Onze Man in Waterloo

Vrijdag 19 juni 2015. Een surrealistisch beeld in de Carrefour van Waterloo: een vijftal soldaten uit 1815 slaat wat proviand in. Klanten uit 2015 willen met hen op de foto. Hoe was het om op 18 juni 1815 op het slagveld van Waterloo te staan, in een wereld zonder gsm, film, tv, games, popmuziek, auto’s? Onze Man bericht vanuit het oog van de storm.

‘Die knopen zijn niet juist!’ hoor ik iemand zeggen.

‘Voor sommigen is re-enacten een hobby, voor anderen is het een religie,’ grijnst re-enacter Ron Van Dijck. ‘Ik ken er die hun onderbroek nog nooit hebben gewassen om authentieker te lijken. In mijn bataljon wil ik alles authentiek, behalve de ziekten uit die tijd.’ Het re-enacten is een parallelle wereld. Sommige re-enacters vereenzelvigen zich zeer met hun rol: historicus Pieter Boyden woont zelfs in de Waterloostraat. Vooral de officieren ondergaan een metamorfose: als ze hun doordeweekse burgerplunje inruilen voor hun gala-uniform, groeien ze 10 centimeter.

Ik mag exerceren met het 7de bataljon Infanterie van Linie, een onderdeel van de Brigade van graaf Bylandt. Na een paar uur marcheren in de volle zon heb ik blaren en ben ik bekaf. Het terugtrekkende leger van Napoleon marcheerde bijna 4.000 kilometer vanuit Moskou, bij temperaturen tot -30 graden. Van de 640.000 soldaten bereikten er slechts 75.000 la patrie.

Bij het 7de krijg ik ook een bliksemcursus schieten met het musket. De Britten hadden op dat moment al de Brown Bess, en een kleine hoeveelheid preciezere geweren met getrokken loop, maar Belgen en Hollanders moesten werken met verouderd materiaal. Tot kort voor de slag in Waterloo hádden de Belgen zelfs geen wapens. ‘Begin er maar aan met uw riekske en uw keukenmes tegen een tot de tanden gewapende kurassier.’

Zo’n log musket weegt 8 kilo. Van alle fuseliers zijn de tanden afgesleten en verrot door het afbijten van zakjes buskruit. Een lederen halsband moet brandwonden voorkomen als de steekvlam uit de pan schiet.

Tijdens de lunch – zelf bij elkaar gesprokkeld en klaargemaakt op een met vuursteen, tondel en wol gemaakt vuurtje – vertelt Ron hoe fuselier Ronny Dhondt père in Frankrijk in de rivier sukkelde: ‘Later die dag kropen er nog salamanders uit zijn sjako, en een vriendelijke Fransman deed gratis zijn uniform naar de droogkuis.’

Na de lunch beveelt luitenant Pieter Dhondt fils: ‘Vuurtjes grondig doven!’ Even later klinkt een stem: ‘Ik heb het vuurtje grondig gedoofd, luitenant: ik heb het afgedekt met een grote stapel hout.’

De Fransen noemden een aanval met de bajonet ‘un déjeuner à la fourchette’. In Salisbury heb ik een échte bajonet uit 1812 gekocht die in Waterloo heeft gediend. ‘Er hangt nog Frans bloed aan,’ beweerde de antiquair. Geen grap. ‘Voor een bajonet mét bloedsporen betaalt de verzamelaar méér. Verzamelaars van parafernalia uit WO II betalen een fortuin voor een opgegraven SS-helm als de schedel van de overleden officier er nog in zit.’ Ik besluit deze bajonet symbolisch terug te brengen naar de plek van haar moment de gloire.

'Een veldslag winnen is bijna zo ellendig als een veldslag verliezen'


Uitschot der aarde

Waterloo, 18 juni. De Engelsen vechten for King and country. In het bivak van Hougoumont krijg je een idee van de rompslomp die een oorlog met zich brengt: zo’n leger moet gevoed, gekleed en geherbergd worden. Plus eten en ruimte voor dertigduizend onrustige paarden wier instinct de bui voelt hangen. Die volksverhuizing is een logistieke nachtmerrie. Het rantsoen anno 1815 is miniem: schaap, gekookt met bloem om de porties te vergroten, en bij ontstentenis van peper en zout gekruid met… buskruit.

Arthur Wellesley, hertog van Wellington, antwoordde de bureaucraten in Londen die hem spilzucht verweten met superieur sarcasme: ‘Gentlemen, I beg your indulgence voor het feit dat tijdens een zandstorm op het slagveld in Spanje enkele potjes frambozenjam verloren zijn gegaan. Ik hoop dat u mij deze schandalige onachtzaamheid kan vergeven. U kunt mij misschien nog preciezer briefen over welke van de twee opties u prefereert: dat ik a) een leger van muggenziftende boekhouders opleid, of b) Napoleon versla en zo de wereld red van deze tiran. Want wij zijn verwikkeld in een oorlog tegen Frankrijk, een feitje dat u in uw comfortabele bureau in Whitehall wellicht is ontgaan. Your most obedient servant, Wellington.’

