'Roerend goed' Dwarskijker over 'De Nada' , 'Voor wat hoort wat' en 'Geubels en de idioten'

Ik meende in 'De nada' zo nu en dan een glimp van de neefjes arty & farty op te vangen, maar dat belet me niet om blij te zijn dat Canvas dergelijke documentaires onverbiddelijk blijft uitzenden.


De nada

Canvas – 4 oktober

In ‘De nada’, een mooi in beeld gebrachte documentaire van Christina Vandekerckhove, bevonden muzikant Daan Stuyven en fotograaf Peter De Bruyne zich in Catalonië. In een weids en soms weerbarstig natuurlandschap, een revue van zondoorstoofde panorama’s die mij naar een teug koel water deden verlangen, zou dit duo eerst op zoek gaan naar het niets dat aan de creatie voorafgaat – de wezenloze leemte van ‘in den beginne was er niets’, veronderstel ik met enige schroom.

Dat ‘niets’ is een ingewikkeld filosofisch begrip dat soms helder lijkt in late kroeggesprekken, of nóg later, nadat je op de terugweg ergens deerlijk je hoofd gestoten hebt. Ik kan er in deze luchthartige rubriek in elk geval geen donder mee beginnen.

Waar dat zogeheten niets zich in een daverend Catalaans natuurlandschap zou schuilhouden, was me een raadsel: om nauwgezet en dus met oog voor details te inventariseren wat ik allemaal zag in die panoramische landschappen, zou ik minstens anderhalve week nodig hebben. ‘Niets’ kan dus, als je het goed bekijkt, ook te veel zijn om op te noemen. Er kwamen, behalve Stuyven en De Bruyne, wel nauwelijks mensen in dit programma voor: een anonymus die onverschillig in een auto langsreed niet te na gesproken, en twee fietstoeristen die wellicht geen Catalanen waren, want die zijn slim genoeg om in dit klimaat zo vaak mogelijk de zon en de fiets te mijden. Is het soort niets dat de creativiteit op gang brengt mogelijk het weldadig ontbreken van mensen? Wie zal het zeggen? Ik zwijg alvast als vermoord.

‘De nada’ deed me aan een andere documentaire denken: de Nederlandse klassieker ‘De wording – observaties bij het ontstaan van vijf kunstwerken’ uit 1988. Daarin probeerde documentairemaker Cherry Duyns in de mate van het mogelijke inkijk te krijgen in het hoofd van kunstenaars als ze het op een scheppen zetten. Dat was hoofdzakelijk onbegonnen werk, waar ik destijds ademloos naar heb gekeken.

We zagen hoe Daan Stuyven met een laptop, een keyboard, een elektrische gitaar en nog wat randapparatuur proefondervindelijk in de Catalaanse natuur probeerde op te gaan. Dat veldwerk – creatief hurken in een korenveld – moest volgens hem ‘abstracte muziek’ opleveren. Hij beroerde zijn snaren met plaatselijk onkruid of met korenhalmen, en stuurde de aldus ontstane geluidstrillingen door de computer. Als z’n Apple niet meteen gehoorzaamde, ontstak Daan Stuyven snel in drift. Hij was zo te zien een man onder spanning die aldoor naar sigaretten hapte en soms in de verleiding kwam om op z’n onwillige laptop in te houwen met z’n elektrische gitaar, wat mogelijk ook een interessant geluid had kunnen voortbrengen. Zo mooi werd het natuurlijk niet.

Fotograaf Peter De Bruyne had naar eigen zeggen twintig jaar lang in opdracht gewerkt, wat neerkwam op vakbekwame fotografie: fraai uitgelichte, scherpe en puntgaaf gekadreerde beelden waar hij geen voldoening meer uit putte. Hij wou zich van dat elementaire vakmanschap ontdoen, en eindelijk kunstenaar worden door in wildere kleuren en doelbewust onscherp te fotograferen en daardoor naar abstractie over te hellen. Abstractie was een trefwoord in deze documentaire: weloverwogen vaagheid, buitgemaakt op het zogenaamde niets, is kennelijk een vanzelfsprekend waarmerk van kunstzinnigheid.

De machtige landschappen in ‘De nada’ slorpten mijn aandacht steeds meer op, zodat ik bijna de indruk had dat de fotograaf en de muzikant in de weg liepen, zelfs toen Daan Stuyven nog eens bezienswaardig de zenuwen kreeg omdat er in technisch opzicht iets haperde dat zijn scheppingsdrang dwarszat.

