Onze Vrouw wordt dakloos: één week op straat in Brussel

Vijfenzeventig procent van de daklozen lijdt aan infecties, longaandoeningen, uitputting... Eén jaar op straat verkort je leven met zeven jaar.

Verschenen in Humo 3512/52 op 24 december 2007


Lees ook: Dakloos tussen Kerstmis en Nieuwjaar: 'Het is al meer dan 30 jaar geleden dat ik nog een cadeautje kreeg'

- Heb je een bekertje?

- Eh, nee...

- Allez, dat je daar niet aan denkt...

Wendy rommelt in haar tas, haalt een gedeukte kartonnen koffiebeker boven en stopt die in mijn hand.

- En nu?

- Hewel, zet het naast u.

Ik kijk ongemakkelijk in het rond, naar de duizenden voeten die voorbijhollen. Wendy wordt ongeduldig. 'Zeg me niet dat het je eerste keer is.' Ik knik ja en vraag of ik iets moet zeggen tegen de voorbijgangers. Wendy rolt met haar ogen: 'Zet die pot voor je neus en zwijg!' Bedelen is geen flauwekul. Dat zal ik de volgende uren zelf ondervinden. Ik zit in het Brussels Centraal Station en ben dakloos.

Vijf dagen heb ik het volgehouden. Vijf dagen en vier nachten heb ik dakloze in Brussel 'gespeeld'. Een echt clochardleven is dat natuurlijk niet: ik wist wanneer het begon en wanneer het stopte, en als het echt misliep kon ik er gewoon uitstappen.

Maar goed, ik wilde weten hoe dat voelt, leven op straat. Je kostje bij elkaar bedelen met een koffiebekertje, aanschuiven in gaarkeukens voor SDF'ers (Sans Domicile Fixe), in vuilnisbakken naar eten zoeken. Slapen in een nachtasiel tussen dertig snurkende behoeftigen, of in een koude kartonnen doos aan het station. Sindsdien weet ik dat er in Brussel twee werelden naast elkaar bestaan: de mensen mét een huis, en de mensen zonder.

MOEDER ALLER BEDELAARS

Wendy is zo iemand zonder huis. Elke ochtend om zeven uur zit ze op haar vaste bedelplek in het Centraal Station, in de tochtige tunnel die van de metro naar de treinen loopt. Ze is 62. Een taai, spichtig vrouwtje met een zwaar Brussels accent. Vroeger leefde ze op straat met haar twee zonen - de jongste was tien. Ze sliepen op kartonnen dozen in een zijstraatje van de Grote Markt.

Haar zonen zijn intussen groot, ze zijn hun eigen weg gegaan. Wendy komt nog elke dag bedelen in het station, waar ze bekend en geliefd is bij ‘les malheureux de la gare’. Haar moederlijkheid heeft ze goed weggestopt onder een laag cynis me, en scheldpartijen in het plat Brussels. Als ik vertel dat ik al een paar dagen op straat slaap omdat ik bij mijn vent ben weggelopen, zie ik medelijden in haar scherpe oogjes en begint ze over mijn rug te wrijven: ‘Maar menneke toch.’

Wendy wijst me een plekje aan de overkant van de tunnel waar ik kan bedelen. En dan is het wachten. Ik tuur naar de grond. Als ik opkijk, zie ik een jongeman die zich voor overbuigt met een kommetje soep in de hand. Hij lepelt het met grote scheppen leeg, vlak voor mijn ge zicht. ‘Krapuul,’ sist hij, ten afscheid. De meeste voorbijgangers durven alleen een stiekeme blik werpen, en kijken schichtig weg als ze merken dat ik hen heb zien gluren.

