Onze Man wordt Witse: achter de schermen van de moordsectie

De vrouw ligt op haar rug met de vuisten half gebald naast haar hoofd. Haar knieën heeft ze half opgetrokken, alsof ze nog vruchteloos heeft geprobeerd om in een embryohouding te gaan liggen: het is de houding van iemand die zich kwetsbaar voelt. Tussen haar vingers zitten plukken haar. Ze heeft een wonde aan het hoofd die niet fataal was, en vier messteken in haar lichaam die dat wél waren.

(Verschenen in Humo 3908 op 23 september 2008)

Ze heeft enkele liters bloed verloren. In het bloed rond haar lichaam heeft haar doder voetsporen achtergelaten. Het lichaam is aangetroffen op de tweede verdieping van een huis in een dure buurt in Brussel. Een straat waar mensen gaan wonen omdat het er rustig en discreet is.

Karel Vastesaeger is net thuisgekomen als hij de oproep krijgt van de lokale politie. Karel is hoofdinspecteur bij de Division de Recherches 6 (DR 6) van de Federale Gerechtelijke Politie te Brussel, gemeenzaam de moordsectie genoemd, of la crime. Zoals gewoonlijk stelt hij niet veel vragen aan de telefoon. Tijdverlies: hij vertrekt toch meteen naar de plaats delict. Maar eerst belt hij zelf zijn teamleden Astrid Wanlin en Jamal Douidar op: ‘’t Is weer koekenbak.’ De twintigste keer al dit jaar.

Per jaar verricht de moordsectie zo’n veertig ‘afstappingen’. Vroeger waren er dat veel meer, maar na een hervorming in 2001 is beslist om de moordsectie alleen nog in te zetten voor zaken waarbij de dader onbekend is. Als een man zijn vrouw de hersens inslaat en hij wordt aangetroffen met de bebloede koekenpan nog in de hand, dan mag de lokale politie dat afhandelen. De moordsectie is een specialisteneenheid, die alleen de moeilijkste gevallen voor haar rekening neemt: roofmoorden, afrekeningen in het milieu, lustmoorden, seriemoorden. Aan de voordeur van de woning brengt Alain, een atletische veertiger van de lokale recherche, de collega’s op de hoogte. Hij legt uit dat het slachtoffer is gevonden door haar echtgenoot. Alain vertelt hoe die had gevoeld of zijn vrouw nog leefde (nee dus), en hoe hij vervolgens een ambulance had gebeld. Ze was al koud, heeft de echtgenoot verklaard. Later zal hij zeggen: niet koud, maar lauw. Waarom heeft hij een ambulance gebeld, zal een rechercheur hem diep in dezelfde nacht vragen, als hij wist dat ze al dood was? De man: ‘Omdat ik niet graag voor God de Vader speel.’

In de kleine voortuin is het drummen. Vier uniformen, twee ambulanciers, één wetsdokter, enkele mensen van het lab in witte overalls zitten op muurtjes of leunen tegen de auto van de echtgenoot, die op de oprit geparkeerd staat. Op de grond staan dozen met plastic overschoenen, containers vol plastic potjes voor bloed en andere biologische stalen, grote zakken voor het bewijsmateriaal – geen plastic zakjes zoals op televisie maar papieren zakken, omdat bewijsmateriaal daar beter in bewaart.

Boven op het gereedschap van de wetsdokter ligt een buitenmaatse elektronische vleesthermometer. Er is inmiddels een uur of twee verstreken sinds de vrouw is gevonden, en in die tijd is er voornamelijk gepraat.

