Sidderen in Beveren: Stijn Vreven 'Als dat alles is wat je kunt tonen, fuck off!'

Toen Stijn Vreven nog voetbalde, was hij zo opgefokt dat een Nederlandse krant ooit aan een psychiater vroeg om een profiel van hem te maken. Nu staat hij in maatpak langs de zijlijn bij Waasland-Beveren, als debutant-trainer in eerste klasse.

Op het oefenveld naast de Freethiel in Beveren zit Stijn Vreven (42) met één knie op het gras naar zijn invallersploeg te staren. Op zijn andere knie rust een arm waarmee hij zijn kin ondersteunt. Zo zie je hem vaak op training. De Denker van Rodin, maar dan in glanzend blauw trainingspak en met gel in het haar. Voor de rest weinig verschillen: dezelfde vierkante kop, dezelfde forse billen, dezelfde blik die naar binnen is gericht. Het beeld van Rodin stelt Dante voor die op een gedicht broedt, bij Vreven is het vandaag een donderpreek. Die zal beginnen met een droge vaststelling: ‘Training was terrible.’ In het Engels, want dat is de voertaal. Er zal een stilte volgen, waarin spelers nog iets tegen elkaar durven te fluisteren. En dan: ‘If that’s all you can show me, FUCK OFF!’

De spelers zwijgen nu allemaal. ‘Als jullie zo voortdoen, stuur ik jullie naar het B-team! AND I MEAN IT. Wat denken jullie? Dat je mij op die manier overtuigt dat je een plaats in de ploeg verdient? En dan durven sommigen mij komen vragen: ‘Waarom speel ik niet, coach?’ Wie is er dan crazy? You or me? Als ik het ben, zeg het mij dan nu, IN MY FACE!’

'We hadden verdomme kunnen winnen in Anderlecht. Misschien onterecht, maar dat kan me geen zak schelen.'

Vreven laat een stilte vallen. Met brullen is hij klaar, het is tijd om te provoceren. ‘Wat lopen jullie hier eigenlijk te doen? Komen jullie gewoon een spelletje spelen, a bit of fun in the sun? Voetbal is jullie job, godverdomme! Jullie zijn toch bijna allemaal jonge gasten? Waarom zie ik dan zero energy? Feestje te lang geduurd gisteren? Too much to drink? Sommigen van jullie lopen niet eens een verloren bal achterna. Wat denk je? Dat je Messi bent? Dat ik blij ben omdat je één mooi doelpunt maakt op een hele training?’

Opnieuw een pauze. Vreven draait de volumeknop nog wat lager en ook zijn toon wordt zachter. ‘Ik heb het niet over kwaliteit, guys. Een slechte controle, een bal die over doel vliegt, I don’t care. Ik heb het over inzet, over intensiteit, over mentaliteit, over communiceren met je ploegmaats, over je verdedigende taken uitvoeren. Ik wil inzet zien, de wil om te winnen, de wil om als ploeg te winnen.’

Vreven schudt het hoofd, laat de boodschap even doordringen en plaatst dan zijn slotakkoord. Hij doet het afgemeten, haast stil. ‘Really, guys, ik heb het bijna gehad met jullie. Ik heb dit allemaal al zeker drie, vier keer gezegd en toch verandert er niks. Nog één zo’n training en ik trek mijn conclusies.’

Hij draait zich om en stapt weg. Zijn schouders hangen, de koppen van de spelers ook. Wie goed luistert, kan het gras horen groeien.


Strontmentaliteit

Toen Stijn Vreven een tiener was, schreef hij liefdesbrieven. Voor meisjes op wie hij zelf viel, maar ook op bestelling van vrienden die niet zo goed waren met romantiek en woorden. Hij heeft veel maten aan een lief geholpen en hij deed het graag. Het juiste woord zoeken, zinnen aan elkaar lassen, gedachten in een goede volgorde schikken: hij vindt het nog altijd leuk.

De woedeuitbarsting op het trainingsveld was niet gespeeld, maar ze was wel gestructureerd. Hij wist perfect hoe hij zijn boodschap zou verkopen. Eerst een harde klap in het gezicht, vervolgens enkele tikken links en rechts, dan pas de echte les. Hij hoopt dat hij het goed heeft gedaan, want helemaal zeker is hij nooit. Een dag later vraagt hij het zich nog af: ‘Had ik ze individueel moeten aanpakken? Had ik zachter moeten zijn? Of had ik er meteen een paar naar de B-kern moeten sturen? Dat houdt me bezig. Ik vertrek elke ochtend om zes uur naar Beveren en ben vaak pas tussen negen en tien weer thuis in Kuringen, maar als je me vraagt wat het meeste energie kost in deze job, dan is dát het: de ploeg op het goeie spoor krijgen en de vraag hoe je dat doet. Dat laat je nooit los.’

