Summer in the city: 'Dance, Dance'

Een zomer lang dalen wij af in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. Deze week: de D van Didden.

'Een vijffrankstuk: daar kocht je op de lokale jukebox drie maal drie minuten geluk mee'

Behalve Guy Mortiers veel meer dan legendarische radioprogramma ‘Schudden voor gebruik’ (1963-1965) had een altijd naar kwaliteit zoekende en door ‘moderne’ muziek begeesterde jongeling als uw dienaar het in de late jaren 50 en tot een stuk in de sixties niet altijd makkelijk om aan zijn gerief te komen.

Ja, ik woonde dan wel in de hoofdstad en kwam in de rekken van de Britse boekhandel Smith & Son (nu Waterstones) wel eens een exemplaar tegen van muziekbladen als Melody Maker of het nog steeds bestaande en straks gratis bedeelde New Musical Express, maar de aanschaf daarvan lag systematisch boven het budget dat bestond uit het wekelijkse zakgeld dat ik van mijn ouders ter beschikking kreeg. Behalve Mortiers superieure muziekkeuze en zijn weergaloze nonsensicale bindteksten bleven er dus maar twee echte bronnen over waaraan ik mijn dorst naar muziek kon laven. Eén daarvan was, zoals bij wel meer van mijn leeftijdsgenoten, de populaire kermisattractie die wij in onze streken gemeenzaam ‘de botsautokes’ noemen maar die in de internationale literatuur ook wel eens voorkomt als bumper cars, autoscooters of voitures tamponneuses. Die botsautotenten beschikten altijd over een fenomenaal en vooral luidruchtig PA-systeem waarop je eindelijk op volle kracht kon horen hoe dramatisch Neil Sedaka’s ‘Oh Carol’ wel was, hoe vrolijk en fantastisch Little Eva toch klonk en hoe lekker dubbelzinnig Millie Smalls versie van ‘My Boy Lollipop’ wel luidde.

Voor wie niet over een autoscooterkraam kon beschikken, bestond nog een andere optie die zich ook vaak aan mij voordeed. Het betrof de ijzeren discipline die erin bestond om urenlang met mijn vader op café te blijven hangen.

Terwijl zich langzaam een stapel chocoladerepen voor mijn neus optrok – telkens wanneer iemand hem een ‘export’ aanbood, kreeg ik er een stuk Jacques bij – slaagde ik er ook in om ongeveer eens per uur mijn dierbare verwekker een vijffrankstuk af te luizen. Daar kocht je op de lokale jukebox drie maal drie minuten geluk mee. Wonderlijke plaatjes die nu na eenvoudige oproeping van hun codes – A6! E3! G2! – bij mij alweer spontaan de intro van Rick Nelsons ‘Hello Mary Lou’, Edith Piafs ‘Milord’ of Ned Millers ‘From a Jack to a King’ doen opdoemen.

Om één of andere reden had ik in die tijden ook een onverklaarbare genegenheid opgevat voor het nummer ‘‘D’ in Love’ van de nog steeds ondergewaardeerde Cliff Richard, een man die vooral doorging voor een Engelse Elvis-epigoon maar wiens prachtige stem, voortreffelijke zin voor interpretatie en doorgaans uitstekende songkeuze mij van jongs af al intrigeerden.

Ik geef eerlijk toe dat ik me ook Cliff-fan was gaan noemen omdat mijn twee oudste broers het openlijk voor Elvis hadden opgenomen.

‘‘D’ in Love’ is bovendien niet Cliffs beste single – het was officieel zelfs maar de B-kant van zijn vierde hit ‘I Love You’ – maar het is wel een fraaie popsong die in mekaar gedraaid was door het professionele songschrijversduo Roy Tepper en Sid Bennett, dat onder andere ook ‘Red Roses for a Blue Lady’ (Vic Dana), ‘New Orleans’ (Elvis Presley) en later eveneens ‘The Young Ones’ (ook voor Cliff) fabriceerde.