Elke nieuwkomer op de plaats delict krijgt ongeveer hetzelfde verhaal te horen. Naam, leeftijd en beroep van de vrouw. Gezinssituatie. Beroep van de echtgenoot. Een korte samenvatting van diens verklaringen: hoe heeft hij zijn vrouw gevonden? Wanneer? Waar was hij vandaag? Soms zorgt dat voor verwarring. Is de echtgenoot nog naar de derde verdieping geweest terwijl de ambulancier bij het lichaam was? Daar heeft de man niets van gezegd, zegt Alain. Iemand van het lab komt naar buiten: die schoensporen rond het lichaam, zijn die van de ambulanciers? Hoezo, je weet dat niet? Haal die ambulanciers terug naar hier. Iemand vraagt of de echtgenoot is gecontroleerd op verwondingen: de vrouw heeft zich wellicht verweerd tegen haar aanvaller.

De man had inderdaad bloed aan zijn handen, maar dat was naar eigen zeggen omdat hij had gevoeld of ze nog leefde. Er wordt getelefoneerd met het kantoor van de lokale politie: de handen van de echtgenoot moeten ingepakt worden in papieren zakken tot de wetsdokter hem kan onderzoeken. Voor de rest staat iedereen vooral te wachten. Een man wandelt langs met een paar dozen pizza’s. ‘Is dat voor ons?’ roept een rechercheur. Gelach.

De buurtbewoners zijn geintrigeerd maar blijven beleefd: hoogstens wandelen mensen een keer te veel langs met hun hond, of duurt een rookpauze op een balkon een paar huizen verder iets langer dan het kost om een sigaret op te roken. Er is weer beweging. De vrouw van het lab kijkt bezorgd. Er zijn sporen van inbraak op de eerste verdieping, zegt ze, maar: niet aan de voordeur. De zakken van het slachtoffer zijn na haar dood binnenstebuiten gehaald, en zo te zien zijn na de moord de keuken en de slaapkamer nog doorzocht. Dat lijkt atypisch voor een inbreker die wordt betrapt door een bewoner en die in een opwelling vermoordt, want zo iemand zou wellicht in paniek op de vlucht zijn geslagen. Je zou zeggen: iemand heeft de indruk willen wekken dat er ingebroken is. Alain trekt zijn mondhoeken naar beneden en zegt stellig: ‘Het stinkt.’ Hij grijpt zijn telefoon. De echtgenoot, de dochter en de schoonzoon moeten meteen ondervraagd worden over hun dagindeling. ‘Zo omstandig mogelijk,’ zegt Alain gebiedend. Inmiddels zijn Astrid en Jamal eindelijk aangekomen – ze hebben in de file gestaan. Terwijl ze hun witte overalls aantrekken om de woning binnen te gaan, polst de griffier van de onderzoeksrechter bij Karel: wat denkt hij van de zaak? Karel schokschoudert: hij denkt niks. Hij wacht tot het bewijsmateriaal spreekt.


Bloed aan de handen

Het is intussen halfelf, in het kantoor van de lokale recherche is het tijd voor een geïmproviseerd avondmaal. Karel schudt enkele snoeprepen uit zijn tas die hij thuis nog snel heeft meegegrist. Alain en zijn collega Frank – een dubbelganger van Derrick – diepen een pak suikerwafels op uit een kast. Er is koffie. Tussen twee happen door wordt de strategie voor het verhoor van de echtgenoot besproken. Waar beginnen we? Bij de familiesituatie? We laten hem eerst zijn dag reconstrueren, beslist Frank. Daarna gaan we dieper in op de relatie met zijn vrouw.

Een buurtonderzoek blijkt intussen weinig of niks te hebben opgeleverd. Struiken en voortuintjes zijn uitgekamd, maar een mes is nergens gevonden. Eén van de buren heeft een bestelwagen gezien met een man erin. Maar het kan ook een vrachtwagen zijn geweest met twéé mannen erin. Collectieve zucht. Karel belt zijn chef, commissaris Jean-Michel Lemoine. Vrouw dood. Geen sporen van inbraak aan voordeur. Echtgenoot met bloed aan handen. Hij besluit: ‘We zullen de dader moeten vinden. Als we hem nog niet hebben.’

