Ouders van syriëstrijders getuigen voor het eerst

De moeders en vaders van Syriëgangers proberen elkaar recht te houden. Omdat de nachtmerrie waarin ze sinds het vertrek van hun kinderen beland zijn, blijft duren. Ze willen hun stem laten horen, want de uittocht stopt niet. ‘Mijn zoon is ’s morgens met een vriend naar school vertrokken. Zoals elke dag. Ik zie hem nog, zijn schooltas over zijn rug. Nu zitten ze alle twee in Syrië. Het is toch ongelooflijk dat niemand iets heeft gezien?’ Humo woonde een heftige vergadering bij van Les Parents Concernés.

'Onze kinderen worden gebrainwasht. Het is een sekte'

Vrijdagavond, iets na zessen, een klein lokaaltje in hartje Brussel. ‘C’est ici, la réunion pour les mamans concernées?’ Een Marokkaans koppel komt aarzelend binnen. De vrouw wat verscholen achter haar hoofddoek, de man met zwarte wallen onder zijn ogen. ‘Er móét iets gebeuren in Vilvoorde,’ klampt hij Chantal*, de organisatrice, meteen aan. ‘De uittocht van jongeren naar Syrië moet stoppen. Donderdag zijn er alweer drie vertrokken, iets voordien nog twee.’ Zijn stem slaat over: ‘Het móét stoppen.’

Chantal vangt op, biedt houvast, knikt bemoedigend. De hartelijke Brusselse van in de vijftig is gehard sinds haar de trieste primeur te beurt viel: haar zoon was één van de eerste jongeren in ons land die halsoverkop en zonder enige waarschuwing naar de oorlog in Syrië vertrok.

Langzaam loopt het lokaaltje vol. In totaal dagen tien ouders op, vooral nieuwelingen uit Vilvoorde. Elke groet wordt beantwoord met een blik van herkenning. Al snel ontwikkelt zich een mengtaaltje van Frans, Arabisch en Nederlands. Na kort overleg wordt beslist dat Humo mag blijven. ‘Het is belangrijk dat hierover geschreven wordt,’ zegt Chantal. Ze stelt zich voor aan de groep.

Chantal «Mijn zoon is eind oktober vorig jaar naar Syrië vertrokken. Hij was drieëntwintig. Toen hij in maart liet weten dat zijn vriend dood was, heb ik een groep opgestart voor ouders, zodat we kunnen praten over de nachtmerrie die wij allemaal beleven.»

‘Leeft je zoon nog?’ wil de opvallend jonge vrouw naast me weten. Uit haar stem spreekt hoop, maar ook angst. Chantal knikt: ‘Ja, hij leeft nog.’ De vrouw naast mij ademt langzaam uit. Pas later ontdek ik waarom. Haar eigen zoon is net vertrokken, maar sindsdien heeft ze niks meer van hem gehoord.

Chantal «Mijn zoon leeft, maar hij heeft in maart kogels in zijn rug gekregen. Hij hoorde bij de groep die uit Laken is vertrokken. Maanden later is hij opgedoken in een video, misschien hebben jullie die beelden wel op tv gezien. Hij werd gefilmd met een groep jihadisten. (Zucht) Dat was zwaar. Je ziet hem zelfs met een kalasjnikov in zijn handen.

»Mijn zoon is altijd erg gelovig geweest. Eerst was hij katholiek, zoals ik. Maar op zijn veertiende heeft hij zich bekeerd tot de islam. Ik heb zijn keuze altijd proberen te respecteren, maar het laatste jaar voor zijn vertrek begon hij te radicaliseren. Hij ging een djellaba dragen en liet zijn baard groeien, zoals veel jongeren die vertrekken. En beetje bij beetje scheidde hij zich van ons af. Sinds november woont hij in Syrië.»

Overal in de groep borrelen vragen op. Heeft ze nog contact met hem, vraagt iemand? ‘Af en toe bellen we. Enkele dagen geleden heb ik hem nog gehoord. Toen vertelde hij dat er veel bombardementen waren.’

‘Heeft hij al gezegd dat hij wil terugkeren?’ wil de jonge vrouw weten. Chantal schudt haar hoofd. ‘Nee. Helemaal niet zelfs.’ De vrouw schuifelt zenuwachtig op haar stoel. ‘Kán hij wel terugkomen? Weet u of ze vrij zijn om terug te keren?’ ‘Nee, dat weet ik niet,’ antwoordt Chantal. ‘Het enige wat ik wél weet, is dat hij bij zijn terugkomst meteen in de gevangenis dreigt te belanden.’

