null Beeld

Peter Verhelst over 'De kunst van het crashen'

Op 23 april 2013 verliest een vrachtwagen een wiel op de E17, ter hoogte van Wetteren. De auto van schrijver Peter Verhelst, die het gevaarte aan het inhalen is, heeft niet eens tijd om het losgekomen truckwiel te ontwijken; hij wordt de lucht in gekatapulteerd en gaat drie keer over de kop.

De Peter Verhelst die voor me zit, wasemt lust for life. Dra verschijnt zijn nieuwe roman ‘De kunst van het crashen’ (Prometheus), een adembenemend en ontroerend onderzoek naar zichzelf, naar z’n schrijverschap, alsook naar het zwarte gat dat gaapt in zijn herinneringen – u hebt het niet van ons, maar ’t is van het beste dat hij ooit schreef. Daarnaast gaat ook zijn nieuwe theaterstuk ‘Hotel Malaria’ in het NTGent in première, en opent het tijdelijke minipretpark ‘Verhelst XL’ z’n deuren. Maar eerst: de gebeurtenissen.

HUMO Mag ik zeggen dat het een klein mirakel is dat we hier over je nieuwe roman kunnen zitten praten?

null Beeld

Verhelst «Dat mag, ja.

»’t Was anders een lekkere dag: ik reed op m’n dooie gemak over de autostrade, met die lekker onnozele muziek van Kruder & Dorfmeister op de stereo. Plots zag ik in mijn ooghoek iets dat niet klopte, maar voor ik me kon afvragen wat precies: baf! Mijn airbags klapten open, en ik zag alleen nog wit, ik werd serieus door elkaar geschud. Het vreemdst van al was dat de tijd zich leek op te splitsen tijdens die drie keer dat ik over de kop ging. Ik zag mezelf vanop een afstandje heen en weer geschud worden, maar ik werd ook tegenstrijdige dingen gewaar: ik bleef de muziek horen, er was tegelijk het oorverdovende schuren van metaal – mijn autodak – over asfalt, en ik kon tot diep in de vezels van mijn airbag kijken. Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Man, dat is echt goed gemaakt, wow.’ En daarna lag ik te wachten op een klap die nooit kwam – ik ging ervan uit dat die vrachtwagen over me heen zou rijden. Gelukkig hadden alle automobilisten achter me het voor hun ogen zien gebeuren, en waren ze op hun rem gaan staan.»

HUMO Kortom: je hebt het overleefd dankzij een cluster van toevalligheden?

Verhelst «Ik heb het overleefd omdat ik met een Volvo reed, omdat ik niet sneller ging dan 120 per uur – bij een hogere snelheid kan je lichaam die krachten niet aan – én omdat ik m’n autogordel droeg. Verder had ik ook het geluk dat ik op het middenste baanvak reed en niet te zeer ben afgeweken, waardoor ik nergens tegenaan botste. Nu ja: de man die het portier van mijn auto opende, bekeek me alsof hij een geest zag: ‘Het kan niet dat je dat overleefd hebt.’»


Doodse stilte

HUMO In het voorwoord van je boek beschrijf je de gebeurtenissen kurkdroog, maar heb je je cool ook op het moment zelf kunnen bewaren?

Verhelst «Bwah: je dénkt dat je alles onder controle hebt, maar achteraf hoor je dan dat je stem een octaaf hoger klonk dan normaal. Enfin: ik ben nooit in paniek geraakt, maar ik was wél serieus in de war. Kan niet anders, want ik hing letterlijk ondersteboven. Je kijkt dus met enige verwondering naar je sleutelbos, en je snapt niet waarom die boven je hoofd bungelt. Ik ben er niettemin in geslaagd eerst het glas uit mijn mond te nemen, mijn gsm netjes uit de houder te halen en uit de auto te kruipen. Er druppelde bloed op mijn arm van een wonde aan mijn hoofd, maar dat belette me niet om een paar telefoontjes te doen. Eerst naar Jan De Cock, want ik was onderweg naar een vergadering met hem, en daarna naar mijn vriendin Maud. Net toen ik haar had verteld dat ik een ongeval had gehad, maar dat het allemaal best meeviel, zei iemand luid: ‘Meneer, u moet nu écht op de grond gaan liggen.’ Ik geloof dat ze zowat door haar knieën ging van de schrik. Ik ben vervolgens op de vangrail gaan zitten, en toen viel er plots een doodse stilte. ’t Was echt zoals in een film waarin iets vreselijks gebeurt en het geluid helemaal wegvalt.

