Onze Man hield een 'Rocky-marathon: 'Time goes by too fast'

Steek een gebitsbeschermer in: op 20 januari verschijnt de nieuwe ‘Rocky’-film ‘Creed’ in de zalen, waarin onze favoriete bokskampioen Rocky Balboa (Sylvester Stallone) de zoon van zijn voormalige tegenstander Apollo Creed onder zijn hoede neemt.

'Ineens treft het me: het is het leven zélf dat we volgen in de 'Rocky'-films'

‘Rocky’ won indertijd drie Oscars, en ook de meeste sequels werden grote kassuccessen. Maar hoe goed hebben de ‘Rocky’-films – het zijn er zes, ‘Creed’ niet meegerekend – de blikkerende hoektanden des tijds doorstaan? En ook: wat doet het eigenlijk met een mens om de volledige ‘Rocky’-saga – goed voor bijna elf uur gespar en geknok – in één ruk te bekijken? Dat wil ik weleens te weten komen, en dus prop ik mijn ijskast vol met drank en krachtvoer, stuur ik mijn huisgenoten (Iejoor, Teigetje) de deur uit en trek ik de gordijnen dicht. Vooraf leg ik mezelf enkele regels op: zo mag ik tussen elke film niet meer dan vijftien minuten pauze nemen, mag ik onder geen enkel beding – hoe vervelend de boksmatchen of klef de speeches ook zijn – op de fastforwardknop drukken, en mag ik mijn e-mails alleen tijdens de pauzes raadplegen. Ik sla vijf rauwe eieren achterover, schaduwboks nog enkele gaten in de lucht en druk op play: de komende twaalf uur is het tussen jou en mij, Rocky!


Rocky (1976)

14.00 uur. De naam Rocky rolt in majestueuze witte letters over mijn flatscreen, de triomfantelijke trompetten blazen de alombekende intro: ‘Tatatatatatatatá-tata-tatatatatatatatá-tátá!’ Genoeglijk ontkurk ik ’n biertje: de Rocky-thon is begonnen! En we belanden onmiddellijk in een ultra-intense bokskamp: niet in een gigantische sportarena, maar in een grauw achterafzaaltje waar een publiek van dronkaards en daklozen de twee boksers luidruchtig zit op te hitsen: ‘Kill ’m! Kill ’m!’ Eén van de twee kemphanen is Rocky, en wow, wat ziet Stallone er nog jong en patent uit, zijn bicepsen zo glad als glijbanen, zijn huid zo strak als een vel rond een trommel!

Na de match gaat Rocky, op dit moment nog een derderangsbokser die zijn droom om het écht te maken allang heeft opgeborgen, bij de organisator zijn fooi ophalen: 65 dollar, minus 5 procent belastingen en minus 5 dollar voor het gebruik van het douchehok. Rocky zet zijn hoedje – dat later zo’n legendarisch attribuut zou worden – op het hoofd en stapt door de droeve nacht naar zijn flatje, een smerig hok met in de hoek een matras waarop je je hond niet zou willen laten slapen en met vieze gordijnen waarmee je je achterste niet zou durven af te vegen.

Dit is niet gespeeld, denk ik terwijl Rocky droefgeestig met zijn schildpadden praat, dit is levensecht. In het begin van de jaren 70 had Sylvester Stallone daadwerkelijk geen nagel om zijn gat te krabben. Hij droomde van een carrière als acteur, deed zelfs een auditie voor een rolletje in ‘The Godfather’, maar elke casting-agent stuurde hem wandelen. Iemand bezorgde hem een rolletje in de legendarische pornofilm ‘A Party At Kitty and Stud’s’, en in ‘Bananas’ van Woody Allen schitterde hij negen hilarische seconden lang als een schoft die op de metro een oud besje molesteert, maar de doorbraak bleef uit. Sly moest letterlijk bij de bakker om broodkruimels gaan bedelen. In een ultieme wanhoopspoging schreef hij een scenario over een bokser die zich een weg naar de top knokt: ‘Rocky’ – een script waarin hij al zijn frustraties legde, al zijn ellende, al zijn hoop en al zijn talent.