Daarmee raakt ze een gevoelige snaar. De emoties laaien op. ‘Daarom komen ze niet terug!’ reageert een grote struise man fel. ‘In Frankrijk worden ze bij terugkeer maximum drie dagen aangehouden, daarna mogen ze naar hun familie. Dáár komen de jongeren wel terug, hier amper.’

‘Precies daarom zijn we hier samen,’ vat Fatima*, moeder van twee, samen.

Fatima «We hebben een advocaat onder de arm genomen. We willen de politici erop wijzen dat onze kinderen ook slachtoffers zijn, dat ze gemanipuleerd werden. Dat ze opgevangen moeten worden bij hun terugkeer, dat ze hulp nodig hebben en niet gewoon in de gevangenis moeten worden gestopt.»

'Mijn meisje is 16, wat moet ze in een oorlog?'

Iedereen begint door elkaar te praten. Een vader met een asgrauw gezicht mompelt stilletjes: ‘België sluit de deur voor onze kinderen. Terwijl ze hulp nodig hebben.’

‘En als ze willen vertrekken, legt niemand hen een strobreed in de weg!’ De vrouw naast mij wordt boos. ‘Mijn zoon werd gelokaliseerd in Turkije, maar daar heeft niemand hem tegengehouden. Waarom niet? Hij is amper zeventien. Hoe kan een minderjarige ongecontroleerd tot in Syrië raken? Iemand op de luchthaven moet hem toch tegenhouden en zijn ouders verwittigen?’

Fatima «Ik heb met minister Milquet gesproken. De meeste vertrekkers zijn meerderjarig, en dus vrij om te gaan en staan waar ze willen. Bij de minderjarigen ligt dat anders, maar die zijn met veel minder.»

‘Ik woon hier al heel lang, ik werk en betaal belastingen,’ zegt de struise man verontwaardigd. Naarmate hij zich meer opwindt, schakelt hij over op Arabisch. ‘Maar soms lijkt het net of België onze kin-deren liever kwijt dan rijk is. Waarom? Waarom zijn ze zo bang voor hen?’

De stille vader knikt en wrijft met een trieste blik over de tafel. ‘Er wordt al zo lang gezegd dat moslims gevaarlijk zijn,’ klinkt het krachteloos. ‘Als onze kinderen weggaan, lijken ze te denken: ‘Och, weer een crimineeltje minder.’’

‘En zodra de jongeren ginder zijn, geeft niemand ons nog informatie,’ zegt een vrouw. ‘Zijn ze vertrokken voor de jihad of om humanitaire hulp te bieden? We weten het zelf niet. Onze kinderen zeggen ons niets.’

‘Ze lijken er bij voorbaat van uit te gaan dat mijn zoon wel een crimineel zal zijn, maar dat is niet zo,’ zegt de jonge vrouw fel. ‘Als ze die jongens en meisjes dan echt zo gevaarlijk vinden, waarom geven ze hun dan geen psychologische begeleiding om te deradicaliseren? Laat ze controleren door de politie, geef hun desnoods een enkelband, maar gooi ze toch niet meteen in de gevangenis. Wat willen ze daarmee bereiken? Dat onze kinderen nooit meer durven terug te keren en gewoon doodgaan in Syrië?’

‘Het lijkt wel of het niemand iets kan schelen dat ze weg zijn,’ klinkt het daarna stilletjes. ‘Dit gaat over onze kinderen, maar het kan élk kind en élke ouder overkomen, hè. Die radicalisering kan snel gaan. Mijn zoon ging niet naar de moskee, maar extremisten benaderen ook jongeren in voetbalclubs en zo. Ze gaan daar rondhangen, raken met de jongens aan de praat. En voor je het weet, is hun hoofd vergiftigd met radicale gedachten.»

Kerstversiering

Zo ging het ook met de dochter van de man met de diepe wallen: Zoë*, een beeldschoon meisje. Ze was zestien toen ze deze zomer verdween.

