null Beeld

Piet Römer (Baantjer) overleden

Acteur Piet Römer, vooral bekend om zijn rol als De Cock in de televisieserie ‘Baantjer’ is overleden op 83-jarige leeftijd. In 2004 sprak Rudy Vandendaele met hem.

Een junidag in Amsterdam. Het terras van restaurant Excelsior, dat bij Hotel de L’Europe hoort, biedt uitzicht op de Binnen Amstel, waarop druk wordt gevaren. Piet Römer, die zesenzeventig is maar daar niets van laat merken, wil weten hoe het in Vlaanderen gesteld is met ‘Baantjer’, de serie waarin hij al tien jaar lang De Cock speelt, met ck, een geruit hoedje en een regenjas voor alle seizoenen.

Ik zeg hem dat het één van de best bekeken televisieprogramma’s van de openbare omroep is, en dat het laatst nog beter werd bekeken dan een populair bedoeld verkiezingsprogramma op zondagavond.

Hij moet er hard om lachen: ‘Niet te geloven! Erg geestig.’ Als ik hem zeg dat de Vlamingen deze zomer twee keer per week naar herhalingen van ‘Baantjer’ kunnen kijken, moet hij nog harder lachen: ‘Twee keer per week? Herhalingen? Dat is toch overkill? Nou ja, ze moeten het zelf weten, hoor, het is hún speelgoed.’

Om ons heen speelt zich een ballet voor drie kelners af, die het ons om de beurt naar de zin willen maken. Römer, die van dollen houdt, spreekt ter attentie van Humo één van die jongens aan: ‘Ik eet en drink hier op kosten van mijn Belgische gastheren: anders had ik hier niet gezeten, hoor. Breng ons maar een mooie Sancerre, ober. Ik kan toch niet met twee Belgen aan tafel zitten zonder te eten en te drinken, hè? Dat zou toch als vloeken in de kerk zijn? Ik geef geen interviews meer, maar toen mijn agent me zei dat Humo een goed en veelgelezen blad is, wou ik wel, maar dan onder één voorwaarde: met een etentje erbij. Hé, daar heb je de Sancerre al: een Sancerre Prieur dan nog wel, sjonge sjonge. Ze waren hier vast op onze komst voorbereid, jongens.'

HUMO Prosit. Had u ooit gedacht dat u in uw zevenenzeventigste levensjaar nog aan het werk zou zijn?

PIET RÖMER «Jazeker. Ik heb nooit gedacht dat ik er op een dag mee zou ophouden. Ik haat de zogenaamde pensioengerechtigde leeftijd, waarop je ineens inactief móét zijn. Inactief zijn bestáát niet: je moet altijd bezig blijven. Liefst tot je laatste snik.»

HUMO Ik kan me anders wel voorstellen dat iemand genoeg krijgt van zijn beroepsbezigheden.

RÖMER « Ik dus niet. ’t Is toch geen werk, wat ik doe?»

HUMO Vindt u?

RÖMER «Geintje, hoor: ’t is dikwijls zwaar werk. Soms krijg je een rol niet in je poten, en voel je dat het maar niet wil lukken, soms wekenlang; je merkt dat je verkeerd aan het praten bent, alsof je je tekst in een blikken trommel zegt, met een foute resonans.

»Daar kan ik weleens ongelukkig van worden, maar ik ga niet met tegenzin naar de repetities, of naar het theater of de studio. Als ik er geen zin in zou hebben, dán zou het pas echt werken worden.

»Ik heb wel eens een jaartje rust genomen, in 1976.»

HUMO Waar had dat mee te maken?

RÖMER «‘De pijp is leeg, ik had geen goeie benen vandaag,’ zeggen wielrenners hier. Laat ik zeggen dat ik een jaar lang geen goeie benen had; alles ging tegenzitten. Dat zoiets je overkomt, vind ik overigens normaal, want of je dat nu wilt of niet: je kunt niet onafgebroken doorgaan.

»Maar mijn sabbatical year was niet bepaald rustgevend, moet ik zeggen: ik ben een café begonnen, en dat moet ik nooit, nóóit meer doen. Kijk, ik hou van cafés: aan de tap zitten vind ik heerlijk, een beetje met maten praten en zo, en dus niet vanwege de drank, want die heb ik thuis ook. Iederéén heeft tegenwoordig de drankvoorraad van een klein café in huis - in mijn jeugd ging het nog van: ‘Wil je een kopje koffie?’, met zo’n uitdrukking van ‘Het hoeft niet, hoor’ erbij.

»Goed, in mijn dromen was die kroeg een verlengstuk van mijn huiskamer, maar aan de andere kant van de tap had ik al snel de indruk dat ik in een loopgraaf stond, en dan wordt het gauw minder leuk, vervelend zelfs. Ik bleek ook het geduld niet te hebben om al dat gelul te aanhoren. Wat dat betreft was ik een zéér slechte kastelein: ‘Ach, sodemieter op! Gedráág je, man! Hou je ellende hier buiten, ik heb er niks mee te maken!’ (lacht) Nou, dat verkoopt niet, hoor.

»Daar kwam nog bij dat ik gauw weer zin kreeg om te spelen. Het duurde niet lang of een oude collega kwam naar me toe om te vragen of ik mee wilde doen in een Frans blijspel, een deurenstuk. Ik hoefde daar niet lang over na te denken, en de zin in toneel kwam vanzelf weer terug.»

HUMO Uw zoon Peter schrijft dat u ook weleens genoeg had van het ‘wereldje’ van de acteurs.

RÖMER «Ik ben een volksjongen, iemand van zeer eenvoudige komaf, zoals dat heet. Daardoor komt het wellicht dat ik nogal snel aanstellerij detecteer. Ik kan nog steeds niet tegen al dat gekus in de theaterwereld: ‘Dag schat!’, smak, ‘Dag lieverd!’, smak. ‘Ach, sodemieter op.’

»Ik ben nogal nuchter, denk ik, en die nuchterheid komt me goed van pas als ik De Cock speel. Ik had hem ook snel te pakken, omdat ik meteen veel affiniteit met ‘m had. Hij is om te beginnen al net zo Amsterdams als ik: ik ben hier om de hoek geboren.

»Vanaf mijn twaalfde tot mijn dertigste heb ik in de Jordaan gewoond. Ik heb ook wel kunnen merken dat het ‘wereldje’ mijn volkse afkomst niet of maar gedeeltelijk accepteerde. (Zijn blik dwaalt af naar een mooie motorboot die voorbijvaart) Zwart geld, hoor. Die man is vast geen loodgieter die een leven lang voor die boot heeft gesappeld.»

undefined

Piet Römer overleden: De Heilige Mis

HUMO Als toneelspeler bent u een autodidact – u hebt alles al doende geleerd, dus.

RÖMER «Vergis je niet: ik heb welgeteld drie maanden op de toneelschool gezeten. Dat telt, hoor (lacht). Ik was vierentwintig toen, getrouwd, en al vader van drie kinderen.

» Toneelspelen was een hobby van me: ik zat bij het amateurtoneel. Tot iemand me zei: ‘Je moet eens het toelatingsexamen aan de toneelschool doen.’ Dat werd mij ontzettend afgeraden door iemand van de directie: ik had alleen lagere school, hè, én getrouwd en al drie keer vader. Ik besefte wel dat mijn bagage gering was, maar ik wilde het niet hóren.

»Ik ben behanger geweest, banketbakkershulp, verzekeringsagent, ik heb in de haven gewerkt: wat maakte het nou uit dat ik ook nog eens acteur wilde worden? Ik was helemaal niet ongelukkig in die andere banen, hoor: ’t was werk, en daarmee uit. Ik moest toch een gezin onderhouden.

»Pas toen ik dat toelatingsexamen deed, begon ik te denken: ‘Dat acteren is misschien wel iets leuks voor mij.’ En ik was geslaagd. Alleen: ik kon het niet volhouden – die schoolse sfeer was me er te veel aan. Mijn klasgenoten waren in mijn ogen nog kinderen die tegen hun leraren opkeken, zoals ze dat ook op de middelbare school hadden gedaan, waar ze net af waren gekomen. Ik bekeek die leraren meer als oudere collega’s die mij het vak moesten leren.

