null Beeld

P.F. Thomése - Ik, J. Kessels

P.F. Thomése is in de steek gelaten, en wel door zijn ‘ex-beste vriend en all-time favoriete personage.’ ‘Ik, J. Kessels’ is allicht het laatste boek waarin de gelijknamige figuur halveliters openklikt, met een religieuze vasthoudendheid kettingrookt, drinkt van de twang in duizend countrynummers en vrouwen om hun onbereikbaarheid dankt. Want dat kan dus, een personage dat z’n schrijver ditcht. Het helpt dat de man echt bestaat – Jos Kessels is columnist bij het Eindhovens Dagblad – en zijn verliteratuurde versie nooit heeft toegejuicht. Zeker niet toen er na ‘J. Kessels: The Novel’ en ‘Het bamischandaal’ ook nog een J. Kessels-fandag en een

J. Kessels-film kwamen. Nu is het mogelijk niet zo prettig om getypeerd te worden als ‘een echte holenmens die het liefst lag te ruften in zijn eigen stank, dromend van een betere wereld’, maar het gaat Thomése duidelijk naar het hart dat zijn literatuur de vriendschap eerst deed verpieteren en vervolgens zelfs bruutweg doodklopte. Want samen waren ze zo mooi. ‘Met z’n tweeën de desolaatste muziek adoreren en hetonbereikbaarste verleden celebreren’: ware vriendschap, quoi.

Thomése heeft zich laten ringeloren door Peerke, het personage dat de schrijver al in ‘Het bamischandaal’ voor de voeten liep, en plomp koketteert met zijn status als nieuwe beste vriend van Kessels. Hij heeft ‘Ik, J. Kessels’ geschreven, een boek waarin Thomése op zijn plaats (namelijk: nergens te bekennen) gezet en Kessels gerehabiliteerd wordt. Het manuscript belandt bij Thomése, en toornig trekt die vervolgens naar Tilburg, op zoek naar zijn gestolen personage – en naar alles wat verloren is.

Uiteráárd komt daar vunzigheid van: in een J. Kesselsboek presenteert de werkelijkheid zich door een glory hole. Er wordt steevast dronken gesmacht en gehunkerd naar borsten en billen die Thomése in in kissend ossenvet gebakken taal opdient. En dus krijgen we ook in ‘Ik, J. Kessels’ een hilarische toiletscène bij Peerke thuis te lezen, niet veel later gevolgd door morsige, bloedeloze seks ‘in een koor van kutscheten’. Maar toch: de baldadige avonturen uit de vorige J. Kessels-boeken blijven uit – Thomése krijgt zijn vriend zelfs maar eventjes en van een afstand te zien. Het leidmotief in ‘Ik, J. Kessels’ is treurnis. Thomése rouwt.

Hij wordt uitgespuwd door zijn beste vriend en zijn oude stad, die zich belasterd voelen door zijn valse verhalen. Zijn oude kennissen uit Tilburg zijn niet geïnteresseerd in het voetjevrijen van feit en fictie: schrijven is voor hen de waarheid noteren, in een taal waar je je niet aan kunt prikken. Je proeft de wanhopige eenzaamheid van Thomése, de schrijver die zich voor zijn devote geloof in de literatuur beloond ziet met de status van pedante droplul. Tegelijk zet Thomése in krokante passages ook zichzelf en zijn literatuur in de zeik. Meer dan ooit geldt voor hem: dat waar niet om te lachen valt, kan niet ernstig genomen worden.

Dat gaat dus ook op voor Tilburg: de stad komt er bekaaid vanaf, en tóch is ‘Ik, J. Kessels’ ook een ode. De truc om van Tilburg te houden? Jezelf voorhouden dat de stad ook in Texas of Tennessee had kunnen liggen. En dat je je desillusies érgens te drogen moet hangen, en dat dat misschien nog het best kan in een stad waarvan de Wikipedia-pagina de grootste toeristische troef is.

Blijft de vraag waarom Thomése zo verknocht is aan die verlopen vriendschap, en J. Kessels met zoveel bravoure uitwuift. Misschien zit het ’m in het verschil tussen die twee tot elkaar veroordeelde figuren. In ‘Ik, J. Kessels’ lijkt Thomése wel jaloers te zijn op zijn beste vriend, op diens eenduidigheid, op de vanzelfsprekendheid waarmee hij slechts één leven leidt. Terwijl Thomése zich nooit in minder dan vijf laagjes gekleed aan de lezer toont. De ‘dubbelzinnigheden en ironieën’ die de mens en zijn tijd en wereld zo bepalen, vormen het wezenskenmerk van Thoméses literatuur, dat hij in 2015 vurig verdedigde in een rondje polemisch armworstelen met Joost de Vries. Die hang naar geheimzinnigheid en ironie, naar veelkantigheid, zit ’m ook in de verschillende registers die hij hanteert in zijn oeuvre. Thomése is afwisselend belcanto en loud music. En in hem verscholen zitten vast ook nog een Kendrick Lamar en een André Hazes waar geen tijd voor is, want zelfs P.F. Thomése heeft maar een paar levens.

Het meest van al is ‘Ik, J. Kessels’ dus een droef afscheid. Net als in de vorige J. Kessels-boeken laat Thomése scheten en krabt hij zich literair verantwoord aan de zak, maar nu lopen er ook tranen uit zijn ogen. ‘Waar geschreven wordt, worden vlekken gemaakt’: Thoméses winst is zijn verlies.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234