Summer in the city: 'Van ‘Nothing’ tot 'Pain'

Ook in de herfst blijven wij onvermoeibaar afdalen in de diepste krochten van Marc Diddens oude rock-’n-rollhart, en tegelijk ook in de schier eindeloze iTunes-lijst die daar de klok rond wordt afgedraaid. O, wat gaat het nu hard: van de N naar de P, zowaar!

'Waar of niet waar, het zal mij saucijs wezen: deze ode van Bobbie aan Billie is een fijne brok cultuurgeschiedenis'

De zomer van 2015 loopt op zijn einde en dus behoort ook deze reeks bijna tot het Humo-verleden. Wat bij mij enigszins voor paniek zorgt, want ik besef nu dat ik nog kond moet doen van mijn muzikale liefdesaffaires die ik op zo goed als dagelijkse basis beleef met de letters N, O, P, Q, R, S, T, U, V, W, X, Y en Z.

Neem nu de N. Die slaat bij mij op een hele reeks songs die met ‘Nothing’ beginnen, en één van de allermooiste daarvan is toch zonder twijfel dEUS’ ‘Nothing Really Ends’, samen met ‘Instant Street’ één van mijn favoriete nummers van de Antwerpse wereldgroep. Ja, natuurlijk is ‘Nothing Really Ends’ een beetje wat de Britten wordy noemen, maar daar heb ik niet de minste last van als het om woorden gaat als ‘The plan it wasn’t much of a plan’ of ‘It was one of those nights / You wonder how nobody died’. In principe heb ik het niet zo voor Belgische artiesten die in het Engels zingen – net zoals ik een band uit Manchester ook niet graag in het Antwerps of Gents bezig zou willen horen – maar voor dEUS wil ik graag een uitzondering maken.

Onbekende N-liedjes maar desondanks groots: ‘Nothin’ but the Wheel’, waarop de grote Peter Wolf steun krijgt van zijn Engelse evenknie Mick Jagger en zelfs van de outlaw Waylon Jennings. Zelf ben ik Wolf blijven volgen na zijn J. Geils-dagen, maar soms krijg ik de indruk dat ik met die voorliefde alleen sta. Wat me niet écht stoort, moet ik zeggen. Ook een binnenhuis-hit bij mij: ‘Nothing but the Whole Wide World’, van en door Jakob Dylan en één van de weinige keren dat de zoon in dezelfde liga speelde als de vader.

Behalve ‘niets’ zorgt ‘nergens’ ook weleens voor vuurwerk, en denk dan toch vooral aan een Motown-meesterstuk als ‘Nowhere to Run’, waarin Martha & The Vandellas een mini-opera van de heren Holland, Dozier & Holland tot in de perfectie brengen. Bij een grootse, kamerbrede sound vertelt Martha Reeves hier in deze wat hopeloze love song over een vrouw die in een erg ongelukkige relatie zit, maar niet weet waar ze heen moet lopen, en ook ‘nowhere to hide’ ter beschikking heeft. Tot overmaat van ramp is ze ook nog verliefd op de onverlaat over wie ze zingt. Van die dingen, dus.

‘Nowhere Man’ van de allerbeste Beatles (strekking ‘Rubber Soul’) is ook geen toonbeeld van positivisme. In de animatiefilm ‘Yellow Submarine’ hoort er een raar mannetje bij, maar doorgaans wordt aangenomen dat Lennon deze song over zichzelf schreef – al zou ‘Doesn’t have a point of view / Knows not where he’s going to’ op velen onder ons kunnen slaan.

Laat ons ook nog even meehummen op het oerritme van Buddy Holly’s ‘Not Fade Away’, waarin de bebrilde Texaan aan zijn liefde laat weten dat ‘my love a-bigger than a Cadillac’, alsook ‘I try to show it and you drive a-me back’. Mensen van mijn leeftijd kennen die song vooral van The Rolling Stones, die ’m nog regelmatig live brengen, al kan ik ondertussen in alle stilte toegeven dat de versie van Buddy Holly & The Crickets beter is.

‘Night and Day’ is één van de vele werkelijk tijdloze songs van Cole Porter die wij zelf met veel graagte horen brengen door Ella Fitzgerald (check haar ‘Sings the Cole Porter Songbook’) en natuurlijk door onze favoriete 100-jarige Frank Sinatra. Als u voor uzelf iets moois onder de komende kerstboom wil laten leggen, fluister uw geliefde dan het bestelnummer van de vierdelige cd-box ‘Ultimate Sinatra’ in. Een halve dag luisterplezier van de hoogste orde wordt dan uw deel.


O

‘Ode to Billy Joe’ is de enige échte hit van de countryzangeres Bobbie Gentry, maar telkens ik dat rare zelfmoordlied hoor en andermaal verneem hoe de jonge Billie Joe MacAllister van de Tallahatchie Bridge gesprongen is, heb ik 4 minuten en 15 seconden last van de befaamde krop in de keel. Mensen die voor Bob Dylankenner studeren, beweren dat zijn ‘Clothes Line Saga’ (uit ‘The Basement Tapes’) zowel een hommage als een hekeldicht is aan het legendarische levenslied van Roberta Lee Streeter, want zo heette Bobbie van haar eigen. Waar of niet waar, het zal mij saucijs wezen: deze ode van Bobbie aan Billie is een fijne brok cultuurgeschiedenis.

