null Beeld

Op bezoek bij de vrouw die terrorist Abdelhamid Abaaoud en zijn nichtje Hasna verlinkte

Souad Mekhennet, correspondent van The Washington Post, is een Duitse journaliste met Marokkaanse en Turkse roots. Sinds de aanslagen van 9/11 opereert ze achter de linies van de jihad, en spreekt er met islamistische strijders – zij was het ook die de ware identiteit van Jihadi John wist te achterhalen.

'Als je iets goeds doet, zeggen de Belgen dat je een Belg bent en de Marokkanen dat je een Marokkaan bent. Maar doe je iets slechts, dan zeggen de Belgen dat je een Marokkaan bent en de Marokkanen dat je een Belg bent'

Op vrijdag 13 november (2015, red.) deed een reeks aanslagen Parijs en de noordelijke buitenwijk Saint-Denis op hun grondvesten schudden. Elf mannen, van wie sommigen in Syrië hadden gevochten en twee uit Irak zich met vervalste Syrische paspoorten onder de vluchtelingenstroom naar Europa hadden begeven, pleegden aanslagen op het Stade de France, de concertzaal Bataclan en een handvol restaurants en bars, waarbij ze 130 mensen vermoordden.

De meeste aanslagplegers waren zoons van Marokkaanse migranten die in België of Frankrijk woonden en ik wilde uitvissen hoe het kwam dat ze waren geradicaliseerd. De meesten waren vanwege drugshandel en berovingen bekenden van de Franse politie. Met andere woorden: het waren kruimeldieven.

Ik was vooral geïnteresseerd in Abdelhamid Abaaoud, één van de leiders. Hij was één van de aanslagplegers die in Syrië hadden gevochten maar terug wisten te keren naar Europa, ook al werden ze door de autoriteiten gezocht. Abaaoud was opgegroeid in de Brusselse gemeente Molenbeek en was de oudste zoon van Marokkaanse immigranten. Als tiener was hij van school gestuurd, lid geworden van een plaatselijke bende en betrokken geraakt bij allerlei kleine misdrijven. Tussen 2006 en 2012 had hij een paar keer kort in de gevangenis gezeten. De laatste keer dat hij vrijkwam, was hij veranderd, vertelde zijn vader aan onderzoekers. Hij had een baard laten staan, ging niet meer met zijn vrienden uit de buurt om en beloofde zijn vader dat hij nooit meer naar de gevangenis zou gaan.

In plaats daarvan reisde hij naar Egypte om Arabisch te leren en daarna naar Syrië, vanwaaruit hij zijn vrienden thuis liet weten dat hij ‘onschuldige mensen wilde helpen’. Eind 2013 werd hij gezien in Molenbeek. De Belgische autoriteiten hielden hem in de gaten, maar een paar maanden later ging hij terug naar Syrië, naar wat hij het ‘kalifaat’ noemde. Hij nam zijn 13 jaar oude broertje mee.

Ik vroeg me af wat er gebeurd was, niet alleen met hem, maar ook binnen zijn gezin. Na de aanslagen in Parijs bracht ik een tijdje in Molenbeek door, en van de buitenkant leek het alsof Abaaoud genoeg mogelijkheden had gehad om een bestaan op te bouwen. Zijn vader had een bedrijf dat allerlei spullen uit Marokko importeerde en stond er financieel niet slecht voor. Abaaoud was naar een goede school gegaan. Maar er waren problemen in het huwelijk van zijn ouders. Abaaoud had een betere band met zijn moeder dan met zijn vader. Volgens de veiligheidsdiensten was hij gefrustreerd en boos vanwege het leven dat zijn vader leidde en door het constante geruzie thuis.

undefined

'De broeders van het kalifaat laten die varkens in het Westen zien dat moslims niet langer het slachtoffer zijn'


Bendelid

Molenbeek leek niet op de banlieues die ik in Frankrijk had bezocht. Er stonden geen grijze betonkolossen en de winkels en theehuizen deden me aan Marokko denken. Maar een Belgische freelancer voor The Washington Post, Annabell Van den Berghe, vertelde me hoe moeilijk het was om informatie te krijgen: de mensen in Molenbeek spraken niet graag met journalisten. En hoewel het er in Molenbeek niet zo troosteloos uitzag als in de banlieues, speelden er vergelijkbare problemen.

