Sonic City, dag twee: vrouwen hielden het Wilde Westen overeind

Cate Le Bon is excentriek en haar muzikale smaak is dat ook. Gevolg: dag twee van Sonic City was vaak uitdagend, soms vermoeiend en een paar keer prachtig. Terwijl Thurston Moore het liefst leek te verdwijnen in zijn gitaarstormen, hielden de vrouwen het Wilde Westen overeind: Whispering Sons, Mega Bog en Le Bon zelf.


Lees ook: Sonic City Dag 1 ☞

The Future is Female was het motto van de vorige Sonic City, toen Courtney Barnett cureerde, maar leek net zo goed van toepassing op dag twee van deze editie. Niet alleen bestond ruim de helft van de affiche uit vrouwen (het kán dus), ze gaven ook de beste shows. Aan het begin van de dag deelden Mannequin Pussy en Priests een dubbele muilpeer uit.

Mannequin Pussy (★★★) kwam, net als Sheer Mag de dag voordien, uit Philadelphia en had dezelfde hardcore-attitude. Soms klonken ze log en grungy als L7, maar meestal punkten ze met puntige baslijntjes die als schuimkopjes bovendreven op een zee van gitaarlawaai. Het was amper twee uur ’s middags, maar daar stonden we, in een verduisterde zaal met een biertje in de hand, en het leek middernacht in een perfecte wereld: een bandje speelde schuimbekkende hardcore – het ging vooruit zoals bij Bad Brains – en gaf dit weleens door testosteron en puritanisme geteisterde genre een broodnodig vleugje sensualiteit én glamour mee. Gitariste en zangeres Marise Dabice pookte het vuur in een soort modieuze camouflage-outfit – het moet niet altijd Henry Rollins in z’n boxershort zijn.

Ook Priests (★★★) had nagedacht over z’n podiumprésence: we zagen een Marilyn Monroe-pruik, een cowboyhoed en een glittertopje. Maar we hoorden vooral goeie songs genre ‘The Seduction of Kansas’, ‘Good Time Charlie’ en ‘Control Freak’ die tegelijk politiek geëngageerd en dansbaar waren. Oké, af en toe rammelde er een ritme uit de pas en ook de wissels tussen drumstel en microfoon van Katie Alice Greer (pruik) en Daniele Daniele (oranje shirt) verliepen niet altijd even vlot. Maar Priests slaagde er wel in om alle postpunk- en newwavevakjes aan te vinken (Gang of Four! Blondie! Au Pairs!) en alsnog buiten de lijntjes te kleuren – met dank aan de fantastische bassiste.

En toch werden beide Amerikaanse bands overklast door een groep die ijlings aan de affiche werd toegevoegd nadat Fontaines D.C. had afgezegd: Whispering Sons (★★★★). Festivalorganisator Wilde Westen heeft het Fenne Kuppens en co. wellicht geen twee keer moeten vragen om in te springen, want we zagen hen de voorbije jaren altijd al van podium naar podium hoppen tijdens Sonic City. Whispering Sons deed in Kortrijk wat het de voorbije maanden op festivals in heel het land – en een groot deel van Europa – deed: overrompelen.

Valt daar nog iets aan te voegen? Welja: sinds gisteren snappen we niet meer waarom deze band ten tijde van hun Rock Rally-overwinning in 2016 als nicheband werd weggezet. Zeker, de eighties galmen heftig na in hun muziek. Maar we begrijpen nu ook waarom zowel de huidige twintigers als de twintigers van die loden jaren met Whisperings Sons weglopen: same shit, different decade. Het gevoel dat Kuppens bezong in ‘Alone’, nu al een belpopklassieker, is universeel en tijdloos: 'I’m racing myself / To the point of no return' Gelukkig zorgde het brandalarm dat ineens afging bij slotsong ‘Waste’ voor een streepje comic relief na zoveel zwartgalligheid. Kuppens schoot in de lach, om dan nog één keer ongenadig in te hakken op haar demonen: 'It’s a perversity / that’s slowly /spiralling down in me.'


Excentriek

Bovenstaande drie bands waren gecureerd door Shame en Sonic City zelf, maar dag twee van het festival was verder in handen van Cate Le Bon. Haar algehele excentriciteit hoorden we terug in al haar geselecteerde artiesten, waaronder een delegatie uit Japan. Zo had Eiko Ishibasi twee drummers bij zich die frenetieke ritmes speelden waar zijzelf etherische dwarsfluitlijntjes bovenop drapeerde. Het resultaat klonk als postrock-zonder-gitaren, of als Swans voor de storm losbarst. Grimm Grimm was alleen, maar liet uit zijn gitaar en elektronica een toverbos vol orkestrale klanken opbloeien. De vroege Perfume Genius en Mercury Rev waarden erin rond, en zochten tevergeefs naar een uitweg in het mooie ‘Afraid’, geschreven na een Skype-gesprek met een vriendin die hij daarna nooit meer zag.

Ook Hatis Noit (★★★) stond er in haar uppie, maar wekte met samples van haar eigen indrukwekkende zang een heel koor tot leven. Haar performance was avant-garde en een tikje taai, maar tegelijk het soort ervaring waarvoor je naar Sonic City. Indrukwekkendste momenten: het nummer waarin ze haar zang vervormde door op haar borstkas te kloppen en daar tegelijk een ritme mee bouwde. En de verstilde song waarin ze grillig ruisende samples van de oceaan bij Fukushima had verwerkt en die ze opdroeg aan alle thuislozen na de kernramp daar.

De rode draad in Le Bons selectie bleek haar voorliefde voor einzelgängers en bricoleurs. Dat pakte doorgaans goed uit, maar in het geval van Yves Jarvis (★) liep het helaas vrij dramatisch. Naar eigen zeggen was Sonic City zijn eerste Europese concert ooit, maar het leek er eigenlijk op dat dit ’s mans eerste show tout court was. Hij stond erbij alsof iemand hem pas vijf minuten voordien had uitgelegd wat precies de bedoeling was, en rommelde drie kwartier aan met vogelgeluiden (was dat daar een roodborstje?), een amper hoorbare gitaar en meer gemompel dan gezang. Jammer, want op plaat hebben zijn Willis Earl Beal-achtige, in elektronica gedrenkte torch songs best wel potentie.

Dan bracht Ed Dowie (★★★) het er veel beter van af. Ook hij was zichtbaar nerveus en aftastend, en sukkelde soms met de spatietoets van zijn laptop, maar hij maakte wél indruk met zijn vernevelende folksongs. In ‘Verbarhemiopia’ tuimelde een wankel engelenkoor uit de hemel, ‘May for a Dead Queen’ was pastoraal als Tunng en in het geweldige ‘Red Stone’ leek het alsof de grote Robert Wyatt bij múm was gaan zingen. Deze voormalige koorknaap en organist had ook de beste merchandise bij zich: geen vinyl of cd’s, maar keukenhanddoeken met zijn gezicht erop.

Cate Le Bon wilde in Kortrijk ook een correctie op de courante, vaak zeer mannelijk georiënteerde rockgeschiedenis maken. Met Michelle Mercure en Vivien Goldman had ze twee vrouwelijke pioniers geprogrammeerd, respectievelijk van de elektronica en van de (post)punk. In de tegendraadse ritmes en de aparte frasering van Goldman hoorden we hoe die Le Bon hebbben beïnvloed, en ze kreeg meermaals een open doekje van het publiek, dus ja: deze veterane – met baret en in een rode jumpsuit – had haar plaats op Sonic City verdiend. Maar hoewel het oude ‘Private Armies’ en het nieuwe ‘Russian Dolls’ een fijne dubgroove hadden en lekker ouderwets militant van leer trokken, bleek dat goede bedoelingen geen garantie bieden op een geslaagd concert. Daarvoor zong ze toch echt te wankel.

Nee, dan Cate Le Bon (★★★★) zelf. De Welshe had als curator dan wel niet de headlinerspot op de affiche gekregen (of gevraagd), ze was hét onbetwiste hoogtepunt van de tweede Sonic City-dag. Sluipenderwijs is ze gegroeid ze van een folky outsider, goed voor kleine clubshows, uit tot een artieste die een zaal van duizend man in de ban kan houden. In Kortrijk viel meteen de warme, volle sound van haar band op, met een glansrol voor de saxofoon – soms zelfs twee. Vijf muzikanten kleurden Le Bons tussen folk, pop dub en postpunk schipperende songs in met kleine, maar bepalende tempowisselingen. Ze speelden losjes en strak tegelijk, en klonken beurtelings grillig (‘Wonderful’), Stereolab-speels (‘Home to You’) en ronduit poppy (‘You Don’t Love Me’).

