null Beeld  Times Newspapers Ltd
Beeld Times Newspapers Ltd

CHERCHEZ LA MAÎTRESSE

Suleika Dawson, minnares van schrijver John le Carré: ‘John was een superheld in bed. Hij neukte me als een beest’

In zinderende spionagethrillers als ‘The Constant Gardener’ en ‘The Tailor of Panama’ verstrikte John le Carré (1931-2020) zijn lezers in een web van macht, geweld en intriges. Begin jaren 80 liet ook de piepjonge Suleika Dawson zich vangen door de wereldberoemde auteur, maar ze besefte snel dat bedrog en geheimdoenerij ook in Le Carrés liefdesleven een hoofdrol opeisten. Twee jaar na zijn dood doet ze in ‘The Secret Heart’ een boekje open over haar turbulente affaire met de schrijvende schuinsmarcheerder. Cherchez La Maîtresse.

Andrew Bilen

Suleika Dawson is een pseudoniem. Vraag me niet om je mijn echte naam te geven, want die krijg je niet.’ Nog vóór de schrijfster van ‘The Secret Heart’ heeft plaatsgenomen in de bar van het Londense hotel waar we hebben afgesproken, schept ze een mysterieus sfeertje dat zo lijkt weggeplukt uit één van John le Carrés meesterlijke spionageromans. De ravissante dame is begin de 60 – gokken we, want ook haar leeftijd wil ze niet verklappen – en belooft dat ze ‘vrank en vrij’ zal antwoorden op álle vragen die we maar kunnen bedenken over haar buitenechtelijke relatie met de gevierde schrijver. ‘Maar over de rest van mijn leven heb ik niets te vertellen. Ik ben erg op mijn privacy gesteld.’ Of we de fotograaf dan maar meteen wandelen moeten sturen? Een korte stilte, gevolgd door een koket lachje. ‘Ach, een paar foto’s kunnen geen kwaad. Ik zie er nog best goed uit voor mijn leeftijd, vind je niet?’

– Mevrouw Dawson, is dit een interview met ‘de minnares die een langdurige affaire met John le Carré heeft gehad’, of is dat een oneerbiedige omschrijving van uw relatie met hem?

SULEIKA DAWSON «Nee, helemaal niet. Waarom zou ik het licht van de zon ontkennen? John was getrouwd, maar hij sliep met mij, dus ik was de facto zijn minnares. Tot tweemaal toe zelfs: een eerste keer van 1983 tot 1985, en dan was er nog een korte heropflakkering in 1999 – toen was hij al bijna 70. Ook met het woord ‘affaire’ heb ik geen enkel probleem, al noem ik het liever een liefdesaffaire. John en ik waren niet alleen samen voor de seks. Ik hield van hem.»

– Is ‘The Secret Heart’ een boek over de liefde van uw leven?

DAWSON (grinnikt) «Mijn leven is nog niet voorbij, hoor. Die vraag zal ik pas op mijn sterfbed kunnen beantwoorden. Maar we hadden een unieke verstandhouding, zoveel is zeker. Toen ik John leerde kennen, leek hij alle hoop te hebben opgegeven om ooit nog een vrouw te ontmoeten met wie het op alle vlakken klikte. Tot ik zijn leven binnenwandelde.»

– Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?

DAWSON «In 1982 werkte ik als kersverse Oxford-alumna bij de afdeling audioboeken van een grote uitgeverij. Ik moest romans herschrijven tot scripts die de stemacteurs konden inspreken. Na een paar maanden had ik mijn eerste interessante opdracht beet: ik mocht ‘Smiley’s People’ (uit 1979, red.) onder handen nemen, een bestseller van de grote John le Carré. Toen ik op een dag de opnames bijwoonde in de studio, voelde ik plots dat iemand in m’n nek stond te hijgen. Ik draaide me om en keek recht in de ogen van de man die mijn minnaar zou worden.»

– Een beroemde schrijver die zich voorstelde door in uw nek te hijgen? Dat klinkt akelig.

DAWSON «Nee, hoor. John leed aan claustrofobie, hij wilde nooit de lift nemen. Hij was buiten adem omdat hij langs de trap naar de bovenste verdieping was gekomen (lacht)

– Was het liefde op het eerste gezicht?

DAWSON «Hij negeerde me straal. In zijn ogen was ik niet meer dan een assistentje, een deel van het meubilair. Maar een dag later merkte ik dat hij af en toe steelse blikken in mijn richting wierp. Rond de middag wenkte hij me. ‘Wij gaan samen lunchen,’ zei hij. En zo geschiedde. Hij nam me mee naar een poepchic restaurant, waar hij champagne bestelde en de duurste gerechten liet aanrukken. Hij wilde méér, dat voelde ik meteen. En ik eigenlijk ook, want ik vond hem een erg aantrekkelijke en interessante man. Toch besliste ik om de boot af te houden.»

– Waarom?

DAWSON «Niet omdat ik een preuts, onervaren meisje was (lacht). Integendeel, ik was indertijd een echte femme fatale met blond haar en lange, slanke benen. Een mannenmagneet – aan elke vinger had ik minstens tien aanbidders, en ik wentelde me in hun aandacht. Maar het gevoel dat John me gaf, was zo overweldigend ánders. Tijdens die eerste date ging ik volledig kopje-onder in hem.»

– Omdat hij u vergastte op een peperdure lunch met champagne?

DAWSON «Nee! Mijn fascinatie voor hem had niets met geld te maken. Hij bewonderde me, net als al die andere mannen, en verwende me als een prinses. Ooit stelde hij zelfs voor om een huis en een auto voor mij te kopen, zodat we elkaar makkelijker in het geniep konden ontmoeten. Maar die materiële rijkdom verzonk in het niet bij zijn unieke persoonlijkheid. John had de merkwaardige gave om een magisch universum te creëren, waarvan ik het middelpunt was. Met één vingerknip kon hij me het gevoel geven dat ik de enige vrouw ter wereld was die ertoe deed.»

TIEN DESSERTS

– John le Carré was een onverbeterlijke vreemdganger. U moet toch geweten hebben dat u nooit de enige zou zijn?

DAWSON «En toch liet ik me maar al te graag onderdompelen in die wonderlijke wereld van hem. Het klinkt misschien bizar, maar John was trouw in zijn ontrouw. Als we samen waren, gaf hij zich volledig over aan mij. Dan bestonden zijn echtgenote en al die andere minnaressen niet.»

– Hoe reageerde hij toen u hem na die eerste lunch afwees?

DAWSON (glimlacht) «Als een echte gentleman. Hij gaf me een zedige kus op de mond en net voor hij in een taxi sprong, riep hij: ‘Ik bel je nog, schoonheid!’

»Maanden later, in mei 1983, kreeg ik inderdaad een telefoontje – niet van John, maar van Jane (Eustace, Le Carrés tweede echtgenote, red.). Ik had intussen de opdracht gekregen om ‘The Little Drummer Girl’ in een audioscript te gieten, een spionageroman die John eerder dat jaar had uitgebracht. Jane raffelde een lijstje af met opmerkingen die John bij mijn script had genoteerd, maar die waren zó pietluttig… Die vent zoekt gewoon een alibi om me nog eens te ontmoeten, dacht ik onmiddellijk. De dag erna zat ik opnieuw tegenover hem in een luxueus restaurant, met een glas champagne in de hand. We hebben het einde van de lunch niet gehaald: nog vóór de tweede gang op tafel kwam, lagen we te rollebollen in een appartementje iets verderop, dat John ‘toevallig’ had gehuurd.»

– ‘Die dag stond er seks op het menu,’ schrijft u.

DAWSON «Voorgerecht, hoofdgerecht en dessert. Wat zeg ik: tíén desserts! John was een superheld in bed, een betere omschrijving kan ik niet bedenken. Als we samen waren, hadden we drie of vier keer seks per dag, uren aan een stuk. Soms bedreven we de liefde – zacht, sensueel, spiritueel – maar meestal neukte hij me als een beest. En klaarkomen dat-ie deed! Ik heb geen idee waar hij al dat zaad vandaan bleef halen (schatert)

– In de jaren 80 was John le Carré een wereldberoemde vijftiger. U kunt niet ouder dan 25 geweest zijn. Door een hedendaagse bril bekeken…

DAWSON «…zou onze affaire een #MeToo-schandaal geweest zijn. Dat is toch wat u bedoelt, hè? (Twijfelt) Ja, dat klopt. De manier waarop hij met vrouwen omging, is niet meer van deze tijd. Vandaag zou hij onverbiddelijk aan de schandpaal genageld worden, ja.