Annabell en ik togen naar een broodjeszaak, waar twee goedgebouwde mannen die er als broers uitzagen aan het werk waren. Ze hadden verschillende klanten, die elkaar allemaal schenen te kennen. Een lange man in een spijkerbroek, een trui en een donkerblauw jack keek me aan. Ik keek terug en glimlachte. Hij glimlachte terug, pakte zijn broodje en liep naar buiten. Hij zag eruit zoals ik me voorstelde dat een vriend van Abaaoud en Abdeslam eruit zou kunnen zien, met iets ongenaakbaars als van een bendelid. Mijn intuïtie zei dat ik achter hem aan moest gaan.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ik toen ik buiten stond. ‘As’salaam aleikoem.’

Hij bleef staan en draaide zich om. ‘Wa’aleikoem as’salaam. Oui, mademoiselles?’ antwoordde hij.

Ik zei dat ik journalist was en legde uit dat ik meer over Molenbeek te weten wilde komen.

‘Dus je wilt iets vragen over degenen die de aanslagen in Parijs hebben gepleegd en wilt weten of ik ze heb gekend?’ vroeg hij in Marokkaans Arabisch.

‘Ja.’

Hij zei dat hij Abaaoud, Abdeslam en de anderen had gekend die naar Syrië waren afgereisd. ‘Weet je dat we hier meestal niet graag met journalisten praten?’ zei hij. ‘Er is pas nog een cameraploeg met stenen bekogeld. Maar omdat je van Marokkaanse komaf bent en niet voor zo’n leugenachtige tabloid werkt, kunnen we op z’n minst koffiedrinken.’

We liepen naar een nabijgelegen café, waar de serveerster, die hij bij haar voornaam aansprak, hem hartelijk verwelkomde. Hij kwam er duidelijk vaak. Het was er rokerig. De meeste gasten dronken bier of andere alcoholische dranken, ook al was het nog maar halftwee.

Hij zag me verbaasd kijken. ‘Het is hier oké. De meeste mensen spreken geen Arabisch, dus we kunnen vrijuit praten.’ Hij zei dat ik hem Farid moest noemen, de naam van zijn opa.

undefined

'Onschuldige mensen vermoorden mag niet volgens de islam. Daarom heb ik de politie verteld waar Abaaoud zat'


Slachtoffers

Farid zei dat hij in België was geboren, uit Marokkaanse ouders die in hun jonge jaren naar Brussel waren verhuisd. Zijn vader had in een kolenmijn gewerkt, zijn moeder zorgde thuis voor de kinderen. Hij zei dat hij een paar jaar in de gevangenis had gezeten omdat hij had meegedaan aan berovingen, wapens had verkocht en andere misdrijven gepleegd.

‘Ik ben in deze buurt geboren, net als Abdelhamid en Salah,’ zei hij. ‘We waren allemaal bevriend.’

Farid was lang, had een lichte huid en donkerbruine ogen. Hij toverde een paar keer een vriendelijke glimlach tevoorschijn, maar was ook kwaad. Hij klonk alsof hij zich nergens geaccepteerd voelde. ‘Als je iets goeds doet, zeggen de Belgen dat je een Belg bent en de Marokkanen dat je een Marokkaan bent,’ zei hij. ‘Maar als je iets slechts doet, zeggen de Belgen dat je een Marokkaan bent en de Marokkanen dat je een Belg bent.’

Het is een paradox waar veel moslimimmigranten van de tweede generatie mee bekend zijn. Ik had de Marokkaanse ambassade in Brussel na de aanslagen gebeld en gevraagd of iemand zich bezighield met de Marokkaanse gemeenschap of met de problemen waar immigranten van de tweede generatie mee worstelen. ‘Die terroristen, dat waren geen Marokkanen,’ zei de ambassademedewerker. ‘Dat waren Franse en Belgische burgers.’

Ik zei dat ik dat begreep, maar dat ze nog steeds op de één of andere manier een band met Marokko hadden via hun ouders, van wie sommigen een huis of een bedrijf in hun geboorteland hadden. Hij weigerde echter te erkennen dat het een Marokkaans probleem was.

Farid legde uit dat mensen als Abaaoud, Abdeslam en hijzelf een even grote hekel aan België en Frankrijk hadden als aan Marokko. Hij zei dat ze vaak hadden gesproken over zaken als identiteit, het land waar je je thuis voelde en familiebetrekkingen.