Buiten begint het te regenen. Karel vloekt zachtjes: de wagen van de echtgenoot staat nog op de oprit en is nog niet onderzocht op uitwendige sporen. ‘Ik had nog zo gezegd om aan de buitenkant van het huis te beginnen.’ De echtgenoot maakt zijn intrede met twee groteske papieren enveloppen rond zijn handen, en even stijgt de spanning in de ruimte. Deze man is een slachtoffer – je zal maar thuiskomen en je vrouw zo aantreffen – maar tegelijk is hij op dit moment de eerste en enige verdachte. Als hij al iets merkt van de dubbelzinnigheid van de situatie, laat hij het niet merken.

De volgende drie uur toont hij weinig of geen emotie. Hij praat zacht, geduldig, soms gesticulerend met die twee enveloppen. Hij toont geen verdriet, geen ergernis als Karel en Frank hem urenlang ondervragen over zijn tijdsgebruik die dag. Wat hebt u gegeten? Waar bent u geweest? En daarna? Wie hebt u gebeld van op uw werk? Het blijkt erg moeilijk om een dag integraal te reconstrueren, van minuut tot minuut. Als flikken je drie keer vragen of je een telefoontje hebt gedaan vóór het middageten of erna, begin je vanzelf te twijfelen. ‘Mijn herinneringen zijn flou,’ zegt de man meermaals. ‘Als ik u zeg dat het zo gegaan is, dan is dat omdat ik het zo reconstrueer. Het zou logisch zijn dat het zo gegaan is.’

De omvang van zijn verlies is nog steeds niet tot hem doorgedrongen. Als hij over zijn vrouw spreekt, is dat in de tegenwoordige tijd. ‘Ze is sportief. Ze houdt van muesli.’ Frank tikt, met twee vingers, en leest zin na zin voor wat hij opschrijft. Vergeet verhalen over de good cop/bad cop-routine bij verhoren. Frank en Karel zijn allebei good cops. Alleen Alain, die inmiddels enkele pv’s zit uit te typen, trekt soms een wenkbrauw op, als de echtgenoot het niet ziet. Hij vindt het bizar dat de man op geen enkel moment vraagt of hij verdacht is. Waarom ze hém urenlang ondervragen, terwijl daarbuiten een moordenaar vrij rondloopt. De wetsdokter komt om de handen van de man te onderzoeken. Ze krabt het vuil weg onder zijn nagels: dat moet naar het lab. Pas nu, zo’n zes uur na haar dood, mag hij het bloed van zijn vrouw van zijn handen wassen.

'Prima speurders bij de moordsectie, maar ze werken in 19de- eeuwse omstandigheden. Na de moord op Joe Van Holsbeeck vorderden ze meteen de tapes van alle camera’s langs de vluchtroute van de daders op; helaas was er in de hele politietoren geen énkele pc in staat om de cd-rom met de beelden af te spelen'


Nachtbrakerij

Jamal zit op een muurtje voor het huis. Samen met Astrid bekijkt hij de foto’s die hij heeft genomen op de crime scene. Het is nu half twee ’s ochtends, en Jamal heeft morgen een examen voor hoofdinspecteur. Zijn kansen op promotie, en op de hogere loonschaal die daarbij hoort, worden ernstig geschaad door deze nachtbrakerij. Brute pech, grijnst hij. Hij rookt gelaten een sigaret – een heikele onderneming, met een witte papieren overall en blauwe rubberen handschoenen aan. Op de overall zitten bloedvegen. Het is inmiddels al een uur of acht geleden dat de vrouw is aangetroffen, maar officieel is ze nog altijd niet dood. De wetsdokter mag het overlijden niet vaststellen, want hij is betrokken bij het onderzoek.

De ambulancier had dat wél mogen doen, maar die wilde het lichaam niet aanraken om de plaats delict niet te compromitteren. De juiste beslissing, vindt Astrid. Al die tijd is de vrouw blijven liggen op de plek waar ze gevonden is. Het is soms moeilijk om rond het lichaam te manoeuvreren, maar het afdekken of verplaatsen mag niet: de sporen moeten intact blijven. Werken op een plaats delict is een wel zéér close encounter met dood en geweld. De hele tijd staart dat dode lichaam je aan, je ruikt het, je botst ertegen, je moet eroverheen stappen, stalen nemen van het bloed errond, tapings doen op de kledij.