She dances to her own tune, zegt men weleens over types die van de norm afwijken. Maar bij Le Bon zijn die tunes gewoonweg dikke hits voor al wie het wil horen. Zo denderde ‘Magnificent Gestures’ vooruit als een onweerstaanbare Neue Deutsche Welle-deun, sloop er een scheut soul in ‘The Light’ en boog ‘What’s Not Mine’ neuroses om tot een triomf, met een fraai klauwende gitaar aan het eind.

Ook Mega Bog (★★★★) – noem haar gerust het Amerikaanse nichtje van Le Bon – volgde louter haar eigen intuïtie. Dat leverde springerige songs op, die meanderden tussen jazz, folk en indie, en die telkens weer even onverwacht tot een einde kwamen. Erin Birgy noemde zichzelf een droevig type dat alleen in muziek verademing vond, en dat hoorden we: terwijl haar beeldspraak vaak donker en onnavolgbaar aandeed, bleven nummers als ‘I Hear You Listening (to the Bug on My Wall)’ speels en lichtvoetig. Doet wat denken aan Big Thief? Klopt: beide bands delen de inventieve drummer James Krivchenia. Dit mooie, delicate optreden was een van de weinige shows op zaterdag waarbij mensen niet in grote drommen afdropen tegen het einde.

Dat lot was zelfs Thurston Moore Group (★★★) beschoren, toch zo’n beetje de peetvader van de gitaarunderground. Nu ja, zo verwonderlijk was die aftocht ook weer niet. Net als een dag of tien eerder in Antwerpen – en eerder dit jaar in Gent en Brussel – had Thurston Moore geen microfoon voor zich staan. Hij en zijn band beperkten zich tot één song: ‘Alice Moki Jayne’, een compositie van een goed uur die hulde brengt aan de spirituele muzikante Alice Coltrane, de kleurrijke kunstenares Moki Cherry (moeder van Neneh) en de felle dichteres Jayne Cortez.

Voor de fans – en daar rekenen we ons al vijfentwintig jaar toe – viel er best wat te genieten: boventonen die aan het hoge plafond van Départ leken te krabben, met tentharingen bewerkte snaren, galopperende gitaaruithalen, tegen de versterkers schurende instrumenten en bruuske wendingen die door Thurston Moore met een knikje van de kin werden doorgegeven aan de rest van de groep. Maar eerlijk? Op dat moment, het was avond en we hadden al een dagje experiment achter de kiezen, keken we vooral uit naar woeste rockset – en dat kregen we maar mondjesmaat.


Oef, Rihanna

Ook Holly Herndon (★★★), die nog na Moore op het hoofdpodium aantrad, bracht bepaald geen afterparty. Een kwartier lang hoorde en zag je een damestrio – gekleed als nonnen (!) – a capella zingen, tot er ineens iemand op de achtergrond een bak grind uitkieperde. Dat was Herndon zelf, die door een stemvervormer zong. 'Why am I so lost', was een van de weinige zinnen die je verstond – en dat waren ook exact onze gedachten. Wie Björk al moeilijk vind, had hier een stevige kluif aan.

Naarmate de set vorderde, versmolten hortende en stotende beats uit de Autechre-stal met de ouderwetse stemmenpracht, en dat klonk alsof een stemcomputer aan de haal ging met middeleeuwse koormuziek. Zo ging het door: verknipte stemmen dwarrelden als flarden digitale data over ratelende en knisperende elektronica, en wij verdwaalden steeds meer in een virtueel spiegelpaleis.

Toen Herndon op haar tafel kroop, ging ze ‘intiem met haar machine’, klonk haar stem als rinkelend glas en stonden de drie zangeressen op een kluitje onverstoord te kwinkeleren. In hun thuisbasis Berlijn voeden Herndon en co. een artificiële intellegentie-baby, en Sonic City moest de dreumes toezingen: 'Oh keep us safe / safe in life.' Prompt verdween ons gezang in een zuigende en bonkende maalstroom à la Funkstörung. Aan het eind serveerde dit curieuze nog een stuk desoriënterende stottertechno die het DNA van dance ter plekke leek te kraken en dupliceren.

Kortom, Holly Herndon was goed maar een tikje te hermetisch voor de headlinerplek die ze had. Na middernacht wil een mens dansen, niet stuiptrekken. Dat we tijdens de afterparty Rihanna hoorden pa-ra-pa-pa’en, voelde dan ook aan als een opluchting.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234