Onze man bij de vluchtelingen op Lesbos

Ik ben op het Griekse eiland Lesbos, en op mijn wang zal nog de hele dag het dank u van een kleine Syrische vluchteling blijven gloeien.

'Ik ga mee het water in, roep luid dat baby's en kinderen éérst aan land moeten, en meteen wordt me een klein meisje in de armen gedrukt'

Meer dan 200.000 vluchtelingen – Syriërs, maar ook Irakezen, Afghanen, Pakistanen, Somaliërs en Eritreeërs – maakten al de oversteek van Turkije naar Lesbos. Daar nemen ze de ferry naar Athene, om vervolgens verder te reizen naar een onzekere toekomst in Europa. Het veranderde Lesbos, een eiland van zo’n 100.000 inwoners, in een plaats waar leven en dood een massaspektakel opvoeren, en waar euforie door wanhoop wordt afgelost.


Landing op Lesbos

Zondag, zes uur – de zon heeft nog veel te veroveren op de nacht. Nauwelijks heb ik aan de luchthaven van Mytilini de taxichauffeur uitgelegd dat ik voor een reportage over de vluchtelingenstroom kom, of hij vertraagt al ter hoogte van een donker stukje kuststrook: ‘Look there.’ De koplampen van een politiecombi onthullen een veertigtal vluchtelingen in een kloeke roeiboot, peddelend richting strand. In de motoriek van de agenten lees ik dat dit business as usual is – met verveelde ernst helpen ze de vluchtelingen uit het bootje, als vissers die plichtsgetrouw hun goudbrasem en zwaardvis uit de netten schudden.

In de haven van Mytilini heb ik afgesproken met Martine Dumoulin, een Vlaamse van 57 die lang verpleegster was, en nu een bed and breakfast runt in Zuid-Afrika. In september was ze hier twee weken als vrijwilliger, nu keert ze voor enkele dagen terug om opnieuw wonden te stelpen en gezichten aan een lach te helpen. ‘Ik was nog nooit op Lesbos geweest, maar ik hoorde de verschrikkelijke verhalen over de toestroom van al die vluchtelingen, en ik wilde iets betekenen voor hen. Mijn ervaring als verpleegster leek me nuttig. Ik sloot me niet aan bij één van de ngo’s die hier actief zijn, of bij een vrijwilligerscollectief – liever deed ik het in mijn eentje. Ik werkte vooral in de haven, waar de vluchtelingen de ferry naar Athene nemen.’

We stappen in een huurauto en rijden door de haven, en overal zie ik mannen, vrouwen en kinderen op straat slapen. Families houden onder een deken de blote hemel zo ver mogelijk weg, hier en daar zijn vuurtjes gestookt, sommigen hebben een tent opgezet. ‘In september was het nog veel erger,’ zegt Martine als ze mijn beduusde blik ziet. ‘Toen was er echt geen doorkomen aan. Elke dag deed ik meermaals mijn ronde. Vluchtelingen aanspreken, medische zorg verlenen waar nodig. En vooral: mensen een hart onder de riem steken.’

We rijden langs de kustlijn naar het noorden van het eiland, waar de meeste boten aankomen. De stranden zijn bezaaid met treurige afvalbergen: lekke bootjes, duizenden oranje reddingsvesten, door zout zeewater aangevreten kleren, speelgoed, stencils met basiszinnetjes Engels.

Voortdurend kruisen we groepjes vluchtelingen die te voet de tocht van het noorden naar Mytilini maken: afhankelijk van waar ze precies aan land gekomen zijn vijftig, zestig of zeventig kilometer door de ruwe bergen van Lesbos. ‘In principe zijn er bussen, maar het is vaak onduidelijk of en wanneer die komen.’

Hoe dieper noordwaarts, hoe meer vluchtelingen bij wie het zeewater uit de kleren drupt – dat betekent dus dat ze net aangekomen zijn. ‘Dit wordt een drukke dag,’ fluistert Martine. Ik zie een oude vrouw met bedeesde passen haar weg bergop zoeken met een klein meisje op haar rug. Dan ben je dus 70 geworden, hoop je dat het leven je nog een milde epiloog gunt, en zie je jezelf vervolgens honderden kilometers van huis met je kleinkind op je krakende rug over nieuwe grond kreunen.