Maar dat de D zonder meer een vruchtbare letter is voor liedjesmakers mag blijken uit een schuine blik op mijn luisterlijst, waar ik natuurlijk zowel ‘Da Doo Ron Ron’ van The Crystals als ‘Dancing in the Street’ van Martha Reeves & The Vandellas, zowel Bobby Freemans ‘Do You Wanna Dance’ als ‘Dance, Dance, Dance’ van The Beach Boys zie staan blinken.

De door mij en vele Humo-lezers nog steeds zeer geliefde The Kinks wisten ook wel raad met de vierde letter van het alfabet, want wat vormen ‘Dandy’, ‘David Watts’ , ‘Death of a Clown’, ‘Dead End Street’, ‘Dedicated Follower of Fashion’ en het echt wonderbaarlijke ‘Days’ een fijne reeks als je ze na mekaar laat afspelen, iets wat dankzij de moderne technologie perfect mogelijk is.

‘The Lovin’ Spoonful niet vergeten in dit verhaal,’ zegt iemand die over mijn schouder meekijkt, en ik neem aan dat het dan over ‘Daydream’ gaat, inderdaad een even mooie als fantastisch luie song van John Sebastian, maar ik heb toch altijd vooral diep genoten van Spoonfuls eigen versie van het vaak gecoverde ‘Darling Be Home Soon’.

Sebastian schreef de song op verzoek van Francis Ford Coppola voor diens film ‘You’re a Big Boy Now’ en gelooft u me vrij: de song is beter dan de film! Het is een mooi kortverhaal over gemis en verlangen en ik was altijd al onder de indruk van de optimistische zinnen die de 22-jarige Sebastian erin schreef: ‘And now, a quarter of my life is almost past / I think I’ve come to see myself at last / And I see that the time spent confused / Was the time I spent without you / And I feel myself in bloom.’

Nu we toch een schuif sentiment opengetrokken hebben, zal ik u ook maar bekennen dat één van de songs die ik het liefst en het vaakst hoor onder de rubriek ‘D’ thuishoort.

Ik heb het dan over ‘Dimming of the Day’, dat ik natuurlijk zoals iedereen die oren heeft het best ken van Richard Thompson zelf maar dat, als het hier aan de beurt komt via de shufflemodus, gelukkig ook wel eens gevolgd wordt door de schone versie die Bonnie Raitt ervan maakte, én die van The Five Blind Boys Of Alabama, én die van Alison Krauss & Union Station, én die van, u gelooft het nooit, Tom Jones.

Jones nam de song op voor de in onze contreien wat ondergesneeuwde maar erg integere lp ‘Spirit in the Room’ (waarop hij werk coverde van Leonard Cohen, Tom Waits en andere Paul Simons, net zoals hij dat op de voorganger ‘Praise and Blame’ deed met John Lee Hooker, Sister Rosetta Tharpe en de heer Dylan).

Van Dylan gesproken: ik draag zijn ‘Dear Landlord’ al 47 jaren diep in het hart. Maar laten we vooral niet vergeten dat zijn eerste grote meesterwerk wellicht ‘Desolation Row’ was, een rock-’n-rollsong zoals die door Jeroen Bosch geschreven had kunnen zijn, gesteld dat Jeroen Bosch rock-’n-rollsongs schreef.

Geloof overigens vooral het in onze streken wijdverspreide broodjeaapverhaal niet dat deze song zou koppelen aan leven en werk van James Ensor. Een Amerikaanse universiteitsprofessor heeft daar ooit eens een theorietje over gebrouwen, maar met de werkelijkheid had dat werkelijk niets te maken.

Ook Dylan, ook D, ook uitstekend: ‘Dignity’, ‘Duncan and Brady’, ‘Day of the Locusts’, ‘Dirge’, ‘Down Along the Cove’, ‘Drifter’s Escape’, ‘Don’t Think Twice, It’s All Right’, ‘Duquesne Whistle’.

Maar laten we de winkel sluiten met ‘Ballad in Plain D’, het nummer waarin Dylan zijn relatie met Suze Rotolo tegen een droevige lichtpeer houdt, ongekende diepten van zelfmedelijden bereikt en daarover later zei: ‘I must have been a real schmuck to write that.’

Misschien wel, maar dan toch onze schmuck.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234