Onze Man is Sinterklaas

Sinterklaas bestaat! Ik weet het zeker, want ik ben het zelf. Eén zaterdag lang ben ik goedheiligman in hoofd- en journalist in bijberoep. Hoor, wie klopt daar aan mijn deurtje? Duizend ongeduldige kinderen...

Zaterdag, tien uur. Ik rij naar mijn werk: Wijnegem Shopping Center, waar ik een dag lang Sinterklaas ga spelen. Ik heb geen ervaring als Sint, maar ik heb wel ooit kerstman gespeeld, op de Meir in Antwerpen. Mensen die net iets gekregen hadden, kwamen achter mijn rug nog meer cadeautjes uit de mand jatten. In de vrieskou piste een poedeltje tegen mijn been: het oude mevrouwtje dat de lijn vasthield maakte geen aanstalten om het mormel weg te trekken, maar zei veel te laat: 'Da mag ‘m ni doen, hè kerstman?'

'Toen ik jong was, kwam de Sint in de parochie nog aan huis,' had een ex-Sint me op voorhand verteld. 'Hij kreeg overal een borreltje, en was ‘s avonds steevast teut. Je had toen ook nog reclamestoeten, waar 'met gulle hand' snoep op straat werd gegooid; levensgevaarlijk voor de kinderen die het wilden oprapen.' De heilige is ook niet overal even gul, wist hij: 'Vroeger speelde ik Sint in de GB, over heel België, en het viel me op dat de kinderen in Bergen of Luik veel havelozer gekleed waren, en hun wensen waren ook heel bescheiden.' Hij besloot met een waarschuwing: 'Sint spelen is afzien, jongen: je kleren zijn te warm en te klein; je staf is te zwaar; je baard pikt als gek, en die klein mannen, godallemachtig... Goeie moed!'


De gulle sponsors

Ik kleed me om. De mijter gaat als laatste op. Het is een plechtig moment: een goddeloze in bisschopshabijt. Vanmorgen heb ik nog een foto van dertig jaar oud bekeken: ik op de schoot van de Sint in de Inno. Nu zit ik zelf op de troon, in het Shopping Center, terwijl de Inno zelfs geen speelgoedafdeling meer heeft. The times they are a-changing, indeed.

Ik ben ruwweg geschat zeventien eeuwen jonger dan de Sint. Ik oefen alvast mijn beste bariton, en vertraag mijn lichaamstaal tot die van een oude, moeë man. Over tien uur zal ik die uitputting niet meer hoeven te acteren, maar daar heb ik nu nog geen benul van. 'Denk om je beroepseer: een Sint op sportschoenen kan niet! En het grootste deel van je gezicht zit achter je baard en snor, dus je moet met je ogen 'oud' spelen',' raadt een Piet op leeftijd me aan. Ik besluit een mix van Don Corleone, Frank Sinatra en Orson Welles neer te zetten. En probeer me te herinneren wat een kind voelt als Sinterklaas op komst is: dat blinde geloof; dat duizelen van verwachting; die bevreemdende mix van ongeduld, hebzucht en angst.

Het Shopping Center heeft voor de Sint een heus kasteel gebouwd, met eromheen een feeëriek parcours waarop al honderden kinderen staan aan te schuiven. Het interieur van het kasteel houdt het midden tussen het Big Brother-Huis en een kathedraal voor lilliputters. De muren zijn behangen met producten van sponsors - Pokémon, Simpsons, K3 en Kabouter Plop. In het midden staat de troon van de Sint, met z’n staf ernaast. Ik probeer me te concentreren, terwijl een animator vijf meter verder de wachtende kindjes de gelegenheidsdeun 'Ga jij mee naar de Pizza Hut, de Pizza Hut, de Pizza Hut?' laat meezingen.


Kabouter Klop

De Zwarte Pieten zetten de sluizen open. Meteen valt het me op hoe assertief het postmoderne kind is. Veel bijdehantjes wijzen prompt naar het speelgoed aan de muur: 'Ik wil dat en dat en dat - geef het maar direct mee!' Elsje van vijf is het eerste in een lange rij kinderen die, gevraagd wat ze willen hebben, antwoorden: 'Een speelgoedwinkel'. De zesjarige Romina eist 'een pop die weent en alles kan'. Anneke, vier, wil 'een wc'. Na veel verwarring blijkt het om een poppentoilet te gaan. Jelle wil 'Kabouter Klop'. Bedoelt hij een trommelkabouter, verspreekt hij zichzelf, of krijgt hij thuis slaag? Het drumstel is overigens dé schrik van alle ouders. Eén mama zegt na het woord 'drumstel' meteen: 'Vergeet het maar, Sint, wij wonen op een appartementje.'