Tot een paar uur geleden was dit een mens, nu is het een object geworden. Astrid en Jamal zijn het na al die jaren gewend. ‘Wij doen alsof ze er niet ligt, anders kan je niet werken.’ Om halfdrie ’s nachts heeft de onderzoeksrechter zijn bezoek aan het huis eindelijk afgerond. Er rinkelt een gsm. De substituut van het parket neemt op, uh-uht een paar keer en zegt dan: ‘Rijbewijs twee weken intrekken.’

Buiten gaat het leven gewoon door. In het kantoor van de lokale politie maken Karel, Frank en Alain zich klaar voor het tweede deel van de ondervraging. Karel wrijft zich in het gezicht, de vermoeidheid begint te wegen. Het zal gaan beteren, zegt iemand, straks wordt het licht.


Moord op straat

Een man is vermoord op straat, in Molenbeek. Doodsoorzaak, zo te zien: een kogel in het hoofd. Arabisch uiterlijk, identiteit onbekend, maar in zijn zak zat een gsm. Thierry Wouters heeft die genomen, lukraak een nummer gebeld en is terechtgekomen bij de zoon van het slachtoffer. Thierry lacht, zij het niet van harte: ja, het was dat soort weekend, on s’est marré. Voor de rest valt er nog een schietpartij in Anderlecht te melden, dader ter plaatse aangehouden. Rond de vergadertafel – eigenlijk vier afgeleefde, tegen elkaar geschoven tafels uit de centrale magazijnen van de federale overheid – zitten zestien mannen en één vrouw, dat is de secretaresse van de afdeling. De kledingcode is casual testosteron: vrijwel iedereen draagt jeans en comfortabele wandelschoenen. Hier en daar piept een tattoo onder de korte hemdsmouwen. Een knots van een horloge behoort klaarblijkelijk tot de standaarduitrusting.

Diensthoofd Jean-Michel Lemoine overloopt de werklast van zijn teams en komt dan terug op de moord in Molenbeek. Wat hebben we daarover al opgediept, wil hij weten. Thierry zucht. De zoon en de echtgenote van de man wisten dat hij ‘un petit problème’ had. Welk probleempje precies, dat konden of wilden ze niet kwijt. Veel hebben ze aan die zoon trouwens niet gehad. Toen hij vernam dat zijn vader was vermoord, had hij nogal theatraal zijn hand kapotgeslagen tegen een muur. De speurders hadden gevraagd of ze een dokter moesten bellen, maar dat had hij afgewimpeld. Thierry pauzeert een moment, het gezicht volmaakt in de plooi als een geroutineerde stand-upcomedian, en zegt dan: ‘Even later viel hij flauw.’ Gegrinnik.

Thierry «We hebben eens gekeken wat dat ‘probleempje’ zou kunnen zijn. Blijkt dat de vader bij het gerecht bekendstaat voor meer dan driehonderd feiten. Bovendien heeft hij in het milieu zowat iedereen gerold met wie hij zaakjes deed. Eén ‘zakenrelatie’ heeft hij zelfs twee kéér opgelicht. Bref, de man had veel vijanden, en veel vrienden, en die zijn allemaal even verdacht. (Laconiek) We gaan dus fardes maken met ‘spoor 1’, ‘spoor 2’, en zo tot ‘spoor 99’. We gaan hier nog een jaar mee bezig zijn.»

Het is een moeilijke buurt, legt hij uit. Ze zijn er zeker van dat de bewoners van het sociale woningblok aan de overkant iets gezien hebben. Het is zo’n blok vol oude Brusselaars, die komen ’s avonds niet meer buiten, die kijken televisie achter slot en grendel. Maar of ze iets zullen lossen? De buurtbewoners zijn als de dood voor represailles, en je kan het ze moeilijk kwalijk nemen. ‘’t Is me daar de wijk wel,’ zegt Rudy Hermans, een Belmondo-figuur met gitzwart haar, die zijn portefeuille aan een ketting rond zijn nek draagt.

