Onze Man wordt Kabouter Plop: 'Als ik het verknal, zijn duizend kindjes ongelukkig'

‘Trek even je legging aan.’ Ik wring de legging over m’n billen. ‘Nu deze kousen.’ Ik schuif twee lange, rode kousen over m’n voeten. ‘Nu kun je aan het pak beginnen.’ ‘Met het hoofd helpen we je wel even.’ Een imposant gevaarte wordt over m’n kop geschoven. ‘Zo, nu ben je Kabouter Plop.’ Het is waar: nu ben ik Kabouter Plop.

(Verschenen in HUMO 3964 op 22 augustus 2016)

'Ik zie niks, dus ik moet het een beetje op z'n Vangheluwes doen: uitnodigend tasten naar de kindjes rondom me'

Ik ben in Plopsaland, het pretpark van Studio 100 in Adinkerke, en een dag lang zal ik er tot het animatieteam behoren. Dat wordt geen walk in the park, begrijp ik al snel: het is negen uur ’s ochtends, en ik word meteen een radertje in de hoge toerentallen draaiende machine die Plopsaland is. Zo meteen gaat het park open, en moet ik helpen bij de verwelkoming van de bezoekers. Concreet: wanneer de kinderen en hun ouders of grootouders voorbij het sas aan de ingang en – minstens even belangrijk – de kassa zijn, krijgen ze meteen hun televisiehelden in het vizier. In wisselende constellaties staan de Studio 100-figuren – Plop, Maya de Bij, Bumba et les autres – de bezoekers op te wachten. De kinderen (en indien gewenst ook de ouders, Plopsaland gunt iedereen z’n particuliere verlangens) mogen knuffelen met hun favoriete figuur, en uiteraard loopt er net dan een fotograaf langs om al die ontroering vast te leggen – straks, aan het einde van de dag, kunnen de ouders die foto kopen.

‘De magie intact houden: dat is je belangrijkste opdracht,’ heeft Carmine Frisenda (32) gezegd, de operations coordinator van Plopsaland. ‘De kinderen geloven dat jij Plop bent. Daar handel je naar: ze moeten elke beweging van hun held herkennen.’ Ik gehoorzaam gedwee, en laat Plop dus niet in z’n kruis tasten wanneer hij een esthetisch sterk bevoordeelde mama ziet met wie hij weleens wil aperitieven in de Melkherberg, en evenmin laat ik ’m genoeglijk brommend aan z’n achtersteven krabben om duidelijk te maken dat kabouters nu eenmaal ook last hebben van zweet dat de bilnaad tot een humanitair rampgebied maakt. Nee, ik doe het zoals het hoort: ik wuif neurotisch naar aarzelende kindjes, wapper ze met Plops armen een warm welkom, en omarm gezinnetjes met het oog op de perfecte foto.

'Langer dan een halfuur in zo'n zwaar, warm pak komt zo ongeveer neer op een schending van de mensenrechten'

De ouders vinden het logisch, de man in het kabouterpak die hun kinderen een mooie illusie cadeau doet. Wat ze niet weten: dat ik een tragische verstikkingsdood aan het sterven ben. En ook: dat ik geen hol – maar echt: geen hól – zie.

Eerst de verstikkingsdood: zo’n pak is zwaar, en krap. Wie last heeft van claustrofobie, solliciteert beter niet bij het animatieteam van Plopsaland. Wie niet stiekem een béétje geniet van het aroma van z’n eigen zweet ook niet.

Dan het zicht: de ogen in de kop van Plop – en, zal ik later merken, van élke figuur – zitten hoger dan mijn eigen ogen. En de mond – want dat is ook een mogelijk kijkgat – lager. Welke optie ik ook kies, ik zie nauwelijks wat van m’n onmiddellijke omgeving. Van wat zich in een straal van 1 meter rond me afspeelt, zie ik zelfs niets. Al snel leer ik dat ik het een beetje op z’n Vangheluwes moet doen: uitnodigend tasten naar de kindjes rondom me. Er worden honderden foto’s gemaakt van Kabouter Plop die joyeus en joviaal kindjes omarmt, en – Plopperdeplop! – niemand die weet dat deze aimabele kabouter het niet ziet, de idolate blikken, de aarzelende angst, het stoere geluk.

Een halfuur: zo lang ben ik Kabouter Plop. Langer mag niet, en langer kán ook niet. ‘Vanop afstand lijkt het iets lichts en vrolijks, werken in Plopsaland,’ zegt Ophelie – ‘Zeg maar Fie’ – Tailler, die hier de hele zomer werkt. ‘Maar je hebt het nu zelf ondervonden: langer dan een halfuur in zo’n zwaar, warm pak komt zo ongeveer neer op een schending van de mensenrechten.’

