null Beeld

ROA, artiest van 't straat

Slechts gewapend met een verfroller, een palet spraycans én zijn wild uitwaaierende verbeeldingskracht liet de Belgische straatkunstenaar ROA de voorbije jaren kolossale muur- schilderingen achter in onder andere Sydney, Johannesburg, Londen en Hasselt.

Hij opereert het liefst in de schaduw en laat zich nauwelijks strikken voor interviews. Maar als er ergens een top tien van de interessantste adepten van de street art verschijnt, staat zijn naam er steevast bij. Naar aanleiding van zijn allereerste tentoonstelling in zijn thuisland ging Humo maandenlang op de loer liggen, in de hoop een glimp van hem op te vangen.

'Ik neem het bloedserieus, maar het blijft verf op een muur, he'

In de prille lente van 2011 zie ik voor het eerst werk van ROA op het internet. Terwijl ik research doe voor een reportage over treingraffiti stoot ik op een filmpje over een verlaten fabriek waarin tientallen pieces van hem staan; via Google komen tientallen foto’s bovendrijven van fors uit de kluiten gewassen dieren in stijlvol zwart-wit.

Via via hoor ik dat hij uit Gent afkomstig is, wat later krijg ik zijn mailadres te pakken. Ik vraag ’m of ik met hem eens van gedachten kan wisselen over street art en graffiti. Hij stuurt een beleefd berichtje terug: dat hij eerst wil weten waarover mijn artikel zal gaan, en dat hij via mail wel wat vragen wil beantwoorden.

Ik laat ’m weten dat ik het wat groter zie, dat ik hem toch liever eens zou ontmoeten. Geen antwoord, ik dring niet verder aan. Maar ik blijf zijn verfspoor wél op de voet volgen via ge- specialiseerde blogs als Unurth en Street art Belgium: de kangoeroeschedels die hij achterlaat op autowrakken en roestige watertanks in australië, de apen en andere inheemse soorten op lemen hutten in Gambia, een monsterslang die een roedel ratten wurgt op een bakstenen muur naast een parkeerterrein in Mexico, ze doen me stuk voor stuk naar adem happen.

In oktober 2012 hoor ik dat ROA binnenkort in België exposeert (eindelijk!), en ik besluit het stof van onze communicatielijn te blazen en ’m opnieuw te mailen. Wederom krijg ik een even vriendelijk als gereserveerd antwoord: dat hij niet op zoek is naar media-aandacht en vindt dat zijn werk voor zich spreekt. Maar dat hij, wanneer hij in januari in het land is, gerust een pint wil gaan drinken om van gedachten te wisselen. niet dat hij meteen een interview wil weggeven, maar als het klikt, zien we wel verder. Fair enough.


Omerta

Ter voorbereiding probeer ik de puzzelstukken van zijn verleden als graffiteur in Gent op te graven: ik stuur een mailtje naar Resto, een vriend en collega van ROA met wie ik twee jaar geleden eens lang gebeld heb. Geen antwoord. Idem bij Bué The Warrior, wiens immer vrolijke en veelkleurige figuurtjes op tientallen muren in het Gentse en ver daarbuiten prij- ken: stilte.

Dan maar bellen naar Klaas Van der Linden, kunstschilder met een verleden in de graffiti. Gent is klein, de graffitiscene nog kleiner: kan niet anders of ROA heeft ooit zijn pad gekruist. ‘Ja, natuurlijk ken ik ’m, maar ik ga niks over zijn privéleven vertellen, dat zou hij niet appreciëren.’ Kiestoon.

Ik check bij een topper in het treingraffitimilieu van wie ik vermoed dat hij in het Gentse woont. ‘ROA? O ja, toffe gast, ik ken ’m redelijk goed. Speciale gast, wel. Niet zo tuk op de media, hè.’ Waarop ons gesprek zich vastrijdt. Oké: dat je in de graffitiscene niet direct ge- zellig op de koffie wordt verwacht vanwege een paar connecties wist ik ook wel, maar dit lijkt wel een milde omerta.