'Dag poppemie,' begroet een driejarig meisje mij. In haar ogen ben ik blijkbaar een uit z’n voegen gebarsten Mister Ken. Een paar uur later zal een vijfjarig jongetje me aanspreken met 'Dag God'. Maar het kan ook anders: het eerste dat de kleine Cindy tegen de Sint zegt is 'Gij zijt lelijk.' 'Heb je jezelf al eens bekeken, marinascharminkeltje?' denk ik, maar ik zwijg. Twee uur later wordt mijn ego gesust door een merkwaardig klein meisje dat ongevraagd de zegelringen om mijn witte handschoenen kust, en zegt 'Ik zie graag naar u.'

Veel meisjes vragen huishoudtoestellen voor hun poppen: een wasmachine, een stofzuiger. Jongens willen 'een paard' of 'een échte brommer'. De zesjarige Wout meldt mij verbolgen: 'Ik heb vorig jaar van u niet gekregen wat ik wou!' Verschillende kinderen willen dat de Sint iets zou weghalen in plaats van brengen: 'huiswerk' of 'den Tim van naast ons'. Slechts één meisje van acht kan niets verzinnen; ze lijkt tevreden met wat ze heeft.

Ik heb een acht kilo wegende 19de-eeuwse Duitse bijbel meegenomen die dienst doet als Het Grote Boek Waar Alle Kinderen In Staan. Bij de lastigste kinderen sla ik het even open, en veins dat ik tussen de etsen van Gustave Doré hun naam opzoek. Het toneeltje blijkt te werken, vooral als ik voordien van de Pieten de naam van het kind te horen heb gekregen, en al zoekend iets kan mompelen als: 'Mmm... ik moet vandaag ook nog een Bart zien... is die hier?', net op het moment dat de daarnet nog onhandelbare Bart met open mond en knikkende knieën het kasteel betreedt.


Kardinaal Daniëls

Wat vraagt de Sint aan de kindjes? Een veilige vraag is 'Komen jullie vaak naar het Shopping Center?' Een foute vraag is 'Kom ik later nog bij jullie op school langs?', want zoiets hoort de Sint zélf te weten. Ook bij achtjarigen is opportunisme troef: Michael wil dat de Sint 'volgende maandag langskomt, want dan hebben we ondervraging van wiskunde.' Veel kinderen vragen: 'Kent u mij nog van vorig jaar?' Liesje van vijf weet: 'Ja, gij zijt het echt Sint want toen u aankwaamt op den boot waart u vastgezeten op de wc en daarna waart u terug levend.' Een ander kind zegt me: 'Als ge speelgoed brengt, dan zal ik er misschien mee spelen.'

Sommige antwoorden zijn heel laconiek. 'Waar woon jij, jongen?' 'Thuis.' Eén kind zegt doodbedaard: 'Ik woon in Gent,' waarop z’n moeder: 'Maar allez, wij wonen in Berchem!' Eén goed gedrild kind zegt, als ik haar naam vraag: 'IkbenElsjeDeBontKasteelpleinstraatzesHoboken.' Een jongetje, gevraagd hoe het heet, antwoordt ademloos: 'Pokémonplaymobilbettyspaghettigsm...'

Het is schrikken van de namen waarmee sommige Vlaamse ouders hun kinderen opzadelen. Ik maak vandaag kennis met een Tristram, ettelijke Cassandra's, drie Yarita's, een Tjörven, een Yoni, een Indy, een Phoebe, en minstens een dozijn meisjes die Isis of Tiffany heten. De trofee gaat naar de Marina die haar zoontje meetrekt met de woorden 'Kom, Ayrtonneke, me zenne weg.'

Moderne tijden! Ik vraag nietsvermoedend aan een naar schatting achtjarig jongetje wat hij graag van de Sint zou krijgen, en hij antwoordt: 'Hebt u mijn mail niet gekregen?' En wat later meldt Björn, zeven, mij: 'Ik zal u sms'en.'

De kinderen hebben ook vragen voor de Sint. De meest voor de hand liggende: 'Wie zijn al die andere Sinten?' Ik maak de vergelijking met het politiekorps: je hebt één hoofdcommissaris, en een hoop agenten. Minder orthodoxe vragen zijn: 'Waar slaapt u in België, bij de Kardinaal Daniëls?' 'Van wie krijgt de Sint de roe?' 'Bij wie gaat gij biechten?' 'Waar is uw rendier?' 'Zijde gij den bompa?' 'Zijt gij de papa van Kabouter Plop?' 'Hebt gij ons poes gevonden, ze heet BV?' 'Eeft gij zelf kindjes, Sinklaas?' en het nu al legendarische 'Zijn er geheime gangen in u?' Ik probeer ze zo goed mogelijk van antwoord te dienen, en in noodgevallen kan ik me altijd redden met: 'Ja, de Sint is al wat ouder, hè, mijn geheugen is niet meer zo goed.'

Veel kindjes zijn een paar melktandjes kwijt: ik zie honderden monden met zwarte gaten defileren. Eén meisje lijkt een spraakgebrek te hebben, tot ze - zonder een spier te vertrekken - een tand uit haar mond trekt en hem bij wijze van ruilmiddel in mijn handpalm legt.

