kijken van urbain die in mijn armen ligt. ’t is bijna een outing, alsof we verliefd zijn op elkaar. Zo zat als een kanon, natuurlijk. ’t is gelukkig bijna augustus, dan is het er één van mij met de koning, geloof ik.»

HUMO Wie is Katrien?

Sleen «Ze noemt zich mijn levensgezellin. Mijn lief, zeg ik, maar dat woord mag ik niet gebruiken van haar.»

HUMO Is ze van uw leeftijd?

Sleen «Nee. Ze is stukken jonger. Een mooi jong kind van negenenvijftig. Ik ken haar al veertig jaar, we hebben elkaar ontmoet aan de universiteit, toen ze negentien was. We zijn altijd beste vrienden gebleven, mijn vrouw wist ervan. Zij is schitterend. Mijn vrouw was nog schitterender, maar ja, kom – liefde, liefde, wat is liefde? Vriendschap is zeer belangrijk, vooral voor een man die achtentachtig wordt. Genegenheid. Zij is een parel van een vrouw, heel verstandig. Ik kan nog veel leren van haar. Ze reist veel, ze zit constant in Kuala Lumpur en Jakarta, en dan belt ze me elke dag.»

HUMO U hebt uw eerste kind verloren, en bent kinderloos gebleven.

Sleen «Dat was verschrikkelijk. Voor mij, maar vooral voor mijn vrouw.»

HUMO Als u Urbain zijn wemelende nest ziet, wat denkt u dan?

Sleen «Dat is ongelooflijk, hè. Hij heeft een zoon die dan voor mij op de trampoline gaat buitelen en keren, een zware jongen, Loewie, maar Loewie toont wie hij is, hè. Een man uit één stuk. Hoe oud is hij nu? Twaalf?»

Urbanus «Veertieneneenhalf.»

Sleen «Nu is het te laat, en mijn levensgezellin heeft ook geen kinderen. Ik speel iedere week een partijtje schaak met een man zonder benen die een Peruaanse vrouw heeft, en die heeft hem een kind geschonken, een prachtig bazeke met grote ogen, een echte Maya. Als wij zitten te schaken, komt hij naast me staan, hij pakt een stuk op en kijkt naar mij, ik zeg niks, en dan zet hij het terug, maar op de verkeerde plaats. Dat verstrooit mij zo, dat ik vaak verlies – hoewel ik níét zeg dat hij in opdracht van zijn vader handelt (lacht).»

Urbanus «Als je nog had getekend, hadden die twee vast en zeker al een rolletje in Nero gekregen (lacht).»

Sleen «Ik vertroetel hem. Toen dat kleintje was geboren, heb ik hem een pluchen olifant gegeven.»

HUMO Maar u hebt eigenlijk zeer zuinigjes geantwoord op de vraag over de Urbanusstrips.

Sleen «Ik ben enthousiast. Niet over zijn tekeningen, maar als ik zijn schetsen zie, dan zie ik dat hij Sint-Lucas gedaan heeft, en kán tekenen. Urbain en ik zitten op dezelfde golflengte.»

Urbanus «Willy (Linthout) en ik zijn begonnen met Sleen als voorbeeld. Hij is onze godfather.»

Sleen «Noteren, hè! (lacht) Het overkomt mij weleens dat ik een oud album van mij uit de kast pak, en begin te lezen, en me het verhaal niet meer herinner. Dan stel ik met genoegen vast dat ik me echt afvraag wat er gaat gebeuren, dat ik de pagina omdraai en verder wil lezen. Ik heb ze zelf gemaakt! Dat kan toch eigenlijk niet!»

Urbanus «Ik heb dat ook, met oude sketches. Dat ik echt niet meer weet waarover het ging. Ik reed een keer ’s nachts naar huis na een optreden, en op een lokale radio draaiden ze iets van mij, ik zat te láchen – ik begreep voor het eerst hoe zo’n grap een impact kan hebben. Als je ze zelf verzint, voel je de mop doorgaans wel komen.»

Sleen (abrupt) «Maar je mág fier zijn op je werk! Zowel jij als ik. Dat is niet verboden.»

Urbanus «Je kunt van die periodes hebben – twee of drie keer heb ik forfait gegeven toen ik met een lumbago in bed lag – maar al de rest, griep, ellende, familiedrama’s, je móét naar dat optreden. En dan doe je het strikt noodzakelijke, maar dan gaat dat gordijn dicht, en is dat optreden meteen uitgewist.»