»We hadden onze vaste adresjes, maar op een dag nam hij me mee naar een restaurant waar we nooit eerder waren geweest. In een hoekje zat de beroemde schrijver Harold Pinter te lunchen, en uiteraard gingen we bij hem zitten. Een toevallige ontmoeting, dacht ik. Maar toen ik mijn boek aan het schrijven was, vielen de puzzelstukjes plots op hun plaats. ‘Smeerlap!’ riep ik naar mijn computerscherm. ‘Je wilde gewoon met je jonge vlam pronken!’»

– Heeft hij u ooit gedwongen om dingen tegen uw zin te doen?

DAWSON «John was een vrouwenverslinder, maar hij was geen Harvey Weinstein (Hollywoodproducer die actrices tot seks dwong in ruil voor filmrollen, red.). Dat #MeToo de regels van het verleidingsspel tussen mannen en vrouwen ingrijpend heeft veranderd, vind ik een goede zaak: de wantoestanden moesten eruit. Maar niet élke jonge vrouw die wordt verleid door een oudere man, is automatisch een slachtoffer. Alles wat John en ik deden, gebeurde met wederzijdse toestemming. Ik verlangde net zo hard naar hem als hij naar mij.»

– In zijn romans schetste hij niet zelden een erg negatief beeld van zijn vrouwelijke personages. Was hij een vrouwenhater?

DAWSON «Als je zijn boeken leest zonder hem gekend te hebben, zou je kunnen vermoeden dat hij een misogyn trekje had. Als hij een vrouwelijk personage liet sterven, was dat bijna altijd als gevolg van verwondingen aan de keel – ‘Het orgaan waarmee ze mannen verwijt en berispt,’ schreef hij in één van zijn romans. Erg positief is dat niet, maar alleen op basis daarvan besluiten dat hij een vrouwenhater was? Dat zou te makkelijk zijn.

»In ‘The Pigeon Tunnel’ (Le Carrés autobiografie uit 2016, red.) geeft hij zelf de verklaring voor zijn moeilijke verhouding met vrouwen. Hij had geen zussen en heeft z’n moeder amper gekend – ze ging ervandoor toen hij nog een kleuter was: ‘Door de afwezigheid van vrouwen heb ik het andere geslacht slechts moeizaam leren te begrijpen.’»

‘John kwam kéíhard klaar als ik tijdens de seks ijsblokjes tegen z’n ballen hield: dat soort details komt een bedrogen echtgenote vast liever niet te weten.’ Beeld ISOPIX
‘John kwam kéíhard klaar als ik tijdens de seks ijsblokjes tegen z’n ballen hield: dat soort details komt een bedrogen echtgenote vast liever niet te weten.’Beeld ISOPIX

ALTIJD UNDERCOVER

– Ook uit ‘The Pigeon Tunnel’: ‘Ik ben geboren, opgevoed én getraind om te liegen. Ik heb zoveel alternatieve versies van mezelf gecreëerd dat ik het origineel uit het oog heb verloren.’

DAWSON «Je moet John le Carré heten om jezelf zo treffend in één zin te kunnen samenvatten. Vóór het onverwachte succes van ‘The Spy Who Came In from the Cold’, de spionageroman waarmee zijn carrière in 1963 een hoge vlucht nam, was John een geheim agent bij de Britse inlichtingendiensten MI5 en MI6. Dat verleden heeft hij nooit van zich kunnen afschudden: diep vanbinnen is hij altijd een spion gebleven. Zelfs onze affaire was een geheime missie voor hem.»

– Met John le Carré in de glansrol van dubbelagent of, in dit geval, dubbelminnaar?

DAWSON «John leidde z’n leven alsof hij een personage in één van zijn boeken was. Hij was voortdurend undercover, op de vlucht voor een niet nader genoemde dreiging. De Londense flat waar we elkaar ontmoetten, noemde hij ons safehouse. Hij reed er nooit rechtstreeks naartoe, altijd via een omweg.