Een vast ritueel is het overhandigen van de fopspeen aan de Sint. 'Kom schat, geef uw tutje aan de Sint,' zeggen sommige moeders, en wringen het ding vervolgens uit kindliefs mondje. Dan is de Sint natuurlijk de boosdoener. 'Lars heeft beloofd om een grote jongen te worden en niet meer op zijn tutje te zuigen,' zegt een mama. Als ik even later vraag wat Lars graag van de Sint zou hebben, is het antwoord: 'Een tutje.' Eén kind wordt tijdens het traumatische moment begeleid door mama, papa, grote zus én de bomma. Tien minuten later komt bomma de tut terugvragen: 'Ge weet maar nooit, hè.' Aan het eind van de dag is de vloer naast mijn troon bezaaid met fopspenen.

Dit zijn politiek correcte tijden, dus de Pieten zijn nadrukkelijk 'geen bende negers meer', zoals een Piet het uitdrukt. Keer op keer moeten de Pieten uitleggen dat hun gezicht niet geverfd is, maar dat het roet is van door de schoorsteen te kruipen. Ook uitdrukkingen als 'knecht' of 'stoute kindjes in de zak steken' vallen tijdens mijn regeerperiode niet één keer. In Nederland zijn ze nog verder: daar wordt de Sint tegenwoordig geassisteerd door Zwarte én 'Bonte' Pieten, om 'mogelijke ambivalente gevoelens bij Surinaamse en Antilliaanse landgenoten weg te nemen'. Ze hebben er dit jaar zelfs 'rolstoelpieten'.


'Ik wil een lekke band'

Van oorsprong is Sint-Nicolaas de patroonheilige van de prostituees - de goede man gaf de vader van een behoeftig gezin ooit geld opdat zijn drie dochters hun veile lijf niet te gelde moesten maken, zo wil het de legende. Maar dezer dagen lijkt de Sint exclusief de patroonheilige van de speelgoedfabrikanten - er wordt in België ieder jaar voor meer dan driehonderd miljoen euro speelgoed verkocht.

Alleen al het aanbod poppen is schier oneindig. 'Mimi kan je vullen met warm water, dan voelt ze levensecht aan.' 'Belinda zingt en doet pipi.' 'Victor maakt elektrogeluiden.' 'Sandy huilt bij het uitkleden en rilt als je haar knuffelt.' 'Disney Baby geeft licht in bed.' 'Sirene wisselt van kleur bij onderdompeling in het water.' 'José heeft verschillende gelaatsuitdrukkingen, zegt 'mama' en lacht eventueel.' En wat te denken van de 'zuigpop' (geeft blowjobs?), die een smoel uit een horrorfilm heeft, of van de 'muzikale praatpop met draaiend hoofd' ('The Exorcist')?!

Er is een generatie milieubewuste poppen opgestaan -'Earth Baby', 'Birthday Child' en 'Recycle Newborn' stemmen later vast op Agalev - maar de meeste poppen blijven rolbevestigend, en worden verkocht met toebehoren als 'kinderwasmachine'. De pop Steffi is zelfs hoogzwanger 'met echt kindje in buik – leerzaam te zien hoe deze moeder haar baby verzorgt'. Het is wachten op de pop die 'Hallo, ik ben het product van een staaltje sluwe marketing' kan zeggen. Het sluwst is de merkenvermenging: ook hamburgerketen McDonald's maakt speelgoed, en niet toevallig 'McDonald's Playfood' en 'McDonald's elektronische kassa'. Kwestie van de toekomstige klanten tijdig te conditioneren.

Ik krijg een stoomcursus in wat de jeugd van tegenwoordig begeert. De toptien: 'Playstation', 'Dokter Bibber', 'Bob de Bouwer', 'Game Boy', 'Nintendo', 'Domino Extreme', 'Robot Puppy', 'Crash Car Robots' (na een 'ongeluk' spatten de poppetjes uit elkaar), 'Alien Egg' (een geleiachtige foetus in een 'buitenaards' ei), en 'Droomtelefoon' (een vroegrijp spelletje waarmee lolitaatjes op de versiertoer kunnen gaan - gekocht door ouders die zich over een paar jaar ongetwijfeld zullen afvragen waarom dochterlief 'er zo vroeg bij is').

Een ex-Sint vertelde me hoe hij als kind 'jàren' heeft gespeeld met één middels gespaarde Fort-zegeltjes gekocht autootje. Die tijd is voorbij. 'En wat zou jij graag van de Sint krijgen?' 'Raketten en bommen!', meent de vijfjarige Tom. Seppe wil om onduidelijke redenen 'een lekke band'. Als de zevenjarige Mike komt aanzetten met een onmogelijk uitgebreide verlanglijst (typisch iets voor jongetjes, heb ik gemerkt), probeer ik te counteren met een voorzichtig: 'Je begrijpt dat de Sint niet alle cadeautjes naar één kindje kan brengen, hè Mike?' 'Waarom niet?', is de tegenzet. Verschillende zesjarigen willen 'een gsm en een laptop'. Eén meisje van acht, van wie de mama er niet bepaald vermogend uitziet, wil 'televisie en dvd op mijn kamer zelf hebben.' Slechts één kind vraagt anachronistisch om 'knikkers'.