Er rees een verlaten fabrieksgebouw uit het vermeende niets op: een in onbruik geraakte silo, denk ik – roerend onroerend goed, prachtig om naar te kijken, toch vanaf mijn chaise longue. Even later stiet het duo op een verlaten tankstation, een locatie waaruit het soort desolaatheid sprak dat wegens groot succes een cliché is geworden. Mensen van mijn generatie horen er automatisch de ruimtelijke slidegitaar van Ry Cooder bij. De muziek die Daan Stuyven in het veld had gemaakt – gelaagde loops, ijl zinderend vibrato – herinnerde mij aan The Durutti Column. Alles goed en wel, maar heb ik inzicht gekregen in het raadselachtige scheppingsproces? Neen, want dat speelt zich tussen de oren af en is dan ook niet te filmen. Het zal wellicht minder met de rechtstreekse inwerking van Spaanse landschappen te maken hebben dan deze documentaire suggereert. Voor de rest meende ik in ‘De nada’ zo nu en dan een glimp van de neefjes arty & farty op te vangen, maar dat belet me niet om blij te zijn dat Canvas dergelijke documentaires onverbiddelijk blijft uitzenden. Canvas: de enige zender die te allen tijde oog moet hebben voor het bijzondere, en dan ook boven de marktwerking en de cultus van de kijkcijfers moet staan. Er is al commerciële tv genoeg, zelfs bij de publieke omroep.

'Het viel me op dat sommige acteurs op jaren, als ze een leeftijdgenoot moeten neerzetten, vaak in een halfkoddig typetje verglijden, alsof de bejaarde die ze spelen hen veeleer wezensvreemd is, en ook minder goed ter been'


Voor wat hoort wat

Eén – 8 oktober

De titel van deze dramaserie vond ik niet meteen een lokkertje: spreekwoorden en gezegden zijn vaker een zwaktebod, ook in de gewone intermenselijke omgang. ‘Voor wat hoort wat’ was voor mij ook geen liefde op het eerste gezicht, maar ik ben er wel naar blijven kijken omdat het contrast tussen kleinburgerlijke bejaarden in een seniorie en probleemjongeren die zich in dat luxueuze verzorgingstehuis van een taakstraf kweten, interessante dramatische verwikkelingen in het vooruitzicht stelde.

Nu de serie bijna ten einde is, heb ik er nog altijd geen noemenswaardige binding mee. Ik weet dat ‘Voor wat hoort wat’ bejaardenseks enigszins uit de taboesfeer heeft getrokken: fijn hoor, maar geen must voor een gereserveerd mens als ik. Is het vorderende leven al niet ontluisterend genoeg? De taboesfeer zal toch wel érgens goed voor zijn?

Het viel me op dat sommige acteurs op jaren, als ze een leeftijdgenoot moeten neerzetten, vaak in een halfkoddig typetje verglijden, alsof de bejaarde die ze spelen hen veeleer wezensvreemd is, en ook minder goed ter been. Het kwam me ook voor dat ‘Voor wat hoort wat’ op de duur een topzware stapeling van problematieken was, en daardoor wellicht een overdaad aan ellende: dood, ziekte, ontrouw, spijt, huwelijksproblemen, stuurloze verliefdheid, misdaad, dementie, faillissement, foute investeringen, foute relaties, huiselijk geweld, geweld tout court, criminaliteit, verbittering, liefdeloosheid, en een Nederlandse zeventiger die de jaren 60 in Amsterdam heeft meegemaakt en een stickie nog steeds niet afslaat. C’est la vie, kun je zeggen als je opgaat in soaps, maar op de één of andere manier morrelt dat tragische overaanbod aan de geloofwaardigheid van deze serie. ‘Voor wat hoort wat’ is, naar ik aanneem, toch ambitieuzer dan de gemiddelde soap. Ik denk dat deze serie hier en daar een luchtgaatje behoefde, dat je ook ‘humor’ zou kunnen noemen.

De demente Maggie (Hilde Uitterlinden), met wier geestelijke gezondheid het ineens hard achteruitging, kon niet langer door haar man Frans (Jaak Van Assche) verzorgd worden in hun serviceflat. We zagen hoe ze, weggeleid naar de ambulance die haar naar een gespecialiseerd verzorgingstehuis moest brengen, in een flits besefte dat er een wreed afscheid gaande was. Wanhoop, weerloosheid, peilloos verdriet, pijn, angst, paniek: het vlamde allemaal op in de helle blik van Hilde Uitterlinden. Een enkele keer heb ik aan één pakkende scène genoeg, maar over het algemeen verwacht ik toch ietsje meer van een goede middenmoter.