»Ramses Shaffy zat ook bij mij in de klas, hij onderscheidde zich toen al van de rest (lachje). Hij was absoluut geen braverik: hij was een uitbundig mens, nooit anders geweest. Ik weet dat hij om één of andere reden van de toneelschool is afgestuurd – hij mocht geen eindexamen doen, en pas veel later heeft hij toch zijn diploma gehaald.»

HUMO Hebt u uw leven lang het gevoel gehad dat u een autodidact bent? Blijft dat meespelen?

RÖMER «Nee. Op een gegeven moment ging ik toch denken dat ik me op eigen kracht voldoende ontwikkeld had. Toen ik veel jonger was, keek ik wel op naar mensen met een universitaire opleiding. En nog steeds vind ik het niet eerlijk dat sommige mensen tussen hun achtste en hun achttiende niet de kans krijgen zich naar behoren te ontwikkelen. In mijn ogen is dat een groot sociaal probleem. Voortreffelijk hè, die Sancerre.

»In mijn jeugd was het bijna gebruikelijk dat kinderen niet gingen studeren: je was veertien en je moest van school af, uit werken. Zo is het mij vergaan. Dat vond ik heel erg, maar ik wist vooraf dat er thuis niet over te praten viel. Als ik dan zie wat míjn vijf kinderen allemaal hebben gemogen en gekund, voel ik me prettig.

»Wat ze verder met hun diploma en hun kennis doen, kan mij niet zoveel schelen; mij gaat het erom dat ze de gelegenheid hebben gekregen om te studeren. Zelf ben ik altijd eager geweest, en dat soort nieuwsgierigheid heb ik nog steeds. (Zijn blik dwaalt af naar een rondvaartboot) Rechtdoor! Réchtdoor! Hij is de weg kwijt.»

HUMO U hebt veel televisiewerk gedaan, maar in interviews met u valt het me op dat u veel liever over uw toneelcarrière spreekt.

RÖMER «Omdat ik fundamenteel een toneelspeler ben. Ik doe nu al tien jaar ‘Baantjer’, maar veel liever dan voor het oog van de camera, sta ik voor een zaal van zeshonderd mensen. Die moet je allemaal op je hand zien te krijgen: ik zend uit en zij ontvangen, en dan zenden ze me signalen terug dat ze mij ontvangen hebben.

»Die wisselwerking voelen, daar gaat het om. Ik ben ook nooit bang geweest om op te gaan: ik vind het gewoon heerlijk. ’t Zal wel ijdelheid zijn. Zou het niet kunnen?»

HUMO Als oppervlakkig waarnemer vind ik u niet meteen een ijdel man.

RÖMER « In ieder geval heb ik geen boodschap als ik op het toneel sta. Ik hou niet van de Heilige Mis in het theater. Ik sta er voor mezelf.»

HUMO Hebt u ooit bewust aan uw milieu willen ontsnappen?

RÖMER «Neen, en ik heb ook nooit last gehad van een minderwaardigheidsgevoel. Ik zal wel gedacht hebben dat ik een ander leven dan dat van mijn ouders wilde leiden, maar of ik daar ook bewust naar gestreefd heb, weet ik niet. Of beter: ik kan het niet meer achterhalen, al lijkt zo’n streven mij wel een natuurlijke reactie.»

Piet Römer overleden: 'Opsodemietereuh!'

HUMO Wat voor status hadden acteurs in uw beginjaren?

RÖMER « Toen ik aan het toneel ging, waren er in heel Nederland zowat vierhonderd vijftig acteurs, nu zijn er ongeveer veertigduizend. ’t Is een buitengewoon onbeschermd beroep (lacht). In mijn beginjaren waren acteurs en actrices Dames en Heren, jazeker. En het toneel was het Grote Toneel, waar de twee k’s golden: de hoofdletter K van Kunst, maar ook, om het onderscheid te maken, de kleine k van kleinkunst.

»Er werd met het grootste gemak neergekeken op Wim Sonneveld, Toon Hermans en Wim Kan, want dat waren vertegenwoordigers van de kleine k. Dát heb ik altijd een heel belachelijk, zelfs een volkomen onbegrijpelijk onderscheid gevonden.