Veel ouders zijn de buikspreker van hun kind. De zevenjarige Inge vraagt 'een karretje om de kleertjes van mijn poppen in te stoppen'; ik zie haar moeder, moegetergd door de eeuwige rommel in huis, denken: 'Ze trapt erin!' En hoe spontaan is het verzoek van Maya, die graag 'een bureautje om netjes aan te werken' wil?


Bob de kabouter

Veel kinderen krijgen niet gezegd wat ze hebben willen. Ira wil een dinosaurus maar komt niet verder dan 'dinno'. Tommeke wil een 'étchenmon' ('Action Man'). Ik hoor ook duizend-en-één variaties op 'Bob de Bouwer': 'Bob de bouwter', 'Bob Kabouter', 'Bo gawout'... Ik vind: een kind is pas oud genoeg voor een stuk speelgoed als het de naam ervan kan uitspreken.

Eén kind vraagt een 'telescoop', maar blijkt bij nader inzien een microscoop te bedoelen. Woutje van vijf wil 'een flap waar zo vliegen uitvliegen'. Mike wil 'de auto die kan rijden in water en dan blijven rijden en nog rijden'. De kleine Jasper omschrijft zijn droomcadeau als volgt: 'Met de spin dan gaat het rap en dan komt het eruit en dan gaat het nog rapper en dan opnieuw en nog eens.' Na enig speurwerk blijkt het te gaan om de 'Circuit Spider Slamtrack' van het merk Hotwheels.

Ook de schrijfwijzen van sommige cadeaus zijn pareltjes: 'Ik wil een bot van plemobil een gemboi en egte toverstaf en gocheldos'. Yannick wil 'monstersen ko, en ham ster'. Echte briefjes zijn trouwens zeldzaam geworden; ik krijg er maar een handvol. 'Lieve Sint, ik ben en eet mijn braaf op bordjekom je naar mijn huisje. Dit is een lijtsej van wat ik wil hebbe ik leg wortel voor u en zwarte.' 'Dag Sint ik ben Annabel en heel lief en u zijt dat ook en hoop dat.' Mandy en Jerry hebben met vereende krachten in kleurpotlood de volzin 'wij wilen grag een betje mer speelgoed aubgroetjes' opgeschreven. Het aandoenlijkst is de kleine Hanne, die schrijft: 'Lieve Sint, ik heb op dit papier ook cadeautjes gekleeft voor mijn kleine zusje Robin ik hoop dat jij ook haar iets mooi brengt.'

Heel wat kinderen brengen een tekening voor de Sint mee - handig, want aan de naam eronder kan ik zien of ik een jongetje of een meisje voor me heb. Mooie tekeningen beloof ik 'aan de muren van mijn paleis in Spanje' te hangen. Het moet de Sint overigens van het hart dat échte tekeningen zeldzaam zijn. Veel kinderen hebben iets gemaakt dat ik welwillend 'collage' zal noemen: uit catalogi van speelgoedwinkels geknipte fotootjes, die gemakzuchtig op bladen zijn geplakt. Eén inhalig jongetje presteert het niet minder dan 76 op elf zwarte bladen tekenpapier gekleefde fotootjes te overhandigen.


Krabben, schuifelen, pulken

Het is wonderlijk hoe verschillend kinderen kunnen zijn. Eén hyperkinetisch ventje rent naar me toe en begint op en neer te springen en met z’n vuisten op mijn Grote Boek te hameren. Maar sommige kinderen, zelfs tien- of twaalfjarigen, kunnen letterlijk geen woord uitbrengen, ook al neem ik uitgebreid de tijd om hen op hun gemak te stellen. Ook de lichaamstaal spreekt boekdelen: er wordt gekrabd, geschuifeld en aan haren gepulkt dat het een aard heeft. Het pijnlijkste duo zijn Werner en z’n papa. Je ziet onmiddellijk dat papa vroeger zelf heel verlegen was. En nu hij eindelijk die verlammende schuchterheid grotendeels heeft overwonnen, ziet hij zijn vroegere zelf weerspiegeld in zijn zoontje. Als Werner en zijn papa afdruipen, doen ze dat allebei zonder de Sint in de ogen te kijken. En het ergste is dat papa zelf zo ontdaan is dat hij niet in staat is de kleine Werner te helpen.

De multiculturele samenleving is een feit, zo blijkt uit het hoge aantal (dertig procent, schat ik) allochtone kinderen dat zich bij de Sint aandient. Ik zie Kosovaren, Noord-Afrikanen, Polen, Russen, Brazilianen, zelfs een gezin uit Hongkong. Drie onbegeleide kinderen uit ex-Joegoslavië spreken geen woord Nederlands. Omgekeerd kunnen twee Turkse jongens maar niet begrijpen dat de Sint geen woord Turks praat - hij is toch ooit bisschop van Myra geweest? Ergerlijk zijn Marokkaanse en Algerijnse puberjongetjes, steevast tussen tien en veertien jaar oud, en altijd opdagend in groep: zij geloven allang niet meer in Sinterklaas, maar weten dat aan de uitgang een zakje met snoep en cadeautjes op ze wacht. Ze lachen de Sint in zijn gezicht uit, en het irriteert me dat ze kostbare tijd in beslag nemen die ik aan jongere, minder schaamteloos opportunistische kinderen had kunnen besteden. Schrijnend daarentegen zijn de jonge Turkse kinderen die, op de vraag wat de Sint ze moet brengen, met een stralende, dankbare glimlach speelgoed aan de muur aanwijzen, duidelijk in de overtuiging dat ze het meteen mogen meenemen. Het duurt even voor het misverstand is opgehelderd, en het valt me moeilijk dat ik ze een koude douche moet geven.


Gelei!

Een professionele fotograaf maakt van de meeste kinderen een foto. Dat maakt de zaken er voor de Sint niet gemakkelijker op: soms begeeft de fotocomputer het, of moet een mislukte foto worden overgedaan. Maar dat zijn futiliteiten in vergelijking met het centrale probleem: ouders willen steevast dat hun kind voor de foto op de schoot van de Sint plaatsneemt. Geen probleem, op voorwaarde dat het kind zelf er zich goed bij voelt, en vooral bij peuters is dat vaak allesbehalve het geval. Elk gezin heeft zijn eigen codewoord om het nageslacht tot lachen te inspireren: 'cheese' is blijkbaar uit de mode, en vervangen door woorden als 'gelei', 'spaghetti' en 'boelieboelie'. Veel ouders liegen en bedriegen om toch maar een lachend kindje op de foto te krijgen: ze maken loze beloftes, veinzen feestvreugde, houden speelgoed uit naar het kind... Helaas zijn sommige kinderen niet vatbaar voor omkoperij: de kleine Inneke (veertien maanden oud) voelt instinctief dat er stront aan de knikker is, en zet het ondanks alle ouderlijke pogingen op een janken.

Nogal wat ouders zien de Sint als een meubelstuk dat mee op 'hun' foto moet, en ontpoppen zich tot regisseurs. Eén vader is bang dat de 'goeie kant' van zijn vierjarig dochtertje onvoldoende zal uitkomen, en begint ongevraagd aan de herinrichting van mijn kasteel. Een druk getatoeëerde vader zegt vlakaf: 'Ge gaat op de foto, de papa heeft ervoor betaald,' en dwingt zijn hysterisch krijsende kind op mijn schoot.


Vergiftigde speelgoeddinges

Sommige kinderen zijn veel te jong om urenlang in de rij te staan wachten op een zilverharige reus in een rode soepjurk. Maar ook al wat oudere kinderen blijken soms doodsbang. Een mama zegt: 'Vorig jaar heeft onze Kevin nog geweend als hij bij u op bezoek kwam, Sint, maar dit jaar gaat hij dat niet meer doen, hè Kevin?' Prompt treden in Kevin diverse misthoorns en sirenes in werking. Een andere moeder komt mij voor de intrede van haar kind influisteren: 'Zet uw bril af, want ons klein is daar bang van.' Ik verwijder met grote moeite de vastgeplakte toneelbril. 'Ons klein' betreedt het kasteel, werpt één blik op de brilloze Sint, en begint hysterisch te janken. Bange kinderen probeer ik te wijzen op de gelijkenis tussen Sinterklaas en Kabouter Plop, maar dat werkt niet altijd. Ik leer ook gauw af om interesse te betonen voor de poppen van de kinderen: ze denken steevast dat ik hun pop wil afpakken.

Ik ben niet verantwoordelijk voor inbreuken op de sperperiode, maar niettemin moet ik ettelijke klachten incasseren van mama's die protesteren dat 'ons klein al de 21ste oktober over u begon te zagen' of dat 'ge nu zelf eens moogt uitleggen waarom gij bij ons pas de zesde december komt maar bij Bartje van naast ons al gisteren'. De Sint weet alles, maar toch weet ik niet wat te antwoorden als een mevrouw mij dwingend vraagt of 'dat probleem van die vergiftigde speelgoeddinges van Bart Smit uit China nu al is opgelost?'

Soms, heel soms, zie ik kinderen die zo ongelofelijk charmant en naturel zijn dat ik ze meteen zou willen adopteren. Maar de Sint vindt ook dat het gedrag van sommige kindjes te wensen overlaat! Zo zijn er jongetjes die een stuk van het decor van het paleis afbreken en het dan aan de Sint cadeau doen, in de hoop een ander geschenkje in de plaats te krijgen. Ook de Sergio's in de dop kan ik er nu al uithalen. 'Is Tom een deugniet?' 'Jaja,' zegt de mama. 'Och ma, zwijgt nu eens!' Opvallend is ook het breed geëtaleerde misprijzen waarmee tienjarige jongetjes neerkijken op hun jongere broertje of zusje dat nog wel in de Sint gelooft. Maar die vroegrijpe pretbedervers zijn wel opportunistisch genoeg om cadeaus te willen van iemand die volgens hen niet bestaat.

Goede voornemens hebben een korte houdbaarheidsdatum. De zesjarige Amélie vertelt de Sint dat haar broer 'altijd mijn arm omwringt en dat doet pijn en hij doet het altijd als niemand ziet'. 'Wat gaan we daaraan doen?', informeert de Sint bij broerlief. 'Braaf zijn tot 6 december,' grijnst hij pragmatisch. Soms probeer ik een frase als 'Als de Sint op deze rode ring blaast, kan hij altijd zien of jullie braaf zijn...', maar dat werkt alleen bij heel jonge boosdoeners. Logica werkt wel. Aan lastige kinderen vraag ik: 'Wil jij later als je groot bent een braaf kindje of een stout kindje? Aha! Dus wat moeten wij dan nu zélf zijn?'


Verzoeknummers

En nu moet de Sint even een hartig woordje richten tot de ouders. Ouders die met hun overmaatse buggy’s verkeersopstoppingen veroorzaken in mijn toch al kleine kasteel. Ouders wier gsm op de onmogelijkste momenten afgaat ('Ik kan nu nikske zeggen want ik zen me de Sint bezig,' zegt één mama dubbelzinnig). De moeder die overduidelijk wordt gebeld door haar minnaar en de Sint ongeduldig teken doet dat hij het onderhoud met kindlief moet rekken, zodat zij haar volgende afspraakje kan regelen. Ouders die hun kind voor schut zetten door hardop te verkondigen dat het nog bedwatert, alsof de Sint dat wangedrag weleens even zal berispen. Fantasieloze vaders die alleen zijn meegekomen omdat hun vrouw erop aandrong, maar bij wie de weerzin van het gezicht druipt. Meer dan eens moet ik op m’n lip bijten om niet te zeggen: 'De Sint zal een nieuwe papa brengen,' maar in de meeste gevallen lijkt het me een kwestie van tijd voor mama daar zélf voor zorgt.

Veel ouders gaan hun kind voor om mij ongemerkt een verzoeknummer in te fluisteren, genre 'Zegt eens da ons klein wa beter moet luisteren, want ’t is geen doen zo!' Andere ouders stoppen me discreet een briefje toe: 'Julie durft soms de mama tegen te spreken. Zeg dat dat moet stoppen', of 'Lize is 10 en maakt met opzet dingen kapot.' Tegen één weerspannig kind zeg ik: 'Je mama heeft veel meer ervaring en wijsheid dan jij, dus het is goed dat je naar haar luistert.' Waarop de moeder nijdig: 'Zég, zo oud ben ik niet hoor!'

Ik zie te veel ouders van wie het ouderlijk gezag is afgebrokkeld, en die verwachten dat de Sint in dertig seconden tijd een scheve situatie van jaren rechttrekt. Eén mama zegt eerst tegen mij: 'Ja, Sint, ons Mandy is slordig en ongehoorzaam', en vervolgens tegen haar man: 'Zegt gij ook eens iets, of moet ik het vuil werk weer alleen doen?!' Een andere moeder zegt vlakaf: 'Ja, Sint, want als de cadeautjes van de papa moeten komen, dan kunnen we nog lang wachten.' 'Sterkte nog, Sint,' zegt één vader me bij het verlaten van het kasteel.


Het biechtgeheim

'Wat er ook gebeurt: je blijft in je rol!', had de directie van het Shopping Center me op voorhand ingeprent. Dat is veel gevraagd als de kleine Jamina de Sint een ongevraagd cadeautje geeft. Ze zegt eerst wat ze graag zou hebben ('een pop die pipi kan doen'), en vervolgens geeft ze me een staaltje van haar eigen kunnen. De Sint is doorweekt, mijn mooie Grote Boek ook, en het slechte nieuws is dat ik hier nog drie uur moet zitten. De Sint doet zijn eigen stunts, dames en heren.

Er gebeuren nog meer onsmakelijke incidentjes: een cadeautje overhandigen aan een morsend/kwijlend/kotsend kind is géén onbevlekte ontvangenis. En wellicht leef ik me té goed in mijn rol van oude man in, met een prostaatvergroting tot gevolg, want de Sint moet zelf hoogdringend lozen, en het Sintkasteel bevat geen toilet. Sinten hebben met heel mooie vrouwen gemeen dat ze niet geacht worden een stoelgang te hebben.