Het is kwart voor negen als we op zee een bootje spotten. De auto gaat bruusk aan de kant, we schuiven een hellinkje naar het strand af en wuiven naar de naderende vluchtelingen. Er stopt een auto met Spaanse lifeguards, even later arriveert een bestelwagen van de Nederlandse Stichting Bootvluchteling: het wordt meteen duidelijk dat de vrijwilligers en hulporganisaties hier, over de taalgrenzen heen, de kunst van het efficiënt sms’en beheersen. Het bootje wijkt intussen stevig van zijn koers af, we moeten terug naar de auto en jakkeren over de onverharde weg, enkele honderden meters verder. De vrijwilligers gaan kniehoog het water in, roepen dat de vluchtelingen de motor moeten afzetten, en dan gaat het razendsnel: in vijf minuten is het veertigtal geëvacueerd. Baby’s worden doorgegeven, vrouwen ondersteund, mannen bij de arm gepakt. Ik spot euforie: jonge mannen juichen, er worden selfies gemaakt, kinderen krijgen een tedere omhelzing.

‘Een zachte landing,’ besluit Martine. ‘Geen zieken of gewonden, iedereen vlotjes aan land.’ De vluchtelingen wordt de weg gewezen naar een klein kamp in de buurt waar ze soep kunnen drinken, de vrijwilligers haasten zich alweer naar een volgende arrival. Hetzelfde scenario, hetzelfde resultaat: iedereen veilig aan land. Ik praat met Mouneer (58) en Maha (57), en hun dochter Oula (21). Ze komen uit Damascus.

Mouneer «Het was onze tweede poging. Bij de eerste liep het halverwege mis: de motor begaf het, we dobberden stuurloos rond en werden uiteindelijk door de Turkse zeevaartpolitie weer naar het vertrekpunt gestuurd.»

Maar nu is het dus wel gelukt, en kunnen ze openlijk dromen van Duitsland.

'Martine Dumoulin (rechts) heeft een B&B in Zuid-Afrika, maar komt op Lesbos helpen als vrijwilliger. 'Ik wilde iets betekenen voor die vluchtelingen, en mijn ervaring als verpleegster leek me nuttig.'

Maha «Onze twee zonen wonen daar al een jaar. We bellen elke dag, maar dat is toch niet hetzelfde: een moeder moet haar zonen kunnen vastpakken.»

Mouneer «Ze studeren er nu Duits om zo makkelijker een job te vinden. Het is de bedoeling dat we er zes maanden blijven. Daarna willen we naar de Verenigde Staten.»

Om daar hun hoogstpersoonlijke American dream vorm te geven? Mouneer schudt beslist het hoofd.

Mouneer «Ook daar willen we niet langer dan zes maanden blijven. We zijn geen armoezaaiers, weet u: financieel hebben we het goed. Het is niet de bedoeling om ons blijvend ergens anders te vestigen: we willen terug naar Damascus. Wanneer die verdomde oorlog daar voorbij is, tenminste.»

Oula mengt zich in het gesprek.

Oula «Ik heb maar één droom: dat Bashar al-Assad verdwijnt. Maar ik huil elke dag om wat ik achtergelaten heb: mijn kamer, mijn autootje, mijn vrienden, mijn herinneringen.»

Mouneer «Veel vrienden van ons zijn in een gevangenis van het regime beland – geen idee of ze nog leven. We willen weer waardigheid: dáárom zijn we gevlucht.»


Babyblues

De lucht is helder, en turend over het zeeoppervlak tellen we nog een vijftal bootjes die op komst zijn. De Turkse kust is goed zichtbaar: de afstand bedraagt hier maar een kilometer of tien – wat meteen ook de populariteit van deze route verklaart.

Bij de volgende aankomst besluit ik om niet langer passief toe te kijken. Ik ga mee het water in, roep luid dat baby’s en kinderen éérst aan land moeten, en meteen wordt me een klein meisje in de armen gedrukt. Voorzichtig draag ik haar het strand op. ‘You’re safe now’: dat zinnetje blijf ik als een sussend refreintje herhalen – redelijk onnozel, aangezien het kind alweer nieuwsgierig ronddribbelt en de kans dat een Syrisch meisje van 5 Engels als de lingua franca beschouwt, eerder klein is.