Rudy «C’est la zone. Er is daar een parkje waar ’s nachts, als het gesloten is, meer volk rondloopt dan overdag. Dealers. Terwijl wij bezig waren op de plaats delict scheurde er een school quads langs – illegale straatraces, dat is daar ook populair. En er reed stapvoets een peperdure Mercedes met twee jonge Marokkanen voorbij, ze kunnen niet veel ouder dan vijfentwintig geweest zijn. Ik heb het model eens opgezocht: zo’n Mercedes kost minstens zestigduizend euro.»

‘Je hebt toch de plaque genoteerd?’ vraagt Lemoine. Rudy knikt: natuurlijk. Lemoine beslist om voorlopig twee teams op de zaak te zetten voor het buurtonderzoek. Hij wil zo snel mogelijk een doorbraak, want de familie van de man heeft al laten weten dat ze het zaakje anders zélf wel zal regelen. En ook: de eerste uren na een moord zijn cruciaal. Getuigen hebben nog scherpe herinneringen. Fysieke sporen zijn nog onaangetast. Tapes van beveiligingscamera’s zijn nog niet gewist. Als zijn speurders vertrekken voor het buurtonderzoek, staat hij breed grijnzend in de deuropening van zijn kantoor: ‘Allez, bonne merde!’


La Zone

Op de plaats delict is nog altijd een donkere bloedvlek te zien. De conciërge van het sociale woningblok er recht tegenover blijkt na al die jaren immuun te zijn voor plotse uitbarstingen van geweld. Nu is er aan élke kant van de straat eentje doodgevallen, zegt hij gelaten tegen de speurders: voor, achter, links en rechts. Tuurlijk mogen de speurders de bewoners ondervragen, hem niet gelaten. Of ze iets zullen lossen is een andere zaak. Twee teams beginnen een ronde door het gebouw: Els Dubus en Eddy Wilmet werken van beneden naar boven, Chris Wynant en Marc Leys van boven naar beneden.

In een flat op de derde verdieping hebben Marc en Chris geluk. Twee jonge mannen zitten in een verduisterde woonkamer op een console te spelen. De flat is zo klein dat de speurders er bijna niet in kunnen. Een meisje van een jaar of drie speelt stil met haar pop in een piepklein, donker hoekje. Ja, de jongens hebben lawaai gehoord afgelopen zaterdag. Nee, er is niet geschoten. Ze hebben een man zien liggen op het trottoir en ze hebben de hulpdiensten gewaarschuwd. Vervolgens hebben ze veertig minuten gewacht op de ambulance.

Veertig minuten lang heeft de man liggen creperen op de stoep, omdat de ambulanciers de buurt te gevaarlijk vonden. Pas toen er zes politiecombi’s ter plaatse waren, vond de ambulance het veilig genoeg om neer te strijken. Maar toen was het al te laat. De speurders kijken naar elkaar: c’est la zone. Er komt nieuws van de autopsie. De Arabier is dan toch niet neergeschoten. Iemand heeft hem, wellicht met een baseball-knuppel, zo hard op het achterhoofd geramd dat zijn hersenen langs de slapen uit zijn schedel zijn gespat. Het verklaart waarom de twee jongens geen schoten hebben gehoord.

Inmiddels hebben de buurtbewoners nog andere manieren gevonden om het onderzoek te helpen zonder hun anonimiteit op te offeren. Via de persoonlijke gsm van de burgemeester van Molenbeek is een boodschap doorgegeven aan de speurders. Getuigen hebben een drietal mannen zien weglopen. En blijkbaar heeft het slachtoffer in de loop van de avond ruzie gehad met de uitbaters van een pita-zaak vlakbij. Eén van de zonen van de uitbater had geroepen: ‘Ik kom je vannacht kapotmaken.’ Nog een spoor: dat is dan nummer honderd.

