Summer in the city: 'I and I'

Een zomer lang dalen wij af in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. Waar waren we ook weer gebleven? Hola, nog maar bij de negende letter van het alfabet: opschieten!

''If You Don't Like Hank Williams You Can Kiss My Ass' is niet de beste song van Kris Kristofferson, maar wel één waar ik het volledig mee eens ben'

Er zouden vele pagina’s van vele Humo’s gevuld kunnen worden met woorden van lof voor de vele songs uit het wereldrepertoire waarvan de titel met een I begint. En zelfs het summier beschrijven van een kleine selectie daaruit zou ook al enkele vierkante centimeters echt of virtueel papier vergen, en in elk geval meer woorden eisen dan de 1.400 die de honchos van Humo voor deze zomerse rubriek vrijmaken. Wat honchos zijn, moet u maar eens in de altijd handige Urban Dictionary opzoeken. Maar als u wilt weten wat wij een fijne popsong vinden, dan kunnen we u misschien ‘(I Love the Sound of) Breaking Glass’ aanbieden van de Britse zanger, songschrijver en producer Nick Lowe. Zelf vindt Lowe er niets meer aan en hij speelt de song dan ook zelden of nooit live, maar toch is het zo dat wij via dat groene singletje uit 1977 zijn gaan inzien dat deze Lowe niet zomaar een meeloper was uit het toch erg door oude rock beïnvloede parallelle circuit dat zich in die dagen naast de punk gevestigd had.

Nick Lowe zou later nog geweldige songs schrijven als ‘Cruel to Be Kind’, ‘Cracking Up’, ‘I Knew the Bride’ en vooral ‘(What’s So Funny ’Bout) Peace, Love and Understanding?’. Maar dat wist u wel. Minder bekend is dat Lowes rustige cd’s uit de jaren 90 en 2000 (‘The Impossible Bird’, ‘The Convincer’) ook meer dan de moeite zijn.

Maar laat ook eens andere I-songs door uw geest wandelen. En dan denk ik niet alleen aan het bijzondere ‘I Am a Rock’ (Simon & Garfunkel), het klinkklare ‘I Can Help’ (Billy Swan), ‘I Can See for Miles’ (The Who), ‘I Don’t Like Mondays’ (The Boomtown Rats), ‘I Fought the Law’ (The Bobby Fuller Four) of, mijn favoriete I-song, ‘I Close My Eyes and Count to Ten’ (Dusty Springfield op haar superbeste best).

Ik ben ook telkens onder de indruk wanneer de shuffle-functie van mijn huiscomputer komt aandraven met ‘I Drink’ van Mary Gauthier, een bekentenissong waarin de zangeres uit Louisiana het heeft over haar problemen met drank en met een vader die ook problemen had met drank. ‘Fish swim / Birds fly / Daddies yell / Mamas cry / Old men sit and think / And I drink’. Vous voyez le genre.

Creatief met I zijn ook de rasta’s waar ‘I and I’ gewoon ‘wij’ betekent, en ‘I and I’ is ook een zinsnede waar Bob Dylan zijn voordeel mee gedaan heeft in zijn gelijknamige song uit de soms wat vergeten ‘Infidels’-lp. Behalve dat bewuste ‘I and I’ (een verhaal over een rusteloze man die ’s nachts een mooie vrouw alleen in zijn bed laat liggen omdat hij liever in de straten gaat verdwalen) staan ook nog wel toppers als ‘Jokerman’, ‘Sweetheart Like You’ en het werkelijk desperate ‘Don’t Fall Apart on Me Tonight’ op die plaat.

Tijd om de I vaarwel te zeggen, nu. Dan ga ik maar eens voor ‘If You Don’t Like Hank Williams You Can Kiss My Ass’ van Kris Kristofferson. Niet Kris’ beste song, maar wel één waar ik het volledig mee eens ben.


J

Van Hank Williams gesproken: zijn cajunklassieker ‘Jambalaya’ is door niets of niemand kapot te krijgen, ook al hebben The Carpenters en Shocking Blue daarvoor goed hun best gedaan. Wendt u zich dan maar liever tot Fats Domino, Brenda Lee, Jo Stafford, John Fogerty of Emmylou Harris om van dat vrolijke lied bij iedere beluistering een feestje te maken. En drink er een bord gumbo bij, die heerlijke vissoep uit New Orleans.

De J van ‘Jambalaya’ komt ook handig van pas wanneer wij op zaterdagavond tafels en stoelen opzijzetten om wat overblijft van ons bekken wat te schudden tijdens een imitatie van de wonderlijke dans der bajesklanten in ‘Jailhouse Rock’. Zowel de song met die naam als de gelijknamige film waren aan het eind van de jaren 50 razend populair, en tegen dat die prent in mijn buurt terechtkwam, heette hij nog slechts ‘Le rock du bagne’ en sprak Elvis vloeiend Frans met een Parijs’ accent.