Voor haar ouders kwam haar vertrek als een donderslag bij heldere hemel. ‘Het ging net weer goed, ze had zin om te studeren, was altijd met alles in orde,’ vertelt haar vader, zijn ogen blinkend van trots. ‘Ongelooflijk. De leerkrachten vonden het straf dat het haar

was gelukt om vlot van beroepsonderwijs over te schakelen naar het atheneum.»

Haar vader diept een foto op van toen Zoë vijftien was: het tengere meisje lijkt de onschuld zelve. Haar ouders zijn praktiserende moslims, maar Zoë draagt geen hoofddoek op de foto. ‘Ze weigerde dat. Ze wou evenmin naar de moskee of de koranschool. De islam liet haar koud, ze was er zelfs tegen.’ Binnen het gezin vielen daar geregeld woorden over, maar haar ouders lieten Zoë begaan. Ze viel toch niet te overtuigen.

‘Zoë droeg jeans, korte rokjes, aansluitende kledij. Ze was even Europees als u. Vier jaar geleden had ze zelfs kerstversiering gekocht die ze hier thuis wilde ophangen. Wij dachten: ‘Kerstmis vieren? Wij?’’ Hij lacht, de enige keer tijdens het gesprek.

Maar hoe meer Zoë begon te puberen, hoe meer ze het geduld van haar ouders op de proef stelde. ‘Ze ging erg laat uit met vrienden, liet ons niet weten waar ze uithing. Natuurlijk hadden wij het daar moeilijk mee. Ze kende geen grenzen. Wij probeerden haar wel in te tomen, maar daar reageerde ze slecht op. Zoals veel pubers, niet?’

Drie maanden voor haar vertrek raakte Zoë plots wél geïnteresseerd in de islam. Haar ouders haalden opgelucht adem.

Vader Zoë «Als moslim ben je blij als je kind je geloof omarmt. In de islam mag je niet liegen of bedriegen, je moet eerlijk en rechtvaardig zijn. Wij vonden het dus een goede zaak. Maar we zijn er met open ogen in gelopen. Het was een bedrieglijke verandering.»

Plots hulde Zoë zich in djellaba en hoofddoek.

Moeder Zoë «Van de ene dag op de andere. Alsof iemand haar dat had opgedragen.

»Na een dagje shoppen in Brussel met een nieuwe vriendin die ook een djellaba droeg, is ze zo thuis gekomen. Een hoofddoek vind ik prima, maar ze moest zich normaal kleden. Ze weigerde. ‘Dit is mijn keuze,’ zei ze.»

Vader Zoë «Ze ging te snel. Ze sprak over zaken waar ze niets van af wist. Normaal dragen enkel mensen die de islam grondig bestudeerd hebben een djellaba. Moslims hebben daar veel respect voor. Maar een jong meisje dat nauwelijks iets over de islam weet in djellaba? (Blaast) Dat slaat nergens op.

»Zoë begon ook steeds krachtiger taal te gebruiken. Ze zei dat we hier niet thuishoorden, dat we hier in België altijd vreemdelingen zouden blijven. Ze wou in een Arabisch land wonen, ze wilde trouwen. Toutes des conneries, quoi.»

Moeder Zoë (knikt) «Ik mocht geen broek meer dragen.»

Haar vader probeerde Zoë’s discours te doorbreken en toonde haar beelden van Afghanistan. ‘Opdat ze zou beseffen hoe ze in zo’n land omgaan met vrouwen: ze mogen zich niet kleden zoals ze willen, ze mogen zelfs niet naar school. Ik probeerde haar uit te leggen dat zij niet de islam beleed, maar extremisme. Maar ze geloofde me niet.’

Toen de examens naderden, ging de discussie even liggen. Zoë slaagde met glans, maar ze wou niet mee op familievakantie naar Marokko, ze was vastbesloten om vakantiewerk te doen. Dus bleef het hele gezin hier.

Eind juli vertrok Zoë ’s ochtends vroeg voor haar eerste werkdag, en die avond kwam ze niet thuis. Doodongerust probeerden haar ouders haar te bereiken, maar haar gsm stond uit. Om middernacht nam Zoë zelf contact met hen op. ‘Ze was in Parijs met een vriendin. We hoefden de politie zeker niet in te schakelen. De volgende dag zou ze terug thuis zijn.’

