Roberto Saviano - De kinderen in de sleepnetten

‘De kinderen in de sleepnetten’ (De Bezige Bij) is de debuutroman van Roberto Saviano, de Napolitaanse journalist die wereldberoemd werd met ‘Gomorra’.

In die non-fictiebestseller, later ook briljant verfilmd, beschreef hij de interne keuken en de bloederige oorlogen van de camorra, de Campanese maffia. Hij haalde er zich de vendetta en de hete, eeuwig naar look en mosselen meurende adem van georganiseerd Napels mee in de nek, en leeft sindsdien ondergedoken. Het boek werd – in de slipstream van de New Italian Epic-golf – een ‘UNO’ genoemd: een unidentified narrative object, een tekst zó to the point dat hij onmogelijk in bestaande hokjes en genres paste.

Zes Nobelprijswinnaars van divers slag – Dario Fo, Desmond Tutu, Günter Grass, Orhan Pamuk, Rita Levi-Montalcini en Michail Gorbatsjov – betuigden Saviano destijds hun steun en waardering. Geen wonder dus dat hij voor zijn allereerste fictiewerk – de titel ‘De kinderen in de sleepnetten’ is een wat onhandige vertaling van ‘La paranza dei bambini’, of: de kinderbende – alweer uit dezelfde beerput heeft gevist.

In ‘Gomorra’ had hij al aandacht voor de vijftienjarige voetsoldaten van de clans, nu zoomt hij er helemaal op in. Saviano dompelt de lezer onder in een rauwe, bij momenten misselijkmakende vertelling over een bende tieners die zich razendsnel opwerken in de hiërarchie van de georganiseerde misdaad. We volgen Lollipop, Briatore, Slappehap, Tandje en Draak. En Maradja oftewel Nicolas: de slimste van de hoop, de tiran met het plan. Pubers die hun eerste natte dromen krijgen van ultrageweld, en met hun Vespa’s en fietsen over de kinderkopjes van de Napolitaanse buitenwijken razen, op zoek naar invloed, macht en genoeg geld om de Foot Locker leeg te kopen. Ze verdelen hun naschoolse uren tussen Facebook, ‘Call of Duty’ op Playstation, afpersingen en gewapende overvallen. Behalve met krakkemikkige Belgische pistolen en AK-47’s zwaaien ze met baseballknuppels die ze nog voor hun verjaardag kregen.

Ze bakenen hun territorium niet af met pis, wel – wanneer een nietsvermoedende buurtjongen te dicht bij het liefje van de bendeleider komt – met een paar versgedraaide drollen in diens gezicht. Mee met hun tijd: nadat het slachtoffer al tot op het bot gekleineerd werd, wordt er ook een filmpje van verspreid op sociale media. ‘Renati, je mag mijn moeder wel bedanken, weet je waarom? Omdat ze zo lekker kookt, als ik moest vreten wat die slet van een moeder van jou maakt, dan kakte ik je stijf en kon je douchen met shit.’

De tomeloze ambitie, de brutaliteit, de onderlinge dynamiek én de feestelijke avonden in lokale nachtclub De Nieuwe Maharadja doen onvermijdelijk denken aan een 21ste-eeuwse update van ‘Goodfellas’, bevolkt met neusvreters uit het derde middelbaar. En toch is het zó uit de krant geplukt, want ook in zijn fictie vindt Saviano niets uit: de straten van Napels zijn écht bezaaid met dit soort tiranniserende tieners.

Zoals in alle goeie maffia-epen heeft Saviano voldoende aandacht voor de derde partij, de onschuldige omstaanders die de schrapnel opvangen. In de eerste plaats: de ouders van de bendeleden, die met afgrijzen – en zoals altijd veel te laat – vaststellen dat hun zoon, amper drie jaar na zijn plechtige communie, zijn postzegelverzameling heeft ingeruild voor een afgezaagde dubbelloops. Of de zus van een dwalende gangster: om hem te straffen, moet zij de hele bende afzuigen. Schrijnend is ook het verhaal van het jonge broertje van Nicolas: naast zijn knuffelbeer mag hij van grote broer af en toe een blaffer onder zijn hoofdkussen leggen. De volgende generatie minimaffiosi staat al klaar.

Saviano is beter als observator dan als schrijver, en sommige verhaallijnen ontvouwen zich al te voorspelbaar. Af en toe zijn de dialogen (of de vertaling ervan) aan de gekunstelde kant – ‘Als wij half de ballen van don Vittorio hebben, houdt Gods lul ons nog niet tegen’ klinkt als de parler vrai van Koen Crucke, niet als die van een meedogenloze kut-Italiaan.

Maar Saviano blijft onnavolgbaar wanneer hij de genadeloze wereld van de Napolitaanse onderbuik neerzet en de denkwijze ontbloot van jongeren die niets te verliezen hebben. Hun wereldbeeld is stuitend zwart-wit: wie zelf geen slagen uitdeelt, zal er ontvangen. In het patois van de paranza: ‘Je hebt de naaiers en de genaaiden, verder niks. De eersten weten te belazeren en de laatsten laten zich belazeren.’

Als Nostradamus gelijk had, wordt de streek rond Napels dit jaar verzwolgen door een vernietigende uitbarsting van de Vesuvius. Wie ‘De kinderen in de sleepnetten’ gelezen heeft, is zowaar geneigd daar Gods gerechtigheid in te zien.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234