HSM Dimitri Verhulst De verslavingen van Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboekenBeeld Johan Jacobs Humo 2020

exclusievevoorpublicatie

'Onze verslaggever in de leegte. Ongedateerde dagboeken’: het eerste non-fictieboek van Dimitri Verhulst

Het Humo-interview met Dimitri Verhulst veroorzaakte deze week een kleine storm: herlees het hier. De schrijver is overweldigd, zo laat Uitgeverij Pluim weten: ‘Andere kranten in Vlaanderen hebben naar aanleiding van dat interview sensatiebeluste koppen geplaatst over de alcohol- en drugsverslaving van Dimitri Verhulst.’ Daarom besloot de schrijver zich terug te trekken en andere interviews af te zeggen.  Zo dreigt de commotie het zicht op het nieuwe boek zelf te ontnemen. Dat is jammer: ‘Onze verslaggever in de leegte’, dagboeken die verslag doen van een zelfvernietiging, is in zijn rauwe directheid en kwetsbare gevoeligheid een bijzondere leeservaring. Maar oordeelt u vooral zelf: Humo biedt u een lang fragment aan uit de aanhef van het eerste non-fictieboek van Dimitri Verhulst aan: lees het hier.

Louise,

Vrijdagavond in Frankfurt werd ik vastgeklampt door een mij niet nader bekende Nederlandse dame, wellicht iemand uit het vak. Ik had het gevoel dat ik al een tijdje door haar werd gadegeslagen, dat ze wist wie ik was, en toen ik uit de kroeg naar buiten stapte om een sigaret te roken zag ze haar kans schoon om eindelijk met mij alleen te zijn en te praten. Ze zal zichzelf wel hebben voorgesteld, maar haar naam bleef aan geen enkele hersencel van me kleven. Ze vroeg me waarom ik zo zelfdestructief was ingesteld, meteen, en voegde eraan toe dat het zonde was dat een man met mijn talenten zichzelf zomaar voluit en zwierig in de richting van het grafgat leefde. Het had geen zin haar bekommernissen weg te lachen, ik geloof dat ze oprecht het beste met me voorhad. Ze zei dat ze mijn ondergang róók, aan mijn adem, mijn huid. Dat kan. Ook mijn vader mufte al een paar jaar heel concreet naar zijn ondergang voor hij uiteindelijk echt wegteerde, en dan bedoel ik niet dat hij uit zijn bek naar alcohol stonk, hetgeen hij ook wel deed. Het is de dood zelf die op een bepaald moment via onze mond begint te hijgen, die uit onze poriën komt zweten. Ik wist wat ze bedoelde, ik kende die geuren, geuren die je meteen bij een ander herkent maar onmogelijk bij jezelf, en ze had gelijk. Ik had een week achter de rug van veel te veel gezuip, de gin was er met sloten tegelijk in gegaan en ik had sommige van mijn collega’s geïmponeerd met mijn onvermoeibaarheid, waar ik graag mee poch. Ik had een nacht slaap overgeslagen en was aardig op weg om een tweede nacht op rij mijn bed niet te zien. Dan had ik eens een uitstekend hotel gekregen. Aan het Hauptbahnhof had ik mijn vijfde gram cocaïne op twee dagen gekocht, van een smerige dealer die verveeld moest toegeven dat ik de prijzen kende, en die mij meesleurde naar een seksshop omdat hij mij het spul niet op straat wou overhandigen. Tussen de rukkers en de gluurders werd de transactie afgesloten. Het station zat vol met zielige junks, tandeloze wezens, ondervoed, ver voorbij the point of no return. Ze waren bereid een man te pijpen om hun honger te stillen, de kleverigste kwak zouden zij inslikken om drugs te scoren. Er was een moment dat ik dacht dat ze daar vrijwillig hadden postgevat, opdat ik mij in de matte blik van hun ogen kon spiegelen. Want hoewel ik nog altijd in deftig pak door de straten struinde, keken zij naar mij als naar een gelijke. Dealers in alle steden herkennen mijn aard, ze spreken mij rechtstreeks aan, ik hoef hun niets wijs te maken. De ondergrond van de grootstad stelt geen enkel wantrouwen meer tegenover mij, ik ben er thuisgekomen. Er is geen dresscode in de ondergang, de stinkende daklozen beseffen dat.