‘Ben jij wel de echte?’ Ik puf nog altijd in het Ploppak, en rond me hangen jongetjes die zich slimmer willen voordoen dan ze volgens hun geboortejaar zijn. Ik vind het oprecht vervelend: dit zijn kereltjes op de grens tussen argeloos jong en van illusies bevrijd. Ik mag bovendien niets zeggen, want ook dat is me stellig opgedragen: zolang gij in het pak van Kabouter Plop zit, zult gij geen woorden spreken. Ik voel me ongemakkelijk, ik wil even overal zijn behalve hier, en dan brengt een meisje – ik denk dat ze 4 of 5 is – tedere redding. ‘Ik hou van jou!’ Er zijn nog vrouwen die me die zin toevertrouwd hebben (en zich doorgaans snel bedachten), maar dat heeft niets te maken met de mooie, slordige werkelijkheid van nu: een klein meisje klimt zevenendertig hemels boven de zevende, en is daar ontroerend gelukkig. Verstopt in die grote Plopkop hoest ik al m’n ontroering op.

'Bij de show van Maya de Bij word ik benoemd tot Chef Rekwisieten. Als ik het verknal, zijn duizend kindjes ongelukkig'


Fie de Bij

Ik krijg m’n halfuur pauze, en ben dan voor de tweede keer de Melkherbergstamgast. Tijd voor een ander melkje, suggereer ik. En ja: daar krijg ik het prettige order om een halfuur lang Piet Piraat te zijn. Dat doet wat opzienbarends met m’n zelfvertrouwen. Ik hijs me in het pak, en ik voel me een man – een spierbundel die de overwinningen opeenstapelt, iemand die alert is en wakker uit z’n ogen kijkt. Ik ben een piraat, goddomme. Ik bevaar allerlei wilde zeeën, en meisjes voelen hun eierstokken krullen zodra ik ‘Schip, ahoy!’ gil. En dan schiet er me iets te binnen wat m’n stoere zelfvertrouwen torpedeert: ik herinner me plots dat ik nog altijd een legging aanheb.

Na de middag assisteer ik bij de meet-and-greet: Fie is Maya de Bij, en knuffelt al die dagdromende kindjes. ‘Als er een kindje lacht, heb ik mijn job goed gedaan. Ik waak erover dat het geen automatisme wordt: ik wil bij élk kindje dat pure geluk ervaren, en er nooit cynisch over worden.’

We lopen naar het grote theater, naar de show van Maya de Bij. Ik ben trots, want ik word benoemd tot Chef Rekwisieten. Ik moet een pot aangeven – als ik het verknal, zijn duizend kindjes ongelukkig. Het leven gaat over verantwoordelijkheid nemen, besef ik plots trots.

''Ben jij wel de echte?' Rond me hangen jongetjes die zich slimmer willen voordoen dan ze volgens hun geboortejaar zijn'

‘Het is de hel, zo’n show,’ zucht Fie. ‘Je danst jezelf een paar kilo lichter.’ Snel neemt ze een douche. Daarna haasten we ons naar wat het orgelpunt wordt van deze – en elke andere – dag: de parade. Een rijtje cabrio’s goochelt zich door het park, en elk van die onthoofde auto’s vervoert een Studio 100-figuur. En zo komt het dat ik Piet Piraat ben, en feestelijk rondgereden word. Ik verdrink in m’n eigen hoogmoed: ik wuif naar de kindjes langs de kant, en ik krijg alleen maar jonge, gelukkige glimlachjes terug. De vaststelling is eenvoudig: ik ben de paus. Een verwarde paus, dat wel, wanneer een mama van drie, haar eierstokken iets te ostentatief klepperend, me een niet mis te verstaan fellatiogebaar maakt. Piet Piraat zijn is heus geen makkelijk vakantiebaantje.

Ik loop hier een dag rond en ik vind het al behoorlijk pittig, maar wie hier de hele zomer werkt, moet toch op z’n minst iets van Studio 100-passie voelen. ‘Soms kom ik hier Samson en Gert tegen,’ zegt Carmine. ‘Dat is mijn jeugd: ik word daar heel gelukkig van.’

Voor de eerste keer vandaag word ik uitgesloten. Alle Studio 100-figuren dansen op een plateau de bezoekers goodbye. ‘Daar moet je auditie voor doen,’ troost Fie me. ‘En niet dat je niet je best doet, maar misschien kan het iets minder houterig?’

Ze is moe, zie ik. Een dag jonge kindjes gelukkig maken, kruipt flink in de kleren. Ik probeer iets: ‘Een pintje in de Melkherberg?’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234