HUMO Jullie hebben vast fans die méér over jullie werk weten dan jullie zelf.

Sleen «Ik heb er zo een paar. Yves Kerremans: die weet álles. Een familielid van Roger Moens belde mij eens – u weet wel, die atleet die later bij de politie is gegaan. Ik had hem ooit opgevoerd in één van mijn Nero’s. ‘Kunt u mij zeggen in welk album dat was, mijnheer Sleen?’ vroeg ze. Ik heb gezegd dat ik druk bezig was, dat ik haar zou terugbellen, maar feitelijk wist ik het niet meer. Ik heb toen snel naar Kerremans gebeld, en die zei: ‘Ah ja, Roger Moens, dat was in ‘De Driedubbelgestreepte’, strook 29 tot 32’. En dan belde die vrouw terug, en kon ik uit de losse pols zeggen: ‘Maar mevrouw, dat was toch in ‘De Driedubbelgestreepte’, strook 29 tot 32!’(lacht).»

HUMO Leest u vaak eigen werk?

Sleen «Ik ben daartoe verplicht, als er heruitgaven komen. Ik heb ze allemaal, alle tweehonderdzeventien op een rij, maar de alleroudste, die bekijk ik niet graag. Ik heb mijn hele leven, zoals Hergé, gevochten tegen het heruitbrengen van die eerste albums. Omdat die zo slecht getekend zijn. En toch zijn er nog altijd mensen die zeggen: ‘Oh, die eerste! Die zijn fantastisch!’ Onzin. Dat is jeugdsentiment. Hoe oud was je? Natuurlijk vond je ‘Het Rattenkasteel’ fantastisch. Ik vind dat niet. Ik was twintig jaar toen ik dat tekende.»

Urbanus «Marc, iedereen wil met strips zijn jeugd terugkopen. Je wil terug efkes in dat kamertje zitten, thuis, ma en pa die nog leven, iedereen is nog klein. Als ik nu sommige dingen van ‘Bolleke’ zie, dan weet ik nog precies waar ik was, toen ik dat voor het eerst las.»

Sleen «Maar mijn latere albums, ook dankzij Dirk Stallaert (die vanaf ’92 het tekenen van Sleen overnam, red.), die vind ik allemaal zoveel mooier! Mooie huizen, mooie auto’s! Ik heb nooit de tijd gehad om een auto te tekenen! Een auto bij mij, dat waren vier wielen, en iets erover.»


Gedaan met de pret

HUMO Probeert u zich weleens voor te stellen in hoeveel kinderhoofden u een rol hebt gespeeld?

Sleen «Ik heb miljoenen albums verkocht. Dat maakt mij blij, maar dat is slechts materialisme – dat ik mensen daarmee gelukkig heb gemaakt: dát is fantastisch. Een jaar of tien geleden kwam ik op straat een bevriende dokter tegen, vijfentachtig was die man, en ik zei: ‘Ha, dokter, het doet me genoegen te zien dat u nog altijd De Standaard leest.’ ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘Het eerste wat ik ’s ochtends zoek, is uw strip. En het maakt nog elke keer mijn dag goed.’ Onvoorstelbaar!»

Urbanus «Maar de strips waar jíj van vindt dat ze beter getekend waren, die zullen alweer jeugdsentiment zijn voor kinderen over twintig jaar.»

Sleen «Dat betwijfel ik. Die lezen dat niet meer. Die kijken allemaal tv. Het is gedaan. Je vindt nergens nog ‘Nero’s’. Tot mijn grote ergernis – ik heb het gisteren nog van iemand gehoord.»

Urbanus «Nochtans denk ik dat er vandaag méér strips worden verkocht dan in de jaren zestig en zeventig. Het verschil is dat er toen vier reeksen waren, en nu veertig.»

HUMO Toen vier goede, nu vierendertig slechte. Pulp.

Urbanus «Iedereen die een hit heeft, krijgt nu een strip. Ze zijn bijna allemaal op een hype of een succesvol tv-programma geënt.»

Sleen (ernstig) «’t Is toch een succes, die Kampioenen.»

Urbanus «Wij zijn met ‘Plankgas en Plastronneke’ en ‘Mieleke Melleke Mol’ al vijf jaar aan het vechten om te overleven. Om het rendabel te maken.»

HUMO Wat vinden jullie van F.C. De Kampioenen – de strip?