Ook O en ook geweldig: ‘The Obvious Child’ uit Paul Simons post-‘Graceland’-avontuur ‘The Rhythm of the Saints’, en dat duivelse ritme wordt aangedreven door de geweldige drummers van Olodum, terwijl Simon met schijnbaar groot gemak best moeilijke zinsneden door zijn keel jaagt.

Mensen die last hebben met Simon, hebben het soms ook moeilijk met Cat Stevens, maar ik heb beslist een zwakke plek voor een aantal van zijn minder evidente songs, zoals bijvoorbeeld het fris als verse dauw klinkende ‘Oh Very Young’, een wat poëtisch en nostalgisch aandoende overpeinzing omtrent de vroege dood van, kijk wie we daar hebben, Buddy Holly.

Don Gibson was een country-songwriter van formaat. We mogen hem dankbaar zijn voor Patsy Clines ‘Sweet Dreams’ en Ray Charles’ ‘I Can’t Stop Loving You’, maar wanneer hij zelf ging zingen, klonken ook zijn droevigste liedjes iets te vrolijk, getuige zijn origineel van ‘Oh Lonesome Me’, in dit deel van de wereld ook wel bekend als Sacha Distels ‘Oh, quelle nuit’. Maar een professionele treurwilg als Neil Young wist op zijn ‘After the Gold Rush’ pas echt hoe een in zelfmedelijden verzuipende ik-figuur Gibsons song moet zingen ‘to lose these lonesome blues’.

Een helemaal uitzonderlijke lp was die ‘After the Gold Rush’, met behalve de titelsong nog andere hoogtepunten als ‘Southern Man’ en ‘Don’t Let It Bring You Down’.

Nog eentje, om het af te leren: ‘Only Sixteen’ van en door de onbeschrijfelijk grote soulzanger Sam Cooke. Hij heeft soul als genre zo goed als uitgevonden, en als u me niet gelooft, moet u maar eens een best of van hem tot u nemen, ergens ooit. Hij leidde een kort maar intensief en zeer succesvol leven, dat in de nacht van 11 december 1964 eindigde in het Hacienda Motel in Los Angeles, alwaar hij, slechts gekleed in een paar dure schoenen en een stijlvol jasje, het slachtoffer werd van een volgens de rechter van dienst ‘justifiable homicide’.

Sindsdien moeten wij het behalve met ‘Only Sixteen’, ‘Cupid’, ‘You Send Me’, ‘Bring It On Home to Me’ en andere ‘Wonderful World’s doen en, als we heel even de indruk willen hebben dat hij nog leeft, met zijn ‘Sam Cooke at the Copa’ of ‘Live At the Harlem Square Club’. Twist daarna gerust de nacht enigszins weg.


P

Een andere king of soul en boude bewonderaar van Cooke was de ook al vroeg vertrokken Otis Redding, die wanneer hij goed was meestal uitstekend bleek, maar als hij heel goed was ronduit verbluffend. Zijn ‘Pain in My Heart’, een song van Naomi Neville – wat eigenlijk slechts één van de synoniemen van haar zoon Allen Toussaint was – klinkt exact zoals een song met die titel zou moeten klinken. Als pure liefdesagonie. En dat is ook een synoniem, maar dan voor zielenangst. De Stones waagden zich er eveneens aan en ze deden dat con brio, maar wij horen ze nog liever op dingen als ‘Paint It, Black’ (die komma hoort er wel bij, maar wordt vaak vergeten!), een zenuwlijder van een song die vanwege de prominente aanwezigheid van Brian Jones’ sitar wel eens de alfa en de omega van de ragarock wordt genoemd, whatever that means. Een somber lied is het in elk geval, en ook eentje dat weleens in een oorlogsfilm opduikt, zoals bijvoorbeeld in Stanley Kubricks ietwat claustrofobe ‘Full Metal Jacket’, een prent die als tagline niet zonder reden meekreeg: ‘In Vietnam The Wind Doesn’t Blow, It Sucks’.

Laat ons vrolijk zijn en luisteren naar ‘Party Line’ van The Kinks, alweer een wat vergeten parel van hun onberispelijke ‘Face to Face’-lp. Het is een kleinood uit het ooit populaire genre der telefoonsongs – een party line was een soort lijn waarbij je in de beginjaren van de telefonie met meerdere abonnees van één verbinding gebruik moest maken, wat weleens tot gênante situaties kon leiden. Gênant aan deze gouden Kinks-track is vooral dat zowel Ray als zijn broer Dave beweren dat ze hem geschreven hebben. Waar we in ieder geval zeker van zijn, is dat Dave ‘Death of a Clown’ Davies hem zingt. En hij doet dat goed.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234