'Ploegen zonder agrarisch oogmerk' Dwarskijker over 'Slijk' en 'Alloo bij Jambers'

'Slijk' is een esthetisch genoegen: een mooi verteld en kunstig in beeld gebracht programma, waarin elk shot poëtisch tegen de prozaïsche sportwereld indruist.


Slijk

Canvas – 7 september

Sport betekent voor mij nog het meest: met een boogje om de sportwereld heen lopen, uiteraard in mijn eigen tempo – noem het gerust kuieren. Het verbaast me dat ik zo weinig plezier beleef aan goed geoliede lieden die door middel van bijkans onmenselijke, zelfs tegennatuurlijke sportprestaties geschiedenis willen schrijven in speciaal daartoe ontworpen kleding, die ik in nog geen honderd jaar zou willen dragen, ook niet op een themafeest. De psychiater weet vast raad. Wijlen mijn gymnastiekleraar kan niet meer vertellen waar mijn onverschilligheid voor sport mogelijk vandaan komt. Ook toen hij nog in leven was, blonk deze drilsergeant niet uit in eloquentie. Hij moest zich meestal behelpen met snerpende fluitsignalen en driftige gebaren die met zo goed als onverstaanbare dreigementen gepaard gingen, vooral die keer toen ik tijdens een zogeheten schoolcross samen met twee psychedelische tijdgenoten zodanig van het parcours was afgeweken dat we waarlijk van een ontsnapping mochten gewagen. We waren niet van plan ooit nog terug te keren. Meer sport moest je van ons niet verwachten in die dagen, en nadien ook niet.

Een sportliefhebber zou ik me dan ook niet noemen, tenzij om de lachers op mijn hand te krijgen. Toch heb ik, zonder de minste tegenzin, al drie afleveringen van ‘Slijk’ gezien. In het Tochtgat aan de Noordzee is de herfst zelden zoals ik me hem als gefnuikt romanticus het liefst voorstel: een uitzicht op eiken en beuken in de feesttooi van de dood. Er schijnt altijd een waterzonnetje op mijn ideale herfstlandschap, en in dat licht neem ik me voor om me in het afgelegen landgoed van mijn dromen nog maar eens in de korte verhalen van Tsjechov te verschansen. De reële herfst in Vlaanderen is meestal een miezerig schouwspel: motregen, drassige paden, vermodderd land, een rij knotwilgen die er in de feesttooi van de dood niet bekijkenswaardiger op wordt, en boven dat alles een treurig grijs, naar kleurloosheid neigend hemeldak, dat gevoelige naturen er ’s ochtends toe aanzet zich ziek te melden en vervolgens de hele dag in bed te blijven, met een slaapmasker op. Die sfeer blijkt reuzegeschikt voor allerlei sporten die zo te zien van modder en derrie en nattigheid gediend zijn: ze komen voornamelijk op ploeteren neer, en op ploegen zonder agrarisch oogmerk. Het schijnt me toe dat ze het Vlaamse arbeidsethos weerspiegelen: beulen tot je erbij neervalt is nobel in dit laagland. In ‘Slijk’ heb ik tot twee keer toe met een zeker aplomb de uitdrukking ‘No pain, no gain’ horen bezigen, alsof ze een onbetwistbare waarheid bevat. Ik heb altijd meer bewondering voor de krekel dan voor de mier gehad, en uit hard labeur blijkt volgens mij nog het meest een gebrek aan techniek. Maar goed, in ‘Slijk’ spettert de kledder al in de fraaie begintitels in de rondte – er klinkt een gevoelig vioolmuziekje bij op waardoor er een merkwaardige contrastwerking ontstaat, die ook de toon van deze serie zet.