Gelukkig zong Elvis de Schelvis – zo noemde mijn vader hem – onmiskenbaar in het Amerikaans, zodat de woorden die Jerry Leiber bij de muziek van Mike Stoller schreef, diepe indruk maakten op mijn 10-jarige ik en dat van miljoenen anderen. Zinnen als ‘Sad sack was sittin’ on a block of stone / Way over in the corner weepin’ all alone / The warden said ‘Hey, buddy, don’t you be no square / If you can’t find a partner, use a wooden chair’’ drongen niet volledig tot ons door, maar klonken toch als Shakespeare voor de massa. Dat er enige homo-erotiek te pas kwam bij ‘Number forty-seven said to number three / You’re the cutest jailbird I ever did see’ was mij geenszins duidelijk en toen ik bijna veertig jaar later eens het geluk had om samen met de heren Leiber & Stoller exquise Italiaanse gerechten tot mij te nemen in restaurant Toscana, gelegen aan San Vicente Boulevard, 11633 te Brentwood, Californië, ben ik vergeten het hen te vragen. Ook al omdat ik toen wat in de lappenmand hing vanwege de aanzienlijke hoeveelheid zeer behoorlijke Brunello di Montalcino (Col d’Orcia, herinner ik me plotseling) die in onze kelen verdween, die mooie zomeravond.

‘Je suis un soir d’été’ is dan weer één van Jacques Brels mooiste nummers, zoals de mensen die Juliette Gréco eerder deze zomer meemaakten in het Rivierenhof te Deurne wel zullen weten. Het komt uit de titelloze lp die Brel in 1968 liet verschijnen, op een moment dat hij allang gestopt was met optreden. Een uitzonderlijke goede plaat was het met andere hoogtepunten als ‘J’arrive’, ‘La bière’, ‘Vesoul’, ‘L’Ostendaise’ en ‘Un enfant’. Voor wie een beetje Frans verstaat, is het zonneklaar dat Brel in zijn briljante tekst nog eens scherp uithaalt naar de boerse bourgeoisie die hij tot aan zijn laatste snik zal blijven misprijzen. Niet dat daarom de poëzie afwezig moet zijn, want als u zinnen als ‘Sous le lustre à facettes / Il pleut des orangeades / Et des champagnes tièdes / Et des propos glacés / Des femelles maussades / De fonctionnarisés’ eens onder de loep houdt, zult u daar vast een kluif aan hebben.

Ook J en ook fantastisch: ‘Jackson’ (voor mij toch graag op de wijze van Lee Hazlewood en Nancy Sinatra), ‘John Lee Hooker for President’ (Ry Cooder), ‘Josie’ (Donovan hier tot ginder!) en het ziekelijk prachtige ‘Just to Walk That Little Girl Home’ van Willy DeVille en Doc Pomus, één van de vele parels op de eerste écht grote plaat van de jaren 80, Mink DeVilles meesterwerk ‘Le Chat Bleu’.

Maar ook ons taalgebied mag zich verheugen op een grootse song die vertrekt bij de tiende letter van het alfabet. Ik heb het nu over het fabuleuze ‘Jimmy’, van Boudewijn de Groot. In de dagelijkse omgang wordt het nummer weleens ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’ genoemd en het komt ook uit de lp met die naam, een titel waar volgens mij altijd al een vraagteken aan ontbroken heeft. De dramaturg Ruud Engelander bezorgde Boudewijn een mooie, tegelijk contemplatieve en verhalende tekst waarin de ik-figuur ‘tevreden, met die kleine op mijn schoot’ tegen de wind in fietst en zich afvraagt hoe het met desbetreffende Jimmy zal lopen in dit leven. Dat levert klassiek geworden zinnen op als ‘Als-ie maar geen voetballer wordt / Ze schoppen hem misschien halfdood’. En natuurlijk ook ‘Maar liever dat nog / dan het bord voor zijn kop / van de zakenman / want daar wordt hij alleen maar slechter van’. Drie keer nog wel. Heerlijk.


K

En de K, denkt u nu, wat heeft die deze persoonlijke geschiedenis van de pop-’n-roll opgeleverd, ‘Knockin’ On Heaven’s Door’ daargelaten? Nu, alvast het geweldige ‘Kansas City’, alweer een beestje dat mijn drinkvrienden Mike & Jerry uit hun pen haalden. Ze waren 19 toen ze de song schreven en hadden nog nooit een voet in Kansas gezet, maar ‘Kansas City’ werd wel één van hun bekendste songs, met méér dan driehonderd covers op de teller, van onder anderen Little Richard, The Beatles, James Brown, Brenda Lee, Peggy Lee, Trini Lopez, Dion, Fats Domino en Muddy Waters. Maar mijn favoriete versie is toch die van de geweldige r&b shouter Wilbert Harrison, die trouwens zelf het opzwepende ‘Let’s Work Together’ zong en schreef, een intussen klassieke song die soms ook ‘Let’s Stick Together’ heet, bijvoorbeeld wanneer Bryan Ferry hem zingt.

Terwijl ik nog even de ‘The KKK Took My Baby Away’ van Ramones probeer te neuriën, zeg ik u snel: tot volgende week.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234