»Ik ben kalm gebleven tot ze me in de ambulance schoven, en ik uit de mond van een ambulancier de term ‘inwendige bloedingen’ opving. Toen viel mijn frank: ‘Ik heb de crash overleefd, maar het is nog niet gedaan.’ Het tweede angstige moment beleefde ik onder de scanner in het ziekenhuis. De twee stagiairs van dienst dachten iets raars te zien, maar gelukkig keek de dokter over hun schouder mee – ‘Dat? Dat is een rib.’ (rolt met zijn ogen)»

undefined

'De kans dat ik nog eens zoiets tegenkom, is kleiner dan dat ik ooit de lotto win'

undefined

null Beeld

HUMO Hoe luidde het verdict?

Verhelst «Zwaargewond en tegelijk lichtgewond. Tijdens die eerste uren merkte ik daar niet veel van: eerst sta je stijf van de adrenaline, daarna hangen ze je op de intensieve zorgen aan een infuus met pijnstillers. Pas op dag twee voelde het alsof ik gegangbangd was door een kudde olifanten. En duizelingen, echt verschrikkelijk – de kristallen in je binnenoor zijn door de schok door elkaar geschud, en dat zorgt voor zware evenwichtsstoornissen.»

HUMO Toch lag je daar niet louter te zieltogen: ‘Wat me in de eerste uren het meest verrukte,’ zo schrijf je in ‘De kunst van het crashen’, ‘was niet het feit dat ik het ongeval had overleefd, of dat de lichamelijke schade verbazend goed meeviel, maar de herinnering aan de zich opsplitsende werkelijkheden.’ Probeer je de lezer iets op de mouw te spelden of ben je werkelijk al in het ziekenhuis over dit boek beginnen na te denken?

Verhelst «Hoe raar het ook mag klinken: ik ben écht op de intensieve zorgen enthousiast tegen Maud beginnen te vertellen over het moment van de crash: ‘Echt fantastisch, jong, de tijd splitste zich op, en toen...’ Ik herinner me ook haarscherp haar gefronste wenkbrauwen: ‘Jongen, dat interesseert me nu geen bal, zie.’ (Haalt de schouders op) Ik blijf natuurlijk een schrijver, hè. En dat is wat een schrijver doet: ervaringen omzetten in woorden. En als je zoiets onvergetelijks hebt meegemaakt, althans in literaire zin, dan slaat je fantasie op hol. Maar ik besef verdomd goed dat ik dat alleen maar kan zeggen omdat ik hier op een gewone stoel zit, en niet in een rolstoel.»

HUMO Wat je zegt. Heb je blijvende letsels opgelopen?

Verhelst «Ik heb nog altijd last van mijn nek en mijn knie, en er gaat geen dag voorbij zonder dat ik hoofdpijn en concentratiestoornissen heb. Maar ik wil niet kleinzerig doen: met pijn valt te leven. Al blijft het raar, want ik heb er voordien nooit last van gehad. Ik focus me dan maar op het feit dat ik veel geluk heb gehad. Niet altijd even simpel, hoor. De controlearts van de verzekering van de tegenpartij, bij wie ik op consultatie moest, ging er doodleuk van uit dat ik op geld belust was en lachte me net niet in mijn gezicht uit – ‘Pijn? Komkom, dat gaat wel over.’ Ik dacht: ‘Vriend, ooit word jij een romanpersonage dat op de scherpe punt van een roestige paal...’ Enfin: behoorlijk vernederend, en al even absurd als die vrachtwagenchauffeur die er net na het ongeluk doodleuk uitflapte: ‘Dat is mijn wiel niet.’»

