null Beeld

'Redderen zonder mopperen' Dwarskijker over 'Carnotstraat 17' en 'SPUL'

Dat je in 't hartje van Antwerpen zomaar een café 'In de Stad Aalst' kunt noemen, daar staat mijn verstand waarlijk bij stil.


Carnotstraat 17

Canvas – 6 december

‘Carnotstraat 17’: deze documentaire van Klara Van Es is tevens een Antwerps adres waar vluchtelingen, asielzoekers en illegalen doen alsof ze er na een barre omzwerving thuis zijn, terwijl ze hoogstwaarschijnlijk wel beter weten. Ooit, in tijden waarin hoop domweg tot de mogelijkheden behoorde, was Ciné Rubens in dit pand gevestigd, een riante bioscoop die over ‘het grootste scherm van België’ beschikte. Nu houdt er bijvoorbeeld een Armeens gezin zonder papieren verblijf: vier mensen die zich er al tien jaar lang op uitzetting instellen en er ondertussen, karig levend en nagenoeg rechteloos, het beste van proberen te maken. De twee dochtertjes genoten van hun argeloosheid, de moeder mopperde niet onder het redderen en de vader had zijn gedroomde toekomst al opgegeven, maar hij hield zich kranig, ook al liet zijn gezondheid nu al jaren te wensen over. Tien jaar lang in onzekerheid moeten verkeren is behalve een kwelling ook een schande. Twee Tibetaanse echtelieden hadden elkaar zeven jaar moeten missen, maar nu waren ze weer samen in de Carnotstraat. De vrouw vertelde dat ze tot haar vreugde appel- en walnotenbomen zag in België, en aardbeien. Toen dacht ze wonderlijk genoeg: ‘Net Tibet’, waarna ze vrede had met haar nieuwe plek op aarde. Zou ik ooit denken: ‘Net België’, mocht ik, door het lot uitgespuugd in Tibet, een aardbeienbed aanschouwen? We zagen de dalai lama die luider stemme Tibetanen in de diaspora toesprak: ‘Je moet je schamen als je als Tibetaan niets van de Tibetaanse cultuur afweet.’ De Tibetaanse vrouw maakte dan maar boterthee klaar, een lekkernij uit het land waar ze ooit jong was. Haar Tibetaanse man, aan wie ik niet kon aflezen hoe hij zich voelde, werd ondertussen tot schoonmaker opgeleid.

Een twintiger uit Afghanistan, nog een vakantiebestemming waar ik niet uit vrije wil geboren had willen worden, had zich voorgenomen om iets in het bouwvak te betekenen, meer bepaald in de bekisting. Hoewel hij zich soms heel ver van huis voelde, leek hij toch vooral opgeruimd, en opgewassen tegen een nieuw begin. Nog monterder leken me de Franssprekende zwarten uit Centraal-Afrika die graag in het kapsalon Chez Henricia rondhingen. Eén van hen zei: ‘’t Is hier als vroeger in Afrika, toen we ’s avonds in het dorp onder de grote baobab samenkwamen en eten en drinken deelden.’ Een andere zwarte wist dan weer dat hij zich in België altijd wel veel minder thuis zou voelen dan de gemiddelde Belg van eigen bodem. Zijn kinderen, die in Antwerpen opgroeiden, maakten zich vrolijk over zijn accent als hij zich, om eens lekker in te burgeren, even aan de Nederlandse taal waagde. Echte Belgische rotjochies, vrees ik, en ook nog eens van een Antwerpse tongval voorzien.

Alleen tijdens de Nederlandse conversatieles ontmoetten al die rassen, culturen en gezindten elkaar. Voor de rest plooiden ze, in de voorlopige verblijfplaats die in het Nederlands ‘thuis’ heet, op zichzelf terug.