Toen gebeurde een mirakel: Hollywood toonde belangstelling. De producenten Robert Chartoff en Irwin Winkler wilden het script kopen en de rol van Rocky aan Burt Reynolds of Ryan O’Neal geven, maar Stallone, die de kans van zijn leven rook, speelde zijn ultieme troefkaart uit: ‘Jullie mogen het scenario hebben, op voorwaarde dat ik zelf de hoofdrol mag spelen.’ Stallone speelde alles of niks, en het werd alles: ‘Rocky’ werd een kaskraker en haalde drie Oscars binnen: voor Beste Film, Beste Regie (John G. Avildsen) en Beste Montage. De film zelf is verrassend goed overeind gebleven. De couleur locale – het verhaal speelt zich af tegen de troosteloze achtergrond van het verpauperde Philadelphia – is bijzonder goed getroffen, en Stallone zet Rocky prachtig neer als een ietwat simpele lummel met een spraakgebrek; een groot kind, eigenlijk. In realiteit, zo weet ik, is Stallone een zeer verstandige man: Tarantino noemde hem zelfs één van de meest onderschatte scenaristen van Hollywood. In één van de mooiste scènes staat Rocky met twee vingers de deur te strelen waarachter zijn grote liefde Adrian (Talia Shire) zich verbergt (‘You wanna go out together?’): het zijn dit soort microscopische details die van ‘Rocky’ een waarachtige, ontroerende en oprechte film maken.

Wat me nog het meest verrast, is dat ‘Rocky’ allesbehalve één van die overdreven hartverheffende ‘Wie écht wil, kan alles bereiken!’-crowd-pleasers is waarvoor Hollywood tot op vandaag voor bekendstaat. Integendeel, als ‘Rocky’ één ding laat zien, dan is het wel dat je in het leven ook een flinke dosis geluk nodig hebt (wereldkampioen Apollo ‘The Master of Disaster’ Creed die uitgerekend hém er als volgende tegenstander uitpikt), trouwe vrienden (schoonbroer Paulie en trainer Mickey zouden voor Rocky door het vuur gaan) én – last but certainly not least – een liefhebbende vrouw. Op het eind zien we hoe Rocky de toestormende fans en fotografen negeert en met dichtgeslagen ogen en opgezwollen smoel de naam van zijn zielsbeminde uitschreeuwt: ‘Adriáááááááán!!!’ Net Dirk De Wolf die vlak na zijn overwinning in Luik-Bastenaken-Luik luidkeels om zijn vrouw riep: ‘Woar is m’n vrááá!!!’ Want Rocky weet: zonder de liefde is een man niet meer dan een lege handschoen.


Rocky II (1978)

16.14 uur. ‘Tatatatatatatatá-tata-tatatatatatatatá-tátá!’ Daar schetteren de trompetten weer: voor de eerste keer (maar niet voor de laatste) overvalt me het eigenaardige gevoel dat ik net als Bill Murray in ‘Groundhog Day’ in een soort eeuwigdurende lus ben beland. ‘Rocky II’ pikt de handschoen op waar ‘Rocky’ hem had achtergelaten: vlak na de match tussen Rocky en Creed. Was Rocky gisteren nog een nobody, dan is hij nu een celeb die voortdurend handtekeningen moet uitdelen en paparazzi van zich moet afslaan. Ook privé gaat het de nieuwe volksheld voor de wind: hij vraagt Adrian ten huwelijk in de zoo en belooft prompt dat hij nooit een haar in de wastafel zal achterlaten. Én hij belooft haar om nooit meer in de ring te stappen: de kamp tegen Creed heeft hem halfblind achtergelaten, en een volgende knokpartij zou hem voorgoed zijn oog kunnen kosten.

Dapper gaat Rocky op zoek naar een normale job, maar een lange reeks van afwijzingen – hij heeft nu eenmaal geen diploma – brengt hem tot de volgende beenharde conclusie: ‘Ik wou dat ik een hond was.’ Uiteindelijk kan hij aan de slag in het slachthuis: runderkarkassen versjouwen, dozen stapelen. Grinnikend besef ik dat plotgewijs alles in stelling wordt gebracht voor Rocky’s glorieuze comeback in de bokssport, en inderdaad: het duurt niet lang of – bám-bám-bám-bám-bám! – Rocky staat weer in de gym tegen de bokszak te meppen. En ik besef ook dat Stallone – die deze keer ook in de regiestoel zat – van ‘Rocky II’ een verkapte autobiografische film heeft gemaakt. De films die Sly na ‘Rocky’ had gemaakt, met name ‘F.I.S.T.’ en ‘Paradise Alley’ (twee films die ik persoonlijk tot zijn allerbeste werk reken), waren allebei zwaar geflopt, zodat het ook voor Stallone in amper twee jaar tijd helemaal terug naar af was – from zero to hero to zero. En net zoals de rematch tegen Apollo Creed Rocky terug naar de top moest brengen, zo moest ‘Rocky II’ Stallone weer in het zadel hijsen.