‘De arme man had er acht jaar ononderbroken vechten op zitten, zonder ooit z’n vrouw en kinderen te zien,’ zegt Quartermaster General Martyn Monks. ‘Wellington was correct: hij betaalde lokale boeren voor eten en Engelse troepen mochten níét plunderen, de Fransen wel. Wellington was ook allerminst bloeddorstig, hij zei ooit: ‘De Fransen jagen glorie na, voor mij is glorie slechts een onvermijdelijk resultaat. Maar een veldslag winnen is bijna zo ellendig als een veldslag verliezen.’’

We praten over kleine heldendaden. In 1815, op weg naar het slagveld, stuitte sergeant Edward Costello op een driejarig jongetje dat huilde bij het lijk van z’n moeder, die was gedood door een verdwaalde Franse kogel. Verder marcherend droegen zijn manschappen het kind om beurten mee op hun schouders.

In 1972 werd de penis van Napoleon bij Christie’s voor 3.800 dollar verkocht aan een Amerikaanse uroloog. ‘Een Engelse, grotere penis had vast een stuk meer opgebracht,’ sneert Sergeant Wilkins.

[FOTOSPECIAL_33855]

‘Vandaag volstaat één drone met satellietverbinding om vanuit Washington precies te weten aan welke rivier in Irak een steentje scheef ligt,’ zegt kapitein Hugh Martyr. ‘In 1815 moest een generaal soms dagenlang wachten op dikwijls onvolledige of misleidende informatie over wat zich amper 100 kilometer verder afspeelde. Verkenners waren bovendien niet altijd betrouwbaar, en de lokale bevolking was pro Napoleon of apathisch. Hogere officieren waren toen meer dan nu aangewezen op hun ervaring, intuïtie en visie.’

Wellington omschreef zijn uit acht naties samengeharkte troepen als ‘the scum of the earth’ – het uitschot van deze planeet. Hij zei vlak voor de slag bij Waterloo monkelend: ‘Ik weet niet welk effect mijn manschappen op de vijand zullen hebben, maar mij boezemen ze alvast angst in.’

Aan de muren van de kasteelboerderij van Hougoumont zie ik toeristen stiekem steentjes in hun zak stoppen. Maar pelgrims die denken een heilig relikwie te bemachtigen, vergeten dat dit gebouw in 1815 grotendeels in de as werd gelegd, en dat het sindsdien grondig werd gerestaureerd. Het is ook zinloos om takken van eiken af te breken, want de legendarische eik van waaronder Wellington het slagveld overzag, werd al vlak na de veldslag geveld en verwerkt tot een sideboard ofte dressoir, die werd gepresenteerd aan de Engelse koninklijke familie.


Een matras van modder

In de tent van het Allied High Command is een staff meeting begonnen. Martyn Monks heeft de leiding (‘De taak van de stafofficier is zich verplaatsen in het hoofd van de generaals. Dat is geen probleem – er is meestal plaats genoeg’). Aanwezig zijn His Grace de hertog van Wellington, Willem, koning van Oranje, maarschalk Blücher, de generaals Ellis-Jones en Haynes en hun aides de camp. Het is tien uur ’s ochtends. Majoor Timo Richter is één minuut te laat. ‘Good evening,’ begroet Monks hem sarcastisch. Een paar meldingen. Zestig gewonden. Eén dode. Een hartaanval. Een epilepsieaanval. Een dood paard. En de strijd is nog niet eens begonnen. ‘De hitte, de stress, slaaptekort, ongelukjes met wapens, de grote aantallen… Statistisch gezien zijn slachtoffers zelfs bij een perfect georganiseerde re-enactment onvermijdelijk,’ zucht Martyr.

Sommige soldaten vergeten in het heetst van de strijd na het aandrukken van het buskruit de pompstok uit de loop van hun geweer te verwijderen, zodat die één meter lange stalen pijl mee wordt afgevuurd. Wie daarvan kan meespreken is Alan Larsen, die hier Wellington speelt. Hij toont me een groot litteken in zijn hals. ‘Iemand die op mij vuurde, was vergeten zijn pompstok uit z’n loop te halen. Die boorde zich in mijn nek en kwam er langs de andere kant uit, op een millimeter van mijn slagader. A rather peculiar sensation.’

Vuur, rook aan de einder… Is het begonnen? Nee, vals alarm: het is een oververhitte bakker in Lasne die ongewild en op het slechtst denkbare moment zijn bakkerij en woning in brand heeft gestoken. Het levert Blücher niettemin twee uur vertraging op, want de hitte is te groot om er met buskruit langs te rijden.