Dat deden de geheel blanke kroegtijgers van café ‘In de Stad Aalst’, Carnotstraat 16, eigenlijk ook. Het waren geoefende bierdrinkers op leeftijd die weleens een redenering begonnen met ‘Ik ben geen racist, maar…’ Eén van hen vertelde dat hij, als hij eertijds in alle vroegte naar zijn werk toog, altijd een hamertje in een plastic boodschappentas bij zich droeg, kwestie van Marokkaanse straatrovers, voor wie hij ’m elke dag weer kneep, non-verbaal van repliek te kunnen dienen. Een andere stamgast kon nog navertellen dat hij al tot drie keer toe door een Marokkaan was overvallen, dríé keer. En die vreemdelingen kwamen nooit eens café ‘In de Stad Aalst’ binnen, ‘tenzij dan om te pissen’. Dansen deden ze ook niet, terwijl ‘onze Vlaamse muziek toch mooi genoeg is om op te dansen’. Deze mannen meteen als racist afserveren lijkt mij net iets te gemakkelijk in deze bewolkte tijden. Als ze door het raam van ‘In de Stad Aalst’ naar buiten keken, zagen ze een wemeling van rassen, nationaliteiten en gezindten, waardoor ‘thuis’ soms sprekend op ‘ver van huis leek’, en in ieder geval op ‘verder van huis dan ooit tevoren’. Uitheems was ineens al even inheems als zij. Dat deed hen denken aan alles wat in hun naaste omgeving zoek was geraakt, onder andere hun jeugd en de majestatische Ciné Rubens, ‘waar de baas van de ouvreuses nog een hoge hoed droeg’. En waar ze als kind ook al heen gingen met hun vader. Alleen café ‘In de Stad Aalst’, ook een plek waar ze met diezelfde vader kwamen, was bij het oude gebleven, al werd er niet meer op de tafels gedanst als vroeger. Dat ‘vroeger’, ieders verloren paradijs, werd in ‘Carnotstraat 17’ met bioscoopjournaals uit de jaren 60 verbeeld: we zagen galapremières van ‘My Fair Lady’ (1964), ‘Circus World’ (1964) en ‘Doctor Zhivago’ (1965). De commentaarstem noemde de notabele aanwezigen op: ‘De burgemeester, volksvertegenwoordigers, hoogwaardigheidsbekleders van het leger, directeuren van grote bedrijven.’ En het woord ‘cinema’ kon je toen nog zonder noemenswaardige hoon op je te laden als ‘kinema’ uitspreken. De vertrouwde wereld was even hiërarchisch als overzichtelijk – men kende z’n plaats nog, vooral tijdens een galapremière in Ciné Rubens. In die specifieke jaren 60 moesten de eigenlijke sixties dus nog beginnen, en het onheilspellende heden was nog te veraf om er bang voor te zijn.

De documentaire ‘Carnotstraat 17’ vervulde me niet meteen met hoop. Ze fluisterde me ook geen eigentijdse uitsmijter als ‘’t Komt wel goed’ in, maar ze was me toch een genoegen, ook esthetisch. Daarbij denk ik niet alleen aan de elegante beeldvoering en de gave constructie, maar ook aan de nevelige jazz van Jef Neve, een weemoedig gerucht aan de horizon.

Nog even een kanttekeningetje in de gauwigheid: dat je in ’t hartje van Antwerpen zomaar een café ‘In de Stad Aalst’ kunt noemen, daar staat mijn verstand waarlijk bij stil. Wat op zich geen onaangename gewaarwording is.

undefined

null Beeld

'Iets kan tegelijk waar en niet waar zijn, bedenk ik ineens: een schier bovenmenselijke sportprestatie onder invloed van doping, bijvoorbeeld'


Spul

Canvas – 8 december

Er moet mij iets van het hart. Als ik me kort na het eerste digitale hanengekraai doorheen twee kranten sla, is het me al herhaaldelijk opgevallen dat kwaadspreken over Canvas stilaan wel erg gebruikelijk is. De mediawatchers – geen knelpuntberoep – die zich daartoe lenen, gaan er denkelijk van uit dat kwaliteit uitsluitend in hoge kijkcijfers tot uitdrukking komt, wellicht omdat ze zich niets anders bij ‘kwaliteit’ kunnen voorstellen. In wiens opdracht maken ze zo naarstig stemming tegen Canvas? Ze doen dat vast niet uit persoonlijke bezorgdheid om de toekomst van de openbare omroep.

Onlangs verheugde het me dat de waarachtige schrijver Herman Brusselmans Canvas toejuichte in de eindejaarsvraagjes van het prachtblad Humo waarin u nu, alsof de duvel ermee gemoeid is, spinnend van welbehagen zit te lezen. In ‘Winteruur’ (Canvas), een programma dat me inmiddels dierbaar is, zei diezelfde Herman Brusselmans dat de humor van de oergeestige Nederlandse cabaretier Herman Finkers ‘niet voor iedereen is’. Dat sommige humor ‘niet voor iedereen is’ vond hij, net als ik, helemaal niet erg. Ik vind het ook een zegen dat er nog tv-programma’s bestaan die niet op ‘iedereen’ mikken. Je ziet ze in het Tochtgat aan de Noordzee nog het vaakst op Canvas. In gedachten draai ik thans ‘I’m Not Like Everybody Else’ van The Kinks. En nu als de bliksem ter zake.

Op Canvas – ook toevallig – zag ik laatst de eerste aflevering van ‘Spul’, een programma waarin Jan Antonissen en Guillaume Graux de parallelle sportwereld van de doping betraden, zonder moralistische bedoelingen. Daartoe voerden zij enkele notoire dopinggebruikers op, die zich hun gewoontes van weleer nog levendig herinnerden en er ook openlijk over durfden te spreken. Mogelijk omdat ze op sportgebied niets meer te verliezen hebben.

Van alles wat de sterveling afleiding bezorgt, interesseert sport mij nog het minst, maar na één minuut ‘Spul’ – rake titel – was ik al verkocht. Ik wist ook snel dat sport hooguit een soort achtergrondprojectie in dit programma was. Ook in scènes die zich bij klaarlichte dag afspeelden, hing er een schimmig sfeertje – een stemming die er de juiste dramatische spanning aan gaf.