Zeker niet bij Waasland-Beveren. Met zeventien nieuwe voetballers zijn ze aan het seizoen begonnen. Een handvol echt goede, de meerderheid afdankers, clubhoppers en jonge beloften die het bij grotere ploegen niet hebben kunnen waarmaken. Spelers die het vuur een beetje kwijt zijn, spelers die nog niet weten dat je er met talent alleen niet komt, spelers die karakter missen. Het soort riemen waarmee andere coaches niet willen roeien, maar Vreven moet het ermee doen. En hij gelooft erin. Eerst omdat het moest, sinds de 3-2 op Anderlecht omdat hij het licht heeft gezien, of toch iets dat daarop lijkt.

Na de eerste helft stond het 2-0 voor paars-wit, maar het had ook 5-0 kunnen zijn, zo makkelijk lieten de elf van Vreven zich doen. Alsof ze wilden bewijzen dat ze inderdaad niets te zoeken hadden in eerste klasse, zoals de hele voetbalpers al voor de start van de competitie had geschreven. Tijdens de rust in de kleedkamer had Vreven geroepen, net zoals hij een dag later tegen zijn invallers zou doen. Maar in Anderlecht bogen de spelers het hoofd niet. Een aantal van hen werd zélf luidruchtig. ‘We zijn belachelijk slecht!’ ‘Wat een strontmentaliteit!’ ‘We kunnen veel beter en dat gaan we tonen!’

Gary Coulibaly, een nieuwkomer van 29 met 48 wedstrijden voor AS Monaco in de benen, nam het voortouw. Steeven Langil – ook een Fransman, vorig seizoen nog van Moeskroen-Péruwelz – deed mee, net als Milos Maric, een veteraan van vele oorlogen bij Olympiakos Piraeus, AA Gent, Bochum, Lierse en Lokeren. Vreven moest een gelukzalige glimlach verbergen. In zijn korte trainerscarrière – twee seizoenen in bevordering bij Esperanza Neerpelt en drie in tweede klasse, één bij Dessel Sport en twee bij Lommel United – had hij dit nog nooit meegemaakt. ‘Voor het eerst had ik het gevoel niet alleen te staan. Het ging slecht, ik was boos, maar ik had spelers aan mijn zijde. Dat was wat ik altijd al had willen bereiken.’

Waasland-Beveren stormde de kleedkamer uit, ging met vuur vooruit voetballen en stilletjesaan begonnen steeds meer spelers te geloven dat die Vreven misschien toch niet zot was. ‘Wij kunnen van elke ploeg in eerste klasse winnen,’ had hij in de voorbereiding tientallen keren gezegd. ‘Tarara,’ dachten er toen een paar. Maar 2-0 werd 2-1 en 2-1 werd 2-2, in één kwartier tijd. Het waren zelfs mooie goals, die van Steeven Langil en invaller Floriano Vanzo. Anderlecht speelde als pudding en kwam er niet meer aan te pas. Er was een goal uit het niets nodig, een zot afstandsschot van Youri Tielemans in de slotseconden, om paars-wit een blamage te besparen.

Stijn Vreven had blij kunnen zijn met dat bijna-punt tegen de bijna-kampioen van vorig seizoen, maar dat was hij niet. Hij haat verliezen, het brandt als maagzuur. Voor de camera’s lukt het hem om zijn teleurstelling in rede te verpakken, maar dat is komedie. ‘Iedereen zegt dat we een gelijkspel hadden verdiend, maar het is nog erger: we hadden verdomme kunnen winnen. Dat zou misschien onterecht geweest zijn, maar dat kan me geen zak schelen. Het hád gekund.’

Zijn haren zijn kort, hij draagt een strak zwart pak, een wit hemd en een dunne zwarte das, maar nu de stoom uit zijn oren komt, zie je zo de voetballer van vroeger terug: het oververhitte vechtersbaasje met zijn lange poedelkrullen in een staart en de kralen om zijn nek.