Ik heb de regels van het bedelen nog niet onder de knie. Bijna word ik weggejaagd door een bazige vrouw die vijftig meter verderop staat te schooien. Elke keer als ik in haar richting kijk, begint ze boos met haar armen te zwaaien. ‘Ça va pas, non! Straks staan we hier met z’n tienen!’ Ze durft haar eigen plek niet te verlaten – bang dat haar spullen of haar hondje worden gestolen – en stuurt tenslotte Bertrand met het getatoeëerde gezicht op me af. Bertrand, een veertiger in zware motor kleren en vol piercings, hangt elke dag in het station rond met zijn zoon van vijftien. Om de tijd te doden doet hij zich graag voor als organisator, heb ik de avond voordien bij de gratis soepbedeling gemerkt. ‘Vrouwen en kinderen eerst!’ stond hij daar te roepen, terwijl hij het mensen verkeer aan het regelen was. Maar eigenlijk heeft Bertrand net zoveel te zeggen als elke andere dakloze – niets dus. Hij kijkt eerst heel gewichtig, maar als ik vertel dat ik nieuw op straat ben, draait hij bij. ‘Blijf maar zitten,’ mompelt hij. Hij bukt zich, geeft me een kus en aait over mijn muts. ‘’t Is al goed,’ sputter ik. Bertrand staat op en negeert het geroep van mijn bazige buurvrouw, die van de weeromstuit begint te foeteren op die godverdomse Peruaanse muzikanten aan de overkant, die al twee uur ‘El Condor Pasa’ op hun panfluit spelen.

PIZZAMEISJES

Anderhalf uur later is mijn bekertje nog altijd leeg. Mijn blik bier trouwens ook. Dan valt de eerste 70 cent: een zwarte man in kostuums op zijn passen teruggekeerd en gooit me wat kleingeld toe. Twee uur later hou ik het voor bekeken. De oogst: 2,38 euro en een halve pizza. De pizza komt van een Amerikaans meisje met knalrood geverfd haar, die van clochard naar clochard fladdert met een dik boek onder de arm: ‘The Holy Bible’. ‘Hallo, ik heet April,’ zegt ze met een zeemzoete glimlach. ‘Mag ik even bij jou komen zitten?’

Ze stelt lastige vragen (Waar slaap je? Heb je honger? Ken je Jezus?) waarop ik alleen het hoogstnodige antwoord. Tot ze er zelf ongemakkelijk van wordt en dan maar opstaat. Ik moet stilletjes lachen als ik vanuit mijn ooghoeken zie dat April wordt weggeblaft door mijn kwaaie buur vrouw. De pizza van Holy April, met iets te weinig ansjovis naar mijn zin, stilt de honger maar eventjes. Van avond wordt het weer aanschuiven voor gratis soep in het Centraal Station.

NIET ZUIPEN!

‘Geen ringen, geen parfum, geen propere haren. Dat zien de anderen als tekenen van rijkdom. Haal nooit je geld of je gsm boven, want dat pakken ze je toch direct af. Je ziet er ook veel te proper uit. Zorg dat die tanden wat minder blinken.’ Ik word bedolven onder een bombardement van raadgevingen van Evelien, een vrouw van een eind in de dertig die in het Centraal Station slaapt. Ter voorbereiding van mijn daklozenexperiment ben ik te rade gegaan bij de Brusselse daklozen organisatie Chez Nous – Bij Ons in de Kartuizerstraat. Straathoekwerker Manuel Chiguero heeft me in contact gebracht met enkele daklozen die ik in vertrouwen kan nemen en die mij ‘het vak’ zullen leren. Evelien wil me meenemen naar het Centraal Station, waar ze slaapt in een ‘klein, geheim holletje aan de ingang’, dat ze voor één nacht wel met me wil delen.

Evelien «Normaal komen de flik ken ons ’s nachts wegjagen als het station sluit, maar mij hebben ze nog nooit gevonden. Ik kruip achter een machine in een hokje met een heel smalle opening. Je wordt er wel zwart van al dat stof en gruis, maar ’s morgens was ik er dat af in de toiletten van het Centraal Station. Ik neem altijd een stapel Metro’s mee (de gratis krant die in de stations wordt bedeeld, red.). Die spreid ik uit en daar ga ik dan op liggen. Echt comfortabel is het niet, maar je ligt er tenminste warmer, en veilig. Niemand komt je kleren opensnijden om je portefeuille te pikken. Buiten moet je voortdurend op je spullen letten, daarom slaap je er ook zo weinig, en nooit vast. Let vooral op je schoenen en je kousen. Die komen ze uittrekken als je slaapt. En ze hebben geduld hoor, de aasgieren wachten wel tot je je in je slaap omdraait en ze gemakkelijk bij je spullen kunnen.