HUMO En hoe zit het met de geestelijke schade?

Verhelst «De klassieke psychologische kwalen, te beginnen bij nachtmerries waarin vrachtwagens over me heen rijden. En toen ik in het begin met mijn nieuwe auto de baan op moest, vuurde ik in gedachten al een raket af op elke vrachtwagen die ook maar een centimeter in mijn richting schoof. Nu werp ik nog altijd nerveuze blikken op de wielen van passerende trucks, en gaan mijn meters in het rood als ik vrachtwagenchauffeurs in de regen rare manoeuvres zie uitvoeren. (Zucht) Ik zie vooral het gevaar van sommige situaties, en omdat ik vaak onderweg ben, zie ik véél gevaren. Niks aan te doen, zeker?»

HUMO Sinds je ongeluk heb je behalve ‘De kunst van het crashen’ nog de met de Herman De Coninckprijs bekroonde dichtbundel ‘Wij totale vlam’ geschreven, alsook de tekst voor ‘Hotel Malaria’, een theatervoorstelling voor het NTGent die binnenkort in première gaat. Mag ik daaruit afleiden dat de crash je geen writer’s block heeft bezorgd, en dat je de schrijfdraad gewoon hebt kunnen oppikken?

Verhelst «Toch niet, want de eerste maand kon ik niet eens helder dénken, laat staan schrijven. Eerst denk je: ‘Komaan, geen flauwekul, gewoon dóén.’ Maar het ging niet: mijn gedachten schoten alle kanten uit, en ik kreeg geen vat op dat kluwen. Knap lastig, want ik heb pas het gevoel dat ik leef als ik bezig ben; als ik stilzit, heb ik het gevoel dat ik een plantaardig bestaan leid. Ik ben wel eventjes ongerust geweest, maar gelukkig had ik snel door dat er niks anders op zat dan te wachten.»

HUMO Nooit overwogen om er helemaal mee te kappen, en wat meer te gaan leven? Je schrijft het met zoveel woorden in ‘De kunst van het crashen’: ‘Vanaf nu zal ik... Nooit meer zal ik... Het moet gedaan zijn met... Ik heb nu echt geen tijd meer om... Ze kunnen mijn rug op met... Ik heb alleen nog tijd voor... Het is nu tijd voor... Alleen nog leven, leven, leven. Mijn laatste leven.’

Verhelst «Ach, de pathetiek van het moment, zeker? Ik voeg er trouwens aan toe dat ik tien glazen Caravaggio één voor één ad fundum zal leegdrinken, Shakespeares sonnetten zal oproken, Borges in mijn aders zal spuiten en Joyce zal neuken terwijl ik Dickinson vinger en Montaigne inhaleer: niet toevallig allemaal voorbeelden uit de kunst. Want mijn werk ís mijn leven, en alleen door iets te scheppen kan ik het gemis tegengaan. En dan bedoel ik niet het gemis van dingen die voorbij zijn, want daarvoor heb je herinneringen. Ik zag ooit een fantastisch schilderij dat mijn eigen idee daaromtrent perfect verbeeldde: je ziet een jongen en een meisje in een kamer, door het kaarslicht valt de schaduw van de jongen op de muur, en zij tekent met houtskool de contouren van die schaduw op de muur, zodat ze zijn aanwezigheid kan oproepen als hij er niet is. Dat onvoorstelbaar grote, ontroostbare verlangen naar aanwezigheid: dát is de brandstof die mijn motor doet draaien, elke dag opnieuw, in mijn schrijfkamer, in het theater of elders. En alleen het verlangen telt, want als ik ergens mee klaar ben, dan is het in mijn hoofd zo goed als dood. Volgende week komt ‘De kunst van het crashen’ uit, gaat ‘Hotel Malaria’ in première, en opent ook ‘Verhelst XL’, een parcours langs installaties die ik met onder anderen Maud en Johan Tahon heb bedacht. Allemaal geweldig, maar in gedachten ben ik al bijna in Zuid-Afrika, omdat ik weet dat ik daar aan een nieuw boekje ga werken – het idee zit al half afgewerkt in mijn hoofd.