»Ik had ook bezwaren tegen het overwicht van het Algemeen Beschaafd Nederlands. Het is natuurlijk heel goed en handig dat een acteur duidelijk spreekt, maar ik heb het ABN altijd als een kunsttaal ervaren, een soort Ido. Ik mag op het toneel best horen dat iemand uit het zuiden komt en een beetje een zachte g heeft, en evengoed dat iemand uit het noorden van Nederland komt en eindlettergrepen inslikt.

»Ik ben die dwanggedachte van het ABN beginnen te relativeren toen ik in de vroege jaren zestig voor het eerst voorstellingen in Londen zag: in het Engelse theater, het Gróte Toneel, was het volkomen geaccepteerd dat je kon horen waar de acteurs vandaan kwamen.

»Ik heb het Nederlands als kunsttaal altijd vreselijk gevonden, maar ik heb die taal wel moeten leren, want ik was een Amsterdammer, die dan ook plat Amsterdams sprak. Toen ik bij de Haagse Komedie kwam, zei Paul Steenbergen (leidinggevend figuur in de naoorlogse Nederlandse toneelwereld, red.) mij (met ronkende articulatie:) ‘Piet, je moet wel gaan oefenen. Je moet bij een bevroren ruit gaan staan, en daar dan met je warme adem kringetjes in de ijsbloemen blazen.’»

HUMO IJsbloemen: je ziet ze haast nooit meer, dankzij de moderne verwarmingssystemen.

RÖMER « Daar heb je gelijk in (lachje). Steenbergen zag ik pas nog eens terug op de televisie, samen met Mary Dresselhuys, in een fragment uit ‘Herfst in Riga’ dat ter nagedachtenis van Mary werd uitgezonden. Práchtige uitspraak, hoor, elke klank dubbel en dik verantwoord, maar ’t klonk mij na al die jaren nog steeds volkomen kunstmatig in de oren. Maar even erg vind ik het als ik die meiden van de televisie hier in Nederland tegenwoordig hoor praten, presentatrices en zo. Die klinken mij dan weer té populair, té trendy; ‘Effe lekker dánseuh! En daarna een eindje loopeuh! En vervolgens opsodemietereuh!’»

HUMO Laat ik u even citereuh: ‘Acteren is geen intellectueel beroep, het is een hoerenberoep.’

RÖMER « Ja, je hoereert, je verkoopt jezelf, en je neemt daarbij - naar de wensen van de klant - de gedaante van allerlei personages aan. Ik kan bijvoorbeeld niet zeggen: ‘Die of die rol kan ik niet spelen.’ Zelfs al weet ik dat een personage mijlenver van me af staat, nog denk ik: ‘Wat zouden we toch nog met elkaar gemeen kunnen hebben?’ En door zo te denken, ben ik vast veel over mezelf te weten gekomen.

»De laatste grote rol die ik heb gespeeld was de vaderrol in ‘Festen’, een toneelbewerking van de gelijknamige film van Thomas Vinterberg.»

HUMO De vader die op een familiefeest door zijn zoon van seksueel misbruik wordt beschuldigd.

RÖMER « En die zoon werd gespeeld door mijn bloedeigen zoon Han. Incest komt in onze familie niet voor, maar toch moet je dat op het toneel enige kans op waarachtigheid geven. Ik kan me voorstellen dat veel acteurs in mijn plaats ‘neen’ tegen die rol hadden gezegd, maar ik vond het geweldig om die situatie juist met mijn eigen zoon te spelen.

»Daarvóór gingen we elk onze eigen kant uit als acteur: ik was bijvoorbeeld veel met televisie bezig, iets wat hij al helemaal niet wilde doen. Eén keer heeft hij me geregisseerd, in ‘The Wind in the Willows’; ik weet dat toen een paar collega’s zaten te wachten op het eerste conflict tussen ons, maar er gebeurde niets. Zodra wij samen aan het werk gaan, houdt voor mij de familieverhouding op.»

undefined

Piet Römer overleden: Een smerige trapleuning

HUMO Een toneelauteur als Harold Pinter had het vaak over familieverhoudingen. U hebt herhaaldelijk in stukken van hem gespeeld, en ik weet dat u dat graag deed. Tegenwoordig wordt hij bijna nooit meer gespeeld, terwijl hij toch als een moderne klassieker bekendstaat.