Dan maar bijlezen, in afwachting van een bericht van de man zelf. In een oud nummer van Juxtapoz lees ik dat er in 2011 werk van ROA te zien was in het MOCA (Museum Of Contemporary Art) in Los angeles: directeur Jeffrey Deitch had hem geselecteerd voor de prestigieuze expo ‘Art in the Streets’.

Zijn werk stond er zij aan zij met dat van graffitipioniers als Keith Haring, Lee Quinones, Fab 5 Freddy, Revok et al. Begrijpelijk: net als bij alle groten uit de street art herken je zijn werk in één oogopslag, ook al ondertekent hij zijn pieces nooit. Hij heeft zijn eigen stijl uit- gepuurd, wars van explosieve kleuren, bubbelletters of invloeden uit de wildstyle.

In filmpjes op het internet zie ik hoe hij te werk gaat: met een verfroller schildert hij de contou- ren en de romp van zijn dieren in witte en zwarte latexverf; vervolgens kleedt hij ze aan met een pels van korte zwarte streepjes uit een spraycan. Als hij uren later klaar is, prijkt er een dier op de muur dat roerloos én levend tegelijk is. Als je er maar lang genoeg naar kijkt, zou je zweren dat er kleine sidderingen door ze heen gaan, of dat ze in een onbewaakt moment vlug ademhalen.

Je stelt je voor dat ze, van zodra je je rug keert, een zucht van verlichting slaken en zich ontspannen, alsof ze die roerloze pose voor jou alleen aanhouden. Soms zit er alleen rottend vlees aan hun botten, soms helemaal géén, en vormt dat beest van drie op acht een statige ode aan de vergankelijkheid. ‘De weg van alle vlees’ zou een mooie tagline bij zijn oeuvre kunnen zijn. Niet slecht, voor een paar tientallen liters verf op een blinde muur.