Maar ook de volgende ochtend daagde Zoë niet op. Enkele uren later stond er wel iemand anders aan de deur. Het vriendinnetje, meegetroond door haar vader en oudere zus. Ze biechtte op dat Zoë haar net had gebeld met een Turks nummer. Haar ouders stonden aan de grond genageld. ‘Turkije? Wat deed Zoë in Turkije?’

Alle pogingen om hun dochter zelf aan de lijn te krijgen, mislukten. Pas een dag later rinkelde de telefoon. Zoë. Hoorbaar gestrest en in paniek, maar ontegensprekelijk hun dochter. ‘Ik smeekte haar om terug te

keren. Zei dat we haar meteen zouden komen halen.’ ‘Mama, het is te laat,’ antwoordde ze. ‘Ik ben al in Syrië.’’

Moeder Zoë «Ik vroeg wat ze daar deed. ‘Jihad,’ zei ze. Ze zou er weeskinderen helpen die aan hun lot waren overgelaten. En koken voor mannen die tegen Assad zouden strijden. Ik heb haar met alle mogelijke argumenten proberen te overtuigen. Dat ze niets kon doen in een land in oorlog, dat het slecht was voor haar. Ze zei alleen dat het haar keuze was en dat ze daar ging leven. Daarna hing ze op.»

Later ontdekte haar vader dat Zoë vliegtuigtickets had uitgeprint vanaf zijn computer. Van Frankfurt naar Turkije. Heeft hij nooit iets vermoed, wetende dat in die periode heel wat jongeren naar Syrië vertrokken?

Vader Zoë «Nee. Je verwacht toch niet dat je dochter van zestien in haar eentje de trein naar Frankfurt neemt, daar op het vliegtuig stapt en vervolgens naar Syrië vertrekt? Het is nog een kind!»

SpaanS

Onderzoekers van radicalisering bij moslimjongeren hebben vastgesteld dat de jongelui in kwestie vlak vóór of tijdens dat proces vaak een identiteitscrisis doormaken. Niet zelden zijn het zoekende jongeren die worstelen met een dubbele identiteit. Die zich aanvankelijk amper moslim voelen, maar door de buitenwereld wel voortdurend op dat ene aspect van hun identiteit worden aangesproken, en er zich van de weeromstuit aan vastklampen. Jongeren kunnen op die leeftijd ook erg vatbaar zijn voor extreem gedachtegoed. Zeker als ze weinig basis en kennis hebben om dat extremisme te weerleggen.

Vader Zoë (zucht) «Zoë kende heel weinig van de islam. Net als de meeste jongeren uit de buurt die naar Syrië vertrokken zijn. Ze gingen niet naar de moskee en waren niet bezig met hun geloof. Als iemand in naam van haar geloof had moeten vertrekken, dan wel Zoë’s jongere zus. Die was van jongs af aan geïnteresseerd in de islam en draagt een hoofddoek sinds haar vierde. Zij heeft de islam grondig bestudeerd. Zoë niet.

»Net omdat ze niet in de islam beslagen zijn, vormen jongeren als Zoë gemakkelijke prooien voor extremisten. Die praten voortdurend op hen in. Praten, praten, praten. Ze plukken verzen uit de koran en verdraaien ze, verknippen ze. Ze vullen hun hoofden met leugens. Ik ken zelfs jongens die op het punt stonden om naar de universiteit te gaan en niks met de islam hadden. Níéts. En toch zijn ze in naam van de islam naar Syrië vertrokken.

»Velen die vertrokken zijn, kwamen aan huis bij extremisten die hun gruwelijke video’s toonden van de oorlog ginder. ‘Kijk, dat doen ze met onze broers en zusters.’ En bij de meisjes werden die beelden verspreid via het internet. Zoë’s Facebookprofiel stond vol met oproepen tot jihad. Ze had het ook over hoe Assad bommen op zijn burgers gooide, vrouwen en kinderen uitmoordde terwijl niemand iets deed.»

Moeder Zoë «Ik ben óók een moeder. Dat onrecht doet mij ook pijn, maar wij kunnen dat niet verhelpen. Mensen trekken weg uit Syrië op zoek naar veiligheid en zekerheid. Wat kan mijn meisje daar gaan doen? Wat heeft ze daar al kunnen veranderen? De oorlog woedt er nog steeds. Ze zijn vertrokken en hebben hun eigen leven vergooid.»

Vader Zoë (hoofdschuddend) «Ik begrijp het niet. Alle moslimouders die ik ken, zijn geschokt als ze horen dat hun kinderen vertrekken. Wij belijden een vredelievende islam, maar dit gaat alleen over geweld, geweld, geweld. Twintig jaar geleden waren hier toch ook al overal moskeeën? Toen was het rustig en nu krijg je dit? Hoe kun je nu aan kinderen, die nog nooit een wapen van dichtbij hebben gezien, vragen om jihad te gaan voeren? Hoe kun je kinderen overhalen om zich als kanonnenvlees te gaan aanbieden in een oorlog? (Zucht diep) Het is gewoon crimineel. Alles is begonnen met Fouad Belkacem. Die heeft de ziekte verspreid.»

Of Zoë zelf contact had met Sharia4Belgium weten haar ouders niet. Wel trok ze de laatste maanden op met andere vriendinnen. Meisjes in djellaba.

Moeder Zoë «De broer van één van hen was helemaal in het begin al naar Syrië vertrokken. Die meisjes zaten uren thuis te kletsen en op hun smartphones te kijken. Ze spraken Nederlands, ik begreep niet alles. En als ik Zoë vroeg waar ze het de hele tijd over hadden, antwoordde ze: ‘Islam.’

»Zoë dacht trouwens dat haar vriendinnetje ook naar Syrië zou gaan. Ze heeft haar waarschijnlijk wel geholpen, maar ze is niet mee vertrokken.»

Een echte identiteitscrisis, een zichtbare aanleiding voor Zoë’s omslag hebben haar ouders niet gemerkt. Af en toe weigerde Zoë wel naar school te gaan.

Moeder Zoë «Dan wou ze slapen en vroeg ons om een doktersbriefje te halen, ook al was ze niet ziek. Toen heb ik me kwaad gemaakt: ze mocht haar studies niet verwaarlozen.»

Waarom ze niet naar school wou, weet haar vader niet.

Vader Zoë «Ze voelde zich niet zo goed in haar vel, maar elke puber worstelt daar toch mee? (Denkt na) Ze heeft weleens gezegd dat ze zich niet helemaal aanvaard voelde op school. Plots zat ze tussen kinderen van ingenieurs en directeurs. Misschien moest ze daar haar plekje nog vinden.

»Voor ze zich in djellaba begon te kleden, heeft ze eens gezegd dat ze niet wou dat mensen wisten dat ze Marokkaanse was. Ze wou ook dat ik haar aan school opwachtte, niet haar moeder. Want die draagt een hoofddoek. Ik zei haar dat ze toch mocht zijn wie ze was, Marokkaanse. ‘Nee,’ zei ze, ‘ik wil dat ze denken dat ik Spaanse ben.’»

Niet klaar voor het leven

Zoë’s ouders hebben geluk, want er is telefonisch contact. In het begin dagelijks, nu nog één keer per week.

Vader Zoë «Elke keer als ik haar vraag waar ze is, zegt ze dat ze in een soort boerderij zit met zusters, om voor kinderen te zorgen. Ze leeft gescheiden van de mannen en gaat niet mee met de jongens naar het front. Ze zegt dat ze dichtbij de grens met Turkije zit. Is het waar of niet? Ik geloof haar.»

De telefoongesprekken zijn een teken van leven waar Zoë’s ouders naar snakken, maar ze maken hun telkens ook weer pijnlijk duidelijk hoezeer ze hun dochter kwijt zijn.

Vader Zoë «Dat doet me nog het meest pijn. Als we haar horen, doet ze of er niets aan de hand is. Mijn vrouw wil soms zelfs niet meer met Zoë praten. Omdat het net is alsof je tegen een robot spreekt. En alle kinderen zeggen blijkbaar hetzelfde. Ze zijn gebrainwasht. Het is een sekte.»

Moeder Zoë (stilletjes) «We zijn bang voor haar jongere zus, ze waren twee handen op één buik. Zoë heeft haar gevraagd om ook te komen, omdat ze haar mist. Ik wil niet dat Zoë haar zus nog belt.»

Vader Zoë «Het is echt ziekelijk. (Boos) Weet u wat ik niet begrijp? Waarom staan er nog altijd oproepen om te vertrekken op de Facebookpagina’s van jongeren hier? Waarom blokkeert niemand dat?

