Summer in the city: 'Van Keep on tot Mama, mama'

Een zomer lang dalen wij af in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. Het tempo wordt opgevoerd, en zie, daar zijn we al bij de K aanbeland!

'Ik weet wel dat het toen, nu en wellicht in de toekomst niet hip was, is of zal zijn om toe te geven dat men tot het kamp van de Diamond-fans behoort. Maar toch zeg ik u: ik ben er één'

Ik hoef nog maar de intro van ‘Keep On Running’ te horen, of ik ben al blij en ik herinner me meteen waarom ik zo van The Spencer Davis Group hield toen ik nog jong was. Ze waren niet met uiterlijk vertoon bezig en niet met wufte zaken als kleding of make-up, maar ze speelden duidelijk en met veel liefde de muziek waar ze zelf van hielden. Dat kon witte soul zijn of pure rhythm-and-blues, soms waren het oude Amerikaanse traditionals of overbekende standards, en af en toe ging het zelfs om ska.

Zo komt het dat ze vlak na hun debuut via hun ontdekker Chris Blackwell (later de welhaast legendarische baas van Island Records) op het nummer ‘Keep On Running’ stootten, dat afkomstig was van de Jamaicaanse artiest Jackie Edwards. Een talentvolle man die later ook nog voor de geweldige single ‘Somebody Help Me’ zou zorgen en zo The Spencer Davis Group en ons allemaal twee heerlijke hits bezorgde.

Leadgitarist Spencer Davis wist zelf beter dan wie ook dat zijn groep eigenlijk niet om hem, maar helemaal om de stem van de piepjonge zanger Steve Winwood draaide, en het leek dan ook logisch dat Winwood na nog een korte rij toppers (‘I’m a Man’, ‘When I Come Home’, ‘Gimme Some Lovin’’) zijn eigen project zou opstarten. En dat zoiets een goed idee was, heeft zelfs een naam en klinkt als Traffic.

‘Kentucky Woman’ is nog zo’n nummer dat ik altijd gemogen heb. Niet zozeer in de versie waar kenners van de vroege Deep Purple nu aan denken, maar ik hoor dat lied toch vooral graag in de originele gedaante die Neil Diamond, de auteur van de song, eraan gaf. Ik weet wel dat het toen, nu en wellicht in de toekomst niet hip was, is of zal zijn om toe te geven dat men tot het kamp van de Diamond-fans behoort. Maar toch zeg ik u: ik ben er één.

Wellicht is de heer Diamond wel een redelijk vervelend meneertje en ook geef ik grif toe dat ik niet écht voor het Sportpaleis ga kamperen wanneer deze Neil weer eens in het land zal zijn. Maar hij is wel een gigant van een songwriter die nummers bedenkt die in mekaar steken als dure Zwitserse polshorloges, maar toch zonder enige schroom kunnen worden meegezongen door een heel voetbalstadion. Zo zijn er niet veel, maar ‘Sweet Caroline’ is er wel zo eentje.

Ook altijd raak: ‘Cracklin’ Rosie’, ’Girl, You’ll Be Woman Soon’, ‘I Am... I Said’. En wat dan te denken van ‘Solitary Man’, dat zowel Johnny Cash als Cliff Richard tot hogere volkskunst aanzette? Om nog te zwijgen van ‘I’m a Believer’, dat ik zowel adoreer in de versie van The Monkees als in die van Robert Wyatt, die voor volle zingeving zorgt bij een passus als ‘I thought love was more or less a given thing / Seems the more I gave the less I got’.

Ook een pure parel vol schoonheid en ellende: ‘Kind van het weekend’, van en door Raymond van het Groenewoud. Over een kind van de rekening. Over de moeilijkheden van vaderliefde en over ‘Soms valt het mee / En soms valt het tegen’. Als u het nog niet kent, leer het dan kennen en neem meteen ook maar de hele lp waaruit de song komt tot u. Ze heet ‘De laatste rit’ (2011).

‘Knock on Wood’, de bekende Stax-single van de kortstondige soullegende Eddie Floyd, gaat er overigens ook altijd in. Kenners zeggen evenwel dat het gewoon het weliswaar ook al fabelachtige ‘In the Midnight Hour’ van Wilson Pickett is, maar dan in achteruit-modus.

L staat voor ‘Lonely’ en is dus een in de populaire muziek uitbundig veel gebruikte letter. Bij mij thuis staat ze voor ‘Look at Miss Ohio’ van Gillian Welch, of ‘Land of a 1.000 Dances’ van alweer Wilson Pickett, of ‘Let’s Talk Dirty in Hawaiian’ van John Prine (zie ook de waanzinnige cover door Those Darlins), alsook voor Dean Martins cover van het dronkemanslied mét mondharmonica ‘Little Old Wine Drinker Me’, en natuurlijk ook het geweldige ‘Like a Hurricane’ van Neil Young & Crazy Horse, dat ik ook wel kan smaken in de wat meer ingehouden versie van Roxy Music.