Eddy Wilmet «Klinkt interessant, maar je moet deze buurt wat kennen. Dat zeggen ze hier eigenlijk doorlopend tegen elkaar, maar daarom dóén ze het nog niet. Voor mij is het duidelijk: ofwel is dit spoor het goeie en dan zal het gemakkelijk zijn. En anders... pfff.»


Spoor 101

De vrouw van de pita-zaak, een schip van een mens, houdt haar armen voor haar lichaam. Ze is ongeveer dubbel zo groot als haar echtgenoot, een frêle mannetje van tegen de zeventig met gele tanden en een gouden brilmontuur. De vrouw antwoordt argwanend op de vragen van Eddy en Els. Ze is duidelijk niet opgetogen over het opvallend onopvallend rondneuzende duo Marc en Chris, net buiten haar gezichtsveld. Het conflict met de Arabier draaide rond zijn auto, legt ze uit, die voor haar garagepoort geparkeerd stond. De Arabier was agressief geworden en had haar echtgenoot bedreigd. Het mannetje knikt ernstig. Toen had haar zoon ingegrepen. Waar is die zoon nu? Thuis, in Anderlecht. ‘Euh, jongens,’ komt Marc zeggen: ‘daar zít iemand achter die dubbele deur.’ Hij heeft beweging opgemerkt in een onverlichte kamer achter de pitazaak. Verrassing: de zoon is tóch in huis. Hij is gebouwd naar het model van zijn moeder: een kolos. En: hij heeft verwondingen in het aangezicht.

De temperatuur stijgt enkele graden. Spoor honderd lijkt opeens veelbelovend. Tot de cafébaas van de overkant zich uit eigen beweging aanmeldt bij de speurders. De cafébaas is een bleke jongeman met wallen onder de ogen en een trainingspak aan. Gaat het over die zaak van dit weekend? Hij heeft alles gezien. De Arabier had de hele avond bij hem op het terras gezeten. Om een uur of tien was er dat opstootje met de zoon van de pitazaak. Rond halféén was de Arabier naar huis vertrokken – amper twee huizen verder is dat. Op dat moment waren er, van de overkant van de straat, drie mannen op hem toegekomen. In plaats van zijn toevlucht te zoeken in zijn eigen woning, had de Arabier het op een lopen gezet, met de drie mannen in zijn zog. Hij was niet ver geraakt. De cafébaas denkt dat de mannen Albanezen waren.

Eddy gelooft hem. ‘Die gasten kennen hun quartier: als hij zegt dat hij Albanezen gezien heeft, dan is dat omdat hij zeker is dat het Albanezen zijn. Misschien kent hij ze wel.’ Het pitazaakspoor is nog niet uitgesloten: er volgt nog een huiszoeking, de zoon des huizes moet nog verhoord, maar de wind is uit de zeilen. Spoor honderd-en-één is officieel geopend.

'Je mag daar allemaal niet mee bezig zijn: de bureaucratie, de trage molens van overheid en gerecht. Je moet je optrekken aan het goeie werk dat de moordsectie verricht: onze ophelderingsgraad bedraagt 70 â 80 procent' Jean-Michel Lemoine, chef moord


De moord op Joe Van Holsbeeck

Jean-Michel Lemoine is een flik van de oude stempel. Hij heeft het graatmagere lijf van een duursporter, een prominente neus en lange, roofdierachtige hoektanden. Het liefst zou hij gewoon speurder zijn, zoals vroeger, maar van bovenaf hebben ze hem gedwongen om chef moord te worden. Drie keer had hij geweigerd, de vierde keer zeiden ze: het is chef worden of overgeplaatst worden naar de financiële recherche, de FIN. Hij trekt een gezicht: ‘Mijn eigen geld interesseert me al niet, laat staan dat van andere mensen.’ En dus moet hij nu lijdzaam toezien hoe zijn mensen sporen volgen, deuren sluiten en andere openen. Een jachthond aan de leiband. De moordsectie leiden vereist speciale vaardigheden. Het zijn hier allemaal haantjes; de kunst is om de neuzen in dezelfde richting te krijgen.