Tot ver na de middag blijven we hollen en rijden – uiteindelijk helpen we een tiental bootjes aan land. Ik schrik als een vrouw die ik uit een bootje loods, angstig naar haar bolle buik gebaart: ‘Baby, baby.’ Ik deel high fives uit aan euforische pubers. Ik doe mijn best om huilende kinderen snel weer met hun ouders te herenigen. En ik probeer aan de gezichten af te lezen wie Syriër is, en wie Afghaan, en wie Irakees.

Niet iedereen stapt gezond dit nieuwe land binnen. De gammele huurauto wordt een noodhospitaaltje voor een man die met een volledig ontstoken oog uit een boot komt. Etter heeft in en rond zijn oogkas een plakkerige tekening gemaakt. Hij krijgt de eerste zorgen – zijn oog wordt gespoeld, hij neemt dankbaar een pijnstiller aan – en wordt dan in een bestelwagen van de Stichting Bootvluchteling naar een plek vervoerd waar hij antibiotica kan krijgen. Meer paniek is er wanneer een man neerstuikt en het bewustzijn verliest. Zijn moeder valt op haar oude knieën en wijkt niet van zijn zij. Druk gebarend legt ze uit dat haar zoon al verschillende keren heeft overgegeven, en een vreselijke pijn in de buikstreek moet verdragen. ‘Appendicitis,’ luidt de eerste gok van de verpleger die zich minutenlang over hem buigt. ‘Water op de longen,’ is de conclusie na verder onderzoek. Ook hij wordt weggevoerd.

'Als de vluchtelingen geland zijn, ontmantelen inwoners van Lesbos de bootjes en verkopen ze de bruikbare onderdelen in Turkije.'

Pas enkele uren ben ik op Lesbos, en de statistieken – duizend tot drieduizend nieuwe vluchtelingen per dag – hebben nu al bloed en adem gekregen.


Bodybag, klein formaat

De volgende dag ga ik naar Molyvos, ook in het noorden van het eiland. Onderweg kruis ik meerdere bussen die de vluchtelingen naar de kampen in de buurt van Mytilini vervoeren. Het is makkelijk uit te maken welke de gewone eilandbussen zijn, en welke die voor de vluchtelingen: gewoon checken of de chauffeur een mondmaskertje draagt.

Het voelt vreemd om in Molyvos te zijn, want hier heb ik de afgelopen zomers twee vakanties doorgemaakt op het snijpunt van schoonheid en achteloze joie de vivre. Ik praat met Patric Mansour, een Zweeds-Libanese protection officer van UNHCR – de VN-vluchtelingenorganisatie. Hij was bij de tsunami in 2004, bij conflicten en oorlogen in Pakistan, Libanon, Darfur, Tunesië, Syrië en Jordanië. En voor hij naar Lesbos kwam, hielp hij in Sierra Leone bij het bestrijden van de ebola-epidemie. Het type, kortom, dat niet vaak voor het avondeten thuis is. Mansour meet en bestudeert hier de arrivals, coördineert de hulpverlening, zoekt technische oplossingen voor allerhande problemen, overziet de vluchtelingenkampen op het eiland. En hij bekommert zich om de vulnerable cases: niet-begeleide minderjarigen, families die op Turkse bodem uit elkaar gerukt werden en hier herenigd moeten worden, mensen die hun rolstoel niet mochten meenemen in de boot. En: de doden en hun nabestaanden.

'Ik heb grote, gespierde bonken van de Griekse politie zien huilen toen er een bodybag binnenkwam en het een klein formaat bleek' Patric Mansour, protection officer UNHCR

Ik vertel Mansour – een integere, bevlogen man – over het gesprek dat ik gisteravond in een café in Mytilini heb afgeluisterd. Twee gluiperige types deden zaakjes. Het ging niet over drugs of wapens, wel over motoren en andere onderdelen van de vluchtelingenbootjes.

Patric Mansour (knikt) «Je hebt vast the sharks al opgemerkt? Inwoners van het eiland die, net nadat de laatste vluchteling uit zo’n bootje is gestapt, alle nog bruikbare onderdelen recupereren, met de motor als pronkstuk. Die worden vervolgens verkocht en gaan weer naar Turkije, om daar opnieuw gebruikt te worden in de bootjes.»