Geubels en de idioten

VIER – 7 oktober

Telkens als Philippe Geubels zijn wederhelft ‘die van ongs’ noemt, denk ik dat hij als komiek nauwer aansluit bij de generatie van Gaston Berghmans dan bij de voorhoede van de hedendaagse stand-upcomedy. Vandaar wellicht ook zijn succes, of noem die bijval maar populariteit, bij het ruime publiek. Eens speelde Geubels voor lepe schlemiel in een vestiging van Colruyt, waar hij onder het simuleren van dagelijks werk, zijn kans zat af te wachten om de kluit te belazeren en in één moeite door naar wereldheerschappij te streven. Wat dat betreft is hij ondertussen al flink opgeschoten: al een tijdje speelt hij grinnikend de baas over twee mensen die veel over hebben voor een televisiecarrière: Pedro Elias, every inch a Pedro Elias, en Sarah Vandeursen, every inch a lady. De brillenglazen van Geubels, hoe beslagen ook, verdoezelen zijn heersersblik niet.

'Aangezien ik geen fanatieke aanhanger van volwassenheid ben, en enige subversie gezond vind voor een volwassen samenleving, ben ik goed tegen dit programma bestand'

In ‘Geubels en de idioten’ wil de komiek allerlei vragen beantwoorden ‘op een volledig wetenschappelijk onverantwoorde manier’. Behartigenswaardige vragen als: ‘Kun je angst met pijn bestrijden?’ of ‘Als je bang voor iets bent, ben je er dan minder bang voor als je afgeleid wordt door iets waar je nog banger voor bent?’ Geubels, die behalve een hypochonder ook een man van angsten is, zet ter beantwoording van die vragen twee gelaten proefdieren in, Elias en Vandeursen, die zich ook nog eens gedwee voor ‘idioot’ laten uitmaken. Nu ja, idiotie heeft nog nooit een carrière bij de televisie dwarsgezeten.

Als de proefdieren al niet in brand worden gestoken, dan gelast Geubels enge honden op hen los te laten. Of anders laat hij hen door een besteldienst in een kist van Vilvoorde naar Boechout brengen, om achteraf vast te stellen dat dezelfde rit in een taxi, waarvan hij comfortabel gebruikmaakte, 35 euro duurder is.

Dit programma doet me soms eventjes aan ‘Het lichaam van Coppens’ denken, met dat verschil dat het zich ver van wetenschappelijke verklaringen afhoudt, alsook van huisartsen die in de studio komen vertellen dat je op de blaren moet zitten als je je gat hebt verbrand. Het bracht me ook een rubriekje uit het opgeheven jongerenprogramma ‘Magazinski’ te binnen, waarin vier jonge malloten met baldadigheid experimenteerden. Enfin, ‘Geubels en de idioten’ – sadomasochisme in huis, tuin en keuken – is in alle opzichten een pueriel, zelfs infantiel televisieprogramma, dat bedacht lijkt door hangerige schooljongens die zich op een woensdagmiddag te pletter verveelden, tot er hen ineens een gezamenlijk licht opging. Aangezien ik geen fanatieke aanhanger van volwassenheid ben, en enige subversie gezond vind voor een volwassen samenleving, ben ik goed tegen dit programma bestand. Ook al werd ik laatst, als fijnbesnaard estheet, toch een zekere misselijkheid gewaar bij een onderwerpje dat Geubels als volgt inleidde: ‘Ik ben een grote fan van bloedworst: het gerecht, niet de ziekte.’ Waarna dat soort worst bereid werd met het bloed van Pedro Elias en Sarah Vandeursen. Het spreekt vanzelf dat ze er allebei ook van moesten proeven, wat op de keper beschouwd autokannibalisme heet. Net als de programmadirecteur van VIER hoop ik op copycats bij ‘Komen eten’. Een aantal onschuldigen kregen dat lichaamseigen product vervolgens als borrelhapje in de maag gesplitst, maar zij klaagden niet, want het was gratis. Voor zo veel slechte smaak is lef nodig, en nog meer slechte smaak. Pedro Elias getuigde ook van vermetelheid toen hij zich met het in het Engels vertaalde repertoire van Geubels op het podium van de fameuze Comedy Store in Londen waagde, en er ook nog succes mee oogstte. Nu ja, zulke leeuwenmoed kan ook aan een bewustzijnsvernauwing onder invloed van angst te wijten zijn. Oorlogshelden weten daar alles van, als ze het nog kunnen navertellen.

Zo, en nu ga ik een te gekke boerkini breien voor elk van mijn dochters, een cadeautje voor onder de kerstboom.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234