»Anderzijds: ik heb wel degelijk lang en diep nagedacht over of ik misschien niet wat meer moest gaan léven. In de betekenis: zoals wat ik denk dat de meeste mensen onder ‘leven’ verstaan. Mijn vriendin zei tegen me: ‘Zullen we eens een keertje voor één avond normaal doen?’ We vlijden ons neer in de sofa, maar na welgeteld drie minuten grepen we elk naar onze laptop. Echt: ik besta maar als ik iets kan maken. En ik ben natuurlijk met mijn gat in de boter gevallen omdat mijn vriendin ook creatief bezig is (Maud Bekaert is letterbeeldhouwster, red.).»

HUMO ‘De kunst van het crashen’ is jouw ‘Op zoek naar de verloren tijd’, maar anders dan Proust, die ging spitten in zijn eigen verleden, fantaseer je over die twee, drie seconden dat je gevangen zat in een om zijn as tollende stalen autokooi.

Verhelst «Het kunnen net zo goed zeven of acht seconden zijn geweest, of een halve seconde: geen idee hoe lang dat duurt, drie keer over de kop gaan tegen 120 kilometer per uur. Feit is dat die ultrakorte tijdspanne me niet losliet, en ’t was inderdaad heerlijk om daarover te zitten fantaseren – ‘Waar is die tijd in godsnaam naartoe?’ Na een tijdje herinnerde ik me een artikel dat ik had gelezen over het eiland Sandy: eind 18de eeuw had een walvisvaarder in de Stille Oceaan een eiland waargenomen en het prompt toegevoegd aan zijn wereldkaart-in-wording, waarna het zonder boe of ba op alle maritieme kaarten ter wereld terechtkwam, Google Earth incluis. Tot er in 2012 een schip voorbij die plek voer, en er helemaal geen eiland te bespeuren was; de oceaan was op die plek zelfs 1400 meter diep. Een afgelegen eiland dat niet bestond, dat leek me het perfecte toevluchtsoord voor personages tijdens de verloren seconden in hun leven: ik had de kapstok gevonden waar ik de rest van mijn verhaal aan kon ophangen. Vanaf toen ging het snel: niet verder vertellen, maar ik heb het boek in twee maanden tijd geschreven. Whoesh! Het was geleden van ‘Tongkat’ dat ik nog eens in zo’n rush had geschreven.»


Hygiënische overwegingen

HUMO Je fantasie heeft in elk geval geen schram opgelopen: je sleurt de lezer als vanouds mee, onder andere naar Istanboel, waar een zekere Raoul kerosine op het revolutionaire vuur druppelt, en naar een desolate hoogvlakte waar een sluipschutter uit de klauwen probeert te blijven van niet nader genoemde wezens. Toch mogen lezers die enigszins vertrouwd zijn met je oeuvre ook gilletjes slaken, want je smokkelt voor het eerst stukken en brokken uit je eigen leven in je roman.

Verhelst «’t Is vast schrikken, ja.

»Ik weet dat ik een lange geschiedenis heb met het concept ‘ironie’, maar daar heb ik me de afgelopen jaren steeds meer van losgemaakt. Ik was die totale afstandelijkheid echt kotsbeu. Op een bepaald moment begon ik een soort kwetsbaarheid toe te laten in wat ik schreef; ze duikt voor het eerst op in mijn gedichten. Ik geneerde me er wel een beetje voor – correctie: ik geneerde me heel erg. Maar het voelde wel juist.