»En vooral ook niet zuipen. Als je zuipt en in slaap valt, ben je verloren. Als je wakker wordt, is je hele hebben en houden weg.»

GRATIS TOILET

Mijn eerste dag breng ik door in het gezelschap van Georges, een West Vlaming van halverwege de zestig met een pluizige baard. Hij is een man van weinig woorden. Drinkt niet, rookt niet, kijkt alleen in de zomer naar de vrouwen en doet geen vlieg kwaad. Ik kom alleen te weten dat hij vroeger technisch ingenieur was, zijn job kwijtraakte en problemen kreeg met het OCMW van zijn gemeente. Dat is al meer dan twaalf jaar geleden. Sindsdien leeft Georges op straat in Brussel. Ik merk snel dat hij ontzag afdwingt bij de andere daklozen.

'Wie Georges iets aandoet, krijgt de helft van het daklozencircuit op zijn dak'

Ook in de onderlaag van de maatschappij is er onderscheid. Boven aan de pikorde staan de anciens, de mensen die het langst op straat vertoeven – zij hebben de meeste nieuwkomers op straat aan een slaapplaats of een warme maaltijd geholpen. Daarnaast geldt: hoe ouder, hoe meer respect; en hoe slechter je gezondheid, hoe beter de bedelplek en de slaapplaats waar je aanspraak op kan maken. De paria’s onder de daklozen zijn de zware drinkers in hun stinkende plunje, die al lang vergeten zijn wat zelfrespect is. ‘Clochards’, noemen de andere daklozen hen – zoals in: ‘sales clo chards’.

Een officiële telling van daklozen bestaat niet. Volgens FEANTSA, de Europese federatie van de nationale organisaties die met thuislozen werken, zijn er in Brussel alleen zo’n 2000, maar daar is de groeiende groep van mensen zonder papieren niet bijgerekend. Verenigingen die zich over daklozen ontfermen ver moeden dat het totale aantal toch een paar duizend meer is. De mees ten zitten in opvangtehuizen die ver spreid zijn over het Brusselse ge west, maar minstens tweehonderd daklozen slapen elke nacht buiten. Het is een mengelmoes van nationa liteiten en meestal troepen die ook samen: de islamieten apart, de Polen bij de Polen, de Belgen bij de Belgen... Ook de problematiek waar e mee worstelen, vormt een scheidingsmuur. Een junk zal bijvoor beeld nooit bij een alcoholist gaan zitten.

Niet elke straatbewoner ziet er ‘dakloos’ uit. Sommigen vallen al leen te herkennen aan hun iets te grote schoenen of een te korte broek die ze in een liefdadigheidsinstelling op de kop getikt hebben voor 30 cent. Er is veel schaamte, maar ook veel fierheid. In de trappenhal van het Centraal Station ontmoet ik Ben, een Marokkaan op leeftijd, al tijd in maatpak en met blinkende roze das. Zijn dochters wassen en strijken zijn kostuum, vertelt hij. Ik vraag me af of de dochters weten dat hun vader dakloos is. ‘Dat je op straat woont, wil niet zeggen dat je er onverzorgd moet bijlopen,’ zegt Ben. ‘Maar ’t heeft ook wel nadelen. De afgelopen weken ben ik zeker twintig keer overvallen, omdat ze denken dat ik er warmpjes in zit.’ De laatste keer hebben ze zijn hoorapparaat ontvreemd, zodat ik bijna moet schreeuwen in zijn oor. ‘Ik moet naar het toilet!’ roep ik. ‘Zeg dat je met de groeten van Ben komt,’ buldert hij terug. ‘Dan moet je niet betalen.’ De dagen nadien zal ik Ben nog vaak zien rondhangen in de buurt van de toiletdame van het Centraal Station.

OUWE RAT

Georges kan met iedereen opschieten. Tegenwoordig slaapt hij op een klein kamertje in Sint-Joost-ten-Node – gratis ter beschikking gesteld door een sympathiserende burger – maar overdag mengt hij zich nog altijd het liefst onder de echte daklozen, zijn oude makkers. Hij is een van de weinigen die het woord ‘clochard’ als een soort geuzennaam beschouwden.

Georges «Een jaar geleden zag ik er veel sjofeler uit. Als ik nieu e kleren kreeg, knipte ik daar zelf gaten in. De merknamen moesten er ook allemaal uit. Mijn schoenen, daar knipte ik hoeken uit. Zodat ik de naam clochard waardig kon dragen. Maar ook wel omdat ze dan mijn schoenen niet zouden pikken (lacht).»

Georges weigert ook koppig elke OCMW-steun. Uit protest tegen de ongelijkheid.

Georges «Ik vind: we leven in zo’n rijk land en toch zijn er mensen die geen huis hebben: dat klopt niet.»

Buiten slapen is hard, vertelt Georges. Hij heeft overal gelegen: in stations en parkings, in portieken van bankfilialen en op de verwarmingsroosters van winkelgalerijen.

Georges «Het ergste is de tocht en de regen. Het lawaai van een door natte vlag die tegen de gevel van een gebouw kletst, de hele nacht lang... ’s Morgens ben je geradbraakt. Overal spierpijn, volle blaas, nooit uitgerust. Op de duur is al je energie op.»

Als de avond valt, toont Georges me waar ik kartonnen dozen kan vinden. Op de Grasmarkt, de winkelstraat die parallel loopt met de Grote Markt, rijst tussen de stadsvuilnisbakken een enorme berg op geplooide dozen. ‘Als je hier je ga ding niet vindt, kan je wachten tot na middernacht,’ zegt Georges. ‘Dan zet de Quick zijn rommel buiten. Wij maakten er altijd een sport van de mooiste dozen eruit te pikken. Als het nog te vroeg was, verstopten we die achter een muur tot het tijd was om te gaan slapen.’

Mijn grijze metgezel wordt plots enthousiast en toont hoe hij zijn voordeel deed met zijn opleiding als technisch ingenieur.

Georges «Ik bouwde altijd zo’n modern model met een schuifdak. (Demonstreert met een paar lege dozen) Met stevige wanden van drie lagen karton tegen de tocht, zie je?»

De finishing touch zijn enkele ventilatiegaten in het dak. Georges ver telt het zelf niet, maar ik weet dat ze dienen om zijn eigen lichaamsgeur in die smalle koker niet te hoeven ruiken.

Georges «Toen ik op straat leefde, sliepen we meestal in een groepje van drie, zo was er altijd iemand om op de spullen te letten. Het gaf je ook een gevoel van geborgenheid, hoe miniem ook. Overdag gingen we elk onze eigen weg, maar ’s avonds hadden we elkaar. Je kon ergens thuis komen, al was het maar in de hoek van een metrostation.»

Hoe meer Georges op dreef ge raakt, hoe meer ik besef: dit is te heavy voor mijn eerste nacht. Bui ten slapen kan later nog wel. Nu ben ik maar al te blij dat ik een onderkomen in een kraakpand vind. Een gigantisch gebouw op de Emile Jaqmainlaan dat al jaren leegstaat – vroeger zaten hier de kantoren van de Franstalige kranten La Libre Belgique en La Dernière Heure. Securitas heeft de voordeur dichtgespijkerd, maar aan de achterkant is er een luik open. Op de tweede verdieping vind ik een oude matras in een directiebureau. Aan de muren han gen uitvergrote krantenpagina’s en vergeelde telefoonlijsten. Daar breng ik een relatief rustige nacht door, af en toe onderbroken door het geloei van politiesirenes. Tussen bureautafels, lege pizzadozen en met urine gevulde colaflessen van vroegere clandestiene bezoekers.

VERBODEN TE STINKEN

Het moeilijkste aan het leven in de marge is de verveling. De volgen de ochtend word ik al voor zeven uur wakker van het lawaai buiten. Ik slenter de straat op. In de ochtendschemering zie ik de eerste pendelaarsgolf uit het Noordstation stromen. Op de kleine ring kruipen auto’s traag voorbij, bumper aan bumper. Een postbode zeult met een zware leren zak. Een warm ingeduffelde Aziaat opent zijn krantenkiosk. Het leven in Brussel komt op gang. Voor mij ligt een dag volledigheid. Ik voel me plots erg eenzaam.