Uit verlies valt veel winst te puren. In Mytilini is het toeristische hoogseizoen voorbij, maar de hotels zitten er nog steeds vol, en de supermarkten afficheren er in het Arabisch. Al is dat soort handelsgeest natuurlijk niet te vergelijken met het cynische parasietenwerk van de smokkelaars.

Mansour «Nog niet zo lang geleden stierf een vrouw net voor ze in een boot zou stappen. De smokkelaars waren onverzettelijk: ze moest mee. Kun je je dat voorstellen? De hele familie met het lijk in een bootje op de Egeïsche Zee. Hoe kun je dan ooit verder met je leven?

'Nog niet zo lang geleden stierf een vrouw net voor ze in een boot zou stappen. De smokkelaars waren onverzettelijk: ze moest mee' Patric Mansour, protection officer UNHCR

»Het is een miljoenenbusiness. Smokkelaars zijn mensen zonder geweten, zonder waardigheid. Als je zestig mensen in een bootje stopt dat gemaakt is voor tien mensen, dan ben je een crimineel. Ook al haalt de meerderheid de overkant, er vállen doden.»

In de hele Middellandse Zee zijn volgens UNHCR het afgelopen jaar 3.000 mensen verdronken, waarvan 112 voor de Griekse kust.

Mansour «Als je ’s nachts met zeventig mensen op volle zee in een dinghy zit die gemaakt is om met een man of tien erin rustig op een meer te dobberen, dan is dat gevaarlijk. Maar veel vluchtelingen schatten dat risico anders in dan westerlingen. Syrië heeft wel een kuststreek, maar toch kunnen ze er vaak niet zwemmen – de klassieke zwemlessen zoals wij ze kennen, bestaan daar niet. Afghanen weten al helemaal niet wat een zee kan aanrichten. En ze dragen wel allemaal reddingsvesten, maar de meeste daarvan zijn waardeloos.

»De smokkelaars maken de vluchtelingen wijs dat er genoeg brandstof in de tank zit om desnoods tot Kreta te varen – een leugen. En zelfs áls er genoeg brandstof is, verandert dat niets aan het feit dat 30 pk 5.000 kilogram moet aandrijven – want zoveel weegt zo’n met mensen en bagage volgepakt bootje. Dat doodt een motor. Vaak valt die in het midden van de overtocht uit en moeten de vluchtelingen hopen dat de coastguard hen komt redden.»

Enkele dagen voor ons gesprek voltrokken zich nog twee tragedies waarbij twaalf mensen stierven – ook baby’s en kinderen.

Mansour «Een ouderpaar verloor drie kinderen, en bij een andere drama kwam één kindje om en overleefde het andere. De coastguard vond het lijkje in zee en bracht foto’s mee voor de identificatie. Maar de familie wilde absoluut naar het mortuarium om 100 procent zeker te zijn dat het hun dochter was. Ik ben meegegaan. Er staat nergens geschreven dat ik dat moet doen, maar het was gewoon nódig. Je kunt op zo’n moment niet zeggen: ‘Zo, ik heb mijn werk gedaan, zoek het nu maar verder uit.’ Dan laat je mensen fundamenteel in de steek. Maar het is heartbreaking. Voor iedereen die ermee in aanraking komt: ik heb grote, gespierde bonken van de Griekse politie zien huilen toen er een bodybag binnenkwam en het een klein formaat bleek.»

En toch blijven de vluchtelingen massaal komen, mét baby’s en kleine kinderen. Twee dagen geleden beviel een vrouw zelfs net na de oversteek, op het strand. In het ziekenhuis van Mytilini hoorde ik dat moeder en zoon Ahmed het goed stellen.

Mansour «Ik zag ook een Afghaans gezin met een kindje van negentien dagen. Ali was geboren in Turkije. Ze hadden de overtocht even uitgesteld, maar niet lang: wie nog niet aan de overkant is, is bang dat de grenzen weldra dicht zullen gaan. Iedereen wil zo snel mogelijk in Europa zijn, ook al betekent het dat je je pasgeboren baby in een wankel bootje stopt.»

Op die manier blijft, ook nu de herfst al naar de winter lonkt, de vluchtelingenstroom aanhouden.