undefined

Red het konijn
Dat ROA als enige Belgische straatkunstenaar opgenomen werd in een tentoonstelling in het MOCA is niks minder dan kunstgeschiedenis, maar hoe zit het met zijn impact op zijn natuurlijke biotoop – de straat? Ook daar lijkt hij te ontroeren én gemoederen te verhitten, zo lees ik in ‘De man achter de muur’ van Will EllsworthJones, een ongeautoriseerde biografie van ’s werelds bekendste graffitischelm Banksy. EllsworthJones vertelt hoe hij dagelijks met de auto door Hackney reed, een groezelige wijk in de grootstad Londen. Daar, op de zijmuur van een opnamestudio, had ROA een konijn van drie meter hoog geschilderd.
' Ik maak de wereld niet beter, ik maak ze hoogstens een beetje interessanter.'
Will Ellsworth-Jones «Ik had geen flauw idee wie dat konijn daar had gezet, maar ik weet wel nog dat ik altijd blij werd als ik het in de smiezen kreeg. Hackney is geen vrolijke buurt, maar dat konijn fleurt de omgeving helemaal op. ’t Geeft je hart een opstootje, precies wat je daar nodig hebt.
»Eind 2010 stootte ik op een internetpetitie waarin opgeroepen werd om het konijn te redden. Ik wist niet eens dat het in gevaar was, maar toen ik wat doorklikte op het internet bleek het inderdaad serieus.»
In oktober 2010 was bij de huiseigenaar van de opnamestudio een brief op de mat gevallen: een gemeenteambtenaar schreef daarin dat ‘de graffiti’ – verf is verf in het hoofd van een gemeenteambtenaar – op het eigendom van aangetekende ‘een smet op de lokale omgeving is’, alsook ‘een aanslag op de aantrekking van de buurt’; de vandalenstreek diende bijgevolg binnen de veertien dagen verwijderd te worden. Vrolijk detail: de eigenaar had ROA netjes de toestemming gegeven om het konijn te schilderen.
Ellsworth-Jones «Het was een routinekwestie: een gemeenteambtenaar had vastgesteld dat er verf op een muur was aangebracht, en die moest eraf – discussie gesloten. Op geen enkel moment stelde iemand van de gemeente zich de vraag of dat werk misschien weleens interessant of mooi kon zijn, en of het iemand plezier verschafte of deed nadenken. Behoorlijk flagrant, zeker als je het werk van ROA een beetje kent – ’t is niet meteen een kladschilder, hè.»
Wat volgde was niks minder dan een scharniermoment in de geschiedenis van de street art: een aantal burgers van Hackney en omstreken – graffitiliefhebbers, maar ook minder hippe bewoners – besloot de handen in elkaar te slaan en het konijn te redden van de gemeentelijke hogedrukreiniger. Ze organiseerden een petitie en een benefietavond voor sympathisanten, onder wie EllsworthJones.
Ellsworth-Jones «Het was heerlijk om te zien dat niet alleen de usual suspects waren komen opdagen – lui die je op street artfestivals en graffiti-jams verwacht – maar ook doodgewone mensen uit de buurt. Allemaal hadden ze de sneeuw en de kou getrotseerd om in een slecht verwarmd achterafzaaltje – de avond ervoor was er een bingoavond geweest – te discussiëren over hoe ze een geschilderd konijn konden redden. Je kunt daar makkelijk schamper over doen, maar het zegt véél over de impact die de werken van ROA hebben op de man in de straat.
»Omdat de petitie ‘Save the Rabbit’ gretig werd opgepikt door de lokale én de nationale pers moest de gemeenteraad plots een genuanceerd standpunt innemen tegenover street art – het konijn van ROA werd plots een symbool voor iets groters. Uiteindelijk hebben ze hun beslissing herroepen, met als resultaat dat het werk er vandaag nog altijd staat. In Hackney zullen ze nu ook wel twee keer nadenken vooraleer ze de hogedrukreiniger of de verfroller bovenhalen om graffiti te verwijderen. Maar ook nationaal groeit het besef dat street art méér is dan ongevraagd woekerende verf, en dat het misschien wel tot het kunstpatrimonium behoort. Toen onlangs bekend raakte dat een galerie in Miami een werk van Banksy dat van een muur in Londen gehakt was voor 400.000 dollar te koop aanbood, schreef een lokaal parlementslid op haar blog dat ze de zaak tot op het bot zou onderzoeken. Heel geestig, vooral als je weet dat de stadsreinigingsdiensten van zijn thuisstad Bristol en van Londen de allereerste werken van Banksy ook gewoon verwijderden. Kortom: we komen van héél ver.»

Coole pee
Genoeg stof om te bespreken met de man zélf. Gesteld dat ik ’m ooit nog te zien krijg, want mijn verdere mails blijven onbeantwoord. Ik besluit mijn telefoonronde dan maar verder te zetten. Eén van de beheerders van de graffitiblog Ghentizm blijkt een oude vriend van ROA te zijn. Ik kom te weten dat hij tot de tweede generatie Gentse graffiteurs behoort, die van de jaren negentig, en dat hij een crack was in het verzinnen en spuiten van characters – de figuurtjes tussen de letters in een piece. Dat ROA mij op afstand houdt, mag ik vooral niet persoonlijk nemen. ‘Hij is niet mensenschuw, wél mediaschuw. Hij doet het al zo lang zonder steun van de gevestigde media, hij ziet niet in wat hij er bij te winnen heeft. Daar komt nog bij dat hij in de aanloop naar een tentoonstelling altijd megahard loopt te stressen (lacht). Hij heeft zelden of nooit een uitgewerkt plan, dus hij moet dat allemaal bij elkaar improviseren. Als ík ’m vraag wat hij dit keer van plan is, lost hij daar ook niks over.’
Hetzelfde verhaal hoor ik van graffitikunstenaar Steve Locatelli, tevens eigenaar van de kersverse street art-galerie Artifex in de Antwerpse binnenstad.
Steve Locatelli «Ik ken ROA al jaren: we hebben samen nog geschilderd. In de graffitiwereld zitten veel grote ego’s, waarvan sommige echt totaal misplaatst. Hij is de bekendste van ons allemaal, maar een ego heeft hij nog altijd niet. Twee jaar geleden ben ik met hem, Resto en Bué The Warrior nog gaan schilderen op Infart, een Italiaans cultuurfestival. Ik was een tikje bang dat hij door alles wat hij de voorbije jaren heeft meegemaakt – de vele reizen, de wereldwijde appreciatie voor zijn werk – misschien wat arroganter zou geworden zijn, maar niks van dat: hij was eigenlijk nog relaxter dan vroeger. Hij hanteert wél een paar strikte regels: nauwelijks interviews geven, nooit met zijn gezicht op de foto. Vind ik best chic, eigenlijk. En als hij werkt, dan is hij daar voor de volle honderd procent mee bezig, dan telt alléén dat werk. Echt: ’t is een zalige, ongelofelijk coole pee