Om halfelf stipt wordt twee minuten stilte gehouden. Het hele bivak valt stil – duizenden versteende poppetjes in een landschap waar enkel nog de kringelende rook van de vuren beweegt. ‘Met dit bezinningsmoment willen we alle re-enacters én de toeristen de ernst van deze zaak inprenten,’ zegt majoor Brad Manera uit Sydney. ‘We stappen hier overal op ongemarkeerde graven, dat vergeten jolige deelnemers wel eens.’

Tijdens de lunch ontstaat een discussie over het toevoegen van recent op het slagveld ontdekte beenderen aan het nieuwe museum. ‘Ongepast,’ is het besluit. Net zoals de voyeurs die hen voor de voeten lopen: ‘Wellington en Napoleon hadden één voordeel tegenover ons: zij moesten geen rekening houden met een half miljoen dagjestoeristen.’

Rondom boerderij La Belle Alliance worden die ochtend van de 18de juni de 125.000 Franse soldaten onprettig wakker: klam, doorweekt, dol van de jeuk van luizen en vlooien, voor de zoveelste dag op rij in hun uniform en verkleumd na een nacht op de grond, want enkel de officieren sliepen in tenten. Een soldaat schreef sarcastisch naar huis: ‘We slapen op een zachte matras van modder, en als we ons omdraaien, spoelt de regen vriendelijk onze rug schoon.’

De Fransen vechten dadelijk met een lege maag (laatste rantsoen, eergisteren: ‘Ongekookte koeientong en beschimmelde ham van ezel’). Dorst wordt enkel gelest met eau de vie, want de waterputten onderweg waren vaak vervuild of vergiftigd. Velen vechten op blote voeten, hun rudimentaire schoeisel is na honderden kilometers marcheren al van hun voeten gerot. ‘Toch groeten we de keizer enthousiast, ook al weten we dat het voor velen onder ons onze laatste dag wordt.’

Eén van z’n soldaten beschrijft hoe Napoleon in de Ferme du Caillou voor hem staat: ‘Dikker en logger dan ik me hem herinner, met een somber gezicht, bleek, oververmoeid, haast lethargisch.’ Was Napoleon klein? In Highclere Castle zat ik op zijn stoel aan zijn bureau. Mijn knieën raakten niet onder het tafelblad.

'Slachtoffers zijn zelfs bij een perfect georganiseerde re-enactment onvermijdelijk'

In het Franse bivak vang ik een filosofische discussie op. Wie zou gewonnen hebben: Napoleons Garde Impériale of de Britten van 1945? De Garde Impériale of de Amerikaanse Vietnamveteranen uit 1969? De Franse cavalerie van 1815 of moderne para’s die in de Golfoorlog vochten? Na een halfuurtje speculeren begint mijn hoofd te tollen. Maar ik heb er ook eentje: wie zou een bare knuckle boksgevecht zonder handschoenen hebben gewonnen? Napoleon, Hitler, Wellington, Mussolini of Attila de Hun?

De Garde Impériale wordt benijd: ze dragen mooiere uniformen, worden beter betaald, wonen in kazernes, bewaken paleizen… In het Franse bivak hebben de deelnemers het gevoel dat zij de goeien zijn die strijden voor een rechtvaardige zaak, en dat de overwinning van Wellington relatief en bovendien onverdiend was. Iemand grapt: ‘Heel wat Engelsen zijn verkeerd gereden: vlakbij Rijsel ligt een dorpje dat Wattrelos heet.’

Wat verder dolt acteur Frank Samson, die Napoleon speelt, met de lokale politie die het godverdomse lef heeft gehad om de auto van één van zijn maarschalken weg te slepen.


Bidden en zagen

Vier dagen rondhangen in beide bivouacs leert me dat er ook nu nog twee kampen bestaan: royalisten en revolutionairen. Royalisten lijken mij defaitistische, pessimistische fatalisten. Royalist zijn is genoegen nemen met de natuurlijke orde der dingen: hij is een koning en ik ben slechts een worm die zich in zijn lot schikt. Revolutionairen zijn optimistische meritocraten wier houding is: niemand wordt als koning geboren en ook ik kan het ver brengen! Als prins Charles een bezoekje aan het Britse bivak brengt, merk ik aan alles dat de revolutie in Engeland ook anno 2015 weinig kans op slagen heeft.

Na ettelijke, vaak wisselende allianties, was één leger anno 1815 samengesteld uit verschillende nationaliteiten. Gevolg: taalproblemen, culturele verschillen, wrijvingen… Zo waren de Brunswickers bij de Britten niet populair omdat ze hondenvlees aten: ‘Er was een straathond die ons dagenlang volgde. We doopten hem Rifle. Nadat hij plots verdween, ontdekten we dat Rifle was opgegeten door Brunswickers. Als wraak sneden we de bil van een dode Fransman, we grilden ze en verkochten ze als varkensham aan de nietsvermoedende Brunswickers.’