RÖMER « Hij heeft zijn functie gehad, net zoals Ionesco zijn functie heeft gehad. Daar moeten we eigenlijk niet over zeuren, we moeten het ook niet jammer vinden dat hij nog maar weinig wordt gespeeld, want wat blijft er over van toneel? Niets, noch van de voorstellingen, noch van de acteurs. Wij, en ons werk, zijn van zeer voorbijgaande aard.

»Mary Dresselhuys zei: ‘Ik speel, en als ik klaar ben, is het klaar.’ Zo denk ik er ook over, al járen eigenlijk. Ik vind het heerlijk als ik zo nu en dan een schouderklopje krijg, en aan het end desnoods een lintje, een gouden sabel of een Louis d’Or, maar nooit of nooit zal ik kunnen denken dat ik méér ben dan iemand anders.

»Ik hou meer van het woord komediant dan van het woord acteur - dat is mij te keurig. Ik hou ook meer van muzikanten dan van musici. Mu-si-ci: wat een onzin. Kijk, dat ‘Baantjer’ in België zo goed bekeken wordt, is natuurlijk strelend, maar ik doe dit vak niet om gestreeld te worden. Ik ben nooit aan het toneel gegaan om beroemd te worden. Beroemd worden heb je als acteur alleen aan de televisie te danken, en in mijn beginjaren bestond televisie niet eens.

»Best mogelijk dat er mensen zijn die nu acteur worden óm beroemd te worden – misschien is dat wel een heel goeie drijfveer - maar ik wilde alleen maar toneelspelen. Geef nou toe: jullie zitten hier ook niet vanwege mijn werk in het theater, maar omdat ik bekend ben van de televisie. (Zijn blik dwaalt af) Kijk, dan is nou een vetplantertje, een oud groentebootje - ik zag ze in mijn kindertijd al voorbijvaren. Ober, graag zes huîtres creuses sur glace en daarna wil ik de joues de lotte à la provençale, zeeduivelwangetjes: het allergoedkoopste gerecht op het menu. Mijn gastheren zijn Belgen, kun je nagaan (lacht).

»Waar hadden we het over? O ja, Pinter. ‘De dienstlift’ was de allereerste Pinter die ik deed, bij de Haagse Komedie. Pinter was toen toevallig in Nederland. We hebben hem gebeld: of-ie eens wou komen kijken. Want eerlijk, wij snapten helemaal niets van dat stuk, noch van de drijfveren van de personages. Goed, hij kwam kijken, en ik vroeg hem wat mijn personage eigenlijk bedoélde met dit of dat. ‘Weet ik veel,’ zei hij, ‘dat moet u aan de regisseur vragen. Die weet misschien raad.’

»Ik dacht: wat maakt die zich er makkelijk van af, zeg. Maar later ben ik me aan die teksten gaan overgeven, ik liet ze gewoon door me heen gaan, zonder er al te veel bij na te denken. Je zou het met zwemmen in zee kunnen vergelijken: als je met krachtige slagen naar het strand toe zwemt, loop je het risico dat je nooit meer aan land komt, maar als je niets doet, als je een soort vertrouwen in de golven hebt, ben je zó weer op het droge.

»Er zijn ook toevalligheden die je vooruit kunnen helpen. Ik stond in ‘De Thuiskomst’ van Pinter, met Guus Hermus als tegenspeler. Guus droeg een pet in dat stuk, en ineens zag ik mijn vader in hem. Dat zijn personage zwetste, maakte de herkenning nog groter, want mijn vader brouwde ook aan één stuk door verhalen: altijd had hij van alles meegemaakt. Ik geloofde hem nooit: verhalen dat hij ooit met twaalf man had gevochten en zeven messteken in zijn hoofd had gehad.

»Dat ik mijn vader plots in een stuk van Pinter zag zitten, deed mij inzien hoe levensecht die wereld wel was, en ik meende de schrijver vanaf dat moment ook beter te begrijpen. En toen ik later eens naar een première van ‘De Thuiskomst’ ging kijken, hóórde ik mijn vader: daar moest ik vreselijk om lachen, waarvoor ik op die première schuin werd aangekeken. Die leugenachtige vaderfiguur in dat stuk: zo gewoon, zo komisch, maar ook zo vreselijk ordinair: ‘Negers hebben deze trapleuning aangeraakt: ’t is nu een heel smerige trapleuning.’»

undefined

Piet Römer overleden: Openbarstende egel

HUMO In ‘Laat het paard maar bovenkomen’, het boekje waarin uw zoon Peter uw herinneringen heeft opgetekend, spreekt u op een heel andere toon over uw moeder dan over uw vader.