»Toen we midden jaren 80 een romantisch weekendje doorbrachten op het Griekse eiland Lesbos, kreeg ik echt de indruk dat ik in een spionagefilm was terechtgekomen. John liep de hele tijd achterom te kijken, alsof we achtervolgd werden. Eén keer ging hij zelfs een winkel binnen om de kortste weg naar het strand te vragen, terwijl hij de route perfect kende! Daarna wandelde hij opzettelijk de andere kant op. ‘Waarom doe je zo gek?’ vroeg ik. Maar op zulke vragen kreeg ik nooit een antwoord.

»Voor een volgende trip trok John alle registers open. In plaats van de vliegtuigtickets bij een reisbureau te boeken stond hij erop zijn ‘contacten’ in te schakelen, schimmige vriendjes uit zijn tijd bij de inlichtingendienst. De betalingen gebeurden op alle mogelijke manieren, van geheime bankrekeningen tot envelopjes met geld die stiekem onder een deur werden geschoven.»

– Hebt u nooit gedacht: die man is niet goed bij z’n hoofd?

DAWSON «Destijds had ik er weinig vragen bij, omdat ik John nam zoals hij was, met al zijn eigenaardigheden. Bovendien was zijn gedrag niet alleen te wijten aan zijn spionnenverleden, maar ook aan zijn moeilijke jeugd. Je moet weten dat hij is opgegroeid in een gezin zonder moeder, en met een vader die bijna voortdurend in de gevangenis zat wegens oplichterij. Van kinds af besefte hij dat vrijheid en geluk niet vanzelfsprekend waren. Die kinderjaren hebben heel wat knopen in z’n hersenen gelegd, en niemand is er ooit in geslaagd die te ontwarren. Ook ik niet.»

– ‘John was een wandelende paradox,’ schrijft u. ‘Hij was alleen gelukkig als hij ongelukkig was, en omgekeerd. Hij kon slechts vrij zijn als hij opgesloten zat, en omgekeerd.’

DAWSON «Zijn ongeluk – of, beter gezegd: zijn onvermogen om gelukkig te zijn – was niet alleen de brandstof van onze relatie, maar ook van zijn schrijverschap. Ik ben ervan overtuigd dat een rustige, tevreden John le Carré nooit zo’n indrukwekkend oeuvre bij elkaar had kunnen pennen. Hij had die chronische spanning en knagende ontevredenheid nodig om zichzelf te kunnen zijn als mens en als schrijver.

»Ik herinner me een nacht in Zürich. We hadden urenlang de liefde bedreven – puur en teder, zoals alleen echte geliefden dat kunnen – en waren in elkaars armen ingedommeld. Tot John me plots wakker schudde, met een verwarde blik in z’n ogen. ‘Je moet nú vertrekken,’ zei hij. ‘Je maakt me te gelukkig, dat kan ik niet aan!’ Eindelijk, dacht ik, toen ik een kwartier later met m’n koffers op straat stond. Eindelijk snap ik hoe die man in elkaar zit. De affaires, de geheime weekendjes, het safehouse, noem maar op: het waren allemaal vluchtroutes uit een gevangenis die hij zelf had gebouwd.»

– Hoe bedoelt u?

DAWSON «John is tot zijn dood samengebleven met zijn tweede vrouw Jane – die nota bene zijn minnares was geweest tijdens zijn eerste huwelijk. Wie heeft hem tot die huwelijken gedwongen, denkt u? Niemand! Hij sloot zichzelf vrijwillig op en probeerde daarna als een bezetene te ontsnappen. Die onmogelijke paradox beheerste zijn leven. Als iets mocht, voelde hij geen spanning, en dan smolt zijn interesse weg als sneeuw voor de zon. Als hij een vrij man was geweest, zouden we nooit een relatie gehad hebben. Ik was niet meer dan een verboden vrucht waarin hij zijn tanden wilde zetten.»