‘Ze behandelen ons allemaal slecht. De mensen in Marokko en andere Arabische landen behandelen een blanke man of vrouw zelfs beter dan iemand zoals jij of ik,’ zei hij. Farid bracht de koloniale tijd in herinnering en dat Frankrijk en andere Europese landen nooit waren teruggekomen op ‘de misdaden die ze in die landen hebben begaan’. Zijn vader en diens vrienden hadden hard gewerkt om België te helpen opbouwen, maar niet genoeg geld verdiend voor een fatsoenlijk bestaan, zei hij. ‘Mijn ouders krijgen 800 euro en daar moeten ze de huur en andere dingen van betalen. Nadat mijn vader meer dan vijfendertig jaar werk heeft gedaan waar de Belgen zich te goed voor voelen, is dat alles wat hij krijgt.’ Hij zei dat hij had gezworen dat de Belgen geen misbruik van hem zouden maken.

Ik erkende dat de generatie van onze ouders vooral fysiek zwaar werk in Europa had gedaan. ‘Maar wat zouden ze hebben gedaan als ze in Marokko waren gebleven?’ vroeg ik.

‘Niets natuurlijk. Wat hadden ze er kunnen doen? Daar stel je alleen iets voor als je uit een beroemde, rijke familie komt. Toch?’

Hoe langer ik luisterde, des te meer klonk het alsof hij overal de dupe van was. Ik zei dat ik me tot op zekere hoogte ook gefrustreerd voelde over Marokko, dat ik niet uit zo’n beroemde en steenrijke familie kwam, zoals hij ze noemde, en dat ik soms ook het idee had dat ik niet volledig door de ene dan wel de andere kant werd geaccepteerd. Maar dat was nog geen reden om je bij IS aan te sluiten.

‘Je bedoelt de dawla?’ vroeg hij. Hij gebruikte een Arabisch woord dat geliefd is bij IS-sympathisanten en ‘de staat’ betekent. ‘Het kalifaat?’

Ik knikte. Hij leek vertrouwd met de ideologie. ‘Ik bewonder al-Baghdadi en alle broeders daar, dat zijn echt goede moslims,’ zei hij. ‘Zij laten die varkens in het Westen eindelijk zien dat moslims niet langer het slachtoffer zijn.’

undefined

null Beeld

undefined

'De winkel van Abaaouds ouders in Molenbeek. 'Zijn vader zei dat een krant hem een hoop geld had geboden voor het verhaal over zijn zoon en hij vroeg of ik dat bedrag kon evenaren'


Berovingen

Dat slachtofferverhaal vroeg om een weerwoord. Ik zei dat Abdeslam en Abaaoud, als ik het goed had begrepen, zich schuldig hadden gemaakt aan drugshandel en berovingen. Hoe verhield zich dat tot zijn idee van de goede, onschuldige moslim?

‘Deze maatschappij verdient het,’ wierp hij tegen. ‘Het zijn allemaal racisten, en mensen zoals wij hebben geen andere keus. Als je solliciteert en er staat Molenbeek in je adres en je hebt een Arabische naam, dan maak je geen schijn van kans.’ Het was dezelfde klacht die ik in de banlieues van Parijs had gehoord.

Ik vroeg Farid of hij op school had gezeten.

‘Tot halverwege de middelbare school, toen ben ik ermee gestopt,’ zei hij. Hij beschouwde een voltooide opleiding niet als een route naar een beter leven.

‘Studeren? Waarvoor? Om taxichauffeur te worden?’ hoonde hij.

Ik keek hem aan. ‘Je kunt altijd wel een reden vinden om niet te proberen iets te bereiken.’

Hij keek me verrast aan. ‘Geloof je me niet? Denk je dat ik lieg?’ vroeg hij.

Ik probeerde de boel te sussen. Ik zei dat ik alleen maar probeerde te begrijpen waarom hij dacht dat hij geen keuze had in het leven. En ook Abaaoud en Abdeslam hadden een keus gehad.

Hij zei dat hij snapte wat ik bedoelde, maar dat de meeste ouders in deze wijk hun kinderen niet goed begrepen en dat het ze niet veel kon schelen hoe die het er op school van afbrachten. Omdat ik me in het probleemgezin van Abaaoud had verdiept, wist ik dat het je niet tot een betere ouder maakte als je je zoon naar een goede school stuurde. Zoals zoveel kinderen van islamitische migranten in Europa waren Farid en Abaaoud opgegroeid in een pijnlijke situatie. Ze waren geboren in een Europese samenleving, maar zagen dat hun ouders al hun geld uitgaven aan pogingen om in hun geboorteland een reputatie op te bouwen. Farid zei dat hij net als Abaaoud en hun vrienden en familie het grootste deel van het jaar van een schijntje moest leven, terwijl ze moesten toezien hoe hun ouders vrienden en familie in hun geboorteland bedolven onder geschenken. De kinderen wisten niet of ze Belgisch, Frans of Marokkaans waren en het maakte de ouders niet uit of hun kinderen integreerden. Ze maakten zich druk om geld verdienen en een zaak opbouwen, en dan vooral om in de ogen van het thuisfront iets te betekenen. De drang om te laten zien dat ze succes hadden was zo groot dat al het andere erbij in het niets viel. ‘Het ging bij ons allemaal zo,’ vertelde Farid. ‘Wij hadden het hier klote en zij maakten zich alleen maar druk over wat de mensen in Marokko van hen dachten en hoe ze konden laten zien dat ze het gemaakt hadden.’

Misschien kwam het daar wel door dat Farid zich aangetrokken voelde tot snel geld. Hij had een dikke rol met briefjes van 50 euro bij zich en ik begreep dat hij, ook al zat hij dan niet meer in de gevangenis, niet in een keuken of een supermarkt werkte. ‘Als niemand gelooft dat je iets kunt worden en je groeit op in een buurt als Molenbeek, is het heel moeilijk om in jezelf te geloven en je een ander leven voor te stellen dan het leven dat ik nu leid.’

Toen hij van de aanslagen in Parijs hoorde, was hij door het dolle heen geweest, zei hij. Hij had het idee dat Frankrijk en de rest van Europa een lesje was geleerd, vooral omdat de meeste aanslagplegers Franse en Belgische burgers waren. ‘Ze hebben hun terugbetaald omdat ze de moslims tientallen jaren als vuil hebben behandeld,’ zei hij.

Ik vroeg wat hij ervan vond dat de meeste moslims het niet met hem eens waren en dat velen zich zelfs tegen het terrorisme en de aanslagen hadden uitgesproken.

‘Dat zijn mensen van de generatie van onze ouders, maar dat is niet de ware islam,’ antwoordde hij. Zijn woorden klonken als die van zoveel anderen die ik had gesproken. De voormalige rapper Abu Talha had me ook verteld dat de meeste islamitische immigranten van de eerste generatie alleen maar leefden volgens de versie van de islam die ze in hun geboorteland hadden meegekregen.

Het had geen zin om met Farid in discussie te gaan, besefte ik. Zijn kijk op de wereld stond vast.

undefined

null Beeld

undefined

'De bestorming in Saint-Denis, waarbij naast Abaaoud ook zijn nicht omkwam. 'Ik heb via de tv vernomen dat Hasna dood was. Ik was er kapot van'


De informant

Ik probeerde in contact te komen met de ouders van Abdelhamid Abaaoud. Zijn vader had een gerespecteerd lid van de gemeenschap laten weten dat hij met me wilde praten en ik had zijn telefoonnummer gekregen. Maar een paar dagen voordat we elkaar zouden spreken, zei hij dat een krant hem een hoop geld had geboden voor het verhaal over zijn zoon en vroeg hij of ik dat bedrag kon evenaren.

Ik zei dat we nooit voor informatie betaalden en voegde eraan toe dat het me verbaasde dat hij, na alles wat er was gebeurd, eerder belangstelling had voor geld dan dat hij de wereld wilde proberen te laten zien dat zijn zoon een mens was in plaats van simpelweg een gestoorde moordenaar.

De Franse politie vond Abaaoud vijf dagen na de aanslagen in Parijs en doodde hem tijdens de bestorming van een appartement in Saint-Denis. De grote vraag was hoe ze erachter waren gekomen waar hij zich verborgen had gehouden. Tijdens een persconferentie op de dag waarop Abaaoud werd gedood, zei de Parijse aanklager François Molins dat een belangrijke informant de politie naar hem had geleid, maar hij weigerde details te geven.

Ik kwam er later achter dat Abaaoud na de aanslagen hulp had gezocht bij een nicht van hem die in Parijs woonde, Hasna Aitboulahcen. Ze had hem niet teleurgesteld. Ze was één van de twee anderen die met Abaaoud in Saint-Denis werden gedood. Als gevolg daarvan deed haar naam dagenlang de ronde in de media en circuleerden foto’s van haar op de sociale media, waarop ze in bad leek te zitten (later bleken het foto’s van iemand anders te zijn). Sommigen vermoedden zelfs dat ze de ‘eerste vrouwelijke zelfmoordterrorist van Europa’ was.

