null Beeld

Serge Gainsbourg

Het is alweer 15 jaar geleden dat Gainsbourg overleed. Tijd dus om het memorabele 'Humo sprak met Serge Gainsbourg' uit 1985 uit het Humo-archief op te diepen. Rudy Vandendaele ontmoette le beau Serge in een Holiday Inn in Luxemburg. Een bizarre locatie, maar kom: de minibar was goed voorzien van Bloody Mary's en het heeft geen belang waar je bent als blauwe Gitane-rook alles verhult.

Redactie

De stad Luxemburg is een oord waar potentiële zelfmoordenaars heen moeten om van hun laatste twijfels verlost te raken. Hypochonders nemen bij voorkeur de trein naar het groothertogdom; eenmaal in het station van Luxemburg aangekomen, moeten zij hun ogen de kost geven, zij zullen snel de juiste stemming bereiken. Daarna een taxi in, richting Holiday Inn. Als het de zelfmoordkandidaat een beetje meezit, heft de chauffeur tijdens de rit een lied aan in het Letzeburgs, waarin hij de verloving van Prins Jan en Prinses Joséphine-Charlotte bezingt. De cleane, sfeerloze, naamloze ambiance van een hotelkamer met uitzicht op een dweilgrijze hemel zorgt voor de rest. Het reddende schot kan eindelijk weerklinken.

In Luxemburg kunnen alleen middenstanders gedijen. Hei elei kuck elei! Allerminst een geschikte lokatie om er Serge Gainsbourg te ontmoeten. Veel liever zat ik in de Lichtstad, op het terras van La closerie des Lilas, dat in glorierijker tijden gefrequenteerd werd door Oscar Wilde, Modigliani, F. Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway. Daar had ik het liefst met Gainsbourg vertoefd. Onder het genot van vele glazen pastis, zouden wij af en toe een bon mot laten vallen over de langs ons heen razende barbaren, die zich in hun op afbetaling gekochte Renaults naar hun werk spoeden. Maar zo volmaakt kan het nooit zijn.

Ik zit in kamer 251 van de Luxemburgse Holiday Inn en beleef een nek-aan-nek-race tussen eros en thanatos. Eigenlijk wil ik Gainsbourg helemaal niet interviewen. Het respekt en de bewondering die ik voor hem voel, speelt mij parten. Ik was nog een kind toen ik hem voor het eerst zag op de Franse televisie: ongeschoren, ineengedoken, kettingrokend, mummelend. 'Die man is dronken', zei mijn moeder, 'waar moet dat heen?' Onmiddellijk voelde ik sympathie, en dat gevoel is sindsdien intact gebleven. Ik stop zijn meesterwerk 'Melody Nelson' nog maar eens in mijn walkman, en put wat moed uit de mini-bar.

'Monsieur Gainsbourg est arrivé', meldt mij een engel van de receptie. Ik ga naar beneden en tref Gainsbourg in het gezelschap van zijn geliefde Bambou en Alain Bashung. Hij drinkt Bloody Mary, en is een paar hartaanvallen ouder geworden. Maar 'Geen nood' zegt hij zelf, 'de dokters die mij behandeld hebben zijn al de pijp uit.'

Hij draagt een trui die hij gekregen heeft van een scheepsarts van de Franse marine. Er zit een anekdote aan vast: de Franse televisie draaide een special rond Jane Birkin, en Gainsbourg was aangezocht om de regie te voeren. Er werd gefilmd op een vliegdekschip. Om monsieur Gainsbourg te fêteren had elk bemanningslid een alcoholisch cadeautje gekocht, waardoor le beau Serge snel een moorddadige dosis geestrijk vocht bevatte. Een dag later was hij in Brussel voor een persconferentie, waar hij aan zijn derde hartaanval ontsnapte. 'Alles went', grinnikt hij.

Tijdens het diner spreekt Bashung Gainsbourg voortdurend aan met 'pépère'. De moezelwijn klokt in de glazen en beide heren krijgen zin in een jam-session, un boeuf. Gainsbourg grijnzend aan de vleugel, en Bashung die de blues zingt, niet geïnspireerd door oude negers, maar wèl door pijnlijk menstruerende en tegelijkertijd gegeselde katten. De kelners kijken toe, lichtjes uit hun lood maar nog altijd in de plooi. Daarna voeren zij de laatste flessen moezelwijn aan.

Het gesprek wordt op Rolls Royce gebracht. 'Ik heb er een', zegt Gainsbourg, 'maar ik heb geen rijbewijs en ook geen chauffeur. Eigenlijk heb ik die auto alleen gekocht voor dat figuurtje op de motorkap, the Spirit of Ecstacy. C'est beau. non?'.