Ook nu ontspinnen zich kleine drama’s in het bivak. Een Australische familie re-enacters – drie generaties soldaten – heeft tien jaar gespaard om deze reis te maken, en nu blijkt dat hun 9-jarige kleinzoon het slagveld niet op mag, ook al wáren er anno 1815 piepjonge trommelaars. Maar anno 2015 wil de verzekering er niet aan. Er zijn ook problemen met re-enacters uit het Oostblok die zich enthousiast in de drank gooien en bijgevolg iets te verhit op het slagveld aantreden. Een Pool biedt me een beker zelfgestookte rabarberjenever aan. ‘Heerlijk,’ lieg ik, om een diplomatiek incident te vermijden.

'De 9-jarige kleinzoon mag het slagveld niet op, ook al waren er anno 1815 piepjonge trommelaars. Maar anno 2015 wil de verzekering er neit aan'

Ik zie een vloot verdekt opgestelde fremdkörper aan de zijkant van het slagveld: ambulances. In 1815 kon een soldaat wiens ledemaat werd afgerukt door een kanonbal, enkel rekenen op de zaag van de chirurgijn – amputaties geschiedden zonder verdoving – en bidden dat hij de gangreen zou overleven, in de helft van de gevallen vergeefs.

Op de heuvel tegenover ons organiseert Napoleon alvast een staaltje psychologische oorlogvoering: bataljons Fransen marcheren ostentatief heen en weer terwijl ze strijdliederen zingen en de Marseillaise speelt. De harnassen van de kurassiers fonkelen in het zonlicht: ‘Groene dragonders, rode lansiers met hun blinkende gouden en zilveren borstplaten intimideren onze jonge rekruten…’

Ik zie Napoleon! Hij heeft een dikke buik, stapt log, tuurt door z’n verrekijker, propt snuiftabak in z’n neus. Nu is het ondenkbaar dat wereldleiders op elkaars neus zitten. En het grote verschil tussen de Fransen en de geallieerden is dat de keizer zélf zijn troepen leidde, terwijl de koningen dat vuile werk uitbesteedden. En zoals zelfs Wellington toegaf: ‘De aanwezigheid van Napoleon op het slagveld is 40.000 manschappen waard.’

‘I do,’ hoor ik een vrouwenstem zeggen. Een Amerikaanse re-enacter heeft net zijn vriendin ten huwelijk gevraagd – op het slagveld, tijdens de veldslag. Dichterbij zie ik een konijntje gezellig over het slagveld huppelen. Het heeft geen idee wat het boven het hoofd hangt.


De dappersten aller geallieerden

De Brigade van Bylandt, de Belgo-Hollandse 7de Linie, opent mee de strijd. Door het brein van deze mannen giert alvast één besef: sommige familieleden kozen ervoor om bij het Franse leger in dienst te treden, anderen sloten zich aan bij de geallieerden. Broers en neven staan hier dus vaak tegenover elkaar. Meteen worden links en rechts medestrijders neergemaaid door kanonballen – armen worden afgerukt, hoofden vermorzeld, rompen gescheiden van benen… Overal weerklinkt gekrijs en gekerm en we hebben nog geen schot gelost. Pas als de Franse infanterietroepen van maarschalk Erlon op minder dan vijftig passen zijn genaderd, wordt het vuur geopend.

‘Maakt vaardig… Vuur!’

Er wordt geschoten in linie – de ene rij schiet terwijl de andere herlaadt. Een goed geoefend schutter kan twee kogels per minuut afvuren. Mij lijkt het krankzinnig en contraproductief dat we in dichte gelederen oprukken – zo dicht op elkaar gepakt raakt de vijand altijd íéts.

De hel barst los. Vrijwel meteen gaat het mis. Wie zich ooit heeft afgevraagd waarom sergeanten orders brullen, leert dat nu: anders begrijpt in het heetst van de strijd zelfs de dichtstbijzijnde soldaat het bevel niet. Er zijn al owngoals gescoord doordat artilleriesoldaten ‘Retirer!’ (‘terugtrekken’) begrepen als ‘Tirer!’ (‘vuren’) op een moment dat medestrijders langs de kanonnen passeerden.

Het 7de moet ondanks moedige weerstand terugtrekken. Laf? Nee: in dat geval zouden de Belgen al de avond voordien zijn gevlucht, in plaats van de hele dag stand te houden. Ron Van Dijck gelooft niet in de vermeende lafheid van de Belgen: ‘Toen ze ons vroegen om te figureren in de film ‘Waterloo, l’ultime bataille’ hebben we geweigerd om te vluchten, zodat ze die scène niet konden filmen!’