Door de aanslagen in Parijs ontspon zich opnieuw een debat over de plaats van de islam in Europa en nam de angst toe dat moslima’s zelfmoordterroristen konden worden of mee konden doen aan complotten om mensen te vermoorden en angst aan te jagen. Weer las ik redactionele commentaren in alle Europese kranten waarin de vraag werd gesteld waarom moslims niet meer tegen terrorisme deden. Mensen vroegen zich af of de plegers van de aanslagen in Parijs op de één of andere manier bescherming genoten van de islamitische gemeenschap in België en Frankrijk, waardoor ze hadden kunnen opereren zonder dat de politie erachter kwam.

Uit een stapel onderzoeksdossiers maakte ik op dat een vrouw blijkbaar de politie had ingelicht dat Abaaoud naar Europa was teruggekeerd, en specifiek naar Frankrijk. Hoe dieper mijn collega Greg Miller en ik in de dossiers doken, des te meer zag het ernaar uit dat de vrouw – we noemden haar Sonia – een belangrijke, grotendeels onbekende rol had gespeeld. Voor mij sprong er één detail uit: ze bleek moslima te zijn.

Ik nam contact op met verschillende informanten en vroeg of ze me meer konden vertellen over het ware verhaal achter de manier waarop Abaaoud was gevonden.

‘Er was een vrouw, maar die geniet nu politiebescherming,’ vertelde een bron bij de Franse overheid me, maar hij weigerde me iets over haar achtergrond te vertellen.

Vervolgens nam ik contact op met Sonia via een e-mailadres dat in de dossiers stond. Tot mijn verrassing schreef ze terug en gaf ze me een telefoonnummer.

‘Ik heb gereageerd omdat ik heb gezien dat je zelf moslima bent,’ zei ze toen ik haar belde. Ik zei dat we wisten dat ze onder politiebescherming stond en dat we haar niet in gevaar wilden brengen, maar haar rol belangrijk vonden en die aan de wereld wilden uitleggen.

Haar verhaal was persoonlijk van belang voor mij. Zoals ik de plicht had gevoeld westerlingen te laten weten wat sommige moslims over hen dachten, zo voelde ik me nu verplicht het verhaal te vertellen van een jonge moslima die haar leven in de waagschaal had gesteld om dat van haar mede-Europeanen veiliger te maken.

Sonia leefde onder politiebescherming in Parijs, maar dat stelde niet veel voor. Ze had geen andere naam aangenomen, en hoewel ze in een ander appartement was ondergebracht, stond er geen politie voor de deur. Ze was 42, moeder van een paar tieners en bang dat ze zou worden vermoord omdat ze Abaaoud had verlinkt. Maar ze had er geen spijt van, want ze vond dat hij en de andere aanslagplegers haar religie noch haar moraal deelden.

Sonia en haar echtgenoot, die ons vroeg zijn identiteit niet te openbaren, spraken met me af in een restaurant in het centrum van Parijs. Ik nam de plaatselijke tolk van The Washington Post mee, Virgile Demoustier, want Sonia had gezegd dat ze een deel van haar verhaal in het Frans wilde doen. Ik spreek weliswaar Frans, maar dit was zo’n gevoelig interview dat ik er graag een native speaker bij wilde hebben.

We wisten ook niet hoe de Fransen zouden reageren als we Sonia’s verhaal naar buiten zouden brengen. Tijdens het eten en een lang interview na afloop in mijn hotel kwam ik erachter dat het Sonia was verboden om met de pers te praten. Later vroegen we een woordvoerder van het bureau van de openbare aanklager wat er zou gebeuren als een krant een interview met haar zou plaatsen. ‘Wie met haar praat en haar verhaal publiceert, ook al komt haar naam er niet in voor, zal daar de gevolgen van merken,’ zei de woordvoerder. Na veel heen en weer praten besloten we toch door te zetten, omdat we het niet waarschijnlijk achtten dat de Fransen The Washington Post zouden aanklagen. We bleken gelijk te krijgen.

undefined

null Beeld

'Aitboulahcen had een fascinatie voor Hayat Boumeddiene opgevat, de echtgenote van de schutter in de Joodse supermarkt, Amedy Coulibaly (foto)'


Surrogaatmoeder

Sonia was Frans, maar van Algerijnse origine. Ze was geboren en getogen in de Vogezen en opgegroeid in een seculier gezin. ‘We zijn als moslim geboren en zullen als moslim sterven, maar zijn niet praktiserend,’ zei ze. ‘Mijn vader heeft nooit tegen ons gezegd wanneer we moesten bidden of wat we moesten aantrekken.’