RÖMER « Ze waren dan ook heel verschillend. Mijn vader was gewoon een teleurgesteld man, en los daarvan ook nog eens ziekelijk. Hij had ook een grote mond, en hij zag alles zwart-wit. Hij was ontzettend dominant: niemand kon tegen hem op. Mijn moeder was veel meegaander: een zachte, lieve vrouw. (Zijn blik dwaalt af naar een natuurtafereeltje op de Binnen Amstel)

»Moet je die twee waterhoentjes zien: moeder en kind. En die meeuwen willen dat stukje brood van ze afpakken. Hupsakee, daar gáán ze! Moet je dat kleine, zwakke beestje tegen die twee grote klerelijers tekeer zien gaan! Een moederhart, hè. Moeders zijn tegelijk de meest gevaarlijke als de meest stabiele mensen die er zijn. Raak niet aan het nest!

»Mijn vader heb ik niet heel lang meegemaakt: hij ging dood toen hij eenenzestig was – mijn kinderen heeft hij nooit gezien. Hij sloeg ons ook vaak: dat was zíjn manier van communiceren, want met ons praten lukte hem niet. Had je iets verkeerds gedaan, dan kreeg je meteen een hengst, en als hij zich met de blote hand niet kon verduidelijken, pakte hij een stuk hout. En dan trokken wij snel een deken over ons heen, dan kwamen die klappen minder hard aan (lacht)

HUMO Nu kunt u erom lachen.

RÖMER «Nu wel, ja, maar toen waren we allemaal doodsbang voor hem. Zijn vader, mijn grootvader, was brigadier van politie: een heel rare, strenge man, die zijn kinderen óók sloeg, met zijn dienstknuppel nota bene. Mijn vader haatte alles wat een uniform droeg, alles waar een glimmende knoop aan vastzat, en bij uitbreiding ook het koningshuis.

»Mijn moeder was katholiek, op het vrome af, en hij was dan weer een papenvreter. Hij was volstrekt niet tegen gezag bestand - als ik iets van mijn vader heb, dan is het dat. Ik heb alleen ontzag voor mensen die iets presteren, of het nu goeie stratenmakers zijn of artsen die in de puinhopen van Afghanistan of Irak mensen helpen.»

HUMO Hoe was u zelf als vader, denkt u?

RÖMER «Ik weet nog steeds niet of ik als vader wel gedeugd heb. Ik heb een goede verstandhouding met mijn kinderen; we zien elkaar vaak, zonder dat onze band klef is. Maar ik was pas achttien toen we ons eerste kind kregen, en mijn vrouw ook. We hadden er al heel snel twee, en we moesten onszélf nog opvoeden.

»Ik denk dat ik het in het begin helemaal niet goed heb gedaan. Mijn twee oudste kinderen zeggen me weleens: ‘Die jongste drie hebben veel meer privileges gehad dan wij. Wij hadden niks toen we zo jong waren.’ Ze zeggen mij ook dat ik in de week voor een première altijd heel erg onaangenaam was, terwijl ik me daar nooit bewust van ben geweest.

»Ach, ik wéét niet hoe je kinderen moet opvoeden: ’t blijft volgens mij improviseren van dag tot dag. En ja zeggen is makkelijker dan nee zeggen, want die ‘nee’ moet je altijd motiveren. En hoe je het ook wendt of keert: als acteur ben je toch heel erg met jezelf bezig.

»Ik was er ook heel vaak niet. Nu, dat verwijt wordt naar mijn zin iets te vaak gebruikt, tegenwoordig; ik was er natuurlijk vaak wél, maar nooit zo intensief als Penien, de moeder van mijn kinderen. Zij was absoluut de bindende factor. En ze hield me van alles op de hoogte. Eén ding mocht ze van mij nooit doen: dreigen met mij, zo van: ‘Als je vader straks thuiskomt, zwaait er wat.’ Ik wou in geen geval een soort politieagent zijn.