Tja, waarom richtte ik mezelf te gronde? Omdat ik ben uitgepraat. Ik ben leeg. Alles is voorbij. En omdat ik het talent waar die ene dame het over had sterk in twijfel trek.

Een klein uurtje na het gesprek met deze bekommerde en lieve dame bevond ik mij met een andere vrouw in een toilet, dertig jaar jong en behoorlijk mooi, niet om te neuken zoals koppels in toiletten maar beter kunnen doen, maar om twee lijnen te leggen op het schermpje van mijn telefoon, die gulzig op te snuffelen. Toiletten, waar de strepen stront nog op de pot hingen, de tampons naast het vuilbakje werden gemikt, de condooms niet eens dichtgeknoopt op de vloer herinnerden aan de driften van anderen, en waar ik ineens resideerde. Het feestje waarop ik mij bevond, op een boot op de rivier de Main, heette hip te zijn. Het was er zwoel, er hing seks in de lucht, vreemden sloegen met elkaar aan het tongzoenen, en ik verveelde me. Drie gin-tonics later verveelde ik mij nog steeds. En toen ik me na het vijfde glas nog steeds verveelde ben ik weggegaan, op naar een volgende bar, bar Roomer, in het centrum van de stad, waar ik die week al een nacht of vier had doorgebracht tussen de yuppies. Magnumflessen champagne, cocktails allerhande, fysiek perfecte meisjes die als munteenheden werden verhandeld door maffiose figuren met imposante posturen, spierbundels verworven door fitness en amfetamines. Ik verkeerde in de onmogelijkheid om dronken te raken, hoeveel ik ook naar binnen goot. En ineens sloeg het toe: het gevoel kapot te zijn. Op te zijn. Het had me geen flikker verdomd indien ik ter plaatse was gestorven. Ik was geen groot verlies, dat wist ik wel zeker (en ik weet het nog steeds). Er was geen zelfmedelijden, alleen maar besef dat ik was aanbeland op het nulpunt. De nacht kon mij niet meer verleiden, er was geen liefde meer mijnentwege, en misschien hield ook de nacht zelf niet meer van mij.

In mijn broekzak was een zakje coke opengescheurd, het witte goedje hing overal. Mijn telefoon, mijn bankkaarten, mijn geldbriefjes, werkelijk overal hing spul aan. Mijn snot smaakte naar benzine, de straatwaarde van mijn zakdoek was fors de hoogte in geschoten. Op mijn hotelkamer heb ik met mijn lidkaart van het ziekenfonds alle kruimels bij elkaar gevaagd en versneden. Een laatste lijn voor het slapengaan, in alle zieligheid. Weer wakker worden was volkomen overbodig. Je zou 

het niet meteen erkennen, maar je zou zo gelukkig zijn geweest indien ik mijn ogen voor eeuwig had dichtgeknepen. Nu jij nog een beetje om mij wenen wil.

*

Drie bezigheden die mij de weg naar schoonheid tonen: een pijp stoppen, hout stapelen, een gedicht schrijven. Ze zijn alle drie, indien in alle ernst bedreven, uiterst vermoeiend, maar voor schoonheid heeft een mens iets over. De kunst van de pijp is niet voor mij weggelegd. Overigens is de combinatie van pijp en gedicht best kneuterig. Dichters met pijp: wantrouw ze! Wel heb ik gedurende menige jaren mijn eigen brandhout zelf gekapt, gekliefd en gestapeld, hetgeen mij veel esthetisch genot en rugpijn heeft opgebracht. Stadsbewoner als ik weer werd, en gehecht aan de geur van een smeulend stukje beuk, liet ik mij met de ongeduldige winter in het vooruitzicht een palet hout leveren. Het werd voor mijn deur neergeploft met een vorklift, waarna ik het reeds keurig gedroogde goed naar binnen had te slepen, en wel zo snel mogelijk om de verkeerschaos in mijn veel te smalle straat tot een minimum te beperken. Natuurlijk voel ik mij minder man met deze kant-en-klare blokken, ik heb mijn atavismen weer elders te bevredigen, maar wat doe ik eraan? Enfin. Tijdens het hamsteren van mijn winterwarmte liep er mij een dakloze voorbij, en die zei, in een Gents accent dat om van te likkebaarden was en dat ik hier niet fonetisch kan weergeven:

‘Amai, dat moet een bakske geld gekost hebben!’

