null Beeld

Radio Gaga in woonzorgcentrum Godtschalck: 'Het is hier goed. Maar ik mis mijn vrouw, en ook een beetje de zee'

Aflevering drie van ‘Radio Gaga’ is er eentje over de zee, maar vooral ook over de liefde. En over de leegte die gaapt als ze op het eind allebei wegvallen. Staplaats van de Gaga-caravan? Het graspleintje voor het imposante gebouw van Godtschalck, een woonzorgcentrum in Oostende.

Godtschalck is geen doorsnee bejaardentehuis. ‘Wij geven voorrang aan mensen die minstens tien jaar hebben gevaren,’ verduidelijkt directrice Charlotte De Laere. ‘Het hoeven niet per se vissers te zijn; scheepvaarders van de lange omvaart en de koopvaardij vallen ook onder de voorrangsregel.’

Het interieur verraadt de maritieme insteek: overal boten. Alleen zijn ze gekrompen tot dwergformaat of zijn ze op flessen getrokken. Op de gang hangen foto’s van alle bewoners, netjes gerangschikt volgens hun afdeling: De Vuurtoren, De Duinen, De Zandbank, De Vismijn. In de cafetaria – ik zoek vergeefs naar het bordje ‘De Kombuis’ – vind ik Liliane. Ze is net aan haar Tour de France bezig. Het is een idee van het animatieteam van Godtschalck, waarvoor ze de mosterd gingen halen bij ‘De helaasheid der dingen’. Charlotte: ‘We hebben hier een hometrainer neergezet. Als de bewoners daar 650 kilometer op fietsen, dan trakteer ik iedereen op een ijsje. Alles om hen aan het bewegen te krijgen, hè. Alleen hoeven ze niet bloot te fietsen zoals in die film (lacht).’

Zodra haar kilometers erop zitten, trekt Liliane terug naar de kamer waar haar man Norbert in bed ligt, zich niet meer bewust van de wereld om hem heen. Hij is hier in 2012 opgenomen. Drie jaar lang heeft Liliane hem thuis verzorgd, tot het echt niet meer ging.

Liliane Boedt (78) «Hij liep voortdurend weg. Dan kwam ik ’s ochtends de badkamer uit en was hij verdwenen. Ik was geen seconde meer gerust. Uiteindelijk heeft onze kleinzoon hem ervan overtuigd naar het ziekenhuis te gaan. Hij bleek te veel hersenvocht te hebben. Dat drukte op zijn hersenen. (Met tranen in de ogen) Toen kreeg ik hem niet meer mee naar huis.

»Achteraf denk ik dat Norbert al lang besefte dat het niet goed met hem ging. Hij maakte al jaren telegeleide bootjes – allemaal vissersboten. Helemaal op het eind heeft hij nog geprobeerd om een nieuwe boot te maken. Hij had al het materiaal gekocht en was er zoals gewoonlijk mee aan de slag gegaan in de garage. Opeens kwam hij me halen: ‘Kom eens, ma. Het gaat gelijk niet.’ Ik kwam binnen en zag meteen: ‘Wat is me dat hier?’ Hij was al bezig met de bovenbouw, maar de romp was nog niet in orde. ‘Paatje!’ zeg ik. ‘Ik ken er niet veel van, maar ik denk niet dat je op het juiste spoor zit.’ Hij heeft de grote voorhamer genomen en alles kapotgeslagen. Daarna kieperde hij al zijn mooie boten in de vuilnisbak.

»Ik ben blij dat hij hier meteen terechtkon, maar het is allemaal zo rap gegaan. Ik heb het er nog altijd moeilijk mee. Het eerste wat ik elke ochtend doe, is even met mijn hand over zijn lege plek in het bed wrijven: ‘Paatje, nog een paar uurtjes en ik ben weer bij je.’ Tegen halfelf ben ik hier en ik ga pas naar huis na het avondeten. Sinds kort heeft het personeel me wel zover gekregen dat ik toch één dag thuisblijf en voor mezelf zorg. Anders is het niet vol te houden.»

undefined

null Beeld

undefined

'Liliane: 'Ik ben blij dat Norbert in Godtschalck terechtkon, maar ik heb het er nog altijd moeilijk mee. Het eerste wat ik elke ochtend doe, is even met mijn hand over zijn lege plek in het bed wrijven.'

HUMO Hoe hebben Norbert en jij elkaar leren kennen?

Liliane «We kenden elkaar als kind al. Later is mijn zus met zijn broer getrouwd en zo zijn we elkaar weer tegengekomen. Toen is de vonk overgeslagen.

»Norbert was visser. Hij werkte in ’t machien. Tien jaar lang heeft hij op IJsland gevaren. Ze gingen er vissen op kabeljauw en op schellevis. Toen stopte de firma ermee en stond Norbert op straat. Hij ging solliciteren bij de kleine firma’s, maar die wilden hem niet omdat hij kleurenblind is. Op de grote boten was dat geen probleem, maar kleine vissersboten varen ook ’s nachts uit en dan moet je de lichten op de kust kunnen zien. Negen maand heeft hij thuisgezeten. Elke dag trok hij naar de kade, naar de vismijn, om te kijken of er geen werk was. Toen heeft hij een job gevonden bij het Zeewezen, op de maalboten, die de overzet deden van Oostende naar Dover.»

HUMO Wat hield zijn job precies in?

Liliane «Dat ik het niet weet! Ik heb nooit één voet in zo’n machinekamer gezet. Veel te warm. En op zee begon mijn maag altijd te draaien. Norbert had daar geen last van. Alleen op zijn eerste reis. ‘Het enige wat helpt,’ zei hij altijd, ‘is een droge boterham.’

»Norbert kwam uit een vissersfamilie. Hij ging al varen op zijn 17de. Om op de IJslandse visgronden te raken, waren ze twee, drie dagen onderweg. Een reis duurde gewoonlijk drie weken. Daarna was hij drie dagen thuis. Later werden het zelfs reizen van zes weken. En al die weken op zee had ik geen contact met hem. Hooguit kreeg ik eens een kaartje. In het begin heb ik moeten wennen aan de eenzaamheid. Zeker toen er kinderen kwamen – twee meisjes en een knecht. Bij slecht weer ging ik kapot van de zorgen. Ik heb veel geweend, ik durf dat te zeggen.

»Eén keer is Norbert tijdens een storm overboord geslagen. Maar de volgende golf heeft hem weer aan boord getild. Een vriend van hem heeft het me pas twee jaar later opgebiecht. Toen ik vroeg waarom hij me dat nooit had verteld, zei hij: ‘Je hoeft dat niet te weten.’ Zo zijn vissers: het zijn geen grote praters. Als hij een paar dagen thuis was, dan werd hij graag met rust gelaten. Maar aan de kinderen vertelde hij wel zijn wilde verhalen over het ‘Gat van IJsland’. Leute dat de jongens dan hadden! Da’s een legendarisch gevaarlijke plek: soms waren ze er in een uur doorheen; andere keren werd hun schip de speelbal van de golven, deden ze er drie dagen over en bleef er geen enkele ruit van hun boot heel.

»De visserij en de mijnen, dat zijn de hardste beroepen. En toch was Norbert liever op zee dan op het land. Had hij de kans gekregen, hij was onmiddellijk weer op IJsland gaan varen. Dat heeft hij enorm gemist. In het Zeewezen werkte hij niet zo graag. Hij noemde dat ‘politie-uren’: elke dag op hetzelfde uur beginnen en weer stoppen. Ik was wel blij dat hij vaker thuis was, maar de grote bokaal ingelegde kreeftjes die hij altijd meebracht uit IJsland, die miste ik wel (lacht).»

Hoe vissers verder nog zijn? Volgens Liliane aan de ruwe kant, maar met een gouden hart. ‘Ziek of zeer? Dat kende Norbert niet.’ En dat hij zijn vinger eens bijna had afgesneden, bij het knippen van de haag. Maar zelfs toen vond hij een dokter overbodig.

Nu ligt die stoere vissersbonk hulpeloos in bed. Zijn slab hangt over de leuning van een stoel en er ligt babyspeelgoed op de tafel. Om de paar minuten lijkt het alsof hij rechtop wil gaan zitten om me te vragen wat ik in godsnaam in zijn kamer doe. Hij kijkt me wel aan, maar zijn blik staat op oneindig. Dan laat hij zich weer met een plofje in zijn kussens vallen.

Liliane «De zee, dat was zijn leven. Na zijn pensioen is hij er altijd naar blijven terugkeren. Het moet heel hard voor hem geweest zijn om het begin van zijn aftakeling nog bewust mee te maken. Dan ging hij naar de badkamer en wist hij niet meer hoe hij zich moest wassen. Stelde ik voor te helpen, dan wimpelde hij me weg: ‘Het zal wel gaan.’ Maar op het einde kwam hij het me zelf vragen: ‘Wil jij mijn rug wassen?’ Verder dan wat met zijn handen in het water spatten, kwam hij niet meer.

»Mocht hij weten dat hij hier nu zo lag, hij zou het vreselijk vinden. Hij heeft altijd gezegd dat hij zo niet wilde eindigen – we hadden het weleens over de stek (als in: een euthanasiespuitje, red.). Dan zei ik: ‘Pa, je moet papieren tekenen.’ Maar dat wilde hij niet. En nu valt er niets meer aan te doen, hè.»


Bootshowers

Roger herinnert zich nog de glorietijd, toen er in Oostende wel 250 schepen lagen. ‘Daar blijven er nu misschien 20 van over.’ Toen zijn vrouw Lyliane ziek werd – ze heeft alzheimer – zijn ze naar Godtschalck gekomen.

Roger Goutsmit (87) «Ik heb 40 jaar gevaren. Ik kom uit een echt vissersgeslacht. En toch wilde mijn vader niet dat ik ook ging varen. Tijdens de oorlog waren we naar Engeland gevlucht en daar had ik drie jaar middelbare school gevolgd, vandaar. Ik zat op het Belgische college in Schotland. Tot de directeur me van school stuurde, omdat ik hem had tegengesproken. Hij wilde dat ik mijn moeder schreef dat ze me geen pakketjes met chocolade meer mocht opsturen. Ik weigerde, waarop hij: ‘Buiten!’ Toen moest ik wel gaan werken van mijn vader. Jarenlang heb ik samen met hem een boot gehad.»

undefined

null Beeld

'Zou je geloven dat ik nog altijd droom van de tijd dat ik viste? De zee gaat nooit uit je gedachten' Roger

HUMO En jij zag geen graten in een bestaan als vissersvrouw, Lyliane?

Lyliane Helsmoortel (84) «Wist ik toen veel dat hij zo vaak van huis zou zijn. Maar we hebben altijd een goeie ménage gehad.»

Roger «Als ik thuiskwam, was het altijd nieuwe liefde.

»Mijn tante had een café. Op een keer kwam ik binnen en daar stond Lyliane. Ik zeg: ‘Wie is dat snel mokstje?’ Bleek ze het huishouden van het café te doen.»

Lyliane «Ik kwam bijna nooit in het café, zat altijd in de keuken achteraan. Alleen om de hardgekookte eieren te brengen die ze toen verkochten, moest ik af en toe achter de toog zijn. Op een keer moet hij mij daar gezien hebben. We zijn nu 65 jaar getrouwd. ’t Was wel van moeten.»

Roger «Vroeger had je drie soorten vissersboten: je had de IJslandvaarders – die hadden het het zwaarst. Dan had je de middenslagschepen, zoals het onze. Wij visten van Noorwegen tot Ierland en de Noordzee. En dan had je de kustvisserij. Wij noemden dat de luxevisserij, omdat ze nooit langer op zee waren dan vier, vijf uur.»

Lyliane «De bootshowers, zeggen ze in Oostende.»

Roger «Wij waren altijd twee tot drie weken van huis. Alleen in de wintermaanden waren we elke dag thuis, omdat we dan dicht bij huis op haring gingen vissen.»

Lyliane «Ik had een radio, waarmee ik hem kon horen op zee. Dan wenste hij de kinderen slaapwel via de radio.»

Roger «Visser zijn, dat zit in je bloed. Vroeger gingen we vaak op vakantie naar de Ardennen of naar Oostenrijk. Zodra we Brugge naderden, kon ik de zeelucht van Oostende al ruiken en voelde ik me weer thuis. Gezonde lucht. Gezonde mensen ook, vissers.»

