'Open ogen': Remco Campert (88) droomt en dicht over oorlog en terreur

In zijn nieuwe dichtbundel ‘Open ogen’ toont Remco Campert (88) zich directer en geëngageerder dan ooit. Hij kon ook niet anders. ‘Poëzie hoeft niet altijd over je eigen innerlijke wereld te gaan. Ik wilde mijn blik richten op wat er in de buitenwereld gebeurt. Taferelen die ik niet met droge ogen kon aanzien. Ik besloot dat ik mijn poëzie in dienst van iets moest stellen.’

'Ik kan niet meer te slordig met tijd omspringen. Ik moet het nú zeggen'

- Was dat echt een besluit?

Remco Campert «Nou ja, een besluit... Poëzie ontstaat spontaan in me. Maar ik ben dagelijks gekluisterd aan het nieuws. Wat ik zag op televisie en las in de kranten, heeft me de afgelopen tijd zo beziggehouden dat ik niet anders kon dan er woorden aan geven. De oorlog in Syrië, de hartverscheurende taferelen die zich met de vluchtelingen op de Middellandse Zee afspelen en de ellende rond de aanslagen. Bataklàn, bataklàn, knallen de kalasjnikovs.»

- U wilde de poëzie tot nut der mensheid aanwenden?

Campert «Ja (lacht verlegen). Het was een experiment. Ik wist niet of dat wel zou lukken, maar ik merkte dat er onder mijn handen iets ontstond. De meeste van mijn gedichten zijn begonnen met een regel. Tijdens een wandeling door de stad viel mij die in en dan spoedde ik me naar huis om die onmiddellijk neer te tikken. Vervolgens haalde de ene regel de andere aan. Maar de regels voor deze nieuwe gedichten kwamen niet aangevlogen uit het heelal. Ze kwamen voort uit iets concreets, iets grijpbaars. Iets wat ik zag. Een beeld dat op mijn netvlies brandde.»

Ik zag een jongetje zitten

verwezen op een stoeltje

bedekt met bloed en asgrauw puinstof

onder een huis weggehaald

met bommen bestookt

door Assads moordenaarstroep

dit gedicht helpt hem niet

maar het is genoteerd

- U hebt geen overspannen verwachtingen van het effect van uw gedicht?

Campert «Nee. Maar nu is het toch gezien. Als je het leest, vergeet je het niet – tenminste, dat mag ik hopen.»

- Heeft uw strijdbaarheid ook met uw leeftijd te maken?

Campert «Ja, daar zat ik net aan te denken. Ik wil de dingen nú vastpakken, niet loslaten. Ik moet het zeggen voor ik weg ben. Ik kan niet meer te slordig met mijn tijd omspringen. Een doel voor ogen hebben. Al moet ik er wel bij zeggen dat ik niet zeker weet dat alles wat ik schrijf, van nu af aan zo direct en geëngageerd zal zijn.»

- Vraagt deze tijd daarom?

Campert «Weet je aan welk gedicht ik veel heb moeten denken toen deze gedichten eenmaal op papier terecht waren gekomen? Aan ‘Het lied der achttien dooden’ van mijn vader, Jan Campert. Aan het verzet dat uit dat gedicht spreekt. (Citeert vier regels uit het hoofd) Ik vind het nog altijd een goed gedicht.

»(Zwijgt even) Ik heb mijn vader niet echt gekend. Ik ben altijd op zoek naar sporen die me bij hem brengen. Hij verliet mijn moeder toen ik 3 was, ik heb hem maar een paar keer gezien. Hij was trouweloos van aard, zoals hij zelf dichtte, dus er rest in mijn herinnering niet veel meer van hem dan de geur van alcohol en sigaretten die hem omringde, plus een vleugje parfum van één van zijn minnaressen.»

- Klopt het dat het beeld van uw vader opduikt in het gedicht ‘Hand’?

In het schemerlicht van de vroege ochtend

drijven beelden voorbij

de man die zijn hand door prikkeldraad stak

en mij smeekte om brood

de man die verdronk in de middellandse zee

zijn desperate gezicht voor hij onder ging

nog even stak zijn hand boven het water uit

De man die zijn hand door prikkeldraad stak, komt ook voor in uw gedicht ‘Januari 1943’, waarin u beschrijft hoe uw moeder u midden in de oorlog – u was ondergebracht op een boerderij in Epe – komt vertellen dat uw vader is vermoord in het concentratiekamp Neuengamme.