Mansour «Het zwaarst was het begin september. De toevloed was niet te overzien, alles zat vol, overal sliepen mensen op straat. Er moest iets gebeuren. We hebben toen een massaregistratie opgezet op een voetbalveld – elke vluchteling moet immers geregistreerd worden, zonder het bijbehorende document kan hij geen ticket voor de ferry kopen. Op 24 uur tijd hebben we toen 25.000 mensen geregistreerd. We hadden 52 uur non-stop gewerkt, en toen ik terug in mijn hotel aan de haven van Mytilini was en door het raam keek, zag ik dat de pier léég was. Terwijl daar tevoren duizenden mensen hadden liggen slapen. Ik heb toen zelf achttien uur aan een stuk geslapen, en toen ik wakker werd en opnieuw niemand op de pier zag, wist ik: ‘Het is écht. Ik heb niet gedroomd.’

»Dat waren de hardste, maar tegelijk ook de mooiste dagen van deze operatie. We hebben toen trouwens veel steun gekregen van de vluchtelingen zelf. Jonge, goed opgeleide Syriërs en Afghanen die de massa in groepen verdeelden, spanningen wegnamen... Nu nog altijd heb ik contact met veel van die mensen.»

We hebben anderhalf uur zitten praten, en Mansour toont me zijn smartphone: in die tijd zijn er 44 mails binnengekomen. De wallen onder zijn ogen verraden een slaaptekort.

Mansour «Het is vooral psychologisch zwaar. Op een dag heb ik mijn chef gezegd dat ik mijn zoontje van 2,5 jaar, die in Frankrijk bij zijn mama leeft, móést zien. Hij begreep het en liet me gaan. Er wordt ook psychologische ondersteuning aangeboden aan iedereen die hier werkt. En terecht. Neem nu de coastguards: vroeger moesten ze gewoon af en toe een dronken toerist zeggen dat het tijd was om naar bed te gaan. Nu halen ze lijken uit het water.»


SIM-cijfers

Intussen is er iets aan me blijven knagen. Ik ben blij dat ik me zondag nuttig heb kunnen maken, uiteraard, maar tegelijkertijd voelde ik ook hoe de kick van het moment me iets te zeer in zijn greep kreeg, hoe mijn hartenklop snelheidsovertreding na snelheidsovertreding beging. Ik meende het ook bij veel andere vrijwilligers te zien: stonden ze daar niet te gráág voor heldhaftig ontvangstcomité te spelen? Ik leg de kwestie voor aan Frédéric ‘Fred’ Morlet, de bezieler van het Volunteer’s Coordination Team Lesvos, een collectief van vrijwilligers dat vooral aan het werk is in de vluchtelingenkampen op het eiland.

'Er zijn bij de vrijwilligers te veel jonge avonturiers die gewoon op de foto willen' Frederic Morlet, Volunteer’s Coordination Team Lesvos

Fred Morlet «Dat is een bedenking die ik me vaak maak: er zijn hier te veel jonge avonturiers die voor de ervaring komen, die op de foto willen. De vrijwilligers die hier langer dan een maand blijven – ongeveer 10 procent – zijn doorgaans nuttiger. Het zijn mensen die zich met álles bezighouden: het verdelen van de vluchtelingen over de kampen, het transport, het opkuisen van de stranden, de voedseldistributie... Er is te veel volk op de stranden, en te weinig in de kampen.»

En dus besluit ik met een team van Morlet – een vijftiger die vijftien jaar lang voor het Franse ministerie van Defensie heeft gewerkt en graag de klemtoon legt op organisatie, orde en discipline – mee te gaan naar Moria, het grootste vluchtelingenkamp op Lesbos. Hij loodst me binnen met een vrijwilligersbadge, en ik mag helpen bij de waterbedeling. ‘Alleen de kinderen,’ draagt Morlet me op, ‘want er is niet genoeg voor iedereen.’ En dus moet ik tientallen smeekbedes negeren van volwassenen en bejaarden die óók dorst hebben.