BIg In Japan
Ik besluit de pee wat ademruimte te gunnen en de vernissage van ‘Stop Over’ af te wachten. Als ik de volgepakte galerie in Elsene binnenstap, valt mijn oog meteen op hem: kort van gestalte, zwarte leren jas met capuchon waaronder de klep van een baseballpetje priemt, zwarte sneakers. Ik besluit hem vanavond niet aan te spreken: het is zijn avond, hij wordt omstuwd door vrienden en kennissen. Ik maak een snelle omgang langs de kunstwerken en raak aan de praat met een vriend van ROA, een muzikant die ik eerder voor Humo interviewde. Ik leg ’m uit dat ik zelden zo’n moeilijke interviewbevalling heb meegemaakt. ‘Wat had je dan gedacht, als buitenstaander?’ grapt hij, ‘de Gentse maffia lost niks, nooit. Maar kom: ik zal zien wat ik voor je kan doen.’ Hij grijnst, ik druip af.
’s Anderendaags zak ik opnieuw af naar Elsene. En verrek: hij staat buiten een luchtje te scheppen. ‘Bonjour,’ zegt hij als ik dichterbij kom, hij denkt dat ik een Franstalige bezoeker ben. ‘Dag ROA,’ zeg ik. Hij heeft meteen door wie ik ben. Hij lacht, steekt een hand vol opgedroogde zwarte verf naar me uit. ‘Ik heb je net gemaild: ik geloof dat ik nu wel tijd heb om eens af te spreken.’ Ik hoef niet te wachten tot het ijs breekt: het is zonet in anderhalve seconde weggesmolten. We raken meteen aan de praat, in de koude hal van de galerie.
‘Sorry dat het zo lang duurde,’ zegt hij, ‘maar het is zo veel lonender als je elkaar eerst wat aftast en uitlegt waar je naartoe wil. Als ik op elke interviewaanvraag zou ingaan, dan was ik geen street artist maar een interview artist. En als ik een interview geef, dan wil ik dat goed doen, en liefst niet met een journalist die van zijn hoofdredacteur met mij moet komen praten omdat ik bij wijze van spreken big in Japan ben.’
Point taken, maar dan moet hij me wél de kans laten om uit te leggen dat ik hem niet in een journalistieke diepvrieslasagne wil draaien. Hij grinnikt. ‘Je mag van geluk spreken, de mensen van de galerij hebben véél langer achter me moeten stouwen. Ze zijn twee jaar geleden speciaal naar Londen gekomen om de expo in Brussel te bespreken. En uiteindelijk is ze er toch maar mooi gekomen.’
We wandelen even door de exporuimte. Er schieten twintig vragen per seconde door mijn hoofd, maar ik wil ’m niet het gevoel geven dat ik hem aan een kruisverhoor onderwerp. Ik zeg dan maar dat ‘Stop Over’ lijkt op het fictieve kabinet van een dierenarts met roots in de kolonies. En dat ze mijn verbeelding in gang trapt: als ik nu alle lucht uit mijn longen blies, zou het stof dat al jaren op de instrumenten ligt, opdwarrelen en een wilde rondedans doen in het binnenvallende zonlicht – die sfeer. Waar heeft hij al die voorwerpen – antieke kastjes, autopsie-instrumenten, weckpotten en boeken – eigenlijk op de kop getikt? Op de vlooienmarkt?
ROA «Beter nog: op een vuilnisbelt in Stockholm. Ik was er een jaar geleden op uitnodiging van een galerie, en ze namen me er mee naartoe. In de eerste vrachtwagen die zijn lading loste, zat het volledige archief van een gepensioneerde dierenarts, compleet met instrumenten en boeken en al. Wat ze daar allemaal weggooien!»
HUMO Ben je van plan om vaker in galeries te werken, of blijft de straat je favoriete atelier?
ROA «Ik doe het allebei graag, maar die murals blijven mijn main thing. Sorry voor de vele Engelse termen, trouwens: ik ben de afgelopen jaren zo vaak in het buitenland geweest dat ik me bijna moet inspannen om in het Nederlands over mijn werk te praten (lacht).
»Enfin: op een hoogtewerker aan zo’n piece staan werken, dat raak je nooit beu. Ik heb honderden plannen, en tegelijk heb ik er geen: ik laat me gewoon leiden door mijn intuïtie. En door kosmische toevalligheden. Voorts werk ik graag vanuit een paar beperkingen: ik had geen idee wat ik in Brussel zou gaan doen, ik wist alleen dat het de uitstraling van een koloniaal kabinet moest hebben, en dat ik drie weken de tijd zou hebben om het op punt te stellen. En dan is het gewoon een kwestie van ervoor gáán, en hopen dat alles terechtkomt. Helemaal perfect zal het nooit zijn, maar dat is niet erg. Veel galeriehouders kunnen daar niet mee om: ze willen op voorhand weten wat ik juist ga doen. En dan beginnen ze te stressen als ik zeg: ‘We zien wel, tijd zat.’ (lacht)»
En dan moet hij ervandoor, zoals het een rusteloze wereldreiziger betaamt – always on the run. Over een paar dagen praten we verder, beloofd.

