Ontvoerd, verkracht & verkocht: Shirin was een seksslavin voor IS

Samen met andere ongetrouwde vrouwen en meisjes uit haar dorp werd Shirin meegenomen, verkocht als bruid en gebruikt als seksslavin door IS. In het boek ‘Shirin’ doet het 19-jarige meisje het verhaal van haar leven. Een exclusieve voorpublicatie van 5 fragmenten.

'Man nummer zes heette Ramsi. Als ik lag te kermen, lachte hij'

Sinds een paar maanden woon ik met zestien andere jezidivrouwen in een huis in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. Er zijn ook veel kinderen bij. De jongste is 1,5 jaar; de oudste 43. De eerste tien dagen durfden we de deur niet uit. We waren bang dat we onmiddellijk aangevallen of ontvoerd zouden worden, of dat de mensen ons zouden naroepen: ‘Wat moeten jullie hier!?’ In het begin overheerste de angst alles. We zijn ondergebracht op een afgelegen plek, in een klein dorp aan de rand van een bos.

Elke dag praten de meisjes en vrouwen over wat er is gebeurd. En wanneer ik hun vraag om op te houden – ‘Ik wil het niet horen’ – gaan ze toch door. Allemaal willen we de verschrikkingen vergeten, maar dat gaat niet. We moeten er de hele tijd aan denken. Het lijkt wel alsof we geen controle meer hebben over wat er in ons hoofd gebeurt.

Sommigen van ons slepen gewoon te veel ballast uit hun gevangenschap bij IS mee. Zo is er een 3-jarig jongetje in de groep dat ons bijt en knijpt en zijn speelgoed kapottrapt. Zijn moeder heeft de kracht niet meer om zijn agressie in toom te houden. Vaak staart ze met een lege blik naar de muur. Zodra het jongetje het woord ‘gebed’ hoort, werpt hij zich op moslimwijze op de grond om te bidden en begint hij Koranteksten te mompelen.

Er zijn in dit huis evenveel verhalen als meisjes. Ze vertellen allemaal wat hun is overkomen, wat ze hebben gezien of meegemaakt. Over gevangenen die levend zijn verbrand. Over borsten die werden afgesneden of over zwangere vrouwen van wie de buik werd opengereten. Ze vertellen hoelang ze in slavernij hebben geleefd of hoeveel familieleden ze hebben verloren. Dat is moeilijk te verdragen. Wij hebben het overleefd, maar het voelt voortdurend alsof we dood zijn.

De eerste dagen in Duitsland ging het vreemd genoeg nog veel slechter met me dan in Irak. Ik besefte niet hoeveel de afgelopen maanden van me hadden geëist. In de vluchtelingenkampen in Noord-Irak heb ik zelfs meegeholpen bij een Duitse hulporganisatie, maar toen ik hier tot rust kwam, voelde ik me vanbinnen verdoofd. Alsof ik door een droomwereld wandelde en niet echt bestond. Op zulke momenten droom ik dat mijn hele familie uit de klauwen van die moordenaarsbende wordt bevrijd. Maar ik weet maar al te goed dat het niet zal gebeuren omdat sommigen allang zijn vermoord.

’s Nachts val ik pas heel laat in slaap en tussendoor word ik vaak wakker. ’s Morgens ben ik om zes uur alweer op de been, hoewel ik hondsmoe ben. Volgens mijn huisgenootjes praat en schreeuw ik hardop in mijn slaap. Ze zeggen dat ze daar wakker van worden en dat ze erg schrikken van mijn woorden.

Uiterlijk zie je niets aan mij. Oké, mijn haar valt uit, maar dat hebben we bijna allemaal. Kastanjebruine lokken, met bossen tegelijk. Dat komt door de stress, heeft een arts ons uitgelegd. Hoewel ik pijn heb, mankeert me lichamelijk niets. Alleen psychisch ben ik erg labiel.