Gangster op voetbalschoenen

Die voetballer begon zijn carrière als topscorer van Koninklijke Voetbalvereniging Zwaluw Diepenbeek. De jonge Vreven was een klein, snel spitsje, dat hield van kappen en draaien en schijntrappen, iets wat hij als rechtsachter zou blijven doen wanneer hij een tegenstander wilde uitschakelen om voor te zetten. En in voorzetten zou hij heel goed worden. Hij toonde het al bij KV Mechelen en AA Gent, maar bij FC Utrecht – waar hij onder anderen Dirk Kuyt mocht bedienen – was Vreven elk seizoen goed voor tien tot vijftien assists. Hij kon ook goed passen, in de voet of in de ruimte, hij stond door goed positiespel heel vaak vrij en kon blijven lopen, van cornervlag tot cornervlag.

Maar dat is dus niet de Stijn Vreven die de meesten zich herinneren. Al na zijn tweede wedstrijd in Nederland stond er boven een krantenstuk over hem: ‘Gangster op voetbalschoenen’. Hij had weer eens getackeld als een gek, tegenstanders geprovoceerd, in alle opzichten de eikel uitgehangen. Zijn imago was gemaakt en hij zou het nooit meer van zich afschudden. Integendeel, hij zou het beeld zelf nog versterken.

De spionkop van FC Utrecht was dol op hem. Hij leek ook op hen, met zijn New Kids-coiffure, zijn zonnebankbruine huid en zijn wilde xtc-blik. Dat hij als tiener met Limburgse hooligans België was rondgetrokken om Standard aan te moedigen, dat ook hij ooit met de benen wijd en de armen tegen een muur gefouilleerd was door de flikken: ze wisten het niet, maar ze voelden het wel. ‘Gooi je haar los en maak ons gek,’ zong de Bunnikside, en dan wist Vreven wat van hem verwacht werd. ‘Dan moest er iemand de lucht in vliegen.’ Het publiek sleepte hem mee, hij sleepte de ploeg mee. Utrecht werd – zeker thuis – een team waar de tegenstander bang voor was. En aan Vreven hadden ze een hekel, sommige spelers weigerden hem zelfs een hand te geven vóór de wedstrijd. Vreven vond dat leuk, want dan had hij al half gewonnen. En winnen deed Utrecht in die periode vaak: het speelde drie jaar na elkaar Europees en won de beker in 2003.

'Ze noemden hem 'de Indiaan' omdat hij er zo uitzag en omdat hij toen gefascineerd was door chiefs en squaws'

Toen Vreven meteen daarna naar Kaiserslautern trok, had hij in Nederland definitief de status van cultheld verworven. De media hielden van hem. Ze noemden hem ‘de Indiaan’, omdat hij er zo uitzag en omdat hij in die periode gefascineerd was door chiefs en squaws. Zijn huis stond vol beelden en spullen uit de indianencultuur en journalisten lieten hem daar graag over praten. Het woord ‘krijger’ viel geregeld.

Nog tien keer intrigerender vonden ze Vrevens schizofrenie. Zo crapuleus als hij kon zijn op een voetbalveld, zo beleefd en zacht was hij ernaast. ‘Als je hem hoort praten, vermoed je met een medewerker van een kinderboerderij vandoen te hebben. En dan ook nog eentje die stiekem de halve dag met alle dieren loopt te knuffelen,’ schreef Voetbal International.

Vreven zelf snapt er nog altijd niets van, van die dubbele persoonlijkheid. Als hij beelden terugziet van zichzelf als smeerlap in korte broek – en op YouTube vind je bijna geen andere – kan hij eigenlijk niet geloven dat hij dat is. ‘Ik werd iemand anders, iemand die dingen deed die ik naast het veld nooit zou doen en ook nooit gedaan heb. Gewoon omdat ik altijd wilde winnen, omdat ik altijd wilde tonen dat ik de baas was.’

Hij was ook écht een brave jongen. Terwijl ploegmaats gingen stappen, zat hij thuis bij zijn vrouw boeken te lezen, over indianen. En de periode dat hij met zijn hooliganmakkers optrok, was kort en zelfs toen was hij maar een meeloper van zijn oudere broer. Die kon beter voetballen dan hij, maar drinken, slikken en vechten vond hij spannender. ‘Alles wat God verboden had, deed hij. En zo werd hij mijn voorbeeld: hij toonde hoe het níét moest. Hij zei me dat ook: ‘Stijn, maak niet de fouten die ik heb gemaakt.’’

Zijn ouders waren een positief voorbeeld. In hun voetsporen treden was nooit zijn bedoeling, maar op één of andere manier is het er toch een beetje van gekomen. Vader Vreven was leraar. Jonge gasten iets uitleggen en aanleren, ze motiveren en straffen: de zoon doet het nu ook. Hij staat zelfs vaak voor een bord, met een stift in de hand. De letters die hij schrijft, zijn zo netjes dat ze haast gedrukt lijken. ‘In het begin van het seizoen zette ik mijn volledige tactische wedstrijdvoorbereiding nog op papier. Drie van die supergrote vellen. Daar was ik tweeënhalf uur mee bezig, want ik wou dat het netjes en leesbaar was (lacht). Nu heb ik gelukkig powerpoint.’

De moeder van Vreven was naaister, een job die precisie en planning vraagt. Op de A4’tjes met het trainingsprogramma die Vreven aan zijn assistenten uitdeelt, elke dag een stuk of vier, staan glasheldere patronen getekend en elke oefening wordt schematisch uitgelegd. ‘Altijd tot in de puntjes verzorgd,’ zegt één van die assistenten.

Vreven leerde nog iets van zijn moeder. Na twintig jaar achter een naaimachine kreeg ze last van haar rug en ze besliste om mee te doen aan de mode van de dag: joggen. In Amerika deden ze het al en masse, traag rennen in een trainingspak: het scheen gezond te zijn. Op een dag vroeg ze Stijn – hij was 5 – of hij geen zin had om mee te lopen. ‘Vier kilometer. Op het gemak. En als je die uitloopt, krijg je 20 frank.’ Het was 1978 en met een halve euro kon je nog kilo’s snoep kopen. Stijn zag het meteen zitten, maar al na vijfhonderd meter werd hij moe. ‘Mama, ik kan niet meer. Gaan we stoppen?’ Mama zei oké. ‘Maar krijg ik dan dat briefje van 20?’ Mama zei nee. Stijn liep verder en probeerde het na vijfhonderd meter opnieuw: ‘Krijg ik nu mijn geld?’ Weer zei mama nee. Het scenario herhaalde zich nog een keer of drie, maar de jongen liep de vier kilometer uit. Hij was bekaf, had overal pijn en tranen in zijn ogen, maar in zijn vuistje zat een grijsgroen briefje met koning Boudewijn erop.

‘Niemand heeft me ooit gevraagd waar mijn drive vandaan kwam, waarom ik altijd maar blééf gaan, maar ik denk dat je naar die dag terug moet. Toen heb ik geleerd dat ik meer kon dan ik dacht. Dat ik, als ik iets echt wilde, ervoor moest blijven gaan. Als ik het even moeilijk had, op training of zo, dacht ik daar vaak aan terug.’


Bekijk Vreven in actie:


Beter dan Wilmots

Een nieuwe training op de Freethiel, twee dagen na Anderlecht en één dag na de speech voor de invallers. Die laatsten mogen het in een partijtje pak-de-bal opnemen tegen de basisploeg. Het is een oefening op snelle balcirculatie, op balbezit, op positionering én balverovering. Wie er meer over wil weten, moet er eens een Rode Duivel over aanspreken – die kennen er alles van, want ze doen het op bijna elke training. Elke andere vergelijking met de nationale ploeg houdt daar op: in één week Stijn Vreven zie je meer trainingsvormen dan in drie jaar Marc Wilmots. En neen, dat is geen overdrijving.

'Winnen is een automatisme, daar moet je elke dag mee bezig zijn. Daarom zijn bijna al mijn oefeningen in wedstrijdvorm. Het stomste spelletje moeten ze willen winnen'

De basisploeg, in een groen hesje, mag van Vreven met één man meer spelen dan de invallers, maar de drie volle minuten dat de oefening duurt, raken ze geen bal. 180 seconden mogen de blauwe hesjes aan één stuk door rondtikken. Vreven fluit af, zwijgt en kijkt naar wat er gebeurt. Coulibaly roept ‘Putain!’ en Maric zegt ‘Fuck!’ Voor de rest: niets. Veel lachende gezichten zelfs. Vreven doet alsof er niets aan de hand is: ‘Oké, dan mogen jullie nu tien tegen tien spelen, maar ik wil de blauwen vragen om het deze keer iets kalmer aan te doen, want de groenen kunnen echt niet volgen. Please?’

