Summer in the city: 'Van Bob'

Een zomer lang dalen wij af in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. Waar waren we ook alweer gebleven? Ah, nog even bij de letter B. Vous permettez?

'Behalve die goede Marc Mijlemans ben ik nog nooit iemand tegengekomen die jonger was dan ik en toch helemaal voor de bijl ging voor de gewild pathetische tearjerkers van Gene Pitney'

Bob Dylan weet ook wel weg met de letter B. Zo staat in mijn muziekdoos al jaren zijn ‘Boots of Spanish Leather’ te blinken, een lied dat ik eigenlijk prefereer in de versie die de volledig onderschatte Nanci Griffith ervan maakte op haar wellicht mooiste plaat, ‘Other Voices, Other Rooms’. Maar ook ‘Blowin’ in the Wind’, ‘Ballad in Plain D’, ‘Baby Won’t You Follow Me Down’, ‘Ballad of Hollis Brown’, ‘Beyond Here Lies Nothin’’, ‘Black Diamond Bay’ en ‘Buckets of Rain’ (de versie met Bette Midler is een aanrader) zijn door de jaren heen trouwe huisvrienden geworden.

Maar als u mij vraagt wat zonder meer mijn favoriete Dylan-song is, dan zeg ik zonder een zweem van twijfel: ‘Blind Willie McTell’. Het gaat om een uiterst simpele lofzang aan de blueszanger Blind Willie McTell (1898-1958), die samen met Mark Knopfler achteloos werd opgenomen tijdens de opnamen van ‘Infidels’ (1983), de plaat waarmee Dylan na drie gospel-uitstappen terugkeerde naar de begane grond van de folkrock. Typisch Bob: hij vergat ‘Blind Willie McTell’, met voorsprong de beste song van ‘Infidels’, op die plaat te zetten. Gelukkig werd ze voor de eeuwigheid gered door opgenomen te worden op de helemaal formidabele ‘The Bootleg Series, 1-3’ (uit 1991, alweer). Dylan zingt hier beter dan ooit op die touchante ode aan zijn held en hij beweert aan het einde van iedere strofe op bijzonder geloofwaardige wijze ‘And I know no one can sing the blues / like Blind Willie McTell’. Luister daarna ook eens naar de échte Blind Willie. Begin bijvoorbeeld met ‘Statesboro Blues’.

‘Backstage’ van Gene Pitney zegt u waarschijnlijk helemaal niets. Behalve die goede Marc Mijlemans ben ik nog nooit iemand tegengekomen die jonger was dan ik en toch helemaal voor de bijl ging voor de gewild pathetische tearjerkers die Pitney in het midden van de jaren 60 kwistig over de wereld, en dan vooral over het Verenigd Koninkrijk, uitstrooide. Pitney had zijn plaats in de rockgeschiedenis al ruim verdiend, omdat hij mee Ricky Nelsons onsterfelijke ‘Hello Mary Lou’ (1961) had geschreven (alsook The Crystals’ ‘He’s a Rebel’ en Bobby Vees ‘Rubber Ball’). Medio jaren 60 was hij een ware superster geworden in Engeland. Om maar iets te zeggen: zowel The Beatles als The Rolling Stones speelden ooit in zijn voorprogramma en zijn larmoyante hits als ‘Town Without Pity’, ‘I’m Gonna Be Strong’, ‘The Man Who Shot Liberty Valance’ en ‘Something’s Gotten Hold of My Heart’ verdienen zeker het epitheton ‘kleine meesterwerken’. Noem ze gerust mini-opera’s. Denk aan Rufus Wainwright, denk aan Soft Cell, wiens Marc Almond trouwens graag samenwerkte met Pitney en die hem in 1989 ook aan zijn laatste hit hielp, een herwerking van ‘Something’s Gotten Hold’.

Maar mij is het dus om ‘Backstage’ te doen, een song die ook nog een stukje titel tussen haakjes draagt en wel ‘(I’m Lonely)’. Nu, als ik zoiets hoor, dan kraak ik en krijgen mijn waterlanders vrije uitloop.