Voor de meisjes in het huis beheers ik me. Dat probeer ik tenminste. Verder doe ik mijn best om hen te steunen en moed in te spreken. Als ik huil, zorg ik er voor dat niemand het ziet. Maar soms merk ik niet eens dat de tranen over mijn wangen lopen. Ik ben me er helemaal niet van bewust dat alle onverdraaglijke herinneringen op zo’n moment weer bovenkomen.

Eén van mijn huisgenootjes heeft een nichtje dat net als mijn kleine zusje 9 is en in handen van IS-strijders is gevallen. Niet zo lang geleden zei ze in een kringgesprek: ‘Vrouwen en meisjes die nu nog gevangenzitten, kunnen maar beter dood zijn.’ Toen heb ik gezegd: ‘Oké, als ze niet kunnen ontsnappen, is de dood het allerbeste. Maar, geloof me, als ze vrij zijn, dan willen ze weer leven.’ Helaas lukt het me niet altijd om mijn eigen raad op te volgen.


De overval

Om zeven uur ’s ochtends doken ze ineens op. In een grote stofwolk rolde een konvooi witte pick-ups en beige jeeps, waarschijnlijk terreinwagens die ooit van de Amerikanen waren geweest, ons dorp binnen. Wij waren nog in nachthemd. Vader was hoog in het noorden van Koerdistan op reis voor zijn werk. Dat heeft zijn leven gered.

Natuurlijk zagen we direct dat het een invasie was, maar echt begrijpen deden we het niet. Moeder schudde peinzend haar hoofd. ‘Er zal heus niets ergs gebeuren.’ Per slot van rekening waren wij geen gehate sjiieten. Wij waren slechts jezidi’s die ze wilden kunnen controleren.

Haastig trokken we een lange rok aan over onze nachtkledij. Zo gingen we de straat op. We staarden naar de binnentrekkende strijders. Ze zwaaiden met hun zwarte vlaggen met daarop witte Arabische letters. De eerste gezichten in de voorbijrijdende voertuigen kenden we heel goed. Handwerkers, onderwijzers of artsen, al onze Arabische buren bleken zich bij IS te hebben aangesloten. Ze droegen zelfs IS-gewaden: typische overhemden tot op de knie en wijde broeken die de enkels vrijlieten. Moeder was zichtbaar opgelucht. ‘Als onze vrienden erbij zitten, kan ons niets gebeuren.’

Maar na hen kwamen mannen die we niet kenden. Ongegeneerd bekeken ze ons, vrouwen en meisjes, van top tot teen. Ze lachten er heel smerig bij. Hun aanblik wekte angst en afgrijzen op, ook omdat hun baarden zo lang en onverzorgd waren. De vrouwen, meisjes en kinderen vluchtten direct achter de beschermende muren van hun huizen, geen enkele vrouw waagde zich nog op straat.

'Als ik huil, zorg ik er voor dat niemand het ziet. Maar soms merk ik niet eens dat de tranen over mijn wangen lopen'

Via luidsprekers verzekerden onze buren ons ervan dat we niets te vrezen hadden, zolang we ons rustig hielden. ‘We zijn allemaal broeders en zusters...’ Ze reden langzaam met een auto door het dorp terwijl ze beurtelings islamitische gebeden opzegden. Hun taal klonk ons vertrouwd in de oren. Tenslotte hadden we die van onze Arabische vrienden geleerd wanneer we samen op straat speelden. We geloofden wat ze zeiden.

Mijn mobiel rinkelde. Het was mijn vriend Telim. Hij klonk geheel buiten adem. IS-aanhangers waren zijn dorp binnengevallen. Ze hadden de dorpsbewoners gezegd dat ze niet bang hoefden te zijn. Mijn vriend sprak aan één stuk door. Hij was erin geslaagd met zijn familie de bergen in te vluchten. ‘Ze liegen! Ze doden de mannen en ze nemen de vrouwen en meisjes mee. Maak dat je wegkomt! Ze komen ook bij jullie! Maak alsjeblieft dat je wegkomt!’ Even abrupt als het gesprek begonnen was, hield het ook weer op. Verward hield ik de telefoon nog even aan mijn oor. Dat waren toch onze buren daarbuiten? We waren zo blind. We zagen het gevaar niet.