Fuck routIne
Een paar dagen (en tig telefoontjes: hij blijft lastig te strikken) later staan we op de parking van een winkelcomplex bij het spoor in Gent. Achter de tralies van een gesloten poort ligt de oude fabriek uit het YouTube-filmpje. We klauteren over het hek, wandelen door verdorde struiken en wurmen ons door een gat in de muur. Het halfvergane karkas van een zwerfkat heet ons welkom in een graffitiwalhalla. Of liever: in ROA’s openluchtschetsboek. Hier, tussen de overblijfselen van het ingestorte dak, tussen glasscherven, achtergelaten zwerfvuil en opgeschoten onkruid spoot hij jarenlang pieces op de vochtige muren. Het eerste wat opvalt, is de bijna gewijde stilte.
ROA «Heerlijk, hè? Dat was de belangrijkste reden waarom ik naar hier kwam: de rust. Soms ging ik ook naar de oude terreinen van Inter-Beton, maar hier kon ik echt ongestoord mijn ding doen. ’t Was bovendien hier dat ik na jaren plots het gevoel kreeg dat ik iets speciaals aan het doen was. Geen idee aan welk piece ik bezig was, maar ik weet wel dat ik helemaal excited was: ‘Eindelijk iets dat helemaal van mezelf is!’»
We zetten onze safari langs zijn verleden voort. Een koe ligt in het opgeschoten struikgewas. Op een verroest metalen uitsteeksel blikt een ekster arrogant voor zich uit. In zijkamers, waar ooit arbeiders en bedienden aftelden tot ze langs de prikklok konden passeren, vechten geschilderde salamanders, vissen, ratten, mussen en varkens tegen de vergankelijkheid. De elementen hebben hier vrij spel, waardoor sommige pieces meer herinnering dan kunstwerk zijn: hier en daar is de verf helemaal afgebladderd. Best mooi, eigenlijk. Eén werk lijkt nog vers: tussen twee deuropeningen ligt een gevilde haas van drie meter hoog, de rozerode spierbundels steken schril af bij de zwart-witte vacht die rond de kop en de vastgebonden potjes hangt, zoals bij de gestroopte konijnen bij de betere poelier. Het is inderdaad splinternieuw, maar meer kan hij daar nog niet over kwijt – ‘Just wait and see.’
Ik wil weten hoe het hem verging na die openbaring, of hij toen ook meteen een plan heeft gesmeed om zijn ding te verzilveren.

ROA «Hoe bedoel je? Denk je dat ik tegen mezelf zei: ‘Oké, maat, binnen dit en vier jaar moet je één van de bekendste street artists ter wereld zijn. Begin er maar aan!’ Zoiets? Dat kun je toch onmogelijk forceren? Nee, ik had maar één plan: zoveel mogelijk verven, zoveel mogelijk reizen. En zo weinig mogelijk verzanden in routine, want er is niks dat ik méér haat. En tot nog toe is dat wreed goed gelukt. Maar had ik ooit verwacht dat ik op een hoogtewerker zou staan verven in Londen, Mexico of Cambodja? Of dat ik bij de Navajo zou terechtkomen? Vergéét het.»

Mysterie, Mysterie
We verruilen de stervenskoude fabriek voor een warm eethuis aan het Sint-Pietersstation, en ROA praat een vol uur lang alsof zijn leven ervan afhangt. Zonder te drammen, maar er belanden nét geen vonken in onze koffies. Typisch: uit de mond van mediageile rakkers komt vooral warme wind, terwijl kunstenaars die liever anoniem blijven de interessante gedachten zomaar aan elkaar rijgen. Hoe weloverwogen is die keuze voor de medialuwte trouwens? Hoe minder zichtbaar hij is, hoe groter het mysterie voor zijn fans? Wil hij er zijn marktwaarde en coolfactor misschien mee opdrijven?
ROA (fel) «Maar allee, daar hou ik mij toch allemaal niet mee bezig! Als je echt een Bekend Merk wilt zijn, dan zorg je er toch voor dat je overal en altijd beschikbaar bent? Ik doe echt alles compléét fout op dat vlak (lacht). ’t Is echt geen strategie, ik ben gewoon nogal, euh, chaotisch.»
HUMO Sommige graffitiartiesten nemen de ene reclameopdracht na de andere aan en kopen zo tijd voor hun artistieke bezigheden. Jij doet géén reclame: kun je er dan van leven?
ROA «Dat wel, maar vooral omdat ik met heel weinig tevreden ben. Ik koop geen dure kleren, en in het buitenland verblijf ik nooit in hotels, maar gewoon bij de organisatoren thuis. Veel geld doe ik dus niet op. Maar als mijn laptop morgen crasht, kan ik ’m wel voor het eerst in mijn leven vervangen zonder dat het pijn doet.
»Trouwens: ik zeg wel vaker ja tegen de organisator van één of ander sociaal project waar nauwelijks een budget voor is. Als ik erin geloof, doe ik mee, zo simpel is het. Zo ben ik vorig jaar workshops gaan geven aan straatarme jonge Cambodjanen en ben ik gratis gaan schilderen in Australië om aandacht te vragen voor bedreigde diersoorten.»
HUMO Er circuleren heel wat filmpjes waarin we jou aan zo’n grote mural zien werken. Heel interessant, maar ook misleidend: ’t lijkt bijna makkelijk, zo’n beetje staan schilderen in het zonnetje.
ROA «Ja, in zo’n filmpje zie je niet op wat voor duizelingwekkende hoogte ik sta te werken, vaak in weer en wind. En je ziet het ook niet als ik buikpijn heb omdat ik de avond voordien een slechte enchilada heb gegeten.
»In Johannesburg heb ik zes pieces gezet op de zijkant van een metershoog gebouw. De hoogtewerker stond half op de stoep, half op een lading kapotte stenen die ze van de straat hadden geplukt. En er was maar een smalle doorgang tussen de stoep en de straat, er reden voortdurend auto’s en bestelwagens rakelings langs die lift heen. Als er één auto tegen was gereden of één van die stenen was gebroken, dan was het gedaan geweest met mij. Ik had kunnen zeggen: ‘Vergeet het maar, ik doe het niet.’ Maar ik reis geen duizenden kilometers om ergens de diva uit te hangen, hè. Nu ja: als het écht levensgevaarlijk is, doe ik het niet, maar ik heb al dikwijls op tien meter hoogte op een dunne balk staan spuiten.»