‘Backstage (I’m Lonely)’ – u had het zeker al geraden – gaat over het zelfde als Raymond en Charlebois’ ‘Je veux de l’amour’: de artiest die altijd onderweg is, de ene hotelkamer voor de andere inwisselt, tomeloze liefde van zijn publiek mag ontvangen, avond na avond, maar daarna helemaal alleen in zijn kleedkamer hunkert naar een ander hoofd, een ander lijf. Klinkt melig, denkt u? Wacht tot u ernaar geluisterd hebt en bedenk dan dat Pitney op 5 april 2006 eenzaam gestorven is in een kille kamer van het Hilton, in Cardiff.

‘Back in the Night’ heb ik ook altijd helemaal koekenbak gevonden. Het gaat hier om een loeier van een boogie die de grote, hard met zijn gezondheid worstelende Wilko Johnson aan zijn door de geschiedenis wat vergeten pubrockgroep Dr. Feelgood schonk. Een hit is het nooit geworden, nergens. Maar natuurlijk wel in mijn huis en mijn hart. Het bijbehorende album ‘Malpractice’ is zeker ook de moeite waard, alsook de live opvolger ‘Stupidity’, waarop ‘Back in the Night’ trouwens nog eens zijn opwachting maakt, al even lillend.

‘Blinded by the Light’ was wellicht de eerste Bruce Springsteen-song die ik ooit hoorde en dan nog wel in de versie van Manfred Mann’s Earth Band, het wat flauwe vervolg op de geweldige bluesrockgroep die midden jaren 60 rond de merkwaardige zanger Paul Jones gevormd werd en werkelijk fantastische hits scoorde als ‘5-4-3-2-1’, ‘Doh Wah Diddy Diddy’ en het onvergetelijke ‘Pretty Flamingo’. Mensen die het kunnen weten zeggen dat Manfred Mann, de groep, ten onder is gegaan aan het slechte karakter van Manfred Mann, de man. Je mag van Mann zeggen wat je wil, maar een feilloze neus voor andermans songwriterstalent had hij zeker: hij pikte uit Dylans catalogus al vroeg parels die anderen lieten liggen. Denk maar aan ‘Just Like a Woman’, ‘If You Gotta Go, Go Now’ en ‘With God on Our Side’. Hij haalde bij Randy Newman ‘So Long Dad’ weg en bij Springsteen dus ‘For You’, ‘Spirit in the Night’ en het hier geciteerde ‘Blinded by the Light’, dat enigszins lijdt onder woordkramerij maar toch een perfecte introductie is tot het werk van The Boss.

Tijd om aan de letter C te beginnen, zult u zeggen. Maar sta mij toe u nog even te vervelen met mijn tomeloze liefde voor Richard Thompsons ‘Beeswing’, een ragfijne herinnering aan de Londense Summer of Love van 1967.

Ook altijd en overal troost: ‘Brass Buttons’ van Gram Parsons, ‘Bring It On Home to Me’ van Sam Cooke en toch ook The Animals, ‘Barefootin’’ van Robert Parker, ‘Bernadette’ van The Four Tops en het rockende rampgebied dat ‘Burning Down the House’ heet en waar ik van kan genieten in de oerversie van Talking Heads, maar nauwelijks minder in de livelezing van Bonnie Raitt en, I’m not kiddin’ you, die van Tom Jones en The Cardigans.

Hebben we de B dan helemaal gehad? Ik kan het u niet beloven, want ik moet ook toegeven dat ik al zo goed als mijn hele leven helemaal gek ben van Ray Charles’ versie van ‘Busted’, een song van Harlan Howard die ook fans van Johnny Cash niet onbekend zal voorkomen. ‘Busted’ is zo’n typische countrysong over iemand voor wie de Amerikaanse droom op een nachtmerrie is uitgedraaid. De ik-figuur zit tegen een hoge stapel onbetaalde rekeningen aan te staren, terwijl zijn maag rammelt van de honger, zijn vrouw en kinderen ziek zijn en zijn broer, bij wie hij wilde aankloppen voor hulp, bij hém komt bedelen om wat brood.

Mocht de song terechtgekomen zijn in de handen van mindere goden dan Cash en Charles, was het makkelijk een smartlap geworden, maar deze beide heren van stand – en vooral dan Charles wat mij betreft – maken er een echt naar de keel grijpende evocatie van een economische depressie van. Charles geeft bloedarme mensen een stem door de zijne ingehouden aan te beuken tegen een blazerssectie die precies en te allen tijde weet hoeveel lucht hij in dit lamento moet persen.

Wat mij naadloos bij de C brengt. Maar laten wij elkaar een lol doen en daar pas volgende week aan beginnen. Oké?

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234