Ze was in 2010 naar de regio rond Parijs verhuisd en had Hasna Aitboulahcen een jaar later leren kennen in een nachtclub. Aitboulahcen was toen 19 of 20 en Sonia omschreef haar als een ramp. ‘Ze zag eruit als een zwerver... Broodmager, puistjes in haar gezicht, vet haar, ze zag er niet uit.’ Haar vader was naar Marokko vertrokken zonder haar de sleutels van zijn huis te geven, en ze woonde op straat. Alles wat ze bezat, zat in een plastic zak. Ze vroeg Sonia of ze haar een maandlang wilde helpen. ‘Ik maakte een lunch voor haar, liet haar zien waar de douche was, waste haar kleren en gaf haar schone kleren van mijn dochter die ze zolang kon aantrekken. Ik gaf haar ook crème om haar gezicht schoon te maken. Het ging niet goed met haar, dat was wel duidelijk. Ze had een holle blik in haar ogen. Ze geneerde en schaamde zich. Ze vertelde me haar verhaal.’

Aitboulahcen en haar drie broers en zussen werden door hun moeder mishandeld en kregen geen eten van haar. Als kind werden ze bij pleegouders ondergebracht. Aitboulahcen bleef bij haar pleeggezin wonen tot ze 17 was en ze zich met haar vader herenigde, die met zijn eerste vrouw was hertrouwd.

Ik vroeg Sonia waarom ze een volslagen onbekende in huis had genomen.

‘Ik heb altijd onderdak geboden aan dakloze, arme mensen, aan mensen in nood,’ antwoordde ze.

‘Mensen van Noord-Afrikaanse komaf?’

‘Mensen van waar dan ook. De mens is niet gemaakt om op straat te leven. Hij heeft een dak boven zijn hoofd nodig en voedsel op zijn bord. Ik zeg altijd maar zo: als ik rijk zou zijn, zou ik daklozen onderdak bieden.’

Sonia werd een soort surrogaatmoeder voor Aitboulahcen. Die ene maand werden enkele jaren toen Aitboulahcen bij Sonia introk en deel werd van het gezin. Er waren problemen: Aitboulahcen gedroeg zich soms vreemd en worstelde met verslavingen.

‘Ze heeft met tussenpozen van 2011 tot 2014 bij me gewoond,’ vertelde Sonia. ‘Dan ging ze er weer twee weken vandoor, kwam terug voor een maand, telkens weer. Ze gebruikte een hoop drugs, vooral cocaïne, en dronk te veel.’

Maar Aitboulahcen kon ook charmant en beminnelijk zijn. Ze waste af, liet het adoptiegezin haar dankbaarheid blijken en vertelde boeiende verhalen over haar nachten in Parijs. ‘Ze maakte ons altijd aan het lachen,’ zei Sonia.

undefined

null Beeld

'Molenbeek lijkt niet op de Parijse banlieues, maar er spelen vergelijkbare problemen' Souad Mekhennet


Gekkenwerk

In 2014 en 2015 woonde Aitboulahcen bij een man die van de Komoren kwam, een drugsdealer die haar sloeg en met wie ze dacht te trouwen. Ongeveer in dezelfde tijd herenigde ze zich, op voorspraak van Sonia, met haar moeder, maar dat was geen succes. Ze begreep dat haar broer salafist was geworden en raakte in de ban van de islam. Ze begon een nikab te dragen, de sluier die alleen de ogen onbedekt laat.

‘Ik appte haar om te zeggen dat ze nog in de gevangenis zou belanden als ze hem zou blijven dragen,’ zei Sonia. ‘Ze maakte zelfs filmpjes waarin ze zei dat ze naar Syrië wilde.’

Aitboulahcen was ook begonnen ‘met iemand in Syrië’ te appen, aldus transcripten van Sonia’s gesprek met de Franse politie na de aanslagen in Parijs. Het meisjeAitboulahcen was wel zo voorzichtig de ontvanger van haar verhitte appjes niet te noemen, maar het was bijna zeker haar neef Abaaoud, omdat hij in die tijd in Syrië zat en de twee het naar verluidt goed met elkaar konden vinden.

Hoewel ze niet in dezelfde stad waren opgegroeid, waren ze door een raar soort romantisch idee met elkaar verbonden. Aitboulahcen vertelde aan vrienden dat ze met Abaaoud wilde trouwen, die twee jaar ouder was dan zij.

In de zomer van 2015 ging Aitboulahcen naar Marokko, ogenschijnlijk om met een salafist te trouwen met wie ze naar Syrië zou gaan. Ze verbleef er enkele maanden, maar keerde in het najaar terug naar Parijs om op de Marokkaanse ambassade wat papierwerk af te handelen in verband met haar staatsburgerschap.