‘Slijk’ keek vanuit lyrisch perspectief naar de veldloper Isaac Kimeli, een Belg wiens leven in Kenia een aanvang nam – intimi, onder andere zijn trainer Tim Moriau en zijn trainingspartner Thomas De Bock, noemen hem Sjakie. Ze doen maar. Isaac Kimeli, die we aan het eind van ‘Slijk’ Belgisch kampioen zagen worden in Wachtebeke, leek voor het veldlopen te leven, en – als hij even uitgelopen was – ook voor zijn familie in Kenia, die hij geregeld geld opstuurde: ‘Familie zit je in het bloed,’ sprak hij onweerlegbaar. We hoorden hem aan de telefoon financiële transactietjes bespreken met een Keniaanse oom: ‘Ik heb je onlangs nog geld gestuurd,’ zei hij luidens de onderschriften. ‘Slijk’ ziet iets moois in de Vlaamse lelijkheid: de camera kijkt de lintbebouwing met welgevallen aan, alsook de rode bakstenen rijhuizen, en de rommelige achtertuintjes in dorpen die eigenlijk al een voorstedelijk karakter hebben. Op zo’n plek ried de buurvrouw van Isaac Kimeli hem met klem aan om wasknijpers te gebruiken als hij de was ophing bij waaiweer. Wat zouden we zijn zonder de burenhulp van deskundigen? Het kwam me voor dat de makers van ‘Slijk’ ook oog hadden voor de melancholie van die monomane sportlui: we zagen Isaac Kimeli zelden lachen, tenzij dan mondjesmaat tijdens het gamen met zijn vrienden, onder wie Thomas De Bock, die Bockie heet als Isaac Sjakie wordt genoemd. Meestal leek Kimeli in gedachten elders te zijn, waar hij vermoedelijk nooit ophield met hardlopen langs een modderpad zonder end. Zijn vriendin sprak hij met chou aan, en zij hem ook.

Ook om Yu Takenouchi, de Japanse kampioen veldrijden, hing – in de mooiste aflevering van ‘Slijk’ tot nog toe – een waas van melancholie, of hoe heet verdrietigheid waarover je niet klaagt? Als je je als Japanner in Zwevegem vestigt om je sport op haar best te beleven in ‘het meest enthousiaste wielerland ter wereld’, lijkt het me niet onmogelijk dat je je zo nu en dan wel heel ver van huis voelt, ook al kun je skypen met je moeder. Dit programma gaat volgens mij ook over ver van huis zijn, en over eenzaamheid in de beste omstandigheden. In de aflevering over zijspancrosser Jan Hendrickx zagen we hoe de ambitieuze Letse bakkenist Elvijs Mucenieks met zijn vader aan het skypen was, een ex-bakkenist. Elvijs leefde zo te zien alleen en zijn vader zei ten afscheid: ‘Als niemand anders je kust, doet je moeder het wel.’ Daar moet je het ver van huis mee doen, in een flatje waar ‘thuis’ mogelijk een onscherp begrip blijft.

Yu, de verbeten veldrijder, stelde hardop vast dat zijn leven uit niets anders dan eten en trainen bestond. Ik kon niet opmaken of hem dat al dan niet zinde. In een picturaal panoramisch shot zagen we hem in de verte stug de horizon langsfietsen. Of langs berijpt grasland schichten. Soms, als hij zich alleen voelde in Zwevegem, dwaalden Yu’s gedachten af naar Nippon. Dan kwamen zijn vrienden hem voor de geest, met wie hij vroeger zorgeloos dronken werd. Zijn Zwevegemse overbuur Ranjit had Yu in zijn gezin opgenomen. Ranjit was een loodgieter die zowel voor mecanicien als voor eerstaanwezende supporter speelde, en daar met zichtbare overgave veel tijd voor uittrok. Yu mocht dan wel big in Japan zijn, in het Vlaamse en Nederlandse veldrijden was hij, met de wind mee, niet eens een middenmoter. Toen hij tijdens de slotmanche van de wereldbeker in Hoogerheide zo goed als onbestaand was, zei Ranjit na afloop: ‘De start was goed.’ Positief evalueren, leek het devies. Ranjit is waarschijnlijk een goed mens. De beroepssport schiet daar vast niets mee op, maar de wereld dan weer wel. Voor Yu, die wel beter wist, was er vooralsnog geen andere wereld dan de beroepssport. Yu haalde in het begin van ‘Slijk’ een Japans gezegde aan: ‘Een kikker in een poel weet niets af van de grote oceaan’, dat aan het eind van dit programma al een metamorfose had ondergaan: ‘Als de kikker de oceaan kent, zal de poel altijd te klein zijn.’ Als je die Japanse veldrijders al íéts moet nageven, dan is het wel dat ze ook ter hoogte van Zwevegem niet vies zijn van zegswijzen die de vluchtige bloesemgeur van een haiku hebben.

‘Slijk’ is een esthetisch genoegen: een mooi verteld en kunstig in beeld gebracht programma, waarin elk shot poëtisch tegen de prozaïsche sportwereld indruist. Daar vloeit dan een soort kwaliteit uit voort die ervoor zorgt dat uitgerekend ik, bijna tot mijn verbazing, schik heb in een sportprogramma. Wellicht omdat sport er een smoes in is om het op poëtische wijze over iets anders te kunnen hebben.