'Als de zwarte zou hebben gewonnen, dan zou dat indruisen tegen de natuurlijke wetten van Amerika' Muhammad Ali

De film verveelt geen seconde, maar er gebeurt iets merkwaardigs: op het moment dat Rocky naast het ziekbed van de in coma geraakte Adrian in snikken uitbarst (‘I’m gonna be here when you wake up!’), barst ik hardop in lachen uit. Heb ik een biertje te veel op, of begint er in Rocky een lachwekkende karikatuur door te schemeren? Hm. Op het eind (spoiler!) slaat Rocky Creed definitief tegen het canvas, wat de grote Muhammad Ali ooit tot de volgende observatie bracht: ‘Als de zwarte zou hebben gewonnen, dan zou dat indruisen tegen de natuurlijke wetten van Amerika. Ik was in mijn tijd zó’n fantastische bokser, dat ze iemand als Rocky hebben moeten uitvinden – een blanke bokser die kon wedijveren met mijn imago. Zie je, Amerika moet absoluut z’n blanke helden hebben, waar ze ook vandaan komen. Jezus, Wonder Woman, Tarzan... en Rocky.’


Rocky III (1982)

18.31 uur. ‘Tatatatatatatatá-tata-tatatatatatatatá-tátá!’ ‘Als ik die trompetten hierna nog één keer te horen krijg,’ bedenk ik terwijl ik een broodje met americain verorber, ‘mogen ze me in een dwangbuis afvoeren.’ Maar wacht! Ineens knettert er een fantastische gitaarriff los; een donderend, tot wild met de hakken stampen aanzettend drumritme breekt los; en plots vullen schitterende lyrics mijn kijkhok: ‘Risin’ up, back on the street / Did my time, took my chances / Went the distance now I’m back on my feet / Just a man and his will to survive’. Hoewel ik ‘Rocky III’ in een ver verleden al eens heb gezien, was ik totaal vergeten dat de film opent met het magistrale, ja zelfs zielsaangrijpende ‘Eye of the Tiger’ van Survivoryeah! Terwijl ik met m’n bierflesje in de vuist woest meehamer met de beat (woeps, daar spettert een geut Jupiler op mijn tapijt) kijk ik naar een fraaie beeldmontage van Rocky’s overwinningen. Ondertussen krijgen we ook flitsen te zien van een dreigende zwarte die de wedstrijden van Rocky bijwoont en met een verbeten blik uitroept: ‘I want Balboa!’ Potverspie, het is Mr. T, ook wel bekend als B.A. Baracus uit ‘The A-Team’! Het kan niet anders of die zogenaamde Clubber Lang wordt Rocky’s volgende tegenstander.

'Rocky krijgt een stevig pak rammel van Mr. T: de underdog moet zich wéér een weg terug naar de top vechten.'

De zalige gitaren van Survivor maken, samen met Rocky’s knalgele haarbandje, iets duidelijk: onze held is in de jaren 80 beland. En Rocky ontpopt zich in het begin van de film echt als een product van dat materialistische era: hij is een poenpakker geworden; een dikhals die niet langer zijn leren jekker en zijn hoedje draagt, maar is uitgedost als een wufterige maffioso; een parvenubokser die liefdadigheidswedstrijden uitvecht tegen clowns als Hulk Hogan; een omhooggevallen boertje dat met een golfkarretje rondsnort in een met marmeren zuilen afgezette villa. Ik stel ook vast dat de verhaalstructuur van de ‘Rocky’-films een beetje doorzichtig aan het worden is: in de eerste boksmatch krijgt Rocky van Clubber Lang (nu weten we waar de T in Mr. T voor staat: thermonucleair!) een pak rammel, waardoor hij in één klap weer in zijn geliefkoosde positie zit: die van de underdog die zich wéér eens een weg naar de top moet vechten. ‘Je hebt je edge verloren,’ zo spreekt Creed Rocky vermanend toe. ‘Je moet de blik van de tijger zien terug te vinden!’

De eerste tekenen van potsierlijkheid duiken ook op: de scène waarin Rocky en Apollo – allebei gekleed in leggings, haarbandjes en topjes – elkaar in het opspattende zeewater in slow motion beginnen te knuffelen, komt wel héél erg gay over. Een pijnlijke vraag dringt zich op: heeft de ‘Rocky’-saga nog wel the eye of the tiger?