‘Op een dag werd ik wakker en ik dacht: ik kan het niet meer. Ik besloot een psycholoog op te zoeken, en stelde vast dat ik klinisch depressief was. John had mijn ziel leeggeroofd, er bleef niets meer over.’ Beeld Times  Newspapers Ltd
‘Op een dag werd ik wakker en ik dacht: ik kan het niet meer. Ik besloot een psycholoog op te zoeken, en stelde vast dat ik klinisch depressief was. John had mijn ziel leeggeroofd, er bleef niets meer over.’Beeld Times Newspapers Ltd

NO WAY, LE CARRÉ

– In 1985 hebt u een punt gezet achter de affaire, na meer dan twee jaar. Was er een specifieke aanleiding?

DAWSON «Niet echt. Op een dag werd ik wakker en dacht ik: ik kan het niet meer. Ik besloot een psycholoog op te zoeken, en stelde vast dat ik klinisch depressief was. John had mijn ziel leeggeroofd, er bleef niets meer over. Diezelfde dag belde ik hem op: ‘Ik wil je nooit meer zien.’ Met een telefoontje van amper vijf seconden zette ik een dikke streep onder de uitputtendste jaren van mijn leven.»

– Toch spreekt er geen bitterheid uit uw boek.

DAWSON «Natuurlijk niet. We waren met z’n tweeën, hè? Ik had al veel vroeger kunnen beslissen om er de stekker uit te trekken, maar dat heb ik niet gedaan. Dat ik me zo slecht voelde, had ik voor minstens 50 procent aan mezelf te danken.»

– Maar veertien jaar later, in 1999, sloeg de vonk opnieuw over.

DAWSON (zucht) «Dat was een monumentale vergissing. John gaf een lezing in Londen en ik was in de buurt, dus ik dacht: ik loop even langs. Nog vóór ik goed en wel had plaatsgenomen, boorden zijn ogen zich al in de mijne. Na de lezing raakten we aan de praat en het spelletje begon weer van voren af aan. Cadeautjes, geheime ontmoetingen, vluggertjes… Toen ik een vriendin vertelde dat John en ik weer samen waren, barstte ze in tranen uit. ‘Nu loop je wéér in je ongeluk,’ riep ze wanhopig uit. Ze had overschot van gelijk, daarvan was ik me heel goed bewust. Toch duurde het nog een halfjaar voor ik er weer een punt achter zette.»

– Wat was toen de aanleiding?

DAWSON «John vroeg of ik een kind van hem wilde. Als ik ja zei, zou hij scheiden van Jane. Ik denk dat hij mijn twijfels had gemerkt en onze affaire probeerde te redden door te doen wat hij altijd had gedaan: liegen. Ik wíst dat hij zijn vrouw nooit zou verlaten. Het beste bewijs kwam er een paar weken later, toen mijn moeder plots was gestorven. John was ervan op de hoogte, maar liet niets van zich horen: geen telefoontje, geen kaartje, niets! Toen ik hem een paar dagen later zelf belde, klonk hij geïrriteerd. ‘Ik heb het erg druk, je gaat me nu toch niet lastigvallen?’ En díé man zou de vader van mijn kinderen worden? No way, Le Carré!

»Een paar weken later hadden we ons allerlaatste telefoongesprek. Hij verontschuldigde zich voor z’n botte reactie op het overlijden van mijn moeder, dus ik dacht: ik geef hem nog één kans. Hij wilde het goedmaken met een reisje naar Elba, maar de spion in hem haalde weer de bovenhand. ‘Mijn vrouw ruikt onraad,’ fluisterde hij. ‘Jij moet de vliegtuigtickets boeken.’ Toen ik antwoordde dat ik mijn buik vol had van zijn paranoïde spelletjes, stelde hij voor om me het geld voor de tickets per post op te sturen. ‘Het is 1999, John!’ riep ik in de hoorn. ‘Als je zo nodig het kind wilt uithangen, geef me dan tenminste een creditcard!’ Er viel een korte stilte, gevolgd door de kiestoon. Hij had de verbinding verbroken.Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.»

– Na alles wat jullie samen hadden meegemaakt, liep de affaire stuk op een banale ruzie?

DAWSON «Nee, er was meer aan de hand. Ik wilde niet meer verder, maar John kón niet meer verder. Hij had eindelijk een soort innerlijke rust gevonden, denk ik – voor zover dat mogelijk was, natuurlijk. Omstreeks die tijd zei hij in een interview dat hij het liegen en bedriegen was verleerd: voor de journalist en de onwetende lezer leek het alsof hij een grapje maakte, maar ik wist dat hij bloedserieus was. De voortdurende stress die al zijn affaires hem aandeden, was hem te veel geworden.