‘Toen ze weer bij me kwam, zei ik dat ze haar nikab af moest doen. God heeft nooit om dat ding gevraagd,’ zei Sonia. ‘Ze vertelde dat ze van plan was om naar Syrië te gaan en ik zei dat het gekkenwerk was. ‘Je wordt nog verkracht als je daar naartoe gaat,’ zei ik.’

Maar Aitboulahcen had een fascinatie voor Hayat Boumeddiene opgevat, de echtgenote van de schutter in de Joodse supermarkt, Amedy Coulibaly.

Boumeddiene was haar rolmodel, zei Sonia. Toen de aanslagen in Parijs plaatsvonden, reageerde Aitboulahcen bedroefd noch woedend. In plaats daarvan vroeg ze Sonia haar haar te fatsoeneren, zodat ze eropuit kon.

‘Het zijn allemaal ongelovigen,’ zei ze over de slachtoffers, aldus Sonia. ‘Er kan me niets gebeuren.’


Schuilplaats

Ze bleef nonchalant en schijnbaar onaangedaan tot de avond van zondag 15 november, toen ze met leden van haar surrogaatgezin terugkeerde van een wandeling door Saint-Denis. Aitboulahcens mobieltje lichtte op. Het nummer op het scherm begon met de landcode van België. Maar Aitboulahcen herkende het nummer niet, vertelde Sonia, en geloofde de man die ze aan de lijn had niet toen hij zei dat hij namens haar neef belde. Ze hing op. Maar de telefoon ging nog een keer.

‘Ik ga je niet alles uitleggen: je hebt op tv gezien wat er is gebeurd,’ zei de beller. Daarna kreeg ze de instructie om een schuilplaats voor haar neef te zoeken, ‘voor niet langer dan een dag of twee’.

Het leek alsof er een schakelaar in Aitboulahcens hoofd werd omgezet. Sonia zei dat ze opgewonden leek. ‘Zeg maar wat ik moet doen,’ zei Aitboulahcen gretig.

Sonia vertelde de politie later dat zelfs Aitboulahcen op dat moment niet zeker wist wélke neef haar hulp nodig had. Beide vrouwen vroegen zich af of het soms om Abaaouds jongere broer ging, degene die Abaaoud een paar jaar eerder naar Syrië had ontvoerd. Iedereen dacht dat de jongen dood was, maar in de chaos van het kalifaat was alles mogelijk.

‘Ze hing op en zei dat haar neef uit Syrië er was, Younes van 16,’ zei Sonia. ‘Ik zei dat we hem gingen ophalen, maar hem naar het ziekenhuis zouden brengen als hij gewond was en naar de politie als hij iets fouts had gedaan. Ik zei tegen mezelf dat ik iemand van 16 niet in de kou kon laten staan. Ik heb een zoon van dezelfde leeftijd.’

Die avond reden ze naar het adres dat Aitboulahcen opgegeven had gekregen. Abdelhamid Abaaoud stapte vanuit het duister het zwakke licht van een straatlantaarn in. ‘Toen herkende ik hem,’ had Sonia tegen de autoriteiten gezegd. Aitboulahcen had Sonia en haar gezin eerder een filmpje van Abaaoud in Syrië laten zien, waarin hij lijken voortsleepte die aan een pick-uptruck waren gebonden.

Abaaoud zei tegen Aitboulahcen dat hij haar 5.000 euro zou geven als hij haar hielp een schuilplaats voor de komende achtenveertig uur te vinden en geld voor nieuwe kleren en schoenen voor hem en een handlanger, die buiten beeld bleef.

Sonia, die eerder boos dan bang was, vroeg Abaaoud of hij betrokken was bij de aanslagen en waarom hij zo veel onschuldige mensen had vermoord.

‘Hij zei dat we afgedwaalde schapen waren en dat hij ons allemaal wilde opblazen,’ herinnerde Sonia zich. ‘Hij zei erbij dat er veel andere IS-aanhangers met hem mee naar Europa waren teruggekomen en dat de aanslagen in Parijs ‘niets waren’, vergeleken bij wat er in de vakantie stond te gebeuren.’

Terwijl ze met z’n drieën naar de auto liepen, leek Abaaoud op van de zenuwen. Sonia’s echtgenoot – een onbekende voor Abaaoud – zat op de bestuurdersstoel. Het leek alsof Abaaoud een wapen trok. Hij deed de deur van de auto open en ging achterin zitten, maar ze hadden nog maar een meter of 150 gereden toen hij ineens vroeg of ze wilden stoppen om hem te laten uitstappen.