Een wee gevoel nestelt zich in mijn maag, alsof een onrustig dier met scherpe klauwtjes voortdurend de wanden van mijn buikholte aftast. Dit is géén fijne plek. Dit is niet waar ik wil zijn en dit is niet wat ik wil zien. Het vluchtelingenkamp van Moria blijkt immers het epicentrum van de crisis op Lesbos. Het is ingericht voor zo’n zevenhonderd vluchtelingen, in werkelijkheid lopen er zesduizend rond. Binnen de poorten, waar Médecins Sans Frontières een klein artsenkabinet heeft, heerst nog iets van een gelaten rust. Maar daarbuiten woekert de wanhoop: een paar duizend vluchtelingen willen naar binnen, maar de Griekse politie houdt de poort stug dicht. Vol is vol.

Rokn, een 23-jarige Syrische, wordt na enig aandringen wél binnengelaten. Ze is in de negende maand van haar zwangerschap – ik zie hoe haar gezwollen voeten niet meer in haar schoenen passen. ‘Het wordt een meisje,’ zegt ze. ‘Ik hoop dat het in Duitsland geboren wordt.’

Ik ga naar buiten, waar de massa één obees lichaam vormt dat nerveus beweegt. Mensen spreken me aan – sommigen smekend, sommigen agressief, sommigen met de droom in hun ogen al gestorven. Of ik weet waar en wanneer ze eindelijk geregistreerd kunnen worden? Of ik een dokter kan halen? Of ik gewoon kan helpen, een béétje kan helpen?

Een man duwt het paspoort van zijn zus in mijn handen. Hij is geregistreerd, maar zijn zus en haar kindjes niet. Ik moet bemiddelen bij de politie, zegt hij – de kindjes hebben een weekmakend ‘Please? Please?’ gerepeteerd. Ik weet dat het nutteloos is, iederéén wacht hier op registratie, maar ik probeer het toch. De politieagent schudt het hoofd.

Samen met de afgevaardigden van UNHCR probeert het team van Morlet de massa in ordentelijke rijen te verdelen. Van elke nationaliteit wordt een afgevaardigde gezocht, die vervolgens zijn landgenoten moet opdragen om keurig en rustig in de rij te gaan staan. Maar er zijn te veel mensen, er broeit te veel onrust, en de registratie verloopt te traag. Een man wil me zijn baby geven – het kindje is duidelijk ernstig ziek. Ik hap naar lucht, maar die is dik en nevelig.

Bij het vallen van de avond wordt de situatie écht precair. Het lukt maar niet om structuur in de massa te krijgen. De sfeer verkleurt van grimmig naar agressief: er zijn vechtpartijen, de Griekse oproerpolitie dreigt met de wapenstok. Een groep van zo’n vijftig Somaliërs heeft alle hoop verloren: ze worden voortdurend weggeduwd door de Syriërs. Mohamed, een intelligente kerel van 22, ontpopt zich tot hun zegsman. ‘We verblijven hier al drie dagen, en nog steeds zijn we niet geregistreerd, terwijl we vrezen voor ons leven. De Syriërs moeten ons écht niet.’ Mohamed heeft er al een reis van een halve atlas op zitten: van Somalië ging het naar Kenia, dan naar Soedan en Iran, vervolgens naar Turkije. En ook voor hemzelf wordt het dringend, want door zijn rechteroog ziet hij alleen nog een zwarte vlek.

Het enige concrete resultaat dat die avond geboekt wordt, is een oplossing voor de Somaliërs: ze worden naar een bosje even verderop geholpen, waar ze de nacht onder de bomen zullen doorbrengen. ‘Verlaat de groep niet, en ga zo dicht mogelijk bij elkaar liggen,’ gebiedt Sandra, een afgevaardigde van UNHCR. ‘Mijd de Syriërs en ga niet in op provocaties.’ Morgenochtend zal geprobeerd worden om ze apart door de registratie te loodsen.

'Tha'er Dackack (22): 'Mijn grote droom is Spanje, maar mijn asielaanvraag is er geweigerd. Wat raad je me aan: Duitsland of Zweden?'

Murw geslagen verlaat ik het kamp. De mooie Griekse meisjes die door Vodafone geëngageerd zijn, zigzaggen nog steeds door de massa. Zouden ze het straks toevoegen aan hun LinkedIn-profiel: ‘Verkocht simkaarten in een vluchtelingenkamp’?