Op Sint-Helena schrijft de verbannen Napoleon vlak voor zijn dood in 1821: ‘Ware het niet door de heroïsche vastberadenheid van de Belgen, die met slechts een handjevol mannen standhielden in Quatre Bras, zou ik het Britse leger flagrante delicto hebben verslagen.’ Dat lees je niet in Engelse geschiedenisboeken – daarin werd lang de vermeende lafheid van de Belgen gebruikt om de orders van sommige incompetente Engelse officieren te verdoezelen.

Drums, kanonnen, trompetten, kreten, doedelzakken, gekerm, hoefgetrappel, het door merg en been gaande gehinnik van stervende paarden… Het lawaai is ellendig, maar meer nog de modder, de rook en het slechte zicht: het is juni en het koren, het vlas en de mais staan tot op borsthoogte, ook al omdat mensen in 1815 een stuk kleiner waren dan nu. Bovendien hadden soldaten toen geen brillen – je zult maar slechtziend zijn in een man-tegen-mangevecht. Ook de stank van bloedende en rottende doden en gewonden werkt extreem desoriënterend – ’t is alsof je vecht in een slachthuis waar een mistbank hangt.

[FOTOSPECIAL_33857]

In en rond de kasteelhoeve van Hougoumont worden nu lijf-aan-lijfgevechten beslecht: elke meter terrein in de boomgaard, in de tuin en op de binnenplaats wordt bevochten. De boerderij wordt onder vuur genomen door de Franse artillerie en vervolgens bestormd door infanterie en cavalerie. Keer op keer slagen de Engelsen erin om de aanvallen terug te slaan, maar het dak staat in brand. ‘De eerste gewonden vechten door, met ter ontsmetting in rum gedrenkte zwachtels. Fuselier Hayward vuurt door een mangat in de muur, maar aan de buitenkant probeert een Fransman het geweer uit z’n handen te trekken. Mijn buurman steekt met de bajonet de Fransman in het gezicht. Ondertussen proberen Fransen over de muur te klimmen… Sergeant Reece ligt op sterven naast de waterput. Ik doorzoek de zakken van gevallen kameraden in de hoop daarin ongebruikte kogels te vinden. Heel wat infanteristen worden omvergereden door de aanstormende cavalerie. Een Franse officier wil onze vlag buitmaken, maar de colour sergeant doorsteekt hem met z’n speer. We worden omsingeld door Fransen: één grijpt me bij de borst terwijl een tweede probeert me te steken. Ik ruk me los en vlucht naar de schuur, maar de ingang door lijken is versperd…’

Zover het oog reikt, zie ik aanstormende mannen op de vlakte en de helling – kleine poppetjes waaraan rookwolkjes ontspruiten, poppetjes die neervallen, poppetjes te paard… Ik voel me nu zelf het speelgoedsoldaatje waarmee ik vroeger speelde, nietig en me tegelijk zeer bewust van de ernst van de zaak. Ver weg op de tribunes nemen zeventigduizend toeschouwers constant foto’s met flits, zodat het lijkt alsof ook het publiek salvo’s afvuurt.

Zelfs hoge officieren blijven niet gespaard. Kolonel Cheney van de Scots Greys moet zes keer van paard verwisselen nadat ze onder hem vandaan zijn geschoten. Majoor Shaw wordt belaagd door zeven Fransen. Hij doodt er vier voor hem een bajonet door de hals wordt gespietst. Luitenant Cooke incasseert een musketkogel in de lever. Sir William Ponsonby wordt geveld door zeven lanswonden. Sir Thomas Picton krijgt een kogel door het hoofd. Sir William de Lancey incasseert een kanonskogel terwijl hij met Wellington staat te praten – hij was een week eerder in Brussel getrouwd en Waterloo was zijn huwelijksreis.

Ook Lord Uxbridge wordt geraakt door een kanonskogel, wat tot volgende stoïcijnse dialoog leidt (‘Jove’ is oud Engels voor ‘God’):

Uxbridge: ‘By Jove, sir, I think I have lost my leg.’

Wellington: ‘By Jove, sir, so you have.’

Het gevaarlijkst zijn de grapeshots: kanonschoten met niet één grote kanonbal, maar honderden kleine kogels. Dit is een schiettent: de troepen staan veel te dicht op elkaar.

Om exact vier uur bukt korporaal Colnay zich om z’n afgevallen schoen uit de modder te trekken. Een kanonskogel slaat in op zijn hoge sjakopet – als hij op dat moment had rechtgestaan, was hij doormidden geblazen.


Deurmat van slijk en bloed

Sommige musketten klemmen, van andere raakt het zundgat verstopt. Ik zie soldaten die, bij gebrek aan water, erin urineren om het te ontstoppen.

Het 33ste regiment vraagt versterking. Die is er niet. Het order luidt: ‘Stand or fall where you are.’

Ik ben omringd door lijken – achtergelaten buiksprekerspoppen. Het vertrappelde koren vermengd met slijk en bloed lijkt nu op ‘een rode deurmat waar je je voeten aan afveegt’. De overheersende stank is nu die van verbrand paardenvlees. Ik zie minutenlang letterlijk níéts meer: in een kruidige mist dwalen soldaten over het slagveld, onzeker over hoeveel meter de vijand nog van hen verwijderd is.

Onze munitie is op! Ik vind op het slagveld nog enkele Franse kogels. De Britten hebben dit enorme voordeel: hun lopen zijn dikker, dus zij kunnen de kleinere kogels van de Franse Charlevillegeweren recupereren, terwijl de Britse kogels te dik zijn voor de Franse lopen. Bij man-tegen-mangevechten zijn we in het nadeel: de Franse geweren blijken 20 centimeter langer dan de onze! Van twee tegenstanders met even lange armen kan die Fransman mij dus al doorboren met zijn bajonet terwijl ik ’m nog niet kan raken – 20 centimeter is het verschil tussen leven en dood. Waarom heeft geen enkele geallieerde strateeg of officier daaraan gedacht?

‘Hard pounding, gentlemen,’ zegt Wellington. ‘But we shall see who can pound the longest.’

Wellington is de meester van de reverse slope: hij laat een deel van zijn redcoats vlak achter een heuvelrug op de grond neerliggen, zodat de Franse kanonskogels over hen heen scheren – als aanstormende cavaleristen na honderden meters bergop half uitgeput op de heuvel aankomen, wacht hen een verrassing.

Wat maarschalk Ney – ‘de rosse’, veteraan van zeventig veldslagen – bezielt om uitgerekend nu een roekeloze charge in te zetten met vijfduizend cavaleristen, is een raadsel. Normaal zijn infanteristen kansloos tegen officieren te paard, maar Wellington geeft het bevel squares te vormen: paarden weigeren instinctief aan te stormen op zo’n muur van bajonetten, en bovendien kan zo’n gesloten vierkant langs alle kanten vuren. Neys elitetroepen galopperen doelloos tussen de carrés in en worden langzaam maar zeker afgeslacht: als een kurassier één square passeert, wordt hij meteen onder vuur genomen door een volgende. De charge van Ney is het militaire equivalent van met je kop tegen de muur lopen in een doodlopende straat.

'De stank van bloedende en rottende doden en gewonden werkt extreem desoriënterend - 't is alsof je vecht in een slachthuis waar een mistbank hangt'

Ney vraagt versterkingen aan Napoleon. Als die dat hoort, is zijn verbolgen reactie: ‘Des hommes? Mais veut-il que j’en fasse?!’ – in oud Frans is ‘faire’ ook ‘kakken’.

Mijn God, daar is de legendarische Garde Impériale, een vastberaden oprukkende betonnen muur van drieduizend manschappen die groter, meer ervaren en beter uitgerust zijn dan wij… Het motto van deze immortels is: ‘La Garde meurt, mais ne se rend pas’.

‘Op twintig passen schieten ze op ons,’ schrijft korporaal McGrady ’s avonds aan zijn vrouw – zijn linkerbeen ligt op dat moment nog op het slagveld. ‘Fransen van andere bataljons proberen bij hun Garde dekking te zoeken, maar in de opening nodig om dat toe te laten zouden ook onze paarden kunnen rijden, dus laat de Garde dat niet toe: ze schiet op vijand én vriend. Majoor Howard valt van z’n paard vlak bij de Garde, en om munitie te sparen verbrijzelt een Fransman met de kolf van z’n geweer zijn schedel. We prepareren onze bajonetten, maar als de rook is opgetrokken, gebeurt het ongelofelijke: onder het spervuur ontstaat plots paniek bij de Garde. Als hun eerste linie probeert te herladen wordt ze onder de voet gelopen door hun dolgedraaide tweede linie en tegelijk wordt hun opmars gestremd door de lijken. Langzaam maar zeker vallen er gaten in hun rangen door vallende, maar ook door vluchtende manschappen. We panikeren, vermoeden een valstrik. Vijftig Franse kurassiers hadden op dat moment onze hele infanteriebrigade kunnen afslachten. Maar ze vluchtten.’

Grouchy arrive!’ liegt Napoleon om zijn slabakkende mannen nieuwe moed in te blazen. Maar het gerommel aan de einder is het naderende leger van Blücher, bijgenaamd Marschall Vorwärts, omdat hij nooit opgeeft en slechts één richting kent: vooruit.

