null Beeld

Review: Buffalo Tom - Let Me Come Over

Amerikaanse gitaargroepjes hebben het niet gemakkelijk in dit post-Nirvana tijdperk. Jarenlang hebben ze ongestoord hun zin mogen doen: ze konden staan mekkeren dat ze niet begrepen werden, dat geen hond hun platen kocht, de grote maatschappijen hen ...

Amerikaanse gitaargroepjes hebben het niet gemakkelijk in dit post-Nirvana tijdperk. Jarenlang hebben ze ongestoord hun zin mogen doen: ze konden staan mekkeren dat ze niet begrepen werden, dat geen hond hun platen kocht, de grote maatschappijen hen geen kansen gaven en ze als Amerikaans gitaargroepje gedoemd waren om tot het einde der dagen Zo Goed Als Niks Voor Te Stellen. En opeens staan die drie zwijnen van Nirvana overal op 1, rijdt Kurt Cobain met een schandalig dure décapotable door de bossen van Seattle, en ruiken oksels wereldwijd naar iets ondefinieerbaars als teen spirit. Het varken uithangen en toch rijk en beroemd worden, het kán plotseling, en er is geen enkel excuus meer om het niét te doen. Kenners fluisteren dat de gitaargroepjesmarkt op een crash afstevent. Kwatongen beweren dat dat nu net de bedoeling was. Dat de business redeneerde: laat er ééntje toe tot de top, de rest spartelt zichzelf wel te pletter of conformeert of bloedt dood, we zijn in één keer van al die luidruchtige teringlijers af en iedereen koopt opnieuw plaatjes van Whitney Houston.

Gelukkig zijn de meeste van die teringlijers geen uilen. Neem Buffalo Tom: 'Let me come over' (de derde elpee) klinkt even hard en gedreven — en vooral: even weinig voorde-handliggend en commercieel als 'Birdbrain' ('91 en 'Buffalo Tom' ('89). Het is Tom Maginnis, Bill Janovitz en Chris Colbourn vooral om het gevoel te doen, om wat er in het diepste van hun gedachten borrelt en weent en huivert. Buffalo Tom-songs klinken soms als gemene trappen, soms als bars geweeklaag, meestal als vluchtpogingen uit het dooie bestaan der jonge Amerikaanse manskerels. Luister naar — respectievelijk — de raspe gitaren in 'l'm not there', naar de zee van zelfbeklag die 'Darl' heet, en naar 'Velvet roof', dat nerveus — en vruchteloos — een uitweg zoekt. Tom Maginnis is een buitengewoon uniek mens: hij zingt en spreekt tegelijk, durft tussen twee lijnen in naar adem te snakken of een seconde na te denken, alsof hij twijfelt aan wat hij zegt. 'Let me come over' is daardoor een aandoenlijk echte plaat, Maginnis rijt oude wonden open en duwt dan onmiddellijk zijn zakmes in je handen, zodat je je medeplichtig voelt en moeilijk anders kunt dan blijven kijken.

De vorige platen van Buffalo Tom werden door Dinosaur Jr. Jay Mascis geproduced. 'Let me come over' door Dinosaur-technici Paul Kolderie en Sean Slade. Dat is niet erg. Aan een mooigevuld emmertje tranen kun je weinig verkeerd doen.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234