Het Shopping Center heeft zich uitgesloofd om het wachten zo aangenaam mogelijk te maken, maar mijn populariteit is van die aard dat de wachttijd tot drie uur bedraagt. Gevraagd wat de Sint voor hem moet doen, antwoordt de kleine Marco: 'Dat gij al die ander kindjes wegdoet, zoals wij rapper bij u kunnen komen.' Eén vader zegt, nadat ik (op zijn verzoek) zijn zoontje heb berispt: 'Amai zeg: bijkans vier uur aanschuiven om dan van de Sint naar uw vijs te krijgen!'

Gezinnen zitten anno 2002 niet meer zo simpel in elkaar als vroeger: Tina is wel het zusje van Erik, maar slechts de halfzus van Merel en de stiefzus van Sari. Als ik aan een ander kwartet vraag 'Zijn jullie allemaal broertjes en zusjes?', antwoordt de oudste: 'Nee, Kim is van een vorige papa, en Cindy en Mike zijn nog van een andere papa en ik ook.'

Sommige kinderwensen bevatten meer ernst dan op een kinderfeest gebruikelijk is. 'Ik zou graag vrede hebben en ook bij ons thuis,' mompelt de kleine Lars. De zesjarige Steven vraagt 'niks voor mij, maar wel werk voor onze papa'. Die zinkt prompt door de grond van schaamte. Nog cryptischer is de wens van Nico: 'Ik zou graag de centen krijgen die onze papa nog moet aan die andere mensen.' En wat te denken van deze uitlating van de vijfjarige Ward: 'Papa is heel stout'? Een grapje, of een zaak voor de werkgroep Morkhoven? En wat bedoelt de zevenjarige, in zichzelf gekeerde Inneke als ze met neergeslagen ogen zegt: 'Ik wil graag een slot op mijn kamer'? Geldt voor de Sint het biechtgeheim?


Dokken a.u.b.

Gaandeweg word ik me bewust van mijn macht: de ouders hebben zich te houden aan wat de Sint hun kinderen belooft. Vooral van grootouders waarvan het kleinkind net de wens heeft uitgedrukt 'een échte computer' te krijgen, herken ik na een paar uur de wanhopige blik die zegt 'probeer die kleine in godsnaam iets goedkopers aan te praten!'

De nachtmerrie van elke Sint is: assertieve moeders. 'Vraag maar eens aan de Sint waarom al dat speelgoed zoveel moet kosten, lieveke!', spoort een mama haar vijfjarig dochtertje aan. Een andere mama bijt me toe: 'Gij zijt ne goeie, gij: gij hangt hier gezellig den toffe uit, maar wij mogen straks dokken!' Sommige ouders komen als een sergeant naast mij staan, met een lichaamstaal die zegt: 'Gij gaat hier véél aandacht besteden aan ons kind, we hebben er verdomme lang genoeg voor in de rij gestaan!' Eén mevrouw eist dat de Sint het volledige relaas aanhoort van de derde prijs die dochterlief - vier jaar jong, uitgedost met nagellak en rouge - op één of ander Mini-Miss-Weetikveel-concours heeft behaald. Zo zie ik nog wel meer moeders, veelal zonnebankoranje en met nepgoud behangen, die schijnen te denken dat ze geen kind maar een barbiepop hebben gebaard.


Troostende woorden

Op zijn best is de Sint een troostgever. 'Wat kan de Sint voor je doen, Wendy?' 'Mijn mama terugbrengen.' Is Wendy’s mama dood, opgestapt of geëmigreerd? 'Dat kan de Sint niet, kom we zijn weg,' zegt de vader abrupt, en hij trekt Wendy mee. Ik krijg de kans niet om te reageren, want daar staan de volgende kinderen al. Van het voorste denk ik: 'God, wat een dikke mevrouw,' maar het blijkt de dochter te zijn, elf jaar en enorm. Ik wou dat de Sint haar kon verlossen van de dagelijkse confrontatie met de magergekte die het straatbeeld en de reclame beheerst, maar zo ver reikt mijn macht niet.

De kleine Sandra huilt. Nee, ze is niet bang van de Sint, maar Sammy is vanochtend gestorven. Sammy? Haar konijn. De Sint verzwijgt wijselijk dat Mevrouw Sint hem gisteren nog een succulent konijn heeft geserveerd. Het volgende kind wil 'een knuffel', want dat krijgt het thuis nooit. Maar hoe betrouwbaar zijn kinderen? Heeft het jongetje dat 'thuis nooit iets krijgt' gierige ouders, of is het gewoon nooit tevreden?