De dichter van Aleppo

Het bezoek aan het kamp van Moria heeft me overweldigd, en ik heb het moeilijk om uit al mijn naargeestige, bedompte indrukken één heldere conclusie te destilleren. ’s Avonds laat, in de bars in Mytilini waar de hulpverleners verzamelen, hoor ik veel vrijwilligers klagen over UNHCR: de afgevaardigden van de VN-vluchtelingenorganisatie doen te weinig en verdienen te veel, luidt het. Ik bedenk me dat ook het werk van de vele vrijwilligers vaak niet efficiënt verloopt. Er is zoveel goede wil en zoveel oprechte behulpzaamheid – veel mensen steken hier tonnen spaargeld in – maar op het terrein regeert de chaos. Het kamp heeft nood aan coördinatie, besluit ik.

Op mijn laatste dag bezoek ik Kara Tepe, het andere grote vluchtelingenkamp. Hier is de sfeer bedaarder en lijkt de boel beter georganiseerd. Bij een voedselbedeling krijg ik een uiterst belangrijke taak: ik mag aan elke vluchteling in de rij een vork geven.

Uit Moria komt uiteindelijk toch goed nieuws. De nacht is verschrikkelijk geweest, met een steekpartij en een poging tot verkrachting, maar na uren proberen zijn de vrijwilligers er toch in geslaagd om een duidelijke rij te vormen. Ze is – geen poëtische overdrijving – twee kilometer lang.

In Kara Tepe ontmoet ik Tha’er Dackack, een Syriër van 22. In Aleppo studeerde hij Engelse literatuur – ‘Dat leek me wel goed om een beetje vertrouwd te raken met Europa.’ Later vluchtte hij naar Libanon.

Tha’er Dackack «Daar bleef ik tien maanden. Drie dagen geleden kwam ik hier aan. Ik verbleef eerst in het kamp van Moria – zeg maar: de gevangenis van Moria. ’s Nachts ben ik naar hier gestapt. Als Moria de hel is, is Kara Tepe het paradijs.»

Tha’er heeft zijn registratie beet, en samen gaan we naar Mytilini. In de haven koopt hij een ticket voor de ferry – 70 euro. Hij vraagt wat ik hem zou aanraden: Duitsland of Zweden?

Tha’er «Ik wil vooral een rustig leven – gewoon kalm kunnen ademen. Mijn grote droom is Spanje. Ik heb een oom die in Madrid woont, en hoewel ik er nog nooit ben geweest, ben ik bezeten door die stad. Wat een heerlijke plek moet dat toch zijn! Ik mis ook geen enkele match van Real Madrid. (Sip) Maar het zit er niet in: ik heb er al eens asiel aangevraagd, maar ik werd geweigerd.»

Tha’er heeft zich drie dagen niet kunnen wassen, en dat krenkt duidelijk zijn trots. Ik laat hem een douche nemen in mijn hotelkamer. Een volle, rozige odeur komt vanonder de deur, uit zijn smartphone klinkt diepromantische muziek.

Tha’er «Ik schrijf liefdes- en oorlogsgedichten in het Arabisch – soms in het Engels. Ik had iets korts geschreven toen de oorlog losbarstte in Aleppo, en mijn vrienden moedigden me aan om ermee verder te gaan. Nu publiceer ik ze op een Facebookpagina. Kijk, in twee jaar tijd heb ik 1.500 volgers verzameld. Echt schrijver worden? Ik wil wel, maar ik weet niet of het haalbaar is. In Libanon zocht ik naar schrijvers en dichters die me een duwtje in de rug wilden geven. Maar ’t was er ieder voor zich.»

Trots toont hij me één van zijn probeersels. ’t Is een smachtend, gezwollen liefdesgedicht in kaduuk Engels. Een literaire prijs zou ik niet meteen durven te voorspellen, maar wat ben ik ontroerd door de kranige kwetsbaarheid van die aandoenlijke jongen, door de luide hoop in zijn ogen.

We wandelen door de haven, Tha’er sluit zich aan bij de wachtrij voor de ferry. Hij wil nog een foto van ons tweeën, en dan stapt hij de boot op. Hij wijst naar het glinsterende water: ‘Dit is het begin van mijn nieuwe leven.’

Ik hoop dat ze een beetje lief zijn voor Tha’er, daar in Duitsland of Zweden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234