Maar wat staat daar nog te blinken? ‘Less Than Zero’ natuurlijk, mijn introductie tot Elvis Costello, in de lente van 1977. Ook oudere kerels zoals ikzelf gingen toen begrijpen dat het met die punk nog wel wat kon worden. Costello, eigenlijk een charmezanger in duivelskleren, stopt flink wat van zijn angry young man-schap in ‘Less Than Zero’ en de andere tracks van zijn debuut-lp ‘My Aim Is True’. Dat Bret Easton Ellis zijn eerste boek naar de eerste hit van deze Elvis noemde, is dan weer een bonus voor de meerwaardezoekers onder u.

‘The Lady Came from Baltimore’ is één van de vele uitstekende songs die de onfortuinlijke Tim Hardin tijdens zijn erg korte leven schreef. Hij is minstens zo goed als zijn ware meesterwerk ‘If I Were a Carpenter’ en net als dat geweldige lied dankt het zijn bekendheid voor een groot stuk aan de waarlijk prachtige versie die Bobby Darin ervan maakte. Maar ook die andere reus, Scott Walker, gaf er een feilloze lezing van waarmee hij Hardin dezelfde eer bewees als die welke hij ook aan onze inlandse trots Jacques Brel gunde met ‘Jacky’, ‘Amsterdam’ en ‘Mathilde’.

‘The Last Time’ was al van bij de release in 1965 mijn favoriete Rolling Stones-single en dat kwam behalve door de geweldige sound ook, en niet het minst, door de bijzondere B-kant ‘Play with Fire’.

Een andere lieveling van mij is altijd al ‘Laugh at Me’ geweest, een protestsong van Sonny (zonder Cher) die misschien wel model stond voor Armands alvast één jaar jongere ‘Ben ik te min’. Sonny klaagt erin over hoe hij op sommige plekken raar behandeld wordt vanwege zijn lange haren en bonte hippiekledij. En al is Sonny’s originele versie helemaal oké, toch kan ik niet anders dan met u mijn hechtenis aan Mott The Hooples erg Dylaneske cover delen.

Met Mott zijn we ook zonder pijn bij de M geraakt. Ik moet dan aan ‘Maggie May’ denken, van Rod Stewart, en zelfs aan zijn ook zelfgeschreven ‘Mandolin Wind’. Rod is nu zo onhip als maar kan zijn, maar zijn ‘Maggie May’, het verhaal van een aflopende liefde tussen een oudere vrouw en een jonge knul, is een ware classic. Stewart, laat dat geweten zijn, is ook één van de allerbeste Dylan-interpreten. Als u dat wilt controleren, zoek dan maar eens ergens in de cyberruimte naar ‘Mama, You Been on My Mind’, ‘Only a Hobo’ of ‘Tomorrow Is a Long Time’. Die laatste versie kan zo naast die van Elvis Presley staan, overigens Dylans favoriete cover van zijn eigen werk. En nu we toch weer even bij Bob zijn aanbeland: ‘Maggie’s Farm’ (zie ook The Blues Band, The Specials en Rage Against The Machine) is behalve een potente protestsong ook een beetje Dylans afrekening met het folkwereldje dat hem klein wilde houden toen hij elektrisch ging. Van diezelfde Dylan leerde ik, via de radio, het waanzinnige en waarlijk verschrikkelijk betitelde ‘Mama Get Your Hammer (There’s a Fly on Baby’s Head)’ kennen, van het Bobby Peterson Quintet, al zijn er ook versies bekend waar de ‘Baby’ een ‘Daddy’ is geworden en de ‘Hammer’ een ‘Hatchet’. De tekst van Walter Bishop (aan wie we ook ‘If You’re So Smart, How Come You Ain’t Rich’ van onder anderen Louis Jordan danken) is een mirakel van zwarte humor, maar wordt door Bobby Peterson ook gezongen alsof hij door duizend demonen tegelijk bezeten is.

Mag af en toe ook eens door het huiselijke zwerk klinken: ‘Memphis Tennessee’ van de enige echte Chuck Berry, al heeft die er eigenlijk nooit een perfecte versie van opgenomen. Dat hebben zijn eminente collega’s als Elvis Presley, Tom Jones, Jerry Lee Lewis of Roy Orbison trouwens evenmin gedaan. Komt wellicht omdat Berry’s kortverhaal van een song moeilijk te vatten valt in vinyl. Live doet de song anders zo goed als altijd wonderen en is het waarschijnlijk daarom dat Johnny Rivers’ vrolijke versie wél werkt. In tegenstelling tot het merendeel der Walen, natuurlijk!

Voeg bij die vorige zin zoveel emoticons als u wil, maar laat mij vooral met rust tot volgende week. Dan doe ik hetzelfde met u.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234