Maarten vertelt dat hij op school wordt gepest door 'de Mike'. Vanaf dat moment vraag ik zwak lijkende kinderen langs m’n neus weg of ze last hebben van pesterijen. Het wordt een automatisme, tot ik een kleine barbie van een jaar of tien voor me krijg, haar dezelfde vraag stel en dan besef: zo’n mooi kind, natuurlijk wordt zij niét gepest.

Een paar kinderen komen de Sint in hun eentje bezoeken. Het eerste is een wat zielig, verlegen jongetje van acht, dat naar eigen zeggen 'toevallig langskwam'. Het tweede is een allochtoon meisje van een jaar of twaalf, dat moeilijk gezegd krijgt wat ze graag zou willen. Uiteindelijk begrijp ik 'een doek, voor na water'. Een handdoek voor na het douchen? Een strandlaken? Ze knikt dankbaar. Na alle verwende nesten die mij vandaag al computers en gsm's hebben gevraagd, is deze kinderhand beschamend snel gevuld. Een paar uur later duikt Natasja op: een verwaarloosd, schichtig kijkend marinaatje van twaalf dat, schat ik, medio 2009 haar opwachting zal maken in 'Jambers'. Ik wil haar een bemoedigend woordje meegeven, maar er is geen tijd: Sinterklaas spelen is bandwerk.

Ik zie vandaag drie dove jongetjes. De Sint spreekt alle talen, en godzijdank herinner ik me nog het handgebaar voor 'vriendschap' en 'geluk'. Ik krijg ook bezoek van een handvol mentaal gehandicapte kinderen. En één mama zegt cryptisch over haar Bartje: 'Hij is heel moedig, Sint.' Heeft Bartje nog maar een paar maanden te leven? 'Hij is heel moedig, Sint.' Het zinnetje blijft nog lang in mijn hoofd nazinderen.

Maar het mooiste moment van de dag komt als de kleine Mimi het kasteel betreedt. Volgens haar mama wil ze graag de Sint 'met haar vingers zien', want Mimi is 'slechtziend'. En zo betast blinde Mimi langdurig de gelaatstrekken van de Sint, die eigenlijk de mijne zijn. Ik ben ontroerd, en zoek koortsachtig naar de juiste woorden om haar een hart onder de riem te steken.

Later op de dag treedt de meligheid in, zowel bij de Sint als bij de vermoeide ouders. Als het zoveelste kind 'iets van Bob de Bouwer' vraagt, grap ik, wijzend op de papa: 'En dat is Bob de Doe-het-zelver, zeker?' Waarop mama: 'Nee, Sint, dàt is Bob de Knoeier'. Altijd raak is de vraag: 'Maar zijn de papa en de mama wel braaf geweest?' 'Nee, héél stout!' Eén keer gaat het mis. Ik krijg een baby met ros haar voor me, en zeg: 'De Sint had vroeger ook zo’n haar.' Het was bedoeld als zelfspot, maar de moeder is tot op het bot beledigd.


Populairder dan Jezus

Acht uur. Het 967ste kind heeft net afscheid genomen, en de Sint blijft verweesd achter in zijn kasteel. Ik heb er tien uur dienst opzitten. Ik heb minstens vijfhonderd kinderen op en af mijn schoot getild. De vanochtend nog spierwitte handschoen om mijn rechterhand is nu donkergrijs. Mijn baard en pruik jeuken als gek. Ik zweet als een otter. Ik ben hees. En voor de zoveelste keer vandaag is door al dat gepraat mijn valse snor los komen zitten. En nu pas besef ik HOE DIE IRRITANTE KLOTE SINTLIEDJES DIE AL TIEN UUR LANG DOOR MIJN KASTEEL GALMEN OP MIJN ZENUWEN WERKEN!

Ik maak even een paar rekensommetjes. Kinderen die aan mijn baard hebben getrokken om te zien of hij echt was: 73. Kinderen die de Sint hebben tegengesproken: 278. Kinderen die hebben geklaagd over hun ouders: 314. Kinderen die gevraagd hebben naar het mailadres van de Sint: 89. Moeders die moeten onthouden hun kind voor het bezoek aan de Sint een luier om te doen: minstens 2.

Uit statistieken blijkt dat zestig procent van alle kinderen het Sinterklaasfeest verkiest boven Kerstmis. Ik ben dus, zoals de Beatles indertijd, populairder dan Jezus! Op 6 december overhandigt de Sint de sleutels van het Shopping Center aan de kerstman, die niet weet waar hij aan begint. De allergulzigste kinderen heb ik trouwens voorgesteld het gros van hun cadeautjes maar aan de kerstman te vragen. Of moeten we misschien fuseren? Of zijn de paashaas, Sinterklaas en de kerstman nu al één en dezelfde man, die een trits parttimes aan elkaar heeft geregen? Ik snap nu in ieder geval dat de Sint een vol jaar nodig heeft om bij te komen.

Thuis is het eerste wat ik tegen mijn lief zeg: 'En, braaf geweest?' Het antwoord is ja, maar ze krijgt toch van de roe.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234