Rocky IV (1985)

20.24 uur, en mijn mond valt open: ‘Rocky IV’ opent niet met de vertrouwde trompetten, maar met twee bokshandschoenen (één met de Amerikaanse stars-and-stripes erop, en één met de hamer en de sikkel van de Sovjet-Unie). Die rammen tegen een pikzwarte achtergrond in slow motion tegen elkaar, waarna de Sovjethandschoen in een donderende explosie in duizend stukjes uiteenknalt. Gierend van het lachen ontkurk ik nog ’n biertje: de ‘Rocky’-franchise is nu overduidelijk in het domein van de camp beland.

'Hé, daar hebben we ­James Brown! Licht verbijsterd vraag ik me af in wat voor circus ik ben terechtgekomen.'

De Koude Oorlog tussen Amerika en het Oostblok woedde in 1985 nog volop – het was de tijd van de kruisraketten en de antirakettenbetogingen – en dus is het geen toeval dat Rocky’s nieuwe tegenstrever van achter het IJzeren Gordijn komt: Ivan Drago, bijgenaamd de Siberian Express, een ijskoude vechtmachine die in futuristische Sovjetlabo’s onder het goedkeurende oog van een groep generaals wordt klaargestoomd voor het grote gevecht. Rocky staat intussen tegen een rafelige boksbal te meppen in een morsige all American gym. Dat de rol van Drago wordt gespeeld door de mislukte actieheld Dolph Lundgren, maakt het campfeestje natuurlijk compleet. En hé, daar hebben we James Brown! De eerste boksmatch, tussen Apollo Creed en Ivan Drago, wordt voorafgegaan door een showtje van de Godfather of Soul, compleet met danseressen met reusachtige pluimen in hun derrière.

Licht verbijsterd vraag ik me af in wat voor circus ik ben terechtgekomen. Maar campfeest of niet, tijdens het eerste duel bevriest mijn bierflesje in mijn hand: die goeie ouwe Apollo, die in de loop van de vorige afleveringen was uitgegroeid tot een ware vriend, sterft in de ring – en het is dít drama, zo kan ik u nu al vertellen, dat in zekere zin het vertrekpunt vormt van de spiksplinternieuwe film ‘Creed’.

Hoewel het vervolg van het verhaal nog best entertainend is – meer dan ooit wil ik dat Rocky die Russische smiecht tot pulp mept – is het zo klaar als een klontje dat de serie op dit moment z’n edge helemaal kwijt is. Waar Stallone (die de scenario’s altijd zelf pent) in de vorige afleveringen nog ruim de tijd nam voor karakterontwikkeling en sfeerschepping, krijgen we nu vooral flashy beelden van trainende atleten te zien – meer videoclip dan film. Grappig ook hoe elke ‘Rocky’-film op z’n eigen manier de tijdgeest casht: zo is ‘Rocky IV’, met die Russen die even karikaturaal praten als de schurken uit een James Bond-film uit de jaren 60, duidelijk het product van de patriottische Reagan-jaren, met Rocky – hier verworden tot een opgepompt stripfiguurtje – als de vleesgeworden bokshandschoen van de Amerikaanse cowboy-president.

Het is de moeite waard om op te merken dat Sly, die zichzelf in 1985 één van de populairste acteurs van onze planeet mocht noemen, in hetzelfde jaar ‘Rambo: First Blood Part II’ uitbracht: nog zo’n foute, domme, nationalistische draak. Het publiek lustte er indertijd wel pap van – dit was de meest succesvolle ‘Rocky’-film ooit – maar zelf zit ik voor de eerste keer in een dip: ik wou dat ik voor de verandering naar iets met Arnold Schwarzenegger kon kijken. Heel even overweeg ik de marathon stop te zetten, maar neen: ik ga, om in Rocky-termen te spreken, the full distance.


Rocky V (1990)

22.07 uur. We zijn op het surrealistische punt gekomen dat die ellendige, altijd weerkerende trompetten beginnen te klinken als iets uit een sketch van Monty Python: ‘Nobody expects the Spanish Inquisition!’, maar dan met die trompetten in plaats van de keer op keer binnenstormende Spaanse inquisiteurs. Een extravagante manager (naar verluidt gebaseerd op de flamboyante bokspromotor Don King) stelt Rocky een gevecht voor met opkomend talent Union Cane, maar Rocky is moe – en ik ook. Rocky kan de poen nochtans gebruiken: door toedoen van een onbetrouwbare boekhouder zit hij weer eens totaal aan de grond.

Voor het eerst sinds ‘Rocky II’ verschuift de aandacht meer naar Rocky’s privéleven, en meer bepaald naar de verziekte relatie met zijn zoontje Rocky Jr.: die ziet met lede ogen toe hoe zijn vader liever met zijn nieuwe pupil Tommy Gunn (rol van de in 2013 aan aids gestorven bokser Tommy Morrison) babbelt over de bokssport dan met hem over de meisjes.