De beide vrouwen en Sonia’s man reden verder, en Aitboulahcens telefoon ging weer. ‘Zeg maar tegen die twee dat mijn broeders ze te grazen zullen nemen als ze ook maar iets zeggen,’ zei de beller. Toen Aitboulahcen dat lachend aan Sonia en haar man vertelde, sloeg Sonia’s man haar in het gezicht. Later vertelde hij me dat hij zo boos en over zijn toeren was geweest omdat ze hen in gevaar had gebracht dat hij zich niet had kunnen beheersen.

Die avond, zei Sonia, bleef ze Aitboulahcens wijnglas maar volschenken ‘om haar zo dronken te voeren dat ze de politie zou bellen’. Maar de list werkte niet, en de anderen in huis waren te bang om zelf stappen te ondernemen.

‘Ik stond doodsangsten uit, want ik dacht dat de terroristen me zouden vermoorden als ik aangifte zou doen,’ zei Sonia.

De volgende dag, toen Aitboulahcen van huis ging, belde Sonia het Franse equivalent van 112. Het dossier laat zien dat het langer dan drie uur duurde voordat de belangrijke tip tot een telefoontje van een Frans topantiterreurteam leidde. Sonia was het grootste deel van de avond weg om de autoriteiten een gedetailleerd relaas te geven van de ontmoeting met Abaaoud. Toen een nieuwsgierige Aitboulahcen thuiskwam, vroeg ze waar Sonia was. Uit eten en naar de film, zei haar man.

De vierentwintig uur daarna bleef Abaaoud op vrije voeten. Aitboulahcen bezorgde hem intussen de schoenen en de kleren waar haar neef om had gevraagd.

Toen ze op dinsdagavond van huis ging ‘leek het alsof ze afscheid nam’, zei Sonia. ‘Ze zei dat ze van me hield, dat ik een fantastische moeder voor haar was geweest en dat ik naar de hemel zou gaan.’

Terwijl Sonia zo normaal mogelijk probeerde te doen vroeg ze Aitboulahcen waar ze haar later die avond kon ophalen. Aitboulahcen gaf Sonia het adres, dat ze snel aan de autoriteiten doorspeelde.


‘Laat me gaan’

Totdat we in april 2016 ons verhaal in The Washington Post publiceerden, had het publiek geen idee dat de doorslaggevende tip in de jacht op Abaaoud afkomstig was van een islamitische vrouw die nu bang is dat ze het doelwit is van Islamitische Staat.

null Beeld

Op de beelden van de bestorming in Saint-Denis is de stem van een vrouw te horen die ‘Laat me gaan’ roept, gevolgd door zo’n krachtige explosie dat puin de straat op wordt geblazen. Eerst beweerden de Franse autoriteiten nog dat Aitboulahcen een zelfmoordbom had laten afgaan terwijl de politie naderde, maar later gaven ze toe dat dat niet het geval was. Sonia gelooft dat zij de politie ertoe heeft gedwongen het verhaal aan te passen nadat ze had gedreigd haar rol en haar contact met de rechercheurs openbaar te maken.

‘Ik heb via de tv vernomen dat Hasna dood was,’ zei Sonia. ‘Ik was er helemaal kapot van. Ik mis haar.’

Sonia en haar echtgenoot voelden zich op de één of andere manier verantwoordelijk voor de dood van Aitboulahcen. ‘Ik heb tegen de politie gezegd dat ze Hasna niets mochten aandoen,’ zei ze. ‘Ze hadden haar moeten toestaan te vertrekken; ze wilde het appartement uit. Dat hoor je in dat filmpje.’

‘Waar ik echt niet goed van word, is dat de mensen kwaad spreken van moslims, ook al was ik het, een islamitische vrouw, die de autoriteiten heeft geholpen Abaaoud te vinden,’ zei Sonia. ‘Anders zouden er misschien nog meer aanslagen zijn geweest.’

Sonia denkt dat mensen als Abdelhamid Abaaoud niet door de islam in de armen van IS worden gedreven, maar doordat ze uit gebroken gezinnen komen en in Europa met racisme te maken krijgen. Ze zei, met wijdopen ogen: ‘Ik heb tegen hem gezegd: ‘Je hebt onschuldige mensen vermoord en dat mag niet volgens de islam.’ Dat is ook de reden waarom ik de politie heb gebeld en heb verteld waar hij zat. Hij had onschuldige mensen vermoord en zou er nog meer vermoorden.’

undefined

‘Ik moest alleen komen’ van Souad Mekhennet verschijnt op 21 september bij Nieuw Amsterdam.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234