'Aan het hedendaagse politieke klimaat in het Tochtgat aan de Noordzee, rechts met een hang naar nog rechtser, ligt volgens mij de Milletjas ten grondslag Karen Damen doet dienst als uitzendkracht die in eigen lijve problemen op hun problematiek gaat uittesten, met een Antwerps accent'


Alloo bij Jambers

VTM – 8 september

Zou de befaamde televisiemaker Paul Jambers, een kaarsrechte zeventiger, als hij in schemerlicht zijn carrière zit te herkauwen, zich weleens afvragen wat de samenleving voor hem zou kunnen terugdoen na alles wat hij voor háár heeft betekend? Ik denk dat hij, die de kwaadste niet is, genoegen zou nemen met hier en daar een ruiterstandbeeld in een bebouwde kom naar keuze. In afwachting van zulke monumenten tilde zijn voormalige duvelstoejager en pupil Luk Alloo zijn leermeester alvast publiekelijk op een sokkel. Dat geschiedde in een vierdelige documentaire die ‘Alloo bij Jambers’ heet, en niet omgekeerd. Mocht ik me God weet waarom nauwkeurig willen uitdrukken, dan zou ik dit type documentaire nog het liefst een heen en weer schietende reportage uit de losse pols noemen. Al was het maar omdat ik niet lichtzinnig omspring met het begrip ‘documentaire’.

Paul Jambers blijft zo te zien ook als onderwerp van een tv-programma een geheide vakman. In de tweede aflevering scheen het me al toe dat hij sluipenderwijs de regie had overgenomen, waardoor de rijpere snaak Luk Alloo weer even in dienst leek van de grand reporter, alsof het verleden ineens wegens succes was verlengd. Ik kreeg de indruk dat Paul Jambers zijn portret gaandeweg in een zelfportret omboog.

Ooit was hij, een welopgevoede arbeidersjongen uit Hoboken, een geval apart en ook wel een eenling op de redactie van ‘Panorama’, het aloude actualiteitenmagazine dat bij de openbare omroep iets te lang de maatstaf van journalistieke ernst is geweest. Die ernst kwam vaak neer op saaie degelijkheid verlucht met statistieken, waar Paul Jambers, die toen al een tv-regisseur met visie was, in z’n eentje mee brak. Sommige van zijn toenmalige collegae konden het gniffelen niet laten: malle Jambers. Zijn reportage voor ‘Panorama’ over Antwerpse kakkers die van een gewatteerde slaapzak met mouwen, de Milletjas, domweg een statussymbool hadden gemaakt, luidde in de jaren 80 het einde van een tijdperk in. Een boude bewering kan er altijd af: aan het hedendaagse politieke klimaat in het Tochtgat aan de Noordzee, rechts met een hang naar nog rechtser, ligt volgens mij de Milletjas ten grondslag. Later, toen hij zijn talent bij de VTM te gelde maakte, heeft Paul Jambers in zijn vaak iconische programma’s afdoende aangetoond dat ‘normaal’ een illusie van de zelfvoldane goegemeente is. En bovenal heeft hij me nooit verveeld. Onlangs ook weer niet, toen hij bij ‘Jonas & Van Geel’ ongebonden danste op ‘Sweet Dreams (Are Made of This)’ van Eurythmics.

In ‘Alloo bij Jambers’ probeerde Luk Alloo haast terloops ook een karakterschets van Paul Jambers te maken. Even terug in zijn ouderlijk huis, zei de grand reporter dat dé motor in zijn leven de wil was om het op de sociale ladder beter te doen dan zijn vader, de arbeider. De emeritus Etienne Vermeersch, halfweg de jaren 60 één van de docenten van Paul Jambers aan het RITCS, herinnerde zich dat de televisiemaker als student al precies wist hoe zijn toekomst er moest uitzien. Paul Jambers bleek ook een nijvere archivaris van zijn leven door de eeuwen heen – je had gezworen dat hij er een dagtaak aan had; hij leek blindelings zijn weg te vinden in archiefdozen vol jambersiana waartussen ook zijn kindertekeningen en schriftjes uit de lagere school zaten. Paul Jambers was in ieder geval bijzonder geïnteresseerd in de levensgeschiedenis van een man met wie hij meestentijds compleet samenviel, een televisiemaker die we voor het gemak óók Paul Jambers zullen noemen. Het kwam me voor dat de welbewuste vormgeving en stilering van zijn leven ook een belangrijk deel van zijn oeuvre is.

Luk Alloo wist als vertrouweling dat Paul Jambers ook wel voor een zekere frivoliteit te vinden was. Alloo had enkele mooie automobielen geregeld die stuk voor stuk een fase uit Jambers’ ontwikkeling weerspiegelden: onder andere de elegante Citroën DS waarmee hij als nieuwbakken tv-regisseur naar de Reyerslaan reed, en ten slotte de felrode Mercedes Cabrio uit 1936 waarmee hij zijn bruid Pascale Naessens, die kookboeken omzet per gros, op een tintelende dag naar het stadhuis van Antwerpen reed. Daar liet hij zich de toejuichingen van het ruime publiek welgevallen, alsmede de buitensporige aandacht van de media. Hij deed het zo te horen ook een beetje voor Pascale, die toen nog geen kookboeken omzette en gewoon fotomodel was, een oud ambacht. Nadat Paul Jambers bekend had dat hij, hoe je hem ook wendde of keerde, een stamboek-Antwerpenaar was, dirigeerde Luk Alloo hem naar het stadhuis van Antwerpen, waar hij zich voor de human interest hardop zijn huwelijksdag moest herinneren, zogezegd. Uiteraard liep hij er – nóg spontaner hoefde het voor mij niet te worden – de zittende burgemeester tegen het lijf met wie hij per se wilde nakaarten over ‘Jambers in de politiek’, een gelegenheidsprogramma dat ik niet tot zijn meest memorabele werk reken. De burgervader en de stamboek-Antwerpenaar waren scheutig met wederzijdse complimenten: Jambers bracht zijn verhalen volgens Bart De Wever ‘heel puur en vrij van sensatiezucht,’ en Bart De Wever was volgens Jambers de politicus die het meest ‘zichzelf bleef’ en daarbij ook nog eens zo ‘authentiek’ als de lijkwade van Turijn was. ‘Authentiek’ is net zo’n twijfelachtig begrip als ‘normaal’ – men bezige het dan ook met de grootste omzichtigheid. Dit publieke onderonsje duurde me veel te lang en het leven is zo al kort genoeg.


Karen & De Coster

VIER – 9 september

De sfeer van ‘Karen & De Coster’, een discussieprogramma voor het hele volk en een stuk of wat omstanders, herinnerde mij aan een uitspraak van Winston Churchill: ‘Het beste argument tegen de democratie is een gesprek van vijf minuten met de gemiddelde kiezer.’ Behalve een groot staatsman was Churchill ook een groot drinker en sigarenroker en, alsof het niet op kon, ook een geestig causeur. Onder het genot van whisky (Johnny Walker) of cognac (Hine) heeft hij ooit gezegd: ‘Democratie is de slechtste staatsvorm, alle andere staatsvormen niet te na gesproken.’ Waarna hij routineus een Cubaanse sigaar van het merk Romeo Y Julieta in stelling bracht. Dat ‘Karen & De Coster’ mij aan bon mots van Churchill doet denken, is wellicht het alleraardigste dat ik over dit programma te melden heb.

In de tweede aflevering vroeg Gilles De Coster, gewezen keurpersoneel van Radio 1, aan de aanwezige menigte of Wilmots, de bondscoach, moest hangen. Niet dat hij zich zo barbaars uitdrukte, want Gilles heeft, voor Woestijnvis en De Vijver hem in verleiding brachten, goede manieren geleerd bij de nieuwsdienst van de openbare omroep. Er kwam een supporter van het nationale elftal aan het woord, een latente bondscoach, die zich een gezaghebbende toon aanmat en met stemverheffing zegde dat Wilmots op staande voet zijn congé moest krijgen. Een andere supporter, die een minder grote mond opzette, vond dan weer van niet. Er kwamen ook twee journalisten aan bod: de ene staat in sportkringen om zijn deskundigheid bekend en de andere dan weer niet, maar in de geest van dit programma deed hun mening er evenveel toe, als ze er al toe deed. Marc Wilmots zelf was niet te bekennen, waardoor hij de beste stuurlui ook niet van repliek kon dienen. Dit opbod van welles en van nietes leek dan ook sprekend op achterklap, een populair volksvermaak.