Het is rond 1 uur 's nachts. We besluiten het interview op de kamer van Gainsbourg en Bambou te doen. De mini-bar wordt leeggehaald. Bambou, raadselachtig, afwezig, pervers, gaat op het bed liggen en haalt een stapeltje pornostripverhalen uit een plastic zakje. Of ik trek heb in een marshmallow, wil ze nog weten.

Gainsbourg is klaar, zegt hij. De Gitanes liggen binnen handbereik. Voortdurend klikt zijn Zippo, en zuigt hij met ongekende gretigheid het gif in zijn longen. Hij praat traag, gebruikt graag Engelse uitdrukkingen, vervalt soms in onverstaanbaar gemompel, waarna hij weer hevig opleeft. Elke stilte wordt gevuld met blauwe sigaretterook.

HUMO: In zijn chanson 'Voir un ami pleurer' heeft Jacques Brel het over 'le courage d'être juif'. Hebt u er nog moed voor nodig om jood te zijn?

Gainsbourg: « Ohlala, da's een flashback, enfin, niet een echte flashback, want ik ben natuurlijk nog altijd jood. Het was vooral tijdens mijn adolescentie een pijnlijke zaak, ik heb nogal wat blessures opgelopen toen: jood zijn en een rotkop hebben... Je bent snel een verschoppeling, nietwaar? Maar in je jeugd vernederd worden heeft ook z'n voordelen : gaandeweg laad je de batterijen op. Of beter, je legt een enorme voorraad munitie aan, die je later wel van pas zal komen. Maar nu is alles oké hoor, ik ben ermee in het reine. Hoewel, dat incident met de Marseillaise... een bende klootzakken die mij aanviel in Strasbourg omdat ik de Marseillaise zong, want stel je voor: een jóód die het Franse volkslied zingt! Ja, dan word je weer met je neus op je jood-zijn gedrukt, hahaha. Kijk, als ik mijn ras zou verloochenen, zou ik een smeerlap zijn. Een soort Judas. En Judas heeft zich verhangen, zodus. »

HUMO: Hoe hebt u de oorlog beleefd?

Gainsbourg: « Ik ben geboren in 1928, dus was ik 12 toen de oorlog uitbrak. Ik was een nogal gewoon jongetje, zonder complexen - ach, wat een zalige tijd. Zeer onschuldig was ik toen, bijzonder gevoelig voor de schittering van de rijkemensenwereld. Mijn vader was pianist in een casino, en tijdens de vakantie nam hij me wel eens mee naar zijn werk. Ik speelde ook vaak met zoontjes van aristocraten, althans met de nederigsten onder hen. Maar op de gemeenteschool was ik een doodgewoon, onopvallend jongetje. Het was oorlog, so what? Ik speelde met mijn vriendjes, en had verder geen problemen. Ik herinner me dat ik een grotere afkeer had van Franse soldaten dan van de SS. Enfin, ik had natuurlijk kunnen creperen in die oorlog, maar ik ben er heelhuids uit gekomen. Waarover zou ik me dan druk maken? Tja, de miljoenen doden. Hoeveel mensen zijn er tijdens de Eerste Wereldoorlog vergiftigd door absint, denk je? Hallucinant! Er zijn in Frankrijk méér mensen kapotgegaan aan de absint dan er gesneuveld zijn tussen 1914 en 1918. Absint is fantastisch. Ik ben iets van plan met absint... »

HUMO: Absint is verboden en bovendien onvindbaar.

Gainsbourg: « Ja, verboden, maar als je er nu nodig hebt? Tot nog toe heb ik er geen kunnen vinden. Maar ik heb een plannetje, ik heb interessante kontakten in Amerika. »

HUMO: Wat voor plannetje?

Gainsbourg: « Top secret! Yeah, man! De kleur van absint is subliem, op zich al een reden om het goedje te drinken. Ik heb dan ook veel voeling met dat schilderij van Degas. Was het Verlaine die hij geschilderd had, in elkaar gezakt aan de bar? Nee, ik weet het weer: het was een vrouw.

HUMO: 'L'absinthe'.

Gainsbourg: « Juist. Dat schilderij bedoel ik. Ik verwarde met Verlaine omdat hij ook behoorlijk aan de absint was. Maar om nog even op het racisme terug te komen: wat Hitler destijds uitgevreten heeft is maar een kleinigheid vergeleken bij wat er tegenwoordig in de Sovjetunie gebeurt. Duizenden mensen worden er stilletjes geliquideerd, geruisloos, debielen krijgen daar geen levenskans. Geniaal! Enfin, geniaal, verschrikkelijk bedoel ik. Maar wees gerust, alles gaat de doofpot in, het apparaat beschermt zichzelf. »

HUMO: U bent zelf van Russische afkomst. Voelt u zich nog verbonden met dat land?

Gainsbourg: « Absoluut. Rusland zit in mijn hersenen, in my brain, en in mijn bloed. Vreemd dat ik nog iets voor Slavische volkeren voel, want Russen en zeker ook Polakken zijn gruwelijk antisemitisch. Maar het Rusland dat in mijn verbeelding leeft, is een utopia, een land dat ik graag zou leren kennen, maar dat ik nóóit zal kennen. Ik heb vaak dat hond-op-zoek-naar-zijn-nest-gevoel. Ik heb het ooit erg te pakken gehad in Joegoslavië, het moet rond 1970-'71 geweest zijn. Ik speelde daar een rol in een film, en in mijn vrije tijd trok ik op met een Joegoslaaf die mij de wonderlijkste hoekjes liet zien. Niks toeristisch hoor, nee, onooglijke bergdorpen, decors voor de sprookjes van Perrault of Grimm, en zo stel ik me ook Rusland voor. Die gloed in de wouden als het herfst wordt! Subliem! Mijn ouders spraken over het geruis van de bladeren in Rusland. Dat was hen van hun geboorteland bijgebleven. Vreemd, hè? Ik spreek nog een beetje Russisch. Als kind kon ik ook Russisch lezen, Gorki, Dostojevski, Tolstoï. Het enige wat overblijft is nostalgie, een vreemde verhouding met Rusland, een verhouding op poëtisch-esthetisch vlak. Met oude mannen die van hun sterfbed worden gelicht om op 1 mei naar de voorbijrollende tanks te wuiven, heb ik natuurlijk geen uitstaans, hahaha. »

HUMO: En de bars waar u vroeger als pianist werkte, hebt u daar heimwee naar ?

Gainsbourg: « Wel, heu... In die tijd hield ik me nogal met jazz bezig, Count Basie, Duke Ellington. Gillespie, vooral Art Tatum. Ik vergaapte me aan de techniek van Tatum. Zelf heb ik nooit zo'n hallucinante techniek gehad, maar ik wist me te redden. In die pianobars aan de rive gauche verdiende ik zo'n 20 FF voor een hele nacht spelen. Het was handenarbeid - een klavier bespeel je nu eenmaal mét je handen - en iets artistieks. Om mijn gebrek aan techniek te compenseren, had ik mijn gevoel: ik schakelde moeiteloos over van pianissimo naar forte. De gemiddelde barpianist speelt altijd forte, met een soort brillo waar ik schijt aan heb. Ik kreeg het publiek in mijn ban door mijn ongewone speelstijl - ongewoon voor een barpianist, bedoel ik. Het wemelde in die tijd van de Engelsen in de Franse bars. Ze kwamen eigenlijk in de casino's gokken, want kansspelen waren toen verboden in Engeland. Engelse aristocraten, ze versierden verdomme alles wat een kont en tieten had. En ik zat in de kelder restjes te eten met de koksjongens. Ach, misschien was ik er toen tevreden mee. »

HUMO: Pianospelen in night-clubs was een opleiding voor u.

Gainsbourg: « Inderdaad. En dat heb ik vóór op alle jonge muzikanten van vandaag. Ik heb een fundamentele opleiding genoten: ik hoorde mijn vader al Gershwin spelen toen ik pas uit het ei was, Cole Porter ook, en alle naoorlogse Amerikaanse standards. Ik werd al heel vroeg gesensibiliseerd voor alle harmonische finesses, en dat is iets wat popgroepen tegenwoordig niét hebben: Ik heb ook nooit kunnen componeren op een gitaar, een veel te beperkt instrument. Geef mij maar de piano, de enorme rijkdom van dat instrument. »

HUMO: En terwijl u achter de piano zat, kon u zich volop vergapen aan alle mooie vrouwen die de revue passeerden.

Gainsbourg: « Zij hebben mij gekwetst. Ze keken op me neer: ik was een soort jukebox. Daar heb ik lelijke littekens aan overgehouden. Die pijn leverde mij de kracht op om mijn eerste elpee te maken. Mijn wereldbeeld is erdoor bepaald. Sindsdien val ik altijd éérst aan, want de aanval is de beste verdediging. Mijn stijl, ook mijn levensstijl, is gebaseerd op agressie. De agressie van dat miezerige barpianistje dat naar al die mooie vrouwen zat te staren. Naar al die onbetaalbare juwelen. Maar ze minachtten mij. Ze kwamen verdomme tegen mijn piano leunen, ik snoof hun treiterige parfums op. Aan de ene kant vond ik het wel een leuke baan, want ik hield van piano, maar aan de andere kant heb ik in die ultrachique bars de ergste kleineringen ondergaan. »

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234