Urbanus «Zolang het op tv komt, hebben die spin-offs succes. Ik lees er weleens diagonaal door, maar ik heb het al gezegd: ik ben een autist, ik houd het niet lang vol (lachje).»

Sleen (nog ernstiger) «Ze kennen véél bijval.»

HUMO Zou Nero een kans maken, mocht u er nu mee beginnen?

Sleen «Ik heb geen idee. Ik herinner mij dat ik eens samen met de hoofdredacteur van Het Nieuwsblad in de trein zat, tegenover twee werkmannen die de krant aan het lezen waren en zaten te lachen, en die hoofdredacteur zei: ‘Kijk, ze lezen uw strip.’ Het was nog waar ook. Maar nogmaals: toen was er geen tv.»

Urbanus «De televisie heeft het sociale leven kapotgemaakt, zeggen ze. Maar wat wás dat sociale leven? ’s Avonds met een stoel op de stoep, en om de drie kwartier passeerde daar een velo. ‘Wie was dat?’ ‘De Jean van Remi van ’t Klepke’.»

Sleen «‘En hij was precies weer goed zat (lacht).’»

HUMO Is de rol van de strip uitgespeeld?

Sleen «Ik denk het wel.» Urbanus «In Nederland is het bijna afgelopen. Ik zag op de laatste Boekenbeurs Gerrit de Jager (maker van de Familie Doorzon, red.), en die had weinig goeds te vertellen. Ze bekijken een strip daar nu gewoon als een tijdschrift: ze gooien dat ’s maandags in de winkel, en wat op vrijdag niet verkocht is, geven ze mee terug. Dat komt hier ook.»

Sleen «Ik vind het wel bedroevend dat in een gemeente als deze, Hoeilaart, toch hét Nerodorp, geen ‘Nero’ meer te vinden is. Ik heb mij daar al boos over gemaakt.»

HUMO Gaat u zelf, Van Zwamgewijs, op onderzoek uit?

Sleen «Nee. Mijn huishoudster of mijn lief – pardon: gezellin – doen dat weleens. In de enige boekhandel van de gemeente halen ze dan hun schouders op: ‘Mja, we hebben er geen. We kunnen daar niks aan doen.’»

Urbanus «De winkels verhuren nu gewoon hun etablissement: je betaalt hen per vierkante centimeter om je product daar uit te stallen, en als het niet genoeg omzet haalt, zetten ze daar iets anders dat wél marcheert. ‘Wij zijn hier geen voorraadkast,’ zeggen ze.»

HUMO U bent ‘Nero’ meer dan veertig jaar lang zelf blijven tekenen, mijnheer Sleen, terwijl uw collega’s studio’s oprichtten. U bent ook altijd nee blijven zeggen tegen merchandising – dat heeft een internationale doorbraak zeker niet bevorderd. Denkt u nu niet: ik had het anders moeten aanpakken?

Sleen «Nee. Ik heb gewoon nooit het geluk gehad de grote stripbonzen van de wereld tegen het lijf te lopen, de mannen van Tintin en de andere internationale tijdschriften. Zo ben ik bij de krant gebleven, terwijl Hergé op een bepaald moment vijftien tekenaars in dienst had, Edgar Jacobs op kop, één van de grootste talenten die België ooit heeft gehad.»

HUMO U had er genoegen mee, dat het een broodwinning was?

Sleen «Exact. Toen ik in 1944 terugkwam uit het concentratiekamp van Leopoldsburg, droomde ik ervan om kunstschilder te worden. Bij voorkeur in Sint-Martens-Latem (lacht). Goed donker. Mijn moeder vond dat geen goed idee, dat waren armoezaaiers, ik moest maar een stiel leren. En dat werd tekenen.»

HUMO Striptekenaars lijken doorgaans nogal oud te worden.

Sleen (kordaat) «Néé! Ik ben de enige nog levende Vlaamse striptekenaar. En oud? Hergé was zevenenzeventig. Franquin negenenzeventig. Vandersteen zevenenzeventig. Jef Nys tweeëntachtig. Vindt u dat oud? Ik ben bijna negentig. Ik ben de Methusalem.»

HUMO De vraag was eigenlijk: zou het er iets mee te maken hebben, dat jullie speelse, creatieve mensen zijn en blijven...

Sleen «... Ik heb veel meegemaakt. Mijn vrouw is aan alzheimer gestorven. Mijn oudste broer ook. Mijn andere broer had parkinson. De derde is op zijn drieënnegentigste gestorven aan een hartinfarct. Wat er míj te wachten staat, ik weet het niet. Maar ik vecht ertegen. Ik wil niet dement worden, zoals ik het bij al die anderen heb gezien. Ik heb wéér een vriend die er erg aan toe is, hij zit in een instelling, en als ik hem bel, vraagt hij: ‘Wie zijt gij?’ Ik zeg: ‘Man, ik heb naast je in de klas gezeten, jij keek altijd mijn rekenwerk af, en daardoor ben je moeten blijven zitten!’ (lacht). Als je dan ziet hoe die man vroeger teksten uit het hoofd kon opzeggen, volle pagina’s, ongelooflijk.»

HUMO Maar ’t is vast een vak dat je jong houdt, in je hoofd.

Sleen «Het hééft mij jong gehouden. Maar ik ben uitgeput. Als ik nu zie wat er in de politiek allemaal beweegt, zou ik wel nog politieke karikaturen willen maken, maar het gaat niet meer. Ik heb maar één verlangen: rust, kalmte, geen lawaai. Mijn tuin, mijn bomen, mijn bloemen.»

Urbanus «Ik ben nu bezig met een cd voor kinderen, en we mogen van vtmKzoom daar een paar videoclips bij maken. Als ik dan een Amedee en een Nabuko Donosor zit ineen te knutselen voor de opnames, denk ik weleens: ik ben eenenzestig, ik ben blij dat ik nog met zo’n onnozelheden bezig kan zijn. Andere mensen van mijn leeftijd staan daar in ’t dorp tegen een paal.»

Sleen «De ideeën zijn er nog, de lust om ze op papier te zetten niet meer. In het begin ben ik in een zwart gat gevallen, maar daar ben ik al lang doorheen. Ik ben leeg, c’est tout. Ik ben oud en versleten. Ik mis het niet.»

Urbanus «Ik denk dan maar: ik heb een steen verlegd in de rivier. En jij, Marc, hebt geen steen verlegd, jij hebt de rivier verlegd. Bergop (lacht).»

Sleen «Ho! Ho maar!»


Blote negerinnen

Urbanus «Ik ben tien jaar geleden gestopt met optreden, en iedereen vraagt me nog altijd of ik het niet mis. Nee, dus. Ik heb mijn creativiteit in andere zaken gestopt, in strips, in dingen waar ik de huiselijke sfeer niet meer voor hoefde op te offeren.»

Sleen «Ik ben ook jarenlang de baan op geweest met mijn safarivoorstellingen. Ik weet wat dat is, op een podium staan. Ik herinner mij nog een boerenzaaltje in een klein dorp, tegen Roeselare. Met de schaduw van een oude luster op het scherm. Na de voorstelling komt er zo’n meneertje naar mij: ‘Mijnheer Sleen, fantastisch. Echt waar. Maar vorig jaar was het toch schoner. Veel meer blote wijven.’ (lacht). Hij had te weinig dansende negerinnen gezien.»

Urbanus «Ik zat vroeger met mijn vriendjes vaak naar jouw Afrikareportages op de tv te kijken. Dan zaten we altijd te wachten tot jij die éne zin zei: ‘Het is er een waar paradijs voor de ornitholoog.’ Dat was een soort van running gag, bij ons: wanneer zégt hij het? (lacht)»

Sleen «Op het vlak van ornithologie is Urbain mijn evenknie. Nee: hij weet er méér van.»

Urbanus «Marc heeft eens een schilderij gemaakt van Sint-Franciscus met wel honderd vogels om hem heen. Toen ik die allemaal kon opnoemen, is er tussen ons een band ontstaan. Zo zijn we eigenlijk vrienden geworden.»

Sleen «Hij heeft mij eens een paar mozambiquesijsjes cadeau gedaan. ‘Die gaan zìngen, Marc, zíngen!’ Ze hebben nooit hun bek opengetrokken.»

Urbanus «Van die koffer met lokfluitjes heb je meer plezier gehad, hè? Er zitten er wel honderd in, voor elke soort één.»

Sleen «Ik gebruik ze om de uil in mijn tuin te lokken. Dan leg ik een muis klaar, en dan gaat hij met zijn buikje vol dankbaar zitten oehoe’en op de tak bij mijn slaapkamerraam.»