Gilles De Coster zei dat er in Vlaanderen almaar meer vluchtmisdrijven werden gepleegd, waarna de camera zijn blik op nabestaanden van verkeersslachtoffers vestigde: één van hun naasten was doodgereden, en de alcoholhoudende doodrijder had zich ijlings uit de voeten gemaakt. Ik stelde me in op geroep om de doodstraf of om levenslange opsluiting in een cel ter grootte van een lijkkist, maar de familieleden van de slachtoffers gingen zich, ondanks hun verdriet, niet te buiten aan uitslaande wraakgevoelens: ze hadden er moeite mee dat de pleger van het vluchtmisdrijf ’s middags werd opgepakt en ’s avonds alweer los mocht lopen, een ongenoegen dat ik in hun situatie volstrekt redelijk vind. Peter D’Hondt, de politierechter van Dendermonde, probeerde het spanningsveld tussen de complexe juridische realiteit en de werkelijkheid van alledag toe te lichten, díé werkelijkheid waar Karen Damen dan weer alles over schijnt te weten. In een opwelling, en dus zonder argumenten, viel ze D’Hondt in de rede – ‘Oe roar ies da?’ – maar uit hoofde van zijn ambt had hij, gehuld in een te gekke toga en kek gebeft, al voor hetere vuren gestaan. Karen Damen, naar wie dit programma óók is genoemd, doet dienst als verpersoonlijking van het Gesundes Volksempfinden met een Antwerpse tongval, en ook als uitzendkracht die hier en daar in eigen lijve problemen op hun problematiek gaat uittesten, ook met een Antwerps accent. Kwestie van zo natuurlijk mogelijk over te komen bij andere natuurlijke Antwerpenaren. Naturel in Vlaanderen is: geen Nederlands willen of kunnen spreken, zelfs al heb je dan een baantje bij de televisie.

De schrijver Herman Brusselmans kwam net als de avond tevoren bij ‘Van Gils & gasten’ zijn beklag doen over een mobiliteitsprobleem in Gent, waar de ene omleiding naadloos in de andere overloopt. Sommige Gentenaars komen dan ook nooit meer thuis. Karen Damen ging na of Herman Brusselmans’ ergernis gegrond was. We zagen hoe ze in Gent nergens heen reed en tot de conclusie kwam dat het mobiliteitsprobleem er net hetzelfde was als in Antwerpen. Ze kwam dan ook tot de slotsom dat de schrijver overdreef. Er kwam ook nog een professionele Gentenaar aan het woord, wiens redenering ik preventief vergeten was voor hij er een punt achter had gezet. Nog een geluk dat Herman Brusselmans nog net kon zeggen dat zijn nieuwe roman ‘Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus’ heet.

Ergens te lande hadden op- en aangeschoten jongens, in de uitlooptijd van een feestje bij een plaatselijke voetbalploeg, enige schade aangericht in de belendende percelen. Een eigenaar van zo’n tuin zon op wraak, ontdekte een juridische feil bij de voetbalploeg, en zorgde ervoor dat er ’s avonds niet meer getraind mag worden bij kunstlicht, wat zo te horen al jaren de hele werking van deze sportvereniging belemmerde. Karen Damen belde even bij de kwaadwillige buurman aan, die, ook al was hij op zijn verzoek onherkenbaar gemaakt, al snel een schoolvoorbeeld van de Universele Klootzak bleek, zo’n vent voor wie een levenslange burenruzie zijn lust en zijn leven is. Wat moet je aanvangen met zulke kankers in het sociale weefsel? Een enkele keer kan ik, tot mijn schaamte, van pure machteloosheid de gedachte aan pek en veren niet onderdrukken.

Er was in ‘Karen & De Coster’ ook een rubriek, de uitsmijter van het programma zelfs, aan Universele Klootzakken gewijd: hufters die op sociaalnetwerksites vinden dat vluchtelingen – geen half werk – gebombardeerd moeten worden, of dat Karen Damen een kopstoot toekomt. Ze wanen zich natuurlijk onnaspeurbaar, maar dat is dan buiten Eric Goens gerekend, die hen in het gezelschap van een cameraploeg in hun eigen huis ter verantwoording komt roepen. De miese mannetjes die in de deuropening verschenen, bleken er uit te zien zoals ik me ze had voorgesteld: de vorm klopte met de inhoud. En maar jokken. En maar minimaliseren. En maar staande houden dat ze eigenlijk humoristen zijn. Zulke sukkels op de televisie lik op stuk geven is dan weer een openbare wraakoefening waarbij ik me afvraag of ze wel deugt als volksvermaak. Op z’n best is ‘Karen & De Coster’ een uitlaatklep, maar ter bescherming van mijn toch al broze mensenliefde kan ik maar beter niet elke week naar dit programma kijken.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234