»Een tijd geleden zat ik in het praatprogramma van Barend & Van Dorp, waar ik een beetje heibel kreeg met Daphne Deckers, een Nederlands topmodel dat het moederschap heeft ontdekt. Ze kwam daar haar boek ‘De geboorte van een moeder’ promoten. Ze had het over ‘de openbarstende egel tussen haar benen’. Ik dacht: ‘Mens, schrijf toch wat smakelijker over die dingen of sodemieter op.’ Ze had nog geen twee centimeter ontsluiting of er lag al een boek over haar moederschap in de winkel.

»Nou, de huîtres creuses waren héérlijk, hoor. Daar bedank ik Humo nu al voor. Kun je nagaan wat voor dankbaarheid je nog te wachten staat. Tussen haakjes: dit was het hotel van Freddy Heineken, met wie ik goed bevriend was. Het was zijn kindje.»

undefined

Piet Römer overleden: Winden laten in bed

HUMO Nog even terug naar uw kindertijd: u was twaalf toen de oorlog uitbarstte – misschien is dat net oud genoeg om er bang voor te zijn.

RÖMER « Nou, nú ben ik als de dood voor oorlog, maar toen vond ik het vooral spannend, een tikje onwezenlijk ook: alsof ik een cowboyfilm zag. De politieagenten die ik kende, hadden ineens een helm op, en ze droegen een karabijntje – ineens waren ze heel anders. En je had toen ook de burgerwacht die overal in de stad opdook. Als je met je handen in je zakken langs zo’n burgerwacht liep, riep hij: ‘Handen uit je zakken!’ Soms liep ik zes keer met m’n handen in mijn zakken langs zo’n man, en zes keer riep hij: ‘Handen uit je zakken!’ Meteen gezag willen oefenen, hè, die kerels - en ik meteen lopen treiteren.

»De intocht van het Duitse leger langs de Rozengracht in de Jordaan was ook indrukwekkend. Tóén - als je het nu zou zien, zou je het ongetwijfeld een armoeiig leger vinden, iets dat, als het niet belachelijk wil zijn, nog niet eens door Kaboel mag trekken. En toen de dag van de intocht voorbij was, was Amsterdam weer gewoon Amsterdam: niks aan de hand. Oorlog?

»Er gebeurde volstrekt niets. Sluipenderwijs drong het tot me door dat het geen pretje was, en toen de hongerwinter kwam, wist ik het wel zeker: toen begon het gezeik, en ineens ging het heel hard. Tegen die tijd hadden de Duitsers ook nagenoeg alle Amsterdamse joden gedeporteerd.

»Ik denk haast nooit meer terug aan die oorlog... tenzij men mij nu verwijt dat ik in weelde leef - dat doet men weleens met mensen die bekend zijn van de televisie, hè. Dan denk ik terug aan waar ik vandaan kom, en aan mijn vader die steuntrekker was, en aan de wereldwijde recessie van de jaren dertig. Mijn moeder heeft dertien kinderen gekregen, er zijn er acht in leven gebleven.

»Niemand had iets, maar toen de oorlog kwam, had iedereen nog minder dan niets. Als ik daarbij stilsta, moet ik wel besluiten dat ik eigenlijk geen jeugd heb gehad. Ik werd veertien, en ging voor mijn eerste baas werken. En na de oorlog had ik nóg niets. Ik ben snel getrouwd, en dan moest ik nog in dienst. Ik heb eigenlijk geen tijd gehad om jong te zijn.»

HUMO Hebt u uw schade nadien ingehaald?

RÖMER «Daar ben ik nu mee bezig (lacht). Ik ben niet rancuneus, hoor, maar ik vind wel dat ik nu recht op een goed leven heb. En op deze overheerlijke joues de lotte provençale, bijvoorbeeld. Ik ben over het algemeen niet zo’n terugkijker. Nu ja, het verbaast me weleens dat ik een fles champagne kan opentrekken als ik daar zin in heb - er ligt er altijd wel één in de koeling.