Er wordt gegiecheld. Een kind kan voorspellen dat ze dat beter niet hadden gedaan. ‘You guys in green, jullie denken allemaal dat jullie zeker zijn van jullie plaats, hè? ‘Wij hebben het goed gedaan tegen Anderlecht, ons kan niks gebeuren.’ Wel: forget it. Als jullie zo verder doen, spelen jullie zaterdag niet. Twee man heb ik boos gezien omdat het zo slecht was. TWEE! De rest? You don’t care. Jullie snappen zelfs niet eens wát jullie fout doen. Jullie dénken dat jullie lopen, jullie dénken dat jullie communiceren, maar het lijkt er alleen maar op. Een beetje hollen en een beetje roepen, dát doen jullie. Maar als een team spelen? Met overleg verdedigen? Echt voor die bal gaan, echt coachen, echt willen winnen?’ Vreven draait zich om en fluit gewoon het nieuwe spelletje op gang. Het verschil is dag en nacht. Blauw speelt nu ook met tien maar raakt amper een bal, groen is baas.

‘Veel spelers denken dat een winnaarsmentaliteit iets is wat je met een aan-uitknop kunt bedienen,’ zegt Vreven achteraf. ‘Maar zo werkt het niet. Winnen is een automatisme, daar moet je elke dag mee bezig zijn. Daarom zijn bijna al mijn oefeningen in wedstrijdvorm. Het stomste spelletje moeten ze willen winnen.’


Stoeltje gooien

Op training wordt intussen een wedstrijdje op één helft gespeeld. Milos Maric, de veteraan van vele oorlogen die op dit moment vooral tegen zichzelf aan het vechten is, geeft een pas naar een ploegmaat die twee bewakers bij zich heeft. ‘What a lousy pass, Milos,’ roept Vreven. Maric pruttelt wat tegen, Vreven wordt kwaad. ‘Dat je daar zelfs over durft te discussiëren! You fuck your own teammate en dan ga je excuses zoeken. Unbelievable, Milos!’ Onmiddellijk na de training spreekt Vreven hem er nog eens op aan. Maric zwijgt, neemt een bal en trapt die met één van zijn Jerommekesbenen keihard de lucht in. ‘Are you angry, Milos? Goed zo! Ik hoop dat je héél kwaad bent. Op jezelf, op die fucking pass van je, over de kwaliteit van wat je vandaag hebt gebracht.’

Vreven houdt wel van spelers die hun mond opentrekken. Zelf was hij ook zo. Schold de coach verrot als die een fout niet blies op training (zelf fluit hij er bijna nooit één, ‘daar leren ze van’) en één keer gooide hij een assistent een stoel naar zijn kop omdat die dacht tussenbeide te moeten komen in een ruzie tussen Vreven en de hoofdcoach. Die hoofdcoach was Trond Sollied, de assistent Herman Vermeulen. Vermeulen is nu de T2 van Vreven, hij heeft hem zelf naar Waasland-Beveren gehaald. ‘Ik was dat voorval met die stoel zelfs al vergeten,’ lacht hij, ‘maar dat is waarschijnlijk omdat ik nog ergere dingen met trainers heb uitgehaald.’

Dat hij de T2 heeft gekozen met wie hij in zijn korte periode bij AA Gent heeft gewerkt, is geen toeval. Vermeulen was er eerst assistent onder Jan Boskamp, daarna onder Trond Sollied. ‘Van die twee heb ik het meest opgestoken. Complete tegenpolen, maar achteraf bekeken hebben zij me het meeste bijgebracht. Met Boskamp klikte het meteen, dat voortdurend aanjagen van hem was helemaal mijn stijl, maar van Sollied was ik in het begin absoluut geen fan. Ik had een hekel aan zijn looplijnen, ik vond dat hij me beknotte als voetballer. ‘Die gast pakt me gewoon mijn plezier af,’ dacht ik. Maar hoe langer ik voetbalde, hoe meer ik ging inzien dat zijn visie op het spelletje heel vaak juist was. Herman heeft jaren met Sollied gewerkt (ook bij Olympiakos Piraeus, SK Lierse en het Turkse Elazigspor, red.) en kent die visie door en door. Dat was één van de redenen om hem erbij te vragen.’