Gevangenschap

Op het schoolplein moest ik met zeven andere meisjes in een rij gaan staan. De IS-milities maakten ons uit voor uilskuikens en zeiden dat we per direct als moslims moesten bidden. ‘Wij maken goede moslima’s van jullie,’ benadrukte mijn oude leraar. Maar we stribbelden allemaal tegen. ‘Dat doen we niet!’ zei ik. ‘Nooit,’ vulde een ander meisje aan.

Resoluut pakten de IS-milities ons toen één voor één bij de haren, schouders of armen en sleepten ons als zakken achter zich aan door het zand. Wij verzetten ons, schopten om ons heen en schreeuwden. Met hun laarzen trapten ze ons in de buik en met hun handen sloegen ze op onze hoofden. Ik spuugde zand uit mijn mond. De volgende schop joeg me weer overeind.

Wankelend liepen we terug naar het schoolgebouw. Voor het eerst in mijn leven had iemand geweld tegen mij gebruikt. Ik heb me even niet meer de dochter van mijn ouders gevoeld. Zo vernederd was ik.

We moesten in het klaslokaal blijven tot de bus zou terugkeren om ons op te halen. ‘We brengen jullie bij de andere jezidimeisjes,’ zei één van de bewakers. Maar we hadden er geen idee van waar dat was. Toen hij naar buiten ging, deed hij de deur achter zich op slot. Vluchtig bekeek ik de andere meisjes. De één zat vol schrammen, de ander had een blauw oog. En allemaal zaten we onder het stof.

Wij waren zo naïef. We gingen ervan uit dat we naar een plek werden gebracht waar ze ons uit de Koran zouden voorlezen en islamitische gebeden zouden leren. Daarna zouden ze ons terugsturen naar onze moeders. De busrit eindigde in Tal Afar voor een heel hoog, breed gebouw.

Binnen in de hal zaten vrouwen en meisjes op matrassen op de vloer. Een bebaarde oppasser hield de afgesloten deur onafgebroken in het oog. Ongeduldig stelde ik de andere meisjes de ene na de andere vraag: ‘Hoe gaat het met jullie? Wat is er met jullie gebeurd?’ Veel meisjes reageerden nogal kortaf en geïrriteerd: ‘Waarom vragen jullie wat er hier is gebeurd? Waarom vragen jullie hoe het met ons gaat?’ Een paar dagen geleden zat deze hal nog vol meisjes. Elke avond kwamen ze er een paar halen.

Het licht in de hal brandde dag en nacht, maar ’s avonds was ik zo uitgeput dat ik toch in slaap viel. Ineens pakte iemand mijn schouder en schudde me wakker. Geschrokken ging ik rechtop zitten en ik keek in het gerimpelde gezicht van een oude Turkmeen. ‘Hoe heet je?’ vroeg hij in het Arabisch. Het was een kleine dikke man, met kort grijs haar en een lange grijze baard. In een reflex deinsde ik achteruit en antwoordde in het Kurmançi: ‘Ik spreek geen Arabisch, ik heb een tolk nodig.’ Een minuut later hadden ze er al iemand bij gehaald die mijn dialect kende.

‘Hoe heet je?’ informeerde de Koerdische tolk. ‘Ik heet Shirin.’ ‘Hoe oud ben je?’ ‘Ik ben 25.’ ‘Ben je naar school geweest?’ ‘Nee.’ ‘Wil je met hem trouwen?’ Ik maakte een afwerend gebaar, alsof ik een lastige vlieg wilde verjagen. ‘Waarom zou ik met hem trouwen? Dat wil ik absoluut niet.’ ‘Wil je moslima worden?’ ‘Nee, ik ben jezidi en ik blijf jezidi.’ Ongeduldig mengde de Turkmeen zich in het gesprek: ‘Als ze niet wil, kom ik morgen terug en dan dwing ik haar om mee te gaan.’


Verkocht

Om verder te leven, moet je kunnen vergeten. Maar sommige dingen kun je nooit vergeten. Het huis in Tal Afar was geen bordeel in de gebruikelijke zin, want iedere man die daar kwam, had een meisje gekocht dat uitsluitend voor hem was. Het waren allemaal Turkmenen. ’s Avonds gingen ze naar hun huisgezin, maar als ze zin hadden in hun meisje kwamen ze naar ons huis om zich op ons af te reageren. Ze droegen allemaal een trouwring.

Eerst stuurde mijn koper, die Abu Saleh heette, de andere meisjes weg. Eén van hen had hem verklapt dat ik nog onberoerd was.‘Ik ga je nu ontmaagden,’ verduidelijkte hij mij in zijn kamer.

‘Kom nu!’ beval hij. In zijn kamer kleedde hij me helemaal uit en gooide me op bed. Ik schaamde me vreselijk om daar spiernaakt in bijzijn van een vreemde te liggen. Met zijn beide handen drukte hij mijn benen uit elkaar. Ik voelde hoe hij naar binnen probeerde te dringen. Maar het lukte hem niet omdat ik helemaal verkrampt was en van onderen wel uitgedroogd leek. Ondanks veel geweld wist hij niet bij mij binnen te komen. Voortdurend riep hij: ‘Relax, relax toch eens!’ Als een plank zo stijf lag ik erbij. Omdat het hem van voren niet lukte, draaide hij me gewoon om en verkrachtte hij me anaal. Toen hij klaar was, liet hij me, hard huilend, op bed achter. Hij was niet tevreden omdat hij me niet had weten te ontmaagden. Knorrig gooide hij de deur achter zich dicht. Ik moest me gaan douchen en dan terugkomen.

Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een man naakt had gezien. De gebeurtenissen van die dag hebben bij mij zulke gevoelens van weerzin achtergelaten dat ik niet eens meer zonder bijgedachten naar mijn eigen vader kan kijken. Urenlang stond ik onder de douche. De meisjes hebben me getroost door dicht tegen mij aan te slapen. Ze zeiden alleen maar: ‘Wij kunnen je niet helpen. Je moet het over je heen laten komen.’ ’s Nachts stond ik verschillende keren op om nog eens mijn tanden te poetsen. Maar de vieze smaak bleef.

Als er rond het middaguur geklopt werd, wisten we dat het eten er was. Dan waren we niet bang. Maar als we ’s nachts geluid hoorden, begonnen we allemaal te trillen. Tot het uiterste gespannen luisterde ik dan of ik iets kon horen in de hal. De stappen werden luider. Naast mij lag een meisje moeizaam te ademen. Ik klampte me vast aan de deken en wenste dat ik dood was. Tot ik merkte dat het voor een ander was. ‘Niet mijn beurt vandaag!’ Opluchting en diep uitademen. In plaats daarvan moest één van mijn vriendinnen lijden. In het begin kon ik de pijnkreten van de andere meisjes nauwelijks verdragen. Ik voelde me zo hulpeloos in het donker. Eenzaam. Verlaten. Maar langzamerhand werden zelfs die kreten gewoon. Ik kon toch niet helpen. We konden niets voor elkaar doen. We zaten allemaal in dezelfde uitzichtloze toestand.


Van de één naar de ander

Abu Mustafa had een hoge positie bij IS. Van al mijn verkrachters was hij de oudste. Een grijsharige man van ongeveer 60 jaar. Van hem raakte ik in verwachting. Hij woonde in een buitenwijk van Tal Afar. Soms moest ik twee dagen lang tot zijn beschikking staan. Als een lijk lag ik dan onder hem. Hij was anders dan de anderen. Hij sloeg me niet. Hij had zelfs vriendelijke woorden voor me over. Misschien waren de oudere mannen wel minder ruw dan jongere, omdat ze zelf al kinderen hadden, hun eigen dochters hadden zien opgroeien.

Toen de oude Abu Mustafa een nieuwe jonge jezidische kocht, gaf hij mij door. Na hem kwam man nummer zes. Hij heette Ramsi. Drie dagen lang was ik overgeleverd aan zijn nukken. Weer het oude liedje. ’s Ochtends haalde hij me op en ’s avonds zette hij me af.

Bij mijn weten kwam deze IS-strijder oorspronkelijk uit Mosoel, maar was hij gestationeerd in Tal Afar. Een lange magere vent. Decadent, genotverslaafd en moreel verlopen. Kleine oogjes, lange haren. Ramsi was 33. Deze man dacht alleen maar aan zijn eigen pleziertjes. Hij was voortdurend aan het spotten en moest constant lachen, alsof hij onder de drugs zat.

Ook deze vent woonde in een schitterend huis dat ooit had toebehoord aan een sjiiet. Het was een verzamelplaats voor diverse activiteiten van IS. In één van de ruimtes kregen de strijders bijvoorbeeld hun geld uitbetaald. De kamers werden ook gebruikt om jezidische vrouwen en meisjes te verkrachten.

'Voor het eerst in mijn leven had iemand geweld tegen mij gebruikt. Ik heb me even niet meer de dochter van mijn ouders gevoeld. Zo vernederd was ik'

Als ik lag te kermen, lachte hij. Als ik te hard schreeuwde, sloeg hij. Tweemaal heeft hij me anaal verkracht. Maar ik was niet meer bang. Ik was al zo vaak bang geweest dat er vrijwel geen angst meer over was. Misschien begon ik daarom een discussie over religie met Ramsi. ‘Wat je ook met me doet, ik blijf toch jezidi!’ Ik had de martelingen van die mannen lang genoeg zwijgend over mij heen laten gaan. En omdat ik had gezien en ondervonden hoe zij vrouwen behandelden, ging ik nog meer van mijn eigen geloof houden. ‘Ik heb jullie regels, jullie religie en de manier waarop jullie met meisjes omgaan, leren kennen. Nooit word ik moslima!’ Met een verstoord gezicht hoorde Ramsi me aan, terwijl hij een wegwerpgebaar maakte. ‘Voor jou is het jezidisme dood, je bent moslima. Of je dat nu wil of niet.’

Mijn gedachten werden steeds somberder. Hoorden wij meisjes nog wel tot de gemeenschap waarbinnen wij geboren waren? Hoorde een jezidische vrouw na seks met een niet-jezidi nog wel bij de groep? Geen enkele jezidi zou mij nog willen trouwen.

Na mijn discussie met Ramsi, wilde hij me niet meer zien. Maar in Duitsland kreeg ik hem ongewild nog een keer onder ogen. Een jezidische kennis liet me een paar video’s van beruchte IS-soldaten zien. IS zit op vrijwel alle sociale netwerken, of het nu Twitter, Facebook of YouTube is. ‘Ken je die mannen?’ vroeg hij. Ik voelde me misselijk worden. Eén van hen was Ramsi.

Op de video is te zien hoe een klein blond meisje van een jaar of 8 op een bijeenkomst gedwongen wordt om met een microfoon in haar hand een Arabisch lied te zingen. Met angst op haar gezicht, maar heel dapper zingt ze het lied, terwijl een heleboel IS-strijders in een grote kring om haar heen zitten. Op de schouder van het jezidische meisje rust de hand van de presentator. Die hand is van Ramsi. Hij staat naast haar en in zijn andere hand heeft hij een microfoon. En dan begint het meisje hartverscheurend te huilen. Ramsi lacht. ‘Je hoeft toch niet bang te zijn. Vandaag is toch onze huwelijksdag.’ Kennelijk was de bijeenkomst een bruiloft.

Voor zover ik weet is Ramsi inmiddels dood.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234