»En waarom konden die kerels van Sharia4Belgium zo lang hun gang gaan? Ze verspreiden alleen maar haat. Zo iemand zouden ze toch de Belgische nationaliteit moeten ontnemen? Ze maken misbruik van de naïviteit van onze kinderen. Ze stoppen hun hoofd vol leugens.»

En zij, hoe redden zij het?

Vader Zoë «Soms denk ik dat het mijn schuld is, soms denkt mijn vrouw dat het haar schuld is. En af en toe hebben we ruzie.

»Ik vind dat ik naar ginder moet, maar iedereen verklaart me gek. (Verslagen) Ik heb al een Syriër benaderd die medicijnen naar daar brengt. Volgens hem laten ze je als Belg niet voorbij de grens. En steek ik clandestien de grens over, dan beschouwen ze mij ook als een terrorist.»

Moeder Zoë «Ik zeg al van in het begin dat je moet gaan. Die ene Vlaamse meneer (Dimitri Bontinck, red.) is toch ook geweest? Hij heeft zijn zoon terug. Als ik geen kleine kinderen had, dan zou ik mijn meisje gaan zoeken. Natuurlijk zijn we bang. (Met gesmoorde stem) Natuurlijk zouden we een enorm risico nemen, maar voor haar is het risico ook groot, hè.»

Geeft Zoë aan dat ze terug wil? Ze kijken elkaar even aan.

Moeder Zoë «Nee. Ik heb haar al zo vaak gevraagd of ze naar de Turkse grens wil komen, maar ze wil niet. Ze zegt dat het moeilijk is voor haar. Het is een meisje, dus ze heeft het recht niet om naar buiten te gaan. Ze is daar niet vrij, hè.»

Vader Zoë «Weet u of iemand ons kan helpen? Iemand moet toch weten wat ik kan doen? Ik kan geen kant uit. Mijn dochter is nog niet klaar voor het leven, laat staan voor een oorlog. Ik kan haar daar toch niet achterlaten?»

Grootspraak

Die tweestrijd en het bijbehorende schuldbesef maken alles nog slopender. ‘Het went niet,’ weet Chantal, die zich nog maar weinig illusies maakt. ‘Mijn zoon is 23. Ik heb hem nu een week niet gehoord. Ik ben bang.’

Ze oogt kalm en is een steunpilaar voor de andere ouders op de vergadering, maar ze leeft ook al een jaar op slaappillen. Chantal «Mijn dochter wil niets meer met haar broer te maken hebben. Omdat hij mij zo veel verdriet heeft aangedaan. Eén keer heeft hij gedreigd dat hij alle contact zou verbreken als ik nog over hem sprak, maar dit móét verteld worden.

»Mijn zoon is nu een jaar weg. Toen hij verdween, werd me gezegd dat hij ongeveer de enige was, maar sindsdien zijn er tientallen afgereisd. Ze vertrekken nog altijd en niemand lijkt hen te kunnen stoppen.»

Twee vrouwen kijken elkaar aan. ‘Onze kinderen zijn enkele weken geleden samen verdwenen. Mijn zoon vertrok gewoon zoals elke dag naar school. Normaal krijg ik al een sms van school als mijn zoon twee minuten te laat is. Nu niets. Ik heb ’s middags zelf ontdekt dat hij weg was omdat hij zijn sandwich vergeten had. Toen is de nachtmerrie begonnen. ’s Avonds laat heeft de politie zijn kamer doorzocht, maar sindsdien heb ik niets meer gehoord. Alsof er niets gebeurd is.’

‘Hier zitten allemaal ouders die iets willen doen, die een oplossing willen,’ werpt een vrouw op. ‘Maar ik ken ook moeders die hun zonen als helden zien. Die hun vertrek steunen, die trots zijn dat hun zoon daar gaat vechten.’

Er ontstaat een discussie.

Misschien is het grootspraak,’ zegt de gebroken man stilletjes. ‘Ik ben ook door zo’n fase gegaan. Je moet je rechtop houden, anders stort je gewoon in. Dat is later gebeurd bij mij: ik heb een hartaanval gekregen.’

Fatima «Elke seconde denk je eraan. Thuis herinnert alles mij aan mijn zoon. Vandaag ben ik op mijn computer nog op zijn cv gestoten.