HUMO Wat was het fijnste aan dat varen?

Roger «Naar huis komen, natuurlijk (lacht).

»Het is een zwaar beroep. Eén keer ben ik in de lucht gevlogen. We hadden een torpedo opgevist.»

Lyliane «Er ligt nog veel van die vuiligheid in zee.»

Roger «Een andere keer hadden we grondzee. Dat krijg je als het zeewater zich met het zand op de bodem vermengt. Zo’n krachtige golf van water en zand sloeg tegen ons schip en vaagde de hele bovenbouw weg. Wij zaten gelukkig onder dek. Toen we de haven binnenliepen, stond het staketsel vol nieuwsgierigen.»

HUMO In vergelijking met dat avontuur moet het leven in Godtschalck maar saai zijn.

Roger «Ach, ja. Ik zit veel op mijn computer (wijst naar een laptop op tafel). Niemand die dacht dat ik dat op mijn 65ste nog onder de knie zou krijgen, maar ik heb intussen al vier laptops versleten.»

HUMO Waar surf je zoal naartoe?

Roger «Naar foto’s van vissersboten. Ik heb intussen een verzameling van zo’n 3.000 foto’s. Dan stop ik ze in een diavoorstelling en laat ik ze één voor één aflopen: ‘Kijk, da’s nog een schip van mijn nonkel.’

»De zee gaat nooit uit je gedachten. Zou je geloven dat ik nog altijd droom van de tijd dat ik viste? Soms zijn het domme dromen. Dat ik met mijn boot aan het vissen ben in de Kappellestraat in Oostende. Maar verklaar me nu niet zot.»


50 broden

Ook Tjanie Nys was visser, maar van heimwee naar het vissersbestaan is bij hem geen sprake. Op de vraag of hij het een fijne job vond, klinkt het antwoord resoluut: ‘Nee.’

Tjanie Nys (75) «Het was vooral hard labeur. Als ik nu jongens van 14 zie, dan zou ik haast niet geloven dat ik op die leeftijd al op zee zat.

»Ik ben in zee gegaan met mijn vader – hij was toen schipper op de Zeebrugge 528. Eerst was ik lichtmatroos, dan matroos, dan stuurman. De schepen hadden toen niet het minste comfort. Je ging aan boord en kwam 17 dagen later in dezelfde kleren weer thuis. Al die tijd kon je je niet wassen – er was niet genoeg water aan boord. Nog een geluk dat iedereen even hard stonk. Een wc was er ook al niet. Bij mooi weer zaten we met onze kont over de rand van het schip. En anders deden we het in een klein haringvat. We sliepen in een kleine kooi, met z’n vijven bij elkaar. Om de beurt hielden we drie uur de wacht. Maar als er veel gevangen werd, kwam je zelfs niet aan slapen toe. Eén keer heb ik 24 uur op dek gestaan: netten herstellen, vis kuisen, vis wegsteken tussen het ijs. Wij voeren op het Kanaal, naar Ierland, naar Denemarken, de Duitse Bocht. We visten op tong, platvis, rog – een beetje van alles.

»Op elke reis namen we 50 broden mee. Die lagen op een zeildoek boven op het ijs in het ruim. Na een dag of zes varen moest je de bovenste laag van het brood – die was zompig geworden van het ijswater – en de schimmelplekken eraf snijden. Ook het vlees bewaarden we op het ijs. Wilde je het bakken, dan moest je het eerst afwassen – het zat onder het slijm en de viezigheid. Het was altijd de motorist die kookte. Ooit hadden we er één die zelfs geen patat kon schillen. Slecht gegeten, die reis!»

[

null Beeld

undefined

'Dat vissers veel drinken, da's een fabeltje. Wij namen één bak bier mee, meer niet. Maar elke ochtend dronken we wel onze poester: een geut cognac in onze koffie.' Tjanie

HUMO Verdiende het dan tenminste goed?