Wellington zwaait drie keer met z’n hoed, het teken voor de ultieme charge: ‘No cheering, my lads, but forwards and complete your victory!’

Sergeant Robertson van het 92nd Highlanders: ‘We herlaadden niet meer, maar gebruikten enkel nog de bajonet. Vluchtende Fransen lieten hun knapzakken, vuurstaven, helmen en alles wat hun snelle aftocht kon hinderen vallen. Hun eigen vluchtende cavalerie reed de infanteristen omver. Sommige Fransen probeerden hun hachje te redden door plots ‘Vive le roi!’ te scanderen… Maar mijn Schotten verstaan geen Frans, so they cut away mercilessly.’


Tanden van Waterloo

Acht uur. Het is voorbij. Ook Napoleon weet het: ‘Terrein kan ik heroveren, tijd niet.’ Later zal Wellington toegeven dat het een dubbeltje op z’n kant was: ‘It was a damn near run thing.’

Om halftien ontmoeten Wellington en Blücher elkaar in de kapotgeschoten boerderij La Belle Alliance. Blücher vat de dag droog samen: ‘Mein lieber Kamerad: quelle affaire!’

‘Het woord ‘onmogelijk’ staat niet in het Franse woordenboek,’ zei Napoleon eens. Behalve dan in verband met winnen in Waterloo. La Grande Armée is gedecimeerd en definitief verslagen. De inderhaast achtergelaten koets van Napoleon wordt meteen geplunderd: niet alleen de soldij wordt gestolen, maar ook objecten die zullen uitgroeien tot relikwieën: een haar van de keizer, de beker waaruit hij dronk, zijn reservekousen… Er worden ook pamfletten gevonden die de overmoedige keizer alvast had laten drukken, zogenaamd geschreven ‘vanuit mijn paleis in Laken’: ‘Belgen, ik heb uw smeekbede verhoord, u bent het waardig om Fransen te worden...’

De nacht valt. Amper zijn de troepen weggetrokken of het slagveld wordt overspoeld door aasgieren die de lijken kaalplukken. Het zijn veelal omwonenden die alles plunderen wat geld kan opbrengen.

Heel wat officieren van Wellington vochten in Waterloo in gala-uniform: ze waren halsoverkop weggeroepen van het bal van de hertogin van Richmond, omdat Napoleon Brussel sneller bereikte dan de geallieerden hadden gedacht. Daardoor was het slagveld bezaaid met lijken in zijden kousen, hoge hoed en dansschoenen.

Ik zie gevallen officieren van wie niet enkel de dure horloges, de versierde zwaarden en de gouden ringen worden gestolen. Ook de lijken worden uitgekleed – dure rijlaarzen, zijden kousen, gouden epauletten! Zelfs het ondergoed wordt gerecupereerd. Ik zie hoe monden worden opengewrikt en tanden worden uitgetrokken – nog decennia lang zullen in Europa valse gebitten worden verkocht die zijn vervaardigd uit ‘Waterloo teeth’. Zwaargewonden die bezwaar maken tegen die roofpartij, worden door de even pragmatische als meedogenloze plunderaars uit hun lijden geholpen. Sommige lijken worden gestolen door resurrection men, die ze doorverkochten aan anatomen.

'Het is alsof de Franse re-enacters hier en nu alsnog de geschiedenis willen herschrijven'

Luitenant Charles Smith van het 95th Rifles zoekt naar lijken van kameraden op het slagveld en stuit op ‘het lichaam van een Franse cavalerieofficier met fijne gelaatstrekken en een ranke lichaamsbouw…’ Het was een vrouw! En sta even stil bij het lot van een andere vrouw, de camp follower Martha Deacon, echtgenote van luitenant Thomas Deacon. Toen zij hoorde dat haar gewonde man van Waterloo per kar was overgebracht naar Brussel, legde zij in een regenstorm 30 kilometer te voet af, hoogzwanger en met drie kinderen in touw. Thomas overleefde het en Martha beviel van een dochter.

Als majoor Percy drie dagen later Wellingtons eerste officiële verslag aan het Engelse hof overhandigt en zijn regimentssjerp losmaakt, vallen een paar stukjes van de hersens van een naast hem aan flarden geschoten medestrijder op de grond. Ettelijke hofdames vallen in zwijm.

Tot tien dagen na de veldslag woedden nog brandstapels met lijken. Een Engelse toerist beschrijft hoe ‘lijken die niet diep genoeg werden begraven door een onweer en menselijke gassen opnieuw bovengronds komen’. Met het cremeren van duizenden lichamen op een brandstapel aan de Steenweg op Charleroi moet gestopt worden omdat er te veel menselijk vet over de straat vloeit.

Ook ramptoerisme is geen moderne uitvinding: een gewonde soldaat beschrijft al een dag later hoe ‘een koets met adel in zijden kousen en een zakdoek voor de mond stopte om het slagveld te overschouwen’.


