null Beeld

Te vroeg juichen is voor blije eikels: Dwarskijker over 'Panorama' en 'Rock Werchter'

Ik voel me nog altijd meer ex-acteur dan journalist, en alsof die innerlijke strijd nog niet genoeg is, ben ik ook een gefnuikt romanticus. Voor de rest heb ik niets te klagen


Panorama

Canvas – 21 juni

undefined

null Beeld

't Klinkt wellicht gek in de oren van managers, maar niemand bij het Wit-Gele Kruis bleek terug te verlangen naar managers'

Veel mensen tellen in deze tijd hun burn-outverschijnselen, als ze daartoe tenminste nog de fut hebben. Burn-out schijnt ondertussen meer bij de werkzame jaren van een mens te horen dan de zogeheten arbeidsvreugde – ik durf te wedden dat ‘arbeidsvreugde’ ondertussen al een archaïsche bijklank heeft in veel sectoren van het eigentijdse bedrijfsleven. Mogelijk klinkt dat woord ook ronduit verdacht. In ieder geval is burn-out een plaag van deze tijd, waaraan mogelijk nog een ander onheil ten grondslag ligt: ik heb het nu over een bepaald type bestuurder dat ik voor mijn arbeidsvreugde nog het liefst managerstuig noem, ook wel omdat ik in dit specifieke geval niet om het juiste woord heen kan. Voor de aanschouwelijkheid stel ik me daarbij bepaalde krijtstreeppakken voor die op cognackleurige molières over lijken gaan en alleen maar oog voor rentabiliteit hebben, die in hun tunnelvisie de maat van alle dingen is. Ze mogen graag angst zaaien op de werkvloer door kritische werknemers aldoor ontslag in het vooruitzicht te stellen. Ze lijken er ook van uit te gaan dat werknemers – de mens is slecht – er per definitie de kantjes van aflopen, en dat je die lijntrekkers dus maar beter principieel kunt wantrouwen als je een vlaggendrager van het doodlopende economisme wil zijn. Ik ga er dan weer van uit – om eens iets terug te doen – dat de tijd rijp is om de rentabiliteit van het managerstuig ernstig maar daarom niet minder vrolijk in twijfel te trekken.

Alsof de duvel ermee gemoeid was, leidde Phara de Aguirre onlangs ‘Panorama’ in met een vraag die ik ook weleens voor me uit durf te prevelen als ik even klaar ben met ‘Zijn of niet zijn?’: ‘Kunnen we het met minder bazen doen, of met bazen die minder baas zijn?’ Er volgde een interessante reportage waaruit bleek dat het Wit-Gele Kruis, afdeling Oost-Vlaanderen, veel soepeler draaide sinds het management er zodanig was uitgevlakt dat er van hiërarchie nauwelijks nog sprake kon zijn: de werknemers waren zelfsturend, en die collectieve verantwoordelijkheid en de bijbehorende overlegcultuur schenen hen erg te bevallen, met allerlei gunstige gevolgen van dien. ’t Klinkt wellicht gek in de oren van managers, maar niemand bleek naar managers terug te verlangen. Een gelijkaardige opwaardering van de werknemer en van werk op mensenmaat had bij Poult plaatsgevonden, een grote Franse koekjesfabrikant: behalve het middenkader hadden ze er ook de chef van de productielijn afgeschaft, en alles liep er niettemin als een lier. De CEO zei: ‘Mensen ontslaan, dat kan iedereen.’ En aan wat iedereen kon, wilde hij liever niet beginnen. Ik dacht: ‘Hoor ik dit goed?’ Een meisje zei dat ze gehuild had van geluk toen ze een baan bij Poult kreeg en ik, die zelden zomaar iets voor waar aanneem, was geneigd haar te geloven.

We maakten in dit programma ook kennis met enkele verlichte ondernemers die aardig tegen het ideeëngoed van het gemiddelde managerstuig indruisten: Jean-François Zobrist van het Franse Favi, een bedrijf dat allerlei verhandelbaars met koper doet, vond hardop dat de mens goed is, zodat hij zijn werknemers een maximum aan zelfbeschikking gaf, aangezien goede mensen van nature betrouwbaar zijn en dan ook vertrouwen verdienen. Die werknemers konden het ook zonder vakbond stellen. In goede jaren kregen ze drie extra maanden salaris als bonus, en als ze goede ideeën hadden, werden die ook beloond, zodat er op de duur een werksfeer ontstond waarin nieuwe ideeën dagelijkse kost waren, en deel van het werk.

Iemand vroeg Bill Gore van Gore-Tex, de kunststoffabrikant, hoe hij in godsnaam zijn werknemers controleerde zonder loerend managerstuig in stelling te brengen: ‘Ik controleer ze niet,’ luidde zijn antwoord. Naar zijn lachje te oordelen, leek hij zich daar geenszins zorgen over te maken. Liever maakte hij zijn personeel vennoot van zijn bedrijf, wat ook Dirk Cousaert, die met succes designmeubelen fabriceert in de Vlaamse Ardennen, hardop in overweging nam in dit programma. ‘Ik wist niet dat durven te vertrouwen in je mensen zo belangrijk was,’ zei hij. Hooguit één keer per dag informeerde hij op vriendschappelijke toon naar de bezigheden van zijn vijfentwintig medewerkers. Hoe minder toezicht hij uitoefende, hoe vrijer hij zich voelde, had hij ondervonden, en zijn bedrijf bleek daar wel bij te varen. Een tevreden personeelslid, een schrijnwerker met een lange staat van dienst, zag zijn pensionering met lede ogen tegemoet.

