Summer in the city: 'Van C'mon tot Cry, cry, cry...'

Een zomer lang dalen wij af in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. Waar zaten we ook alweer? Juist, hoog tijd voor de letter C.

'Het leven is zelfs voor hen die dat niet willen inzien in vele gevallen gewoon rock-'n-roll'

Can Blue Men Sing the Whites?’ Het is een vraag die u als jonge inwoner van het bisdom Vlaanderen wellicht niet bezighoudt, maar wij konden er destijds als piepjonge mei ’68’ers wel mee lachen toen we via een legendarisch optreden op Jazz Bilzen in de zomer van 1969 kennismaakten met de onzinrock van The Bonzo Dog Doo-Dah Band. Superieure Britse humor gecombineerd met snerpende gitaren, soulachtige blazers en eerder surrealistische teksten maakten van de Bonzos een groep zoals er voorheen nooit eentje was en daarna ook nooit meer eentje geweest is. Popencyclopedisten zullen u, op simpele aanvraag, wel melden dat ze één echte hit hadden, en wel met ‘I’m the Urban Spaceman’, een productie van Paul McCartney die zich toen om contractuele redenen Apollo C. Vermouth moest laten noemen.

Maar de talenten van Neil Innes, Vivian Stanshall, Roger Ruskin Spear, Rodney Slater en ‘Legs’ Larry Smith – die behalve visueel en komisch ook muzikaal erg begaafd waren – dienen ook voor hun korte verzameld werk met veel liefde herinnerd te worden. Probeer ergens hun ‘History of The Bonzos’ te vinden, dan weet u meteen van wanten.

En of witte mannen de blauwen kunnen zingen? Het antwoord is heel hard ‘ja’. Als u daar een bewijs van wilt vinden, duik dan in de vroege catalogus van John Mayall, Fleetwood Mac, Ten Years After, Jeff Beck, The Yardbirds en The Animals. En geniet van zo veel lijden.

Nu we toch bij de letter C zijn, zal ik maar meteen bekennen dat de grote dode Eddie Cochran en zijn knalpot van een song, ‘C’mon Everybody’ al meer dan een halve eeuw door mijn hoofd spoken. Cochran wordt weleens vergeten wanneer men de vroege helden van de rock-’n-roll oproept en de namen van Elvis en Buddy Holly, en de nog altijd min of meer actieve Chuck Berry, Little Richard of Jerry Lee Lewis rollen. Vergis u echter niet: Eddie Cochran was één van de hele groten en u hoeft mij daaromtrent niet op mijn woord te geloven. Als u maar zo goed wilt zijn eens naar zijn ‘Somethin’ Else’, ‘Summertime Blues’ of ‘Three Steps to Heaven’ te luisteren en daarna naar mijn eigen favoriet ‘Sittin’ in the Balcony’.

‘California’ van Joni Mitchell is dan weer behalve één van de betere tracks op Joni’s beste lp ‘Blue’, een meer dan ontroerende ode aan Mitchells ‘gastland’ waar ze na haar vlucht uit het koude Canada vaste grond onder haar voeten en veel inspiratie vond in de onbeschrijfelijk mooie Laurel Canyon. Ze schreef de song op een caféterras in Parijs terwijl daar het hierboven al genoemde tijdsgewricht van mei ’68 plaatsvond en de straten werden opgebroken, en studenten spitsvondige slogans als ‘Sous les pavés, la plage’ scandeerden. Ze had het best naar haar zin daar in Parijs, en op de Griekse eilanden en in het Spaanse binnenland, maar heimwee naar haar Sunshine State bleef maar knagen en dus drong de aanschaf van een one-way ticket naar Californië zich op. Laat vooral de kans niet liggen om via dat nummer het hele oeuvre van Mitchell te ontdekken. Het is niet altijd even behapbaar, maar wel steeds de moeite.

‘Cold, Cold Heart’ is dan weer een beklijvende countrysong die de kenners onder ons zeker weten aan te wijzen in elke goede Hank Williams-bloemlezing. De niet genoeg te prijzen Williams was er de auteur van, maar deze beklijvende song is pas écht een klassieker geworden in de meer salonfähige versie van Tony Bennett. Maar ook Johnny Cash, Nat King Cole en Norah Jones hebben er hun voordeel mee gedaan. Naast het origineel is Lucinda Williams’ versie op de ‘Timeless’-cd, een hommageplaat aan haar bijna-naamgenoot Hank, werkelijk hartverscheurend en ook redelijk definitief.

Staat ook altijd garant voor kippenvel: ‘Crimson and Clover’ van de vaak als bubblegumgroep weggezette Tommy James & The Shondells, die de wereld toch ook prettiger maakten met ‘Mony Mony’, ‘Hanky Panky’ en ‘I Think We’re Alone Now’. ‘Crimson and Clover’, ook weleens genaamd ‘Schat, staat de echokamer nog open?’, is een fijn lamento van een liefdeszieke tiener, en doet daarbij met veel gevoel voor overdrijving een ruim beroep op tremolo’s allerhande. Joan Jett heeft ervan geproefd en de grote (nou ja!) Prince heeft er zijn adelbrieven aan bezorgd, maar voor het originele bibbergoud moet u toch bij Tommy James zijn. Zeg dat ik het gezegd heb.

‘Carmelita’ van Warren Zevon is ook een persoonlijke favoriet, maar daarom nog geen vrolijk verhaal. Het is integendeel een zeer kwalijk relaas over junkieverdriet. Maar zowel in Zevons origineel als in Linda Ronstadts cover is de pijn van het zijn tastbaar gemaakt. In Zevons versie verpandt de ik-persoon een Smith Corona-tikmachine eer hij naar zijn heroïnedealer trekt, bij Ronstadt wordt dat een Smith & Wesson-revolver, zoals Zevon het overigens van in het begin bedoeld had.

Een zeldzame Dylan-single is dan weer het moeilijk te vinden maar lekker gemene ‘Can You Please Crawl Out your Window?’ dat oorspronkelijk op het meesterwerk ‘Highway 61 Revisited’ terechtgekomen zou zijn, en daar niet had misstaan, maar uiteindelijk een beetje een wegwerphit werd voor Dylan. In het Verenigd Koninkrijk haalde hij net de top 20, in België trof ik ’m weleens aan op een jukebox en in Nederland maakte Patricia Paay er een single van die niet echt een verbetering van het origineel is geworden.

Nog een loeier in de C-klasse: ‘Cadillac Walk’, even gaaf in de oerversie van John ‘Moon’ Martin als in de cover die Mink DeVille ervan maakte op zijn essentiële debuutplaat ‘Cabretta’ uit 1977. Maar Boz Scaggs’ redelijk recente cover ervan, op het lovenswaardige album ‘Memphis’ uit 2013, toont ook aan wat een prachtige moderne rocksong Martin toch geschreven had. Wie niet genoeg krijgt van odes aan DeVille kan ook eens gaan zoeken naar Peter Wolfs ‘The Night Comes Down’ dat gezongen en geschreven is voor wonderlijke Willy.

‘Carol’ ken ik oorspronkelijk van The Rolling Stones, maar is onmiskenbaar van Chuck Berry. Deze dichter uit St. Louis is op zijn eentje verantwoordelijk voor een hele stoet geweldige rocksongs waarvan u zeker ‘Memphis Tennessee’, ‘Johnny B. Goode’, ‘Maybellene’, ‘Nadine’ en ‘Rock and Roll Music’ kent. Wij koesteren als stille favoriet toch vooral ‘You Never Can Tell’ (check ook eens de versies van Ronnie Lane en Emmylou Harris), alsook ‘School Days’ en ‘Too Much Monkey Business’.

Maar mag ik tegelijk ook even uw welwillende aandacht vragen voor een andere favoriete C van mij en wel de fenomenale maar helaas een beetje vergeten Patsy Cline. Country, hoor ik u denken, maar wat Cline deed was toch zo veel meer. Al is haar versie van Willie Nelsons ‘Crazy’ natuurlijk helemaal uit de kunst. U kunt de wondere wereld van Patsy Cline betreden door de film ‘Sweet Dreams’ (Karel Reisz, 1985) te bekijken of de aanschaf te overwegen van een best of waarop ‘Crazy’, ‘Sweet Dreams’, ‘Walking after Midnight’ en vooral ‘Back in Baby’s Arms’ niet mogen ontbreken.

‘Cry Like a Baby’ (The Box Tops), ‘Cry One More Time’ (Gram Parsons, maar ook en vooral van The J. Geils Band), ‘Cry to Me’ (The Rolling Stones en Solomon Burke), ‘Crying Time’ (Ray Charles): ja, er wordt flink wat gehuild in pop- en rocksongs en dat is ook normaal, want verdriet hoort bij het leven, zoals alle Humo-lezers weten, en het leven, dat is zelfs voor hen die dat niet willen inzien in vele gevallen gewoon rock-’n-roll. Zal ik u dat volgende week eens uitleggen terwijl ik nu onder het zingen van ‘Cu Cu Ru Cu Cu Paloma’ mijn beddenbak opzoek?


Beluister de playlist:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234