Tjanie «Maar nee! Bracht een schip 100.000 (oude Belgische frank, red.) bruto op, dan kreeg de matroos 5 procent. En dan had je ook nog eens allerlei kosten: je eten voor aan boord, je sigaretten, de drank. Pas op: dat vissers veel drinken, da’s een fabeltje. Wij namen één bak bier mee, meer niet. Maar elke ochtend dronken we wel onze poester: een geut cognac in onze koffie. Na zo’n reis waren we de alcohol niet meer gewoon. Als we dan aan land kwamen en op café gingen, dan waren we al dronken na een paar pinten. ‘Zie die zatte vissers daar,’ zeiden de mensen dan. Ik vond dat schandalig.»

HUMO Vissers hebben ook de naam bijgelovig te zijn.

Tjanie «Zag je een zwarte kat of een pastoor in het zwart lopen, dan ging je de volgende dag niet in zee. Je mocht ook geen koekenbrood (rozijnenbrood, red.) meenemen. En een vrouw mocht het meertouw niet lossen. Anders werd je reis een ramp.»

HUMO Heb je spijt van je keuze voor de visserij?

Tjanie «Toch niet. Al mijn broers hebben gevaren. Zo ging dat: van vader op zoon. Ik heb het gedaan, tot ik verliefd werd op mijn vrouw. Zij stelde me voor de keuze: zij of de visserij. Ik heb voor haar gekozen. Ik ben toen voor de maalboten gaan werken. Ik deed dat graag, die overzet.

»Ik heb een heel goed huwelijk gehad. We hebben samen veel gereisd. We hadden nog een grote cruise gepland, maar het is er niet meer van gekomen. Mijn vrouw en ik zijn vorig jaar samen het ziekenhuis binnengegaan. Zij had kanker; ik was bijna helemaal blind. De kanker was uitgezaaid tot in haar hoofd, maar ik heb haar nooit horen klagen. Het laatste wat ik haar heb horen zeggen, was: ‘Hoe is het met je, ventje?’ Ik ben bij haar gebleven tot op het einde. Toen ze stierf, wist ik niet waarheen, dus ben ik naar hier gekomen. Op 5 januari, twee dagen na haar dood, ben ik hier ingetrokken.

»Als ik hier alleen zit, de herinneringen van mijn leven te overlopen, dan ben ik er soms niet goed van. Dan begint het te hard te malen. Daarom zit ik het liefst tussen de mensen. Dan zet ik me buiten, rook ik een sigaretje en doe ik een babbel met de andere vissers hier.»

HUMO Diepen jullie dan straffe vissersverhalen op?

Tjanie «Dat niet. Hooguit vertellen ze nog eens over de mooie meisjes uit de haven van Grimsby. Je had daar bepaalde, euh, etablissementen (lacht).»

undefined

'Vroeger hadden de schepen niet eens een wc: bij mooi weer zaten we met onze kont over de rand van het schip. En anders deden we het in een haringvat' Tjanie

HUMO Klopt het wat ze zeggen: dat vissers in elke haven een andere vrouw hebben?

Tjanie «Sommigen. Toen ik mijn vrouw nog niet kende, durfde ik er ook weleens van te profiteren.

»Sinds mijn vrouw is gestorven, hoef ik niks meer. Mijn potje koffie, mijn sigaretje en mijn muziek: meer heb ik niet nodig. Ik luister naar Barry White, Johnny Cash, Eddie Cochran, Elvis, The Beach Boys. Vroeger dansten mijn vrouw en ik op elk feest. Er was één nummer dat niemand ons kon afpakken: ‘I Will Always Love You’ van Whitney Houston. Kijk, ik krijg er nog altijd tranen van in mijn ogen. Echte, grote liefde, dat was het.

»Ik mag niet klagen: het is hier goed. Iedereen is vriendelijk en het eten is lekker. Maar er is één groot gemis: mijn vrouw. Zij, en ook een beetje de zee. Die ligt hier nochtans vlakbij, achter de duinen hier voor mijn raam. Sinds ze me hebben geopereerd en mijn zicht een beetje is hersteld, wil ik zo graag de zee nog eens zien. Je hebt hier een trap die helemaal tot boven op het duin gaat, dus ik hoef maar naar boven te stappen. Maar ik durf het niet: er is geen leuning aan de trap en ik ben bang om te vallen. Zou jij misschien aan de directrice kunnen vragen of ze geen leuning kan laten zetten?»


Alles over Radio Gaga »

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234