Urbanus «Ik probeer ook altijd goed te zijn voor de dieren, maar ik help ze in al mijn goedheid vaak ongewild het hoekje om. Wij hadden vroeger een schildpad, en in de zomer maakte die het altijd moeilijk om het gras af te rijden, die zat daar ergens en je wist niet waar. Ik had er iets op gevonden: met mastiek had ik een vlaggetje op haar schild gezet, zo kon je altijd zien waar ze zat. Ik was het er alleen vergeten af te halen, en toen het winter werd, raakte ze door dat ding op haar rug de grond niet in. Ze is doodgevroren.»

Sleen «Ik ken nog een goeie vogelmop. Een kerel is op vakantie geweest naar de Canarische Eilanden. Hij was teleurgesteld, vertelt hij tegen zijn vrienden: ‘Er zaten daar geen kanaries.’ ‘Weet ge waar ge volgend jaar moet gaan? Naar de Maagdeneilanden! Daar gaat ge u amuseren!’ maken ze hem wijs. Een jaar later komt hij terug het café binnen. ‘En? Hoe was het op de Maagdeneilanden?’ ‘Slecht,’ antwoordt die man. ‘Daar zaten óók geen kanaries’.»

HUMO Vindt u dat het leven goed voor u geweest is, mijnheer Sleen?

Sleen «Zeer goed. Ik ben enorm tevreden over het leven. Ik wil het best nog eens overdoen, maar dan alleen de goede dingen. Niet toen ik in dat concentratiekamp zat.»

Urbanus «Dat zie je nu zelden, iemand die graag nog eens naar het concentratiekamp zou teruggaan (lacht).»

Sleen «Ik heb tijdens de bezetting in de Nieuwe Wandeling gezeten, in Gent. Van waar Katrien nu woont, op de zesde verdieping aan de Coupure, kijk ik neer op die gevangenis, en dan denk ik: het leven is toch wonderlijk. Hier zit ik, met die mooie vrouw, en daar beneden, daar zat ik zeventig jaar geleden, in de ellende. In ieders leven komen er zware momenten. De pluspunten: die moet je onthouden, die moeten je gelukkig maken. Die miljoenen albums, die me een zekere welstand hebben gebracht, geridderd worden door de koning. (Stilte) Maar over twee jaar is dat gedaan. Ik probeer er niet aan te denken.»

HUMO Over twee jaar?

Sleen «Dan ben ik negentig. Wie wordt er negentig? Ach, ik laat het over mij heen gaan. Ik heb af en toe wat steun nodig, ik moet al eens aan Urbain zijn arm lopen. Dan denkt iedereen: hij is homo geworden! (lacht).»

Urbanus «We denken eraan om de kast tentoon te stellen waar wij uitgekomen zijn (lacht).»

HUMO Nero had het vaak aan de stok met Pietje de Dood. Hij won altijd.

Sleen «Ik vecht ook tegen de dood, maar niet zoals hij. De dood bestaat niet. Noch die man met de baard, noch de duivel, noch de hemel. Als je sterft, ga je zoals alle dieren dood.»

Urbanus «De grootste troost is: als er níks is, na de dood, dan heb je ook niks om je aan te ergeren. Dan kun je niet ontgoocheld zijn, of boos, zo van: ‘Zie, nu ís hier niks!’ Dan is alles weg.»

HUMO Laten we besluiten met één van de mooiste oneliners van Nero: ‘Alles heeft een einde. Behalve een worstje. Dat heeft er twee’.

Sleen «Dat is een héél oud mopje. Dat heb ik in 1929 voor de eerste keer gehoord. Toen ik zeven was.»

Urbanus «Het is waar alles om draait: altijd dat relativeren van de harde werkelijkheid.»

Sleen «Dat is juist. Mijn vriend hier raakt het diepste van de ziel van de humor aan.»

Urbanus «Het is het enige waar mensen naar op zoek zijn: hoe kunnen we de tijd die we hier moeten doorbrengen wat zachter maken?»

Sleen «Laat dát onze verdienste zijn.»

HUMO Bedankt, goede aha! vrienden.



Marc Sleen

Urbanus


Ode aan Marc Sleen - Urbanus


Documentaire over het werk en het leven van Marc Sleen (deel 1)


Documentaire over het werk en het leven van Marc Sleen (deel 2)


Documentaire over het werk en het leven van Marc Sleen (deel 3)


Documentaire over het werk en het leven van Marc Sleen (deel 4)


Documentaire over het werk en het leven van Marc Sleen (deel 5)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234