HUMO Voor de glamour moet je ’t dus niet doen. Waarom dan wel?
ROA «Omdat ik het verschrikkelijk gráág doe, geloof ik. Hoe valt het anders te verklaren dat ik naar de andere kant van de wereld vlieg om daar één of ander groot beest op een muur te schilderen? Dat krijg ik aan mijn meetje niet uitgelegd, hoor (lacht). Sommige artiesten werken op straat om er bijvoorbeeld reclameopdrachten mee binnen te halen, maar ik niet. Ook al vindt niemand het mooi en krijg ik er geen cent voor, dan zou ik het nog altijd doen. Desnoods voor de drie zwerfkatten die er dagelijks passeren.»
Hij wordt in alle uithoeken van de wereld gevraagd, zijn werk werd geselecteerd voor ‘Art in the Streets’ in Los Angeles, foto’s van zijn pieces worden voortdurend rondgestuurd via sociale media, maar toch heeft hij nog geen enkele muur van een Belgisch museum voor hedendaagse kunst mogen beschilderen. Hakt dat gebrek aan erkenning er bij ’m in, of laat het hem siberisch?
ROA «Ik heb daar natuurlijk wel mijn mening over, maar ik voel niet de aandrang om die openbaar te maken. En wakker lig ik er al helemaal niet van. (Zwijgt) Als je dit werk doet om je status te verhogen of omdat je naar erkenning van wie dan ook hengelt, dan ben je fout bezig. Het is leuk als mensen het serieus nemen, omdat ik het zelf ook bloedserieus neem, maar anderzijds is het ook máár verf op een muur, hè?
»Ik weet wel dat ik de wereld rondreis om met een paar potten verf en enkele spuitbussen iets te maken waar volk naar komt kijken, waar mensen achteraf nog over discussiëren, en waar sommigen iets bij voelen. En niet onbelangrijk: ik doe compleet mijn goesting, niemand zegt wat ik wel en niet mag schilderen. Dat is het enige wat telt. (Denkt na) Ik maak de wereld niet beter, ik maak ze hoogstens een beetje interessanter voor wie er passeert. Eerst ben je erdoor verrast, gechoqueerd of gecharmeerd; stilaan bouw je er een relatie mee op. Dat is toch wijs?»
Ik laat hem een foto zien die ik onlangs nam in Doel, waar veel werken van ’m staan. Een anonieme graffiteur gaf het onthoofde varken van ROA op een garagemuur een nieuwe kop. Een andere graffer spoot ernaast: ‘Sul, wie crosst er nu ROA? DISRESPECT!’
ROA «Ik vind ’m nog wel geestig zo. Iedere onnozelaar of grapjas met een spraycan kan mijn werk overschilderen, democratischer kan niet – dat is toch net het leuke aan street art? Dat het zo weinig gebeurt, wil misschien wel zeggen dat ik toch niet zo hard word gehaat.»
En dan is het tijd om op te stappen. Ik heb nog duizend vragen, maar hij moet nog duizend dingen doen vooraleer hij alweer het vliegtuig neemt naar alweer een ander Verweggistan. São Paulo wordt de eerste halte, daarna ziet hij wel weer. Always on the run, zoals het een avonturier betaamt.

undefined

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234