Urenlang voor lul

18 juni 2015. Rond één uur ’s nachts marcheren de geallieerde troepen terug het bivak in, allemaal én ongedeerd – het minst historisch correcte moment van deze heropvoering.

Ik heb blauwe plekken – medailles van vlees en bloed – en een bloedneus. Ik heb niet te klagen: er waren lijken met achttien (!) zwaard- en kogelwonden, en lijken die geplet waren door kanonnen of paarden. Waar de artillerie huis had gehouden, vond je afgerukte ledematen, losse hoofden, halve paarden, een brij van darmen…

Sommige – vooral Franse – re-enacters zijn nogal fanatiek en agressief. ‘Het is alsof ze hier en nu alsnog de geschiedenis willen herschrijven,’ grijnst John Bull. ‘Poor devils, het moet niet makkelijk zijn om bij elke volgende re-enactment weer te moeten verliezen, ’t is alsof we het mes in de wonde draaien.’

‘Op sommige plekken zijn eeuwenoude wonden allebehalve geheeld,’ vertelt Brad Manera. ‘Toen we in 2013 meededen aan de re-enactment in Gettysburg, bleek dat de Confederates hun verlies in 1863 niet hadden verteerd. Er zijn toen zelfs banden van de auto’s van Noordelijke re-enacters kapotgesneden. Veel Zuidelijken werden trouwens gespeeld door buitenlanders, omdat de trotse Texanen het vertikten om hun nederlaag nog ’ns over te doen.’

‘Ik herinner me een gesprek met een zwarte man,’ zucht Hugh Martyr. ‘Ik vroeg hem: ‘Je bent zeker blij dat Barak Obama net de verkiezingen heeft gewonnen?’ Die vent begon verontwaardigd te vloeken: hij verafschuwde Obama, want hij voelde zich éérst Texaan, dan Republikein, en pas daarna zwart. In Rusland mochten de re-enacters geen buskruit gebruiken omdat de autoriteiten vreesden dat ze het zouden gebruiken voor aanslagen. Kanonnen waaruit vuurwerk werd afgeschoten – een ridicuul zicht. En na afloop was het slagveld bezaaid met lege wodkaflessen.’

‘Niet alle re-enacters houden zich aan het scenario,’ zegt Ron Van Dijck, die de rol van majoor Van Gorkum speelde. ‘Re-enacters zijn trots: er is veel onwil om al in het begin van de veldslag te sneuvelen en vervolgens urenlang voor lul te liggen. Je ziet dan ook veel ‘verrijzenissen’, of lijken die gezellig met elkaar zitten te kletsen. Een maat van mij kreeg een kolf in de ribben en viel lijkbleek neer. ‘Hij speelt het héél overtuigend,’ zei een Fransman waarderend. Nee: hij verging écht van de pijn.’

Franky Simon, die generaal Ney speelt, beweert dat in 2012 bij de re-enactment in Borodino – waar de Fransen wonnen – Vladimir Poetin zijn tent binnenstapte en eiste dat hij, tegen de geschiedenis in, de slag verloor – ‘Anders zorg ik voor problemen op de luchthaven.’

Hoe vaak heeft Napoleon op Sint-Helena zélf Waterloo gere-enact in zijn hoofd, minutieus overlopend waar het fout liep en hoe anders het had kunnen uitdraaien ware het niet dat…? Ik gok: talloze keren.

In 1826 in Parijs keerden Franse officieren Wellington ostentatief de rug toe. Toen de koning zich met plaatsvervangende schaamte verontschuldigde voor die botheid, zei Wellington minzaam: ‘Do not distress yourself, sire, it is not the first time they turn their backs on me.’

★★★

Merkwaardig toch dat iedereen het volstrekt redelijk lijkt te vinden dat hier een oorlogje werd nagespeeld. Terwijl het ongetwijfeld als misplaatst en amoreel zou worden ervaren mocht iemand een re-enactment van Auschwitz organiseren. Wat is de morele halveringstijd van een oorlog? Hoeveel tijd moet er verstrijken voor het acceptabel wordt om een militair conflict waarbij tienduizenden doden vielen na te spelen?

Filosofisch gesproken won Napoleon, want op maatschappelijk vlak was Waterloo hoe dan ook een keerpunt: het rurale, reactonaire, devote, royalistische Europa zou langzaam maar zeker laïciseren, industrialiseren en de voormalige almacht van z’n vorsten terugschroeven tot een protocollaire poppenkast.

In 1970, dus meer dan 180 jaar na de feiten, vroeg iemand aan de toenmalige Chinese leider Zhou Enlai wat hij vond van de Franse Revolutie: ‘Het is te vroeg om daar een uitspraak over te doen.’ Wijze woorden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234