»(Valt even stil) Op het werk zeggen ze dat ik te fragiel ben. Ja, natuurlijk, wat wil je? De ouders van Julie en Melissa werden beschermd en ondersteund, maar ik ben óók elke seconde van elke dag doodsbang dat mijn zoon gaat sterven.»

De aanwezige ouders willen iets doen en beginnen plannen te smeden. Om een manifestatie te organiseren. ‘Desnoods met de Syrische vlag, waarom niet?’ ‘We moeten op een radiozender komen die wordt beluisterd door ouders.’ ‘Maar ook door jongeren. Zodat ze horen dat het totaal zinloos is om naar Syrië te gaan.’

Iedereen begint door elkaar te praten.

Chantal «De kinderen vragen of je ook niet naar daar komt om te helpen. Om in het land van de islam te leven.»

Fatima «Ze zullen ook vragen om te trouwen, waarna ze geld vragen voor het huwelijk. Dat moet je niet doen, want het geld dient alleen maar om wapens te kopen. Er zijn zelfs gasten die hier van huis tot huis gaan om geld te vragen om daar dan te verdelen.»

‘Als ik niets geef, verbreekt mijn zoon alle contact,’ zegt een vader stil.

Fatima «Je mag echt niet toegeven. Mijn zoon heeft ons 3.000 euro gevraagd. Zo proberen ze ervoor te zorgen dat wij hen financieren.»

‘Jij bent moedig,’ zegt iemand.

Fatima (schudt het hoofd) «Ik ben helemaal niet moedig. Ik ben al een paar keer in ’t ziekenhuis opgenomen.»

‘Ik heb nog een vraag. Hoe komt het dat ze allemaal hetzelfde reageren?’ vraagt de vrouw naast mij. ‘Zitten daar mannetjes die hen sturen?’

Fatima «Ze zitten daar meestal in groepen van vijf à zes personen. Een emir heeft de leiding. Ze moeten ook zorgen voor de financiering van de groep, en krijgen een hogere en betere positie als ze geld verzamelen, trouwen en recruteren via het internet. Of als ze vechten en iemand doden.»

‘Mocht mijn zoon dát zien gebeuren, dan zouden zijn ogen toch opengaan,’ zegt een moeder.

Fatima «Vergis je niet: voor mijn zoon vertrok, leek hij nog een baby. Nu is het een forse man. Ze laten die jongeren daar niet met hun duimen draaien. Nee, ze moeten voortdurend trainen. Fysiek en mentaal, dag en nacht. Vroeger noemde hij me mama, nu noemt hij me hypocriet. Hun hart wordt donker. Als ik hem nu zeg dat ik hem graag zie, antwoordt hij: ‘Nee, jij ziet god graag.’»

Op het einde van de vergadering wenkt de grote struise vader mij. ‘Wilt u schrijven dat hier ouders zitten die beseffen dat er een groot probleem is? Die vragen dat de deur voor hun kinderen in dit land openblijft?’ Hij kijkt mij lang aan. ‘Dit moet stoppen.’

★★★

Een week later vertelt Chantal dat Fatima telefoon heeft gekregen uit Syrië. ‘Ze meldden droog dat haar zoon dood was. Hij was geraakt door kogels en had het ondanks een operatie niet overleefd. C’est horrible.’ Volgens Hans Bonte, burgemeester van Vilvoorde, had de jongen zich aangesloten bij een militie die gelieerd is aan Al Qaeda. Ongeveer gelijktijdig raakt bekend dat Jean-Louis Denis is opgepakt, een Brusselse bekeerling en één van de kopstukken van het inmiddels opgedoekte Sharia4Belgium, die jongeren ronselde voor de oorlog in Syrië. Voor heel wat ouders komt die arrestatie te laat.

De dood van Fatima’s zoon komt hard aan in de groep. Ook de vader van Zoë is er het hart van in, maar in eerste instantie klampt hij zich vast aan zijn werkelijkheid. ‘Ik heb mijn dochter net nog gehoord. Met haar is alles goed. Zij zit niet aan het eigenlijke front.’ Enkele dagen later maakt die hoop plaats voor radeloosheid. ‘Ze wil nog steeds niet terugkeren. Dat is toch ongelooflijk? Weet u wat ik kan doen?’

* Om privacyen veiligheidsredenen zijn de namen van de meeste betrokkenen gewijzigd.

Meer info: lesparentsconcernes@gmail.com.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234