Speurders zijn gemotiveerde mensen, maar kritisch ingesteld. Ze bokken soms als ze geconfronteerd worden met logge, bureaucratische structuren. ‘De allerbelangrijkste vaardigheid van een speurder,’ hoor je weleens mopperen in de gangen van de moordsectie, ‘is dat hij tijdig en volledig zijn time sheets invult.’ Sinds enkele jaren verwachten ze ‘boven’ een gedetailleerd elke speurder mee bezig is. Zelfs na een lange nacht van verhoren en onderzoek heeft de administratie voorrang, en dat weegt soms op het moreel. Lemoine maakt een gebaar naar het raam van zijn kantoor. Hoe zitten ze hier ook, acht hoog in een ivoren toren aan de Victoria Regina plaats. Voor hem ligt het keurig getrimde parkje van de Botanique, daarachter raast het verkeer over de kleine ring, vervolgens blokkeren de Financietoren en de blokken rond het Esplanadeplein alle uitzicht op de straten en pleinen waar ménsen wonen. En elkaar doodslaan, steken, schieten, knuppelen, wurgen en vergiftigen.

Jean-Michel Lemoine «On a perdu la ville, we zitten hier afgesloten van de stad.

»Als het aan mij lag, deed de moordsectie weer álles, ook de simpele passionele moorden waar je de dader al ter plekke kan aanhouden. Begrijp me niet verkeerd: mijn mensen werken nu al comme des malades. De lokale politie doet ook goed werk, de samenwerking loopt vlot, dat is allemaal het probleem niet. Maar: het was in 2001 de bedoeling dat wij de coaching gingen doen als ‘de lokale’ afstapte. Daar is weinig van in huis gekomen. Ik hoor zelfs dat ze bij de lokale nu ook eigen afstapteams voorbereiden. Dat is geen goeie ontwikkeling.

»Een goeie speurder heeft tonnen ervaring nodig. Een plaats delict ‘lezen’ is een ambacht, en de moordsectie dreigt een sectie van kantoorgeleerden te worden. Sommige van mijn mensen hebben al een maand of vier geen plaats delict meer gezien. Zo verliezen we onze expertise.»

In 2006 schokte een moord in het Centraal Station heel België. Joe Van Holsbeeck werd op klaarlichte dag, onder de ogen van honderden pendelaars, doodgestoken door twee jongens. De klopjacht die DR 6 op de daders inzette werd door alle media van nabij gevolgd. Wat de pers níét wist, was hoeveel improvisatietalent er bij de klopjacht te pas kwam. De speurders hadden binnen de kortste keren de tapes van alle camera’s langs de vluchtroute van de daders opgevorderd. Maar toen de cd-roms met de beelden op de dienst aankwamen, bleek dat geen enkele computer geschikt was om die af te spelen.

Op één pc lukte het om een piepklein vierkantje tevoorschijn te toveren met daarin de beelden – volkomen onbruikbaar om de verdachten te identifi ceren. In het hele, tweeëntwintig verdiepingen tellende gebouw bleek geen énkele pc te vinden die geschikt was om multimedia op af te spelen. En de dienst informatica wilde geen software op de computers zetten om filmpjes te bekijken, om ‘veiligheidsredenen’.

Uiteindelijk zijn de speurders de beelden bij iemand thuis op een privé-computer gaan bekijken. Destijds is de moordsectie door de Hogere Machten een multimedia-pc beloofd. In het heetst van de klopjacht op de doders van Joe Van Holsbeeck waren budgettaire beperkingen van geen tel. ‘Demain! Morgen heb je hem!’ We zijn inmiddels meer dan twee jaar verder. Op teamvergaderingen wordt nog regelmatig op cynische toon geïnformeerd wanneer die pc geleverd wordt. En of het te laat is om bij de bestelling nog een item toe te voegen: ‘een printer die werkt’.