Hoewel ik in mijn hoofd stilaan een Rocky-trombose voel opkomen, vind ik ‘Rocky V’ in vergelijking met de vorige twee films een verademing, en dat komt doordat Stallone hier terug naar de roots gaat. De opnieuw straatarme Rocky neemt zijn intrek in een huisje in zijn oude buurt; het hoedje en de leren jekker verschijnen weer; en in een reeks sfeervolle scènes zien we hem door zijn oude souvenirs rommelen en weemoedig door de straten van Philadelphia struinen. Wég is de opzwepende videoclipstijl van de vorige twee episodes; Rocky zit anno 1990 qua toon en stijl in een soort nostalgische terugkijkmodus. Een goede zaak: de personages, in de vorige afleveringen verworden tot karikaturen, herwinnen iets van hun waarachtigheid.

Het valt ook op dat ‘Rocky V’ met scherp schiet op de sport die Rocky grootmaakte: de boksbusiness is door en door rot, zo poneert Sly, en zit vol met promotoren die als vampieren van je bloed leven. De meeste critici vonden ‘Rocky V’ indertijd maar een kleffe draak, maar zo zie ik het niet. De ouder wordende Rocky, zo besef ik met tranen in de ogen, ziet zichzelf in Tommy: via zijn pupil hoopt hij de klok voor zichzelf terug te draaien en zijn eigen triomfen opnieuw te beleven. Ook in het echte leven was de stilaan op leeftijd komende Sly bezig aan een lange, diepe val: ‘Oscar’, ‘Stop! Or My Mom Will Shoot’, ‘Demolition Man’, ‘The Specialist’, ‘Judge Dredd’ en zélfs ‘Rocky V’: geen kat ging kijken. Net als Rocky werd hij beschouwd als een has-been, een vergane glorie, een relikwie uit een ander tijdperk. Zo gaat dat in het leven: je bloeit open, en wie niet opbrandt, deemstert weg. En ineens treft het me: het is het leven zélf dat we volgen in de ‘Rocky’-films.


Rocky Balboa (2006)

00.02 uur. ‘Tatatatatatatatá-tata-tatatatatatatatá-tátá!’ In de trompetten hoor ik alleen nog maar weemoed en melancholie. Op de één of andere manier is het in een elegische atmosfeer badende ‘Rocky Balboa’ de ideale film om in de wee hours te bekijken. De Rocky die we hier te zien krijgen – wat is hij oud geworden – heeft zich teruggetrokken in een hemisfeer van herinneringen. ’s Morgens trekt hij zich nog drie keer op aan de stang in zijn tuintje, maar eigenlijk zit hij het liefst – met artritis in de nek – aan het graf van Adrian, of hangt hij samen met Paulie rond bij de dierenwinkel waar zijn zielsbeminde ooit werkte. ‘Time goes by too fast,’ horen we hem mompelen: het klinkt cliché, maar de woorden snijden metersdiep in mijn vel. Ook Stallone, ooit de heraut van het actiegenre, het idool van een generatie, de man die samen met Bruce Willis en Arnold Schwarzenegger soeverein over het actiegenre heerste, was in 2006 een oude man wiens momentum onherroepelijk voorbij leek. Of niet? In de tweede helft zien we hoe Rocky – Sly – toch weer die trappen naar het Philadelphia Museum of Art oprent, en hoe hij toch weer een gevecht wil aangaan – deze keer met ene Mason Dixon. ‘Hoezo?’ vraagt Paulie hem cynisch. ‘Heb je misschien nog niet gepiekt?’ Waarna we Rocky over zijn borststreek zien wrijven: ‘Ik heb nog iets in mijn kelder liggen.’ En Stallone hád nog iets in zijn kelder liggen – ‘The Expendables’. Wat ‘Rocky Balboa’ betreft: het is een mooie, ingetogen afsluiter van een al bij al meeslepende saga (en ‘Creed’ dan, vraagt u? Die film wordt algemeen beschouwd als een spin-off). Nog één keer mag de beroemde muziek van Bill Conti weerklinken, en dan zit de Rocky-thon erop. Moe maar voldaan kruip ik tussen de lakens, om nauwelijks enkele minuten later badend in het zweet wakker te schieten doordat ik eensklaps die vermaledijde trompetten loeihard in mijn dromen hoor schetteren: ‘Tatatatatatatatá-tata-tatatatatatatatá-tátá!’ Damn you, Rocky!

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234