Van Eric Gerets, die hem na drie jaar Utrecht naar Kaiserslautern haalde, leerde Vreven dan weer dat je een onderscheid moet maken tussen de voetballer en de mens. ‘Hij kon je op training uitkafferen tot je er ziek van werd, maar een uur later kwam hij naast je zitten om wat te kletsen en een kaartje te leggen. Hij kon op dat moment een hekel aan je hebben als voetballer, maar dat veranderde niets aan hoe hij je als persoon zag. Ik heb Maric daarnet in de gang ook een schouderklopje gegeven.’

Toch noemt Vreven die periode bij Kaiserslautern een ramp. Eric Gerets – Limburger, ouderwetse rechtsback, stoere gast – was de held van kleine Stijn. Als er ooit één trainer is geweest van wie hij een vaderlijke zegen had gewild, dan was het van hem. Maar Gerets zette Vreven op de bank. Die voelde zich gekrenkt, maar voor één keer zweeg hij. De pijn was groter dan de woede.

Het seizoen erop vertrok hij naar Vitesse, en daar zweeg hij niet. Na een jaar werd hij er naar de reserven verwezen omdat hij in een interview zijn beklag had gedaan over ‘de kerststemming’ op de club – hij vond het té gezellig. Vreven pakte zijn boeltje en ging in Cyprus voetballen, maar begon zich ook daar al na een paar maanden te ergeren aan het gebrek aan inzet en weer was hij weg. Bij ADO Den Haag ging het beter. Hij werd aanvoerder en kon weer laten zien wat hij waard was. En toen werd er diabetes type 1 bij hem vastgesteld. Normaal is dat het soort suikerziekte dat je al op je 5de krijgt, bij Vreven vermoedden de dokters dat de stress het had getriggerd. ‘Toen begreep ik daar niks van, ik dacht dat ik geen stress had. Pas later ben ik gaan inzien dat ik mezelf heel mijn carrière lang onder druk had gezet. Elke dag trainde en speelde ik alsof het mijn laatste kon zijn. Ik zag welke spelers er allemaal rond mij liepen en ik dacht: ‘Als jij niet elke dag heel hard werkt, heel hard loopt, heel hard in duel gaat, heel hard tackelt en heel goed voorzet, dan blijft er niet veel meer over en zal het snel gedaan zijn met je profcarrière.’’

Hij stond een goeie maand na de diagnose weer op het veld, maar helemaal de oude werd hij niet meer. Nog één seizoen bij Sint-Truiden, in 2007, en toen was het afgelopen met de carrière van voetballer Stijn Vreven.


Ten oorlog

En nu is hij dus trainer, al vijf jaar. Bijna al zijn collega’s vonden voetballen veel leuker, maar hij niet. ‘Voor het eerst heb ik het gevoel dat ik mijn ei helemaal kwijt kan. Ik doe het nu volledig zoals ik het wil, ik bepaal hoe er getraind en gespeeld wordt.’ Net zoals Vrevens vorige club, Lommel, speelt Waasland-Beveren – als het lukt, tenminste – dominant, verzorgd en aanvallend voetbal. Het zet druk op de bal, passt vaak in driehoekjes en zorgt dat er veel beweegt rond de targetspits: backs die oprukken, flankspelers die naar binnen trekken, middenvelders die tot aan de zestien komen. Knokken doen ze ook, maar het is helemaal geen werkersvoetbal. De organisatie is belangrijk, maar defensief kun je het spel niet noemen.

‘Je hebt al gezien hoe hard ik hamer op mentaliteit en duelkracht, en dat is ook wat de kranten nu voortdurend over mij schrijven, maar ik vind dat zeker niet belangrijker dan techniek of tactiek. Iedereen lijkt te denken dat tactiek niet past bij mijn profiel, maar dat is echt een grove vergissing. Daar stop ik net het meeste tijd in.’

De dag vóór de wedstrijd tegen KV Kortrijk traint hij alleen nog op tactiek. Er duikt zelfs een shadow game op: elf spelers die het tegen denkbeeldige tegenstanders opnemen, een dada van Trond Sollied. De tactiek van Vreven is voor een deel gebaseerd op twee spelers van Kortrijk: de linkse centrale verdediger en de spits. Als de doelman van Kortrijk de bal heeft, moet de hele ploeg in zone druk zetten, behalve op die ene verdediger. ‘Die Gigot heeft een rechtse poot, en niet eens zo’n goeie, dus mág hij de bal krijgen. Veel kans dat hij dan een lange bal naar Papazoglou (KVK-spits, red.) probeert te spelen.’ Die Papazoglou, een vent van 2 meter, moeten de verdedigers van Vreven vooral ruimte laten. ‘Als je in zijn rug kruipt, krijg je óf een fout tegen, óf hij draait zich van je weg en dan staat hij alleen voor de goal. Geef hem anderhalve meter. Negen kansen op de tien kopt hij. Wij weten dat, dus staan onze middenvelders klaar om die bal te onderscheppen.’

Vreven maakt zich vandaag niet boos, of toch nooit langer dan een seconde. Zijn speech aan het eind van de training is zelfs positief. ‘We have a lot of quality,’ begint hij, ‘en dat we een goed team kunnen zijn, dat hebben we bewezen tegen Anderlecht. Maar we hebben tegen Anderlecht ook bewezen dat we alleen maar een goed team hebben als iedereen er 100 procent voor gaat. If you don’t give a shit, we will lose. Dus: leef de afspraken na, werk hard, ga in duel, vecht voor elkaar, help elkaar. Als we het Anderlecht moeilijk kunnen maken, dan kunnen we dat met Kortrijk zeker. Ik wil morgen oorlog zien. Do it! WAR!’


Nooit tevreden

Zaterdagavond om twee minuten over acht speelt doelman Darren Keet van KV Kortrijk de bal in de Freethiel naar Samuel Gigot: een andere keuze heeft hij niet, alle andere verdedigers en middenvelders hebben een mannetje in de buurt. Ook Gigot ziet geen vrije man en geeft een lel naar voren, in de hoop de lange Papazoglou te bereiken. De bal belandt bij Waasland-Beveren, ze zetten meteen een aanval op. Het plan-Vreven werkt, na vijf minuten levert het zelfs onrechtstreeks een doelkans voor Langil op, en het plan zal blijven werken. Kortrijk komt nooit in zijn spel, Papazoglou zal één keer echt gevaarlijk zijn: een kopbal op de lat. Voor de rest hebben ze hem perfect onder controle, zoals Vreven had voorspeld.

'Ik ben nooit tevreden. Als je dertiende kunt worden, dan is er heel veel kans dat je ook tiende had kunnen zijn'

Zo win je als coach vertrouwen, zo krijg je als ploeg vertrouwen. Dat Kortrijk vorig seizoen zesde eindigde en Waasland-Beveren veertiende: niets van te merken. Als iemand het verdient te winnen, is het de thuisploeg, en dat gebeurt ook. Het wordt 2-1, goals van Renaud Emond en Zinho Gano, één van die spelers die de voorbije week trainde als een tiener met concentratieproblemen, maar nu voetbalt als een volwassene. Eigenlijk kun je dat van de hele ploeg zeggen. Van het sportcliché dat je speelt zoals je hebt getraind, blijft vanavond geen letter overeind.

Slotsom: drie op zes tegen twee ploegen uit Play-off 1. Naar Beverse normen een minimirakel. Vreven stoot een lange ‘Jáááá!’ uit en springt in de lucht. Een halfuur later relativeert hij al. Alleen verliezen kan hij niet relativeren. ‘Er was nog véél dat beter kon. Ik ben nooit tevreden. Stel dat we dit seizoen dertiende eindigen, dan denk ik dat veel mensen tevreden zouden zijn. Ik niet, dat weet ik nu al. Want als je dertiende kunt worden, dan is er heel veel kans dat je eigenlijk ook tiende had kunnen zijn.’


Fotofinish

Op de eerste training na de wedstrijd tegen Kortrijk – de spelers hebben één dag vrij gekregen en één dag mogen ze een individueel programma bij hen thuis afwerken – neemt Marco Mertens foto’s van Vreven. ‘Heel toffe gast,’ zegt hij achteraf aan de telefoon, ‘maar streng voor zijn spelers! Hij heeft ook gespeecht. Allee, geroepen.’ Ik vraag Marco wat dan wel. ‘Ik weet het niet meer precies, maar ik heb hem zeker drie keer horen schreeuwen: ‘THIS IS GARBAGE!’’

Stijn Vreven en Waasland-Beveren zijn nog lang niet klaar met elkaar.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234