Zo staat er wel meer op het verlanglijstje. Dienstwagens met werkende sirenes, bijvoorbeeld. Of, op z’n minst, dienstwagens die niet uit elkaar vallen. De federale politie, de sterke arm van de rechtsstaat, is de enige instantie in het land die mag rondrijden met voertuigen die geen schouwingsbewijs hebben. Daar is een simpele reden voor: de auto’s raken niet door de keuring. Aan een deur in de gangen van DR 6 hangt een blad papier: ‘Er is een probleem met de bestelling van kantoorbenodigdheden. Wij staan met onze rug tegen de muur. Gelieve spaarzaam om te springen met papier. Dank u.’

Lemoine «Je mag daar allemaal niet mee bezig zijn: de bureaucratie, de trage molens van overheid en gerecht. Als je depressief bent aangelegd, blijf je hier beter weg. Je moet je optrekken aan het feit dat de moordsectie goed werk verricht. Onze ophelderingsgraad bedraagt 70 à 80 procent. Indrukwekkend, zeker als je weet dat het uitsluitend gaat om zaken waarvan de daders bij het begin van het onderzoek onbekend zijn.»


Wordt vervolgd

De allermoeilijkste zaken zijn ironisch genoeg net diegene waarin het slachtoffer de moordpoging overleefd heeft. Gezien het specifieke publiek waarmee DR 6 te maken krijgt, zijn veel slachtoffers van afrekeningen in het milieu namelijk niet happig om met de politie samen te werken. In de zaak zijn de slachtoffers al bij al nog gauw overstag gegaan. Op een grauwe winterochtend anderhalf jaar geleden vielen drie mannen, gewapend met geweren, binnen bij een Armeense familie. Over hun hoofd hadden ze muts getrokken waarin ze zelf gaatjes hadden geknipt. Eén van de daders, herinnert een slachtoffer zich, had de gaatjes te klein geknipt, en op ongelijke hoogte. Comedy capers, zou je zeggen. Tot de mannen het vuur openden en één van de Armeniërs doodschoten.

De familie liet zich niet onbetuigd: een stel vrouwen viel hun belagers aan en gaf één van hen een stevig pak rammel. Oorzaak van de twist: de aanvallers zouden zijn opgelicht bij een handeltje in juwelen. Ze kwamen vragen of ze hun geld terugkregen. De aanvoerder van de bende is door de slachtoffers geïdentifi ceerd als Marouane S., een zware jongen uit Molenbeek, gespecialiseerd in gewapende overvallen waarbij geweld niet wordt geschuwd.

S. is al twee jaar op de vlucht, ongrijpbaar voor de moordsectie. Hij is wellicht een tijd ondergedoken bij familie in Marokko. Nu is er echter een tip binnengelopen: S. is weer opgedoken bij zijn familie in Molenbeek. ‘De straat’ zegt dat hij van plan is een grote slag te slaan in België, om daarna voorgoed naar Marokko te verkassen. Als het gerecht hem nog achter de tralies wil draaien, is dit wellicht de laatste kans.

Het probleem is: S. is aalglad en paranoïde. Menigmaal is een poging om hem te arresteren misgelopen, omdat hij beschermd wordt door de mensen in zijn wijk. Rij met een combi tot voor zijn deur en binnen vijf minuten komt het tot opstootjes. Hij kan een willekeurig huis in de buurt binnenglippen en ontsnappen langs de tuintjes en balkons van buren en familie. Je zit daar vlak aan een metrostation: als hij op een metro stapt, ben je hem kwijt. En bovendien lijkt hij sprekend op zijn broer. Als ze hem willen oppakken, zullen ze maar één kans krijgen. Rond de tafel op de achtste verdieping van de politietoren zitten vijf mannen.

Ze hebben net een beslissing genomen: volgende week pakken ze Marouane S.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234