Ook daar hebben ze mij voor gewaarschuwd. Sommige daklozen worden gek van eenzaamheid. Ik zal de volgende dagen meer dan één SDF’er ontmoeten, vrouw of man, die met zichzelf een geanimeerd gesprek voert, zichzelf in slaap zingt, of moppen vertelt aan zichzelf en daar vervolgens smakelijk moet om lachen. Depressies, stemmingswisselingen, zelfmoordneigingen, psychische problemen... bij velen is het op straat begonnen. In het inloopcentrum van Chez Nous – Bij Ons heb ik al een paar keer een dikke vrouw met een karretje opgemerkt, Valerie, die niets anders doet dan oude boeken doorbladeren. Op elke bladzijde onderstreept ze enkele woorden, zonder acht te slaan op de rest van de tekst. Ik kijk telkens gefascineerd toe hoe ze zo’n boek in amper twintig minuten van voren naar achteren ‘bewerkt’. Later verneem ik dat Valerie niet kan lezen. Ze wil het heel graag, maar ze heeft het nooit geleerd. Een boek lezen betekent voor haar: lettercombinaties onderstrepen, zonder dat ze er iets van begrijpt. Zo komt ze de vele dode uren door. Het is nog maar dinsdag, maar ik begin het ook al te voelen: de uitzichtloosheid, die zee van tijd.

Het is nog vroeg. Geld voor ont bijt of koffie heb ik niet, dus in een café gaan zitten is uitgesloten. Ik sjok naar de Marollen. In de Hoogstraat zitten de Zusterkens der Armen, waar je tussen 9 en 10 uur ’s ochtends gratis boterhammen kan scoren. Een fikse wandeling, maar daar zal ik aan moeten wennen. Straathoekwerker Manuel heeft me gewaarschuwd: wandelen is hét tijdverdrijf van de daklozen. Volgens hem leggen ze gemiddeld vijftien kilometer per dag af: van de ene goedkope kom soep naar een plaats waar je gratis naar het toilet kan, van je bedelplek in het station naar een warme maaltijd voor één euro.

De boterhammen van de Zusterkens vallen tegen: twee sneetjes oud schuimachtig brood met daar tussen ingekoekte, uitgedroogde smeerpaté. Sorry, maar ik heb geen zin in diarree.

Tegen de middag zak ik af naar het inloopcentrum van Chez Nous – Bij Ons in de Kartuizerstraat, een zijader van de hippe Dansaertstraat. Het is een opvangtehuis voor de meest gemarginaliseerde mensen, die nergens anders binnenmogen – omdat ze een hond hebben, of gedragsproblemen, geen papieren of een verslavingsprobleem. Het zit er meestal afgeladen vol. Dat is in veel ontmoetingscentra in de buurt wel even anders: de gigantische, door het OCMW gefinancierde ontmoetingsruimte voor wijkbewoners in de Washuisstraat is doorgaans akelig leeg, want hier zijn daklozen niet welkom. Aan de muur hangt het reglement van La Buanderie: ‘Une bonne hygiène corporelle et un tenue vestimentaire correct sont de rigueur.’ Vrij vertaald: Verboden te stinken of in lompen rond te lopen.

‘VIER KLONTJES GRAAG’

De koude slaat toe. Elke keer als er iemand in Chez Nous binnenkomt, brengt hij een ijzige wolk buiten lucht mee. Het KMI heeft tien da gen vriesweer voorspeld. Het suikerverbruik stijgt: daklozen doen nu gemiddeld vier klontjes suiker in één kop koffie. Suiker is energie en dat hebben ze nodig om tegen de kou te vechten.

Het gewest Brussel heeft het winterplan afgekondigd: tot eind maart komen er honderdvijftig extra bedden voor daklozen bij, in een leeg staand gebouw in Schaarbeek. Het initiatief gaat uit van de door het OCMW van de stad Brussel gesubsidieerde daklozenorganisatie Casu (Centrum voor Dringende Sociale Actie). Casu heeft ook een per manent nachtasiel, waar ik allerlei gruwelverhalen over hoor. Daklozen mogen vanaf zes uur ’s avonds beginnen te bellen naar het gratis nummer 0800/99340. Maar meest al krijgen ze een antwoordapparaat: Désolé, mais il n’y a plus de place pour l’instant. Veuillez ressay

‘Soms moet je een uur lang bellen om binnen te raken,’ vertelt Enrico, een dertiger van Spaanse afkomst. ‘Wij belden altijd met drie man tegelijk, in verschillende telefooncellen. Als je iemand aan de lijn krijgt, mag je maar één naam doorgeven. Dus bleven we voor elkaar proberen tot we alledrie binnen waren. Wat niet altijd lukte.’

We besluiten vanavond het nachtasiel Casu uit te proberen. Binnen raken is geen probleem voor mij: vrouwen hebben voorrang. Maar dat is dan ook het enige positieve van de hele avond. Casu is zoals ik me het gesloten vluchtelingencentrum 127bis voorstel. Het personeel gedraagt zich als cipiers, de toon is bars, en om naar het toilet te gaan moet je om wc-papier gaan smeken, waarna je maar een paar blaadjes krijgt. De geur in de wc’s is niet te harden, er hangt bloed en slijm aan de muur, op de grond zie ik diarreespetters, een gedeukt blik Carapils en een verfrommeld maand verband. Klagen heeft weinig zin. Niemand van de maatschappelijk werkers – laat staan van de rest van het personeel – praat Nederlands.

Voor ik een bed krijg, moet ik even met een maatschappelijk werker gaan praten. Mijn zorgvuldig voorbereid fictief levensverhaal komt er niet aan te pas, want de man begrijpt nauwelijks iets van wat ik zeg. ‘Français? English?’, probeert hij. Ten slotte geeft hij het op, en krijg ik mijn kamernummer en lakens zonder verdere uitleg.

Ik deel de kamer met twee andere vrouwen, van wie er eentje al in bed ligt. Ze zegt niet veel. Alleen dat ik op mijn spullen moet letten. ‘Alles wordt hier gepikt,’ zegt ze. ‘Als je naar het toilet gaat, neem dan al les met je mee.’ Leuk vooruitzicht. Als ik mijn bed opmaak, verstop ik mijn schoenen en mijn kleren veilig onder de lakens. Ik val snel in slaap en droom dat ik dakloos ben.

PROFITEURS

Klokslag zeven uur worden we gewekt. Een jonge Turkse vrouw met een schort knipt het licht aan – schelle TL-lampen – en klopt haar knokkels kapot op de deur. Het klinkt als een mitrailleur. ‘ALLEZ! DE BOUT! DEBOUT!’ roept ze. In mijn slaapdronken verbeelding hoor ik: ‘Aufstehen! Frühstuck!’

Ik ben blij dat ik in een bed geslapen heb, maar ik ben wel misselijk en moet overgeven. Als ik een kwartier later beneden in de hal kom, is het ontbijt bijna op. Wat overblijft zijn beenharde stukjes stokbrood en een bord jam waar een bom in lijkt te zijn gevallen. Ik voel de kwaadheid in mij opkomen. De houding van het personeel, het zogezegde ‘ontbijt’ dat ze je voorzetten, alles schreeuwt het uit: jij bent een dikke profiteur.

Er staat nog een ander nachtasiel in mijn daklozenfolder: de Hoeksteen, in de Marollen. ‘Open om 20 uur voor nieuwe personen en voor hen die er de nacht tevoren niet geslapen hebben, om 21 uur voor de anderen (geen reservatie)’. Om de overblijvende bedden wordt geloot: wie een rode kaart trekt, mag binnen, een zwarte kaart betekent pech. Voor een buitenstaander klinkt dat absurd, maar de gasten zelf vinden het blijkbaar wel een faire manier om de overblijvende slaapplaatsen te verdelen.

GEEN CARAPILS!

In de vooravond kom ik Evelien te gen in het Centraal Station. De Evelien die me zou meenemen naar haar geheime slaapplaats in het station, maar dat inmiddels blijkbaar al lang vergeten is. Ze kraakt een blik Gordon en is duidelijk een eind weg. En ontzettend blij om mij te zien. Ze vliegt me om de hals en wil weten of ik het een beetje volhoud, het leven buiten. Ze is een paar dagen van de straat geweest, vertelt ze. Ze heeft haar zus teruggezien. ‘Na zeven jaar,’ zucht ze.