»Ik waardeer heel erg wat ik heb. Er is een uitspraak: ‘Voor wie niets heeft, is weinig veel’: dat is bij mij blijven hangen. Ik heb nog steeds een dodelijke angst voor armoe. Ik mag graag wat dollen, en ik zit ook graag wat te brallen in een kroeg, en ik gooi er graag op tijd en stond een pinteke in, maar er is een grens: het thuisfront mag niets te kort komen, het moet gedekt zijn.

»Ik heb ook nooit schulden willen maken. Mijn vrouw heeft altijd over ons budget gewaakt. Nou ja, budget... er wás nauwelijks een budget, vroeger (lacht). Laat ik zeggen dat ze probeerde rond te komen met wat we hadden, in die tijd dat we ons een half ons koffie per week konden permitteren.»

HUMO U komt uit een groot gezin, en later had u er zelf ook één: vijf kinderen. Is er een verband?

RÖMER «Neen. Ik heb niet bewust een groot gezin gemaakt. Het gebeurde gewoon.»

HUMO U bent al heel lang getrouwd. In deze tijd gaan we er bijna van uit dat langlopende huwelijken uitzonderlijk zijn, al helemaal in artistieke kringen.

RÖMER «Mijn vrouw is een heel goeie vrouw. En een heel goeie moeder voor onze kinderen.

»Kijk, zelfs de mooiste vrouw ter wereld laat na drie maanden een wind in bed. Natuurlijk is mijn huwelijk niet alleen maar over rozen gegaan, want je bent geen eenheid, wat die ambtenaar op het stadhuis daar ook over mocht beweren in zijn gelegenheidspraatje; je blijft altijd twee verschillende mensen met een verschillend karakter. Maar was mijn vrouw er niet geweest, dan had ik nooit acteur kunnen worden. En ze heeft me nooit gezegd: ‘Ik wil meer geld op tafel zien.’»

undefined

Piet Römer overleden: Denken aan de dood

HUMO Hebt u de wereld zien verbeteren of verslechteren in uw leven?

RÖMER «’t Klinkt heel vervelend, maar ik denk dat ik hem heb zien verslechteren. Hier in het Westen hebben we veel te lang op een roze wolk geleefd; veel te lang zijn we ervan uitgegaan dat we zo vreselijk beschaafd waren, maar dat laagje beschaving is zo dun.

»De wereld is ook kleiner geworden: vroeger kon je de ellende buiten de deur houden. Op pagina drie van je krant las je een kort bericht waarin stond dat op de Jangtse een veerboot was omgeslagen: vijfhonderd doden. Dat zie je nu gebeuren op de televisie. Dat maakt een heel verschil.

»En omgekeerd kan men nu in de derde wereld ook onze weelde zien, en die mensen gaan volkomen terecht denken: ‘Ik wil ook eten. Ik wil meer dan alleen maar een stukje apenbrood. Ik wil naar het Westen.’ Het zal volgens mij nog heel lang duren voor wij ons aan hen hebben aangepast en omgekeerd, met alle spanningen van dien.»

HUMO Rond hun veertigste beginnen mannen vaker aan de dood te denken: ze wordt ineens concreter. Hoe zit dat met een man van zesenzeventig?

RÖMER «Je vindt dat je bepaalde maatregelen moet nemen: je testament maken, bijvoorbeeld, ervoor zorgen dat je geen chaos achterlaat. Dat heb ik al gedaan, omdat me dat handig leek. Als ik aan de dood denk, komen mij vooral praktische zaken voor de geest.

»Het zijn geen gedachten die mij verlammen, en gepieker is het al evenmin. Ik ben wel bang om mijn vrouw te verliezen: als je al zo lang bij elkaar bent, denk je er weleens aan dat één van de twee over moet blijven.

»Dat is wel een angstige gedachte. Als ik moet overblijven, zal dat zeer, zéér moeilijk voor me zijn. En ik weet dat het, omgekeerd, ook voor haar moeilijk zal zijn. Maar daar walsen we wel even overheen, anders verpest het ons leven.

»Ik heb ook het gevoel dat ik nog niet klaar ben met mijn werk, en zo wil ik het houden. Nooit klaar zijn: daar komt het op aan. En dan staat er ‘Hij had nog zoveel gewild’ in je overlijdensadvertentie. Nu wil ik bijvoorbeeld koffie (lacht)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234