Nu vond ik dat zelf best meevallen, 265 euro voor een indrukwekkende hoeveelheid brandhout van de beste kwaliteit, levering inbegrepen. Ik had zelfs al mijn winst uitgerekend met deze bestelling, want eigenhandig met kettingzaag en bijl aan de slag zijn, is bepaald niet goedkoper, al helemaal niet wanneer ik de onkosten van een nieuwe ruggenwervel inbreng. De vreugde waarmee ik aanvankelijk mijn makkelijk gekocht hout stapelde, sloeg om in een soort van schaamte. Ik, parvenu, gearriveerde snob, met mijn knappe kachel en mijn portefeuille die mij in staat stelt om de bossen verhakkeld en gedroogd naar de stad te laten brengen.

Maar het is waar: de waarde van warmte kan het best door een dakloze worden uitgedrukt.

*

Louise,

Het heeft je misschien moeite gekost om mij te vertellen dat je deze zomer ínnig met Calvin hebt gezoend, maar het was niet nodig dat je het mij vertelde. Ik wist het, ik had het gevoeld. Ik meen zelfs te mogen zeggen dat ik nog eerder dan jij doorhad dat het te gebeuren stond. Toen wij in augustus bij hem in de tuin zaten werden de bouwstenen al gelegd. Ik raakte je toen aan, en je vond het ongemakkelijk; niet omdat ik je in de war bracht met mijn aanraking, want hield ik nu wel of niet van je, wou ik jou nu wel of niet nog in mijn leven, maar omdat mijn aanraking het hele geflikflooi tussen jullie beidjes verstoorde. Je was me te vrolijk die avond, je deed je sterker voor dan je was, je seinde valselijk signalen van levenslust uit, maar het was niet naar mij. Ik heb je niets te vergeven, ik ben het die jou te weinig liefde heeft gegeven. Koud ben ik geweest. Harteloos. Ontrouw. En jij had armen nodig om in te liggen, net als iedereen. Er is geen jaloezie mijnentwege, dat recht dient mij trouwens ontzegd te worden. Ik vind het jammer voor je dat hij een lelijke man is, maar voorts begrijp ik het wel: hij lijkt me creatief te zijn, woont godverloren tussen de maïsstengels in een romantisch krot, en is vrolijk gek. Dan heb je aantrekking. Hij zuipt nog meer dan ik al doe, hij slikt en snuift mij honderduit onder tafel, en hij rookt zeker evenveel als ik. Dat snap ik even niet. Als hij mij op dat punt moest vervangen, dan denk ik dat hij mij wel twee keer kon vervangen. Het ínnige aan dat gezoen is datgene wat mij nog het meest pijn kan doen. Omdat ik je nooit als een zoener heb mogen kennen. Ik kom niets tekort in bed, allesbehalve, maar aan de kus kan het mij soms ontbreken. Lange tijd heb ik het voor mezelf kunnen uitleggen omdat jij niet rookt. Ik weet dat mijn mondhol een rottend hellegat voor je moet zijn, het is de anus waarlangs men het inferno binnentreedt. Ik schaam me tegenover nietrokers om mijn adem, diep. Maar die goedkope roltabak van Calvin, en zijn treurige gebit, geven mij niet te hopen dat het daar in zijn bek vrolijker tongen proppen is. Wat ik wil zeggen: ik mis de kus. Ik haal mijn portie tederheid in haar puurste vormen uit een zoen, niet uit het olijke gewip. Niet de vrouw met het bevalligere lijf, niet zij die mij lekkerder bevredigt, heb je te vrezen.

Zij die mij onderzoekend zoent en proeft!

*

Knut Hamsun lezen zal er geen goed aan doen, maar ik mis mijn oude bos aan de Méhaigne heel erg dezer dagen. Het bos, dat ik nooit gedacht had te bezitten en dat tot mijn grote verbazing behoorde tot het huis dat ik daar ooit bewoonde. Misschien is het de komst van november, het seizoen dat in mijn systeem is geslopen, mijn innerlijke klok die mij beveelt naar buiten te trekken en te checken welke bomen geschikt zijn voor de kap, en welke bomen dienen te worden vrijgesteld, opdat ze mij met verve zouden overleven. Ik kan mijn ogen sluiten en een feilloze wandeling maken tussen de beuken, dat weet ik zeker. Over geen enkele stronk zou ik struikelen. Ik ken het licht, hoe het daar nu naar binnen valt; de geur van de bladeren die nattig de grond te eten geven. De herten hebben er in deze uren weer voor hun leven te vrezen, en ik zou in elkaar krimpen bij ieder schot dat ik in de verte hoor. Ik hou niet van de jacht. Ik hou niet van de soldateske klungels met hun geweren, paljassen in carnavaleske uniformen, die hun dode trofeeën celebreren met een fles jenever wanneer de patronen zijn verschoten en het duister als een deken valt over het verstilde bos. Redders van de wereldorde. Want schoonheid is de grootste natuurlijke vijand van de mens, daarom dient ieder hert met dikke ballen hagel te worden omgelegd. Maar ik hield van mijn eenzaamheid op die plaats. Aan eenzaamheid is er geen gebrek in mijn bestaan, maar in dat bos kan ik het, eenzaam zijn. De kick, het dier in mij te voelen: het ogenblik waarop het blad van de kettingzaag zijn ultieme snee heeft gegeven, de barst in de bast, de boom die zijn eerste millimeters prijs moet geven, wankelt, en dan eindelijk valt. Mijn hartslag op die momenten, de glorie wanneer de mastodont de juiste richting uit gaat. De geur van benzine. Het oorlogslawaai van zo’n kapseizende boom, de woeste plof, het hele bos dat spuugt en schopt. Het luide verwijt naar mij, stukje mens dat denkt zich te moeten bemoeien met de bossen omdat hij ’s winters warmte nodig heeft. En de allerheiligste stilte die daarna valt, als een nog indringender verwijt. En ik, die mij altijd weer wat schuldig voelde tegenover de gevelde boom. Ik die zeggen wou: ‘Jij moest gaan om plaats te maken voor de anderen, jouw heengaan is een goede daad; straks is het aan mij, ook ik zal gaan, en zij die mijn plaats zullen innemen, zullen een voor een veel beter zijn.’

Ik weet het niet: ben ik ooit gelukkiger geweest dan daar in dat bos, alleen? Ik stond er zo vaak niets te doen, zomaar te staan, zoals ik tegenwoordig enkel nog veel te lang niks doend onder een douche sta, te luisteren naar het kabbelen van de rivier de Méhaigne, het ruisen van de kruinen. Aan een hond ontbrak het mij misschien nog, zo’n beest dat mij nooit veroordeelde maar blij was met mijn aanwezigheid omdat ik gewoon ik was. In een van mijn wellicht waardeloze werkjes liet ik een man zich verhangen in dat bos, precies dát bos, hij deed het in mijn plaats, en het was een daad van geluk. Omdat ik er zelf de moed niet voor had, omdat ik misschien twijfelde aan de timing, heb ik mijn plaats laten innemen door een romanpersonage. Stommekloot die ik was. Ik heb mijn moment gemist. Het mooiste van mezelf heb ik nimmer kunnen delen met een mens, en ik vind mezelf puberaal pathetisch nu ik deze woorden tik, maar het is niet anders. Ik heb het gedeeld met de grassen, de grond, de bomen, het lover. In mijn bosje aan de Méhaigne. Hoe mooi ware het geweest daar te verdwijnen, niet te worden gevonden, te verpulveren zoals alles daar verpulvert. Op te gaan in iets wat stiller en grootser was.

*

Een reeks van slapeloze nachten omwille van malellendige rugpijn hebben mij voor het eerst in zeker tien jaar in de wachtkamer van een huisarts gekregen. De laatste die een naald in mijn armen ramde was de strenge, immer militaristisch ogende Docteur Gérard. Ze vertelde hoe dik de levers van de mannen in het dorp stonden en behandelde al haar patiënten met minachting. Koeien zagen liever een dierenarts de mouwen opstropen dan een mens Docteur Gérard. En misschien zag ook een mens liever die dierenarts de mouwen opstropen.

Na er zestien jaar niet meer te zijn geweest zat ik bij mijn ouwe Gentse huisarts, een legende. De veel te warme wachtzaal zat vol, want deze huisarts is een mens, een echte, die niet neerkijkt op junkies, alcoholisten, krabbers die hun doktersbezoek geeneens kunnen betalen.

Mijn heugnis op de vele flutboekjes die ik in afwachting van het onderzoek zou kunnen lezen was een maat voor niets, de tijd heeft z’n ding gedaan en ging vooruit, er zijn geen boekjes meer in zo’n wachtzaal, er staat nu een televisie. Geboren leiders grepen naar de afstandsbediening om te zappen naar de peilloze dommigheid van hun eigen voorkeur. Gelukkig had ik een roman mee. Je voelt je een lul wanneer je als enige in de wachtzaal van de dokter leest, al kan ik ermee om. Een lul, en bekeken. Naast mij zat een vrouw die met haar kledij wou uitstralen dat ze meer vertrouwen had in Allah dan in een arts, uit beleefdheid kreunde ze zo stil als mogelijk, ze leed zichtbaar pijn, maar Allah schrijft geen medicijnen voor, snijdt geen fistels weg. Ze straalde toen ze eindelijk naar binnen mocht.

Enkele kinderen speelden schooltje op de vloer, hetgeen niet bevorderlijk was voor mijn lezing. Aan de muur hing een poster die stelde dat zwaarlijvigheid nog altijd de voornaamste doodsoorzaak is in dit land, en ik prees me gelukkig; ik zal niet zo banaal zijn te sterven aan datgene waaraan de massa sterven zal. In mijn geval wordt het ongetwijfeld doodsoorzaak nummer twee.

Er stond een koffiemachine waarvan we gratis gebruik mochten maken. En het was nodig. Na ruim twee uur wachten was ik nog steeds niet aan de beurt, toen de dokter plots opgeroepen werd voor iets dringends en hij zijn zaak inderhaast verlaten moest.

Hij herkende me, drie uur later. Ik was, volgens hem, nog niets veranderd. Hij wel. Hij was ouder geworden, maar zijn praktijk rook nog altijd naar de sigaretten die hij er onbeschaamd rookte.

Komt ineens zijn kind naar binnen gelopen, negen jaar oud, met een kin vol choco, eisend van zijn vader dat hij een uur langer zou opblijven die avond. Zegt de dokter tegen mij: ‘Ik ben vergeten mijn kind af te halen van school vandaag, het heeft daar twee uur in de kou op mij staan wachten. Kreeg ik ineens telefoon van de directie, of ik nog van plan was mijn kleine vandaag op te pikken.’

Zijn telefoon staat niet stil, riedel, riedel, wie weet een noodoproep, dus hij neemt op.

‘Ik heb haar gezegd dat ze naar het ziekenhuis moet wanneer ze zoveel bloed blijft pissen. Ze moet aan een baxter gaan liggen... Zeker, mevrouw is intellectueel in staat om zelf beslissingen te nemen, ze is nog niet dement...’

Ik heb het wel voor die vent. Ooit keek hij de aanstaande moeder van mijn aanstaande immer afwezige dochter in de ogen, niet verhullend dat hij haar eigenlijk maar een kakkineus dametje vond.

Ik hoor het hem nog steeds zeggen: ‘Moet u weten, mevrouw, ik heb vier jaar stage gelopen in Afrika: daar bevallen de vrouwen zonder verdoving in de bomen en staan ze daags nadien weer het land te ploegen.’

Vanavond bot ik met rode wijnen de toppen van mijn pijnen af.

Daarna wordt het radiografie.

En daarna, volgens de huisarts, het mes.

*

‘Ik ben blij je eindelijk eens in het echt te zien,’ zei de radiologe.

Toen mocht ik weer mijn kleren aandoen.

‘En? Ben je bezig aan een boek?’

Ik vind dat altijd een lastige vraag, zo in mijn onderbroek.

Ze had me allerlei ridicule poses doen aannemen, het wonder van Marie Curie doorlichtte onderwijl mijn lichaam, om mij uiteindelijk het nieuws te schenken dat er zat aan te komen en dat ik eigenlijk al wist: een hernia! De wervels L4 en L5 zijn naar de verdommenis, afgeplat zowaar, de zenuwen die ertussen gekneld zitten hebben alleen nog maar te ontsteken en mij pijn te bezorgen tot het eind mijner dagen.

Voortaan is het een opgaaf geworden om mijn veters te strikken, en zo zal dat blijven. Altijd zal mijn rechterbeen lastig doen, altijd zullen mijn tenen tintelen. Altijd zal mijn onderrug een bron van ellende zijn. Heffen en tillen worden mij afgeraden.

Opereren kan, als ik het risico op verlamming erbij neem.

Als ik mijn pijn leer te bevrienden zal ik nooit meer alleen zijn.

*

Ik heb er een zusje bij, en ze is al bijna vijftig jaar dood. Albertine Sarrazin is haar naam, ik had er tot mijn schande nog nooit van gehoord. Schande? Eigenlijk wel, want het veel te vroeg gestorven kind blijkt een kleine cultstatus te hebben verworven in de Franse letteren; ze heeft een schare aanbidders die de rook van hun Gitanes laten kringelen te harer nagedachtenis, en voor wie haar roman L’Astragale een juweeltje is. Patti Smith hoort bij die club. En ik, sinds kort.

Wij zijn in de wieg gelegd om te sterven. Die nutteloosheid zou ons moeten verheugen. Tussendoor kan men eventueel iemand worden, al was het maar voor de illusie, maar het zag er niet naar uit dat het fatum prettige plannen met Albertine had. Een meisje van Algerijnse origine, onder dak bij een bourgeois adoptiegezin in Frankrijk. Zo bourgeois dat ze er op haar tiende werd verkracht door een lid van de familie. Albertine, falend in de verwachtingen. Verglijdend in de criminaliteit. Om vervolgens te worden weggestopt in een instelling, waar ze de liefde en de tederheid tussen de benen van haar kamergenotes zocht, en hopelijk ook vond. Toen ze via het raam uit de instelling ontsnapte, brak ze haar voet in triljarden kleine stukjes. Alsof vluchten onmogelijk moest zijn, en de zinnebeelden de hulp inriepen van de anatomie. Ze ontmoette Julien, haar redder, die haar weer tot de man bekeerde, en die haar zou bewegen tot het schrijven van hartstochtelijke liefdesbrieven. Albertine, dat uitgespuwd stuk vuil uit de goot, is ongetwijfeld dieper in de liefde afgedaald dan de velen die haar hadden afgeschreven. Alcohol, sigaretten, drugs en liefde zijn vier verwoestende krachten, en Albertine liet zich torpederen door alle vier. Een jong leven, uit noodzaak in de prostitutie, dat uiteindelijk lullig eindigde op een operatietafel, omdat de anesthesist verstrooid was. Zij is eeuwig ingeslapen met de gedachte: straks word ik wakker, en zal ik genezen zijn. Een mooie slotscène, velen zouden er meteen voor tekenen.

Een waterkansje dat men de affiche van de (tweede) verfilming van haar belangrijkste roman straks tegen de gevel van een bioscoopzaal papt. Het mag van mij, maar het hoeft niet. Het boek is tenslotte beter dan het leven.

En hoe weinig dit ook zou zeggen over mijn leven, vraag ik me wel eens af of dat over mijn boeken ook gezegd kan worden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234