Evelien «Ik heb mijn zus de laatste keer gezien op de begrafenis van mijn moeder. Maandag zat ik hier in het Centraal Station een pintje te drinken en wat te kletsen met een vriendin, en plots kwam er een dame op mij af die mij een brief je toestopte met een telefoonnummer op. ‘Voor als je mij eens nodig hebt,’ zei ze. Ik besefte pas dat het mijn zus was toen ze al was door gelopen.»

Over haar verleden, en hoe ze op straat is beland, wil Evelien verder niks kwijt. ‘Dat is een heel triestig verhaal, over scheidingen en ruzies. Dat vertel ik niet, anders ga ik huilen.’

We troepen met een paar mannen en vrouwen samen aan de GB in de Ravensteingalerij en drinken halve liters Gordon. ‘Geen Carapils?’ vraag ik verbaasd. Christiaan, een graatmagere vijftiger lacht mij uit. ‘Je ziet dat je een groentje bent!’

Christiaan «Echte SDF’ers drinken geen Carapils. Vééls te slecht bier. Denk je eens in: daklozen slapen slecht, ze eten meestal bocht, en als je daar dan nog eens een paar kratten Cara-pils opgiet, kunnen ze direct je maag leegpompen in het Sint-Pietersziekenhuis.»

Gezondheidsproblemen zijn een populair gespreksonderwerp: ieder een heeft er wel een paar. Volgens studies lijdt 75 procent van de dak lozen aan infecties, longaandoeningen, uitputting... Een jaar op straat leven vermindert de levensverwachting met zeven jaar. Christiaan vertelt over zijn overleden vriend Dennis.

Christiaan «Toen ik hem de eer ste keer ontmoette, zag ik hem als een bezetene krabben aan zijn dij been. ‘Wat is er?’ vroeg ik. Hij trok zijn broek half naar beneden en toonde een verzworen wonde: een putje vol gele etter waar mijn halve wijsvinger in kon. ‘Laat dat toch verzorgen man!’ zei ik. Maar Den nis is zo’n nonchalante kerel. Twee dagen later zag ik hem terug. Hij was nog altijd aan zijn dijbeen aan het krabben. ‘Laat het nog eens zien,’ vroeg ik. Dit keer kon ik al met mijn duim in zijn wonde. En een paar weken later was het een groot gat geworden, waar leven in zat. Stinken! STINKEN! ‘Toch maar laten verzorgen,’ probeerde ik nog eens. Maar niet lang daarna was hij dood. Koudvuur.»

De ergste plaag voor een straat bewoner zijn de vlooien. Een kleine vlooienbeet die niet verzorgd wordt, kan verzweren en ravages aanrichten. Enrico vertelt het verhaal van Manfred, een jonge Duitser met wie hij vroeger vaak op straat sliep.

Enrico «Manfred was een menselijk wrak, vol alcohol. Hij lachte daar zelf mee. Als de politie hem oppakte wegens overlast, broebelde hij: ‘Je ne suis pas un terrorist, je suis un ALCOHOLIST.’ De laatste maan den van zijn leven zag je hem berg af gaan. Hij kreeg alleen maar bier binnen en stond vol vlooienbeten, die hij altijd openkrabde. Zijn hele romp was een open wonde, zijn T9shirt plakte eraan vast. Toen we hem naar het ziekenhuis brachten – het werd echt té erg – hebben ze hem meer dan een uur in een bad moeten zetten. Zijn T-shirt moesten ze reep je per reepje van zijn lijf knippen. Een aandoenlijk gezicht, die struise, graatmagere man, die daar half dood in zijn ziekenbed lag...»

Manfred keerde nog één keer te rug naar de straat. Hij stierf een paar weken later toen hij ’s nachts een metrotunnel inliep, op zoek naar een plekje om te overnachten. De Duitser werd overreden door een onderhoudsmetro. Hij was net geen dertig.

Ik ben plots doodmoe. Nog twee keer slapen en ik kan naar huis.

U kan de vzw Bij Ons - Chez Nous steunen met een gift op rekeningnummer 953-0285605-06. Fiscaal attest vanaf 30 euro.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234