»Na die lezing in Londen, waar het vuur tussen ons weer was opgelaaid, kreeg John een stevige klap te verwerken. Yvette Pierpaoli, een Franse mensenrechtenactiviste met wie hij lange tijd iets had gehad, was in Albanië gestorven bij een auto-ongeluk. Twee jaar later zou hij zijn roman ‘The Constant Gardener’ aan haar opdragen. Op de begrafenis, die hij samen met zijn vrouw Jane bijwoonde, is hij in tranen uitgebarsten. Dat had hem geschokt, vertelde hij me: hij begreep niet hoe hij zichzelf zo had kunnen verraden. ‘Ik heb mezelf ontmaskerd als de eerste de beste beginneling,’ jammerde hij. ‘Waar mijn vrouw bij was!’»

– Is dat niet wat u doet in ‘The Secret Heart’: een man ontmaskeren die z’n hele leven lang krampachtig heeft geprobeerd dat te verhinderen?

DAWSON «Nee, hoor. Je kunt geen spion ontmaskeren die al twee jaar dood is (grinnikt). Als ik dit boek had uitgebracht toen John nog leefde, zou hij me waarschijnlijk voor de rechter gesleept hebben. Niet uit woede of verontwaardiging, maar omdat hij de schijn moest ophouden voor zijn vrouw én voor de buitenwereld, die hem nog steeds zag als een gelukkig getrouwde familieman. John is nu in de hemel – in de veronderstelling dat hij daar binnen mocht, tenminste – en kijkt naar beneden met een glimlach om z’n lippen. ‘Goed gedaan, meid,’ fluistert hij me toe.»

– Jane Eustace, zijn weduwe, is enkele maanden na haar echtgenoot overleden aan de gevolgen van kanker. Zou u dit boek hebben uitgebracht als zij nog leefde?

DAWSON (twijfelt) «Ik denk het wel. Jane was niet van álles op de hoogte, maar ze wist uiteraard dat haar lieve echtgenoot geen heilige was. Wat ik in mijn boek heb geschreven, zou dus geen enorme verrassing zijn geweest. Alleen de pikante scènes zou ik misschien gecensureerd hebben. John kwam bijvoorbeeld kéíhard klaar als ik tijdens de seks ijsblokjes tegen z’n ballen hield: dat soort details komt een bedrogen echtgenote vast liever niet te weten (lacht).

»Ik krijg weleens de vraag of ik het boek uit rancune heb geschreven. De waarheid is dat ik gewoon zeg wat er is gebeurd, zonder bittere gevoelens. Het is niet mijn bedoeling om na te trappen, en zeker niet om iemand te kwetsen. Dat is trouwens ook de reden waarom ik niet in de officiële Le Carré-biografie voorkom, die in 2015 is verschenen: Adam Sisman wist van onze affaire, maar heeft ze niet vermeld omdat hij John en Jane niet op het hart wilde trappen.»

– Is dat de echte reden, denkt u? Sisman betwijfelt of u wel zo’n belangrijke rol hebt gespeeld in John le Carrés leven: volgens hem was u ‘maar één van zijn vele minnaresjes’.

DAWSON (lachje) «Onze affaire heeft dertig maanden geduurd. Als ik zijn twee echtgenotes buiten beschouwing laat, is er geen enkele vrouw die meer tijd met John heeft doorgebracht dan ik. Zelfs als je zijn talloze escapades met andere minnaressen bij elkaar zou optellen, kom je nog niet in de buurt. Dat zegt toch alles? John le Carré hield zielsveel van me, maar wel op zijn manier.»

© The Sunday Times Magazine

Suleika Dawson, ‘The Secret Heart’, Harper Collins

Nu op Humo:

Tom Borremans, de man achter Sociaal Incapabele Michiel: ‘Mijn vader zei: ‘Je werk is echt stront’’

Experts over de crash van cryptomunten: ‘In bitcoin investeren is als gokken op de paardenkoers’

Delphine Lecompte na ‘De allerslimste mens’: ‘Ik raakte betoverd door de hitsigheid van al die vedetten’

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234