»Tijdens een lang gesprek met mijn vriend Stefan Hertmans begon het me plots te dagen: eigenlijk zijn al mijn boeken wreed autobiografisch, alleen kon ik die intimiteit vroeger heel goed camoufleren. Wat ik beschreef, al was het maar via een omweg, zei heel veel over mij. Maar waarom niet gewoon rechtdoorzee gaan? Toen ik dat eens voorlegde aan euh, mijn schrijvende alter ego, kreeg ik een cynische grijns als antwoord: ‘Autobiografisch schrijven, jij?’ Toch heb ik doorgezet: het ongeval had me doen nadenken over allerhande existentiële vraagstukken, en die wilde ik niet onbenut laten. De vormtechnische uitdaging interesseerde me ook: hoe doe je dat eigenlijk, autobiografisch schrijven?»


null Beeld

'Eigenlijk zijn al mijn boeken autobiografisch, alleen kon ik die intimiteit vroeger heel goed camoufleren'

HUMO ’t Blijft curieus, want in het verleden sprak je wel vaker over de autobiografische schriftuur van Leonard Nolens: je bewonderde de manier waarop hij leven en werk versmolt in zijn poëzie, maar de schaamteloze openhartigheid van zijn dagboeken lag je veel minder.

Verhelst «Daar denk ik vandaag niet anders over. Al zie ik wel beter in dat die schaamteloosheid absoluut een literaire constructie is: er is immers minstens evenveel dat hij níét vertelt en hij vindt er een volstrekte Nolens-vorm voor. En verder ben ik niet van plan zelf dagboeken te gaan schrijven – ik kan dat echt niet – maar ik wil wél proberen mijn hart en mijn wezen op tafel te leggen, liefst zonder dat het gênant wordt, of zonder dat ik de exhibitionist moet gaan uithangen. In die vijftig min of meer autobiografische pagina’s in ‘De kunst van het crashen’ kom je dus ook weer niet alle details te weten over mij en mijn geliefden. En sommige dingen zitten netjes verstopt in passages waarin ik uitweid over het werk van Francis Bacon, een schilder die ik al sinds mijn tienerjaren bewonder, en die hier wonderwel in mijn kraam paste. Kortom: een beetje camouflage, al was het maar uit hygiënische overwegingen.

»Verder weet ik ook niet precies hoe het komt dat ik mijn eigen leven plots in mijn boeken toelaat – misschien heb ik wel een hersentumor. Sorry, dom grapje.»

HUMO Klein gebrek geen bezwaar. In je boek suggereer je, gelukkig zonder de boodschap in honing te drenken en vervolgens met poedersuiker te bestrooien, dat iedereen altijd afscheid van zijn geliefden zou moeten nemen alsof zijn laatste uur heeft geslagen.

Verhelst «Fuck, ja. Tijdens mijn slapeloze nacht op de intensieve zorgen bedacht ik plots hoe ik een paar uur voordien compleet onachtzaam het huis had verlaten. Ik had mijn autosleutels van tafel gegrist, had mijn lief nog vluchtig gekust en was de deur uit gevlogen. (Hoofdschuddend) Hoe is het mogelijk? Sindsdien probeer ik extra zorg te besteden aan vrienden en geliefden. Maar voor alle duidelijkheid: mijn vertrouwen in het leven is serieus toegenomen – de kans dat ik nog eens zoiets tegenkom, is nog kleiner dan dat ik ooit de lotto win.»

HUMO Tot slot: je hebt eind jaren 90 met Eric Joris een voorstelling gemaakt die ‘Crash’ heette. Ga je je projecten voortaan lieflijker titels meegeven, al was het maar om het lot niet uit te dagen?

Verhelst «Mijn volgende project heet ‘Absence’, maar nu je ’t zegt: wie weet ga ik ’m alsnog wijzigen, gewoon om zeker te zijn.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234