Campert «Ik had de avond ervoor gedroomd dat mijn vader mij achter het prikkeldraad smeekte om brood. Het was een onwezenlijke situatie. Ik kende mijn vader niet, maar ik wist dat ik, toen mijn moeder mij kwam vertellen dat hij dood was, iets moest voelen. Maar dat gevoel, de pijn, kwam later pas. Toen ik het gedicht schreef.»

- In ‘Hand’ vormen de hand van uw vader en de hand van een vluchteling die verdrinkt een beeldrijm. Hebben de oorlog die u als jongen heeft gevormd en de oorlogen die nu worden gevoerd iets met elkaar te maken? Schuiven die beelden en tijden over elkaar heen?

Campert «Nee, die zijn niet vergelijkbaar. De Tweede Wereldoorlog, dat klinkt misschien een beetje raar, is een ding van mijzelf. Hij komt steeds weer terug en heeft meer indruk gemaakt dan ik ooit had kunnen denken. Ik droom er steeds meer van.»

- Wat droomt u dan?

Campert «Vliegtuigen die neerstorten. Het luchtalarm. Een gevoel van dreiging. Ik droomde laatst dat ik op een markt was, een marché aux puces, waar ik een koffer met oorlogsfoto’s vond. Op die foto’s stonden soldaten, ruïnes. Herinneringen aan mijn eigen oorlog. Daarna liep ik door de vernielde stad die op één van de foto’s te zien was.»

- Is het materiaal van uw dromen materiaal voor poëzie?

Campert «Bwah, het levert soms een regel op, of een beeld. Het is niet zo dat ik denk: ik ga slapen, nu lekker aan het werk (lacht schamper). Ik heb geen notitieblok naast mijn bed. Je kunt dromen ook nooit zo opschrijven als je die hebt meegemaakt. Ze vervliegen zo snel.»

- Houdt u überhaupt notities bij van wat u meemaakt?

Campert «Ik ben heel vaak een dagboek begonnen, maar ik ben net zo vaak weer gestopt. Ik hield dat niet vol. Na twintig regels ging mijn fantasie met me op de loop. Ik trapte er elke keer weer in. Ik dacht: dat is leuk, dan weet ik later wat ik dat jaar, die maand of die dag heb gedaan. Maar dat zat er dus niet in.»

- Hebben uw gedichten misschien al de functie van een dagboek?

Campert «Ja, daar zie ik wel wat in. Mijn gedichten zijn een verslag van mijn leven. Het is waar: in de poëzie heb ik mijzelf vastgelegd.

»Ik huiver om het schrijven therapie te noemen, maar wat zou er gebeuren als ik ermee zou ophouden? Ik moet er niet aan denken. Een kale, doodse vlakte zou zich voor mij uitstrekken. Misschien helpt het me om greep op het leven te houden. Al is het maar in praktische zin. Arbeidsethos zorgt ervoor dat ik elke dag opsta om me naar mijn schrijfmachine te slepen.»

- Gedichten zijn ook de plaats om afscheid te nemen van uw vrienden.

Campert «Het is een krank-zinnige gedachte, maar ikben de enige overlevende. Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar, Rudy Kousbroek... Al mijn vrienden zijn weggevaagd. Ik vind dat heel erg. Ik denk vaak aan hen, ik droom ook van hen. Laatst nog van Rudy. Ik mis zijn korzelige buien over onverstand. Rudy wilde altijd gelijk krijgen. Aan Lucebert denk ik ook nog vaak. Van alle Vijftigers heb ik hem misschien het meest bewonderd. Als ik hem lees, denk ik nog altijd: zo moet het. Ik was in het gezelschap van de Vijftigers de jongste. En nu ben ik oud, maar nog altijd de jongste. Want er is niemand meer.»

- Hebt u het gevoel dat u de dood nu dicht bent genaderd?

Campert «Eigenlijk is de dood nooit ver weg geweest. Die is mijn hele leven al aanwezig geweest. Niet dat ik er dagelijks aan zit te denken. De dood is het niets. Aan sterven kun je denken, maar daar stel ik me maar weinig van voor. (Glimlacht) Ik zie wel.»

© de Volkskrant

Remco Campert, ‘Open ogen’,

De Bezige Bij

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234