De Italiaanse voetballer Gianluca De Ponti sprak te zijnent over de ‘medicijnen’ die hem tijdens zijn voetbalcarrière vleugels hadden gegeven op de grasmat. Waar zo’n ‘ontstekingsremmer’ al niet goed voor was. In de kamer waarin hij souvenirs aan zijn glorietijd bewaarde, wees hij op foto’s van voetbalteams andere gebruikers van ‘medicijnen’ aan, zijn tijdgenoten die haast allemaal aan de gevolgen van een tumor waren overleden. Nu ja, er zaten ook een paar doodgewone hartaanvallen tussen. ’t Was een pakkende scène, hoe laconiek of gelaten hij ook tegen het noodlot van voormalige dopinggebruikers leek aan te kijken. Zelf had hij ook al twee keer een hersentumor overleefd, waardoor hij nu een weke plek in zijn schedel had, een fontanel op latere leeftijd. Een kopbal zit er vast niet meer in. Het is me bekend dat Gianluca De Ponti, in een bontjas gestoken, zich soms met een eend aan de leiband in het Italiaanse straatbeeld vertoonde toen hij nog beroemd was. Dat moet één van de grappiger bijwerkingen van zijn ‘medicijnen’ zijn geweest.

De sprinter Ben Johnson ziet er nog steeds als een fokexemplaar uit: een meesterwerk van strakke spieren met een hoofd erop – God moet er erg veel zin in hebben gehad toen hij Ben Johnson schiep. Zo te zien traint de atleet nog dagelijks om zijn lichaam in vorm te houden. Wellicht had God er ook veel zin in toen Hij de godgelijke sprinter ten val bracht tijdens de Olympische Spelen in Seoul, waar hij positief testte. Ben Johnson sprak waardig en beheerst over de funeste gevolgen van een heuglijke dag waarop zijn trainer had gezegd dat steroïden stilaan aangewezen waren, ‘want de concurrentie gebruikt die ook’. Zijn angst voor naalden zou hij wel overwinnen – ‘Angst voor naalden overwinnen is misschien wel het begin van alle topsport,’ zei iemand uit het curlingmilieu me laatst. Wat ik in het curlingmilieu te zoeken had, houd ik voorlopig nog even voor mezelf.

Gewezen wielrenner Kenneth Mercken kon het ons nog sterker vertellen, en reken maar dat hij dat niet naliet. Ooit was hij een cocktail van epo, groeihormoon, amfetamines et j’en passe. Ter kennismaking had een gespecialiseerde arts hem ooit een dopingspuit tussen de wenkbrauwen geplant. Hij herinnerde zich hoe hij zichzelf magnesium leerde injecteren: ‘Die spuit had wel iets,’ vond hij. De invloed van de vader van Kenneth Mercken, een gefnuikt wielrenner, bleek ook een soort doping te zijn. Pappie was in ieder geval iemand die stimulerende middelen een uitstekend idee vond voor zijn wielrennende zoon, want alleen winnen telde, tot elke prijs. Op het internet vond ik een tekstje waarin Mercken zijn opvoeding toelichtte: ‘De helden van mijn jeugd waren mijn oudere broer en mijn vader. Van hen leerde ik dat je alleen maar een echte man kon zijn als je stevig kon drinken, goed met wapens en je eigen vuisten kon omgaan, en snel met een wagen kon rijden, het liefst dronken. Uitblinken in een sport was ook een vereiste.’ Noem het maar gezelligheid.

Op een dag daagde het Kenneth Mercken dat groeihormoon ook een eventueel kankercelletje meer levenskracht geeft dan gezond is voor een mens. Toen besliste hij ermee te kappen, zei hij in ‘Spul’. De wijze woorden van zijn vader waren: ‘Wat stelt zo’n kans op kanker nu voor in vergelijking met een overwinning?’ Wat Kenneth dan weer een romantische gedachte vond. De vader roerde zich een paar keer op de achtergrond in deze aflevering van ‘Spul’: als hij zijn zonnebril even afzette, een pilotenmodelletje, las ik in de blik van dit gespannen alfamannetje dat er niet met hem te spotten viel. Daar ging hij althans van uit. Ik las ook dat je een ram voor je bek kon krijgen als je hem een fractie te lang aankeek. Iets anders vermag de oogopslag van testosterongevallen doorgaans niet uit te drukken, zelfs niet als ze de pijn van een sleutelbeenbreuk staan te verbijten.

null Beeld

Kenneth Mercken, die nog altijd aan de wielrennerij en aan winnen verslaafd beweert te zijn, heeft zich ondertussen de beginselen van de filmkunst eigen gemaakt aan het RITCS. Hij zal dus wel van drama houden, en weten hoe het werkt. Die voorliefde heeft mogelijk zijn getuigenis in ‘Spul’ bijgekleurd, maar wat dan nog? Se non è helemaal vero, dan had het in ieder geval waar kúnnen zijn. Iets kan tegelijk waar en niet waar zijn, bedenk ik ineens: een schier bovenmenselijke sportprestatie onder invloed van doping, bijvoorbeeld. ‘Spul’ is een programma over de mens die, glorieus en tragisch tegelijk, tegen la condition humaine indruist. Vergeef me de gedragen toon van voorgaande zin. De eerste aflevering van deze serie deed me in ieder geval uitzien naar de tweede. Zo hoort dat in het beste geval.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234