Ook de Amerikaanse CEO Rick Teerlink was erg geliefd bij zijn personeel: ooit had hij de kwakkelende motorenfabriek Harley-Davidson een nieuw elan gegeven. Om te beginnen mocht zijn personeel hem aanspreken, wat naar Amerikaanse bedrijfsnormen ongebruikelijk was. Voorts had hij ook de Harley-Davidson Motorclub in het leven geroepen, waar nagenoeg alle personeelsleden deel van uitmaakten: die samenhang, een soort familieverband haast, bleek ook hun betrokkenheid bij hun werk te vergroten, en dat wierp ruime baten af. Het had er in deze ‘Panorama’ de schijn van dat zich in stilte een revolutie inzake werkmodellen had voltrokken, tot het tijd was voor een domper: de geliefde Teerlink ging met pensioen en zijn opvolger – niet alle mensen zijn even goed – schroefde meteen alles terug: Harley-Davidson draaide weer louter om geld, en het welbevinden van de werknemers was opnieuw bijzaak. Laten we er maar van uitgaan dat verlichte ondernemers nu ook weer niet zó vaak voorkomen. Te vroeg juichen laat ik aan blije eikels over, maar in afwachting van een algemeen verbreid werkmodel op mensenmaat lijkt het me aangewezen om de rentabiliteit van het gemiddelde managerstuig nu al met vereende krachten in twijfel te trekken, bij voorkeur tijdens de werkuren, als we op ons best zijn.


Rock Werchter

Canvas – 22, 23 en 24 juni

undefined

null Beeld

Over muziek gesproken: enkele maanden geleden werd ik tijdens een onbestemd tochtje op het internet emotioneel overrompeld door ‘Season of the Fair’, een song van Maria McKee. Voor ze solo ging, was zij een explosief engeltje en het stralende middelpunt van Lone Justice, een band die een poosje groots was in een genre dat in de jaren 80 als cowpunk bekendstond. ‘Season of the Fair’ zette zich ijlings vast op de schemerige bodem van mijn bewustzijn, die ik voor het gemak maar ziel zal noemen, hoe onhanteerbaar ik dat woord ook mag vinden. Telkens als ik naar die song luister, moet ik me instellen op een brok in de keel – mocht ik afgepeigerd zijn, of God weet waarom in een langoureuze stemming verkeren, dan zou ik er zó bij volschieten, denk ik. Op een avond wilde ik een gemêleerd gezelschap deelachtig maken aan de troeblerende schoonheid van ‘Season of the Fair’. Ik sprak over de delicate melodie, prees de hartstochtelijke zang, en citeerde uit de prachtige tekst: ‘Will you remember me every season of the fair? Will you remember how your stormy face was tangled in my hair?’ Ik meen me te herinneren dat ik het gezelschap toen ook mijn idee van een ‘stormy face’ niet heb bespaard – ik voel me nog altijd meer ex-acteur dan journalist, en alsof die innerlijke strijd nog niet genoeg is, ben ik ook een gefnuikt romanticus. Voor de rest heb ik niets te klagen. Ik liet mijn gezelschap ‘Season of the Fair’ horen en iemand vroeg wie er nog wijn beliefde; iemand anders had het over stoppen met roken en de ongemakken daarvan, en nog iemand anders wilde uitgerekend nu van me weten hoe het met Humo was gesteld. Ik herinner me helaas ook dat nóg iemand anders, een exponent van de gezondheidscultus, ons in niet mis te verstane bewoordingen in de geheimen van een goede darmtransit begon in te wijden, met praktijkvoorbeelden uit haar eigen leven. Dat stuitende gebrek aan belangstelling voor wat ik in het diepste van mijn wezen innig mooi vond, maakte me die avond vleugellam; het zorgde ervoor dat ik op dat moment wel zeker wist dat we elkaar nooit, nóóit helemaal zullen begrijpen, en van de weeromstuit nam ik me voor om het in het openbaar nooit, nóóit meer over mijn muzikale voorkeuren te hebben. Laat staan dat ik nog mensen tot die voorkeuren zou willen bekeren.

Nu ja, als teenager op jaren onthoud ik me vanzelf liever van meningen over de dernier cri van de populaire muziek, al heb ik er nog wel belangstelling voor: in ‘Rock Werchter’, een gelegenheidsprogramma dat op het gelijknamige festival preludeerde, zei Ayco Duyster dat ze nog nooit van de traditionalistische blauwogige soulband St. Paul & The Broken Bones uit Birmingham, Alabama had gehoord. Ik toevallig wel, want ik had dit ensemble al eens op de televisie gezien en vervolgens op het internet nagetrokken, niet het minst omdat de irreguliere, kunstig om de microfoonstandaard kronkelende zanger Paul Janeway in fysiek opzicht enigszins naar Alan Carr van ‘Chatty Man’ zweemt. Maar laat ik het liever over Ayco Duyster hebben, die een prachtige naam heeft – mocht een schrijver een romanpersonage zo noemen, dan zal de literaire kritiek hem zeker van gezochtheid verdenken. Even iets uitproberen: Rudy Duyster – niet kwaad, maar er hapert iets aan, al kan ik niet precies de vinger op de zere plek leggen. Laat ik ophouden met afdwalen en stellen dat mensen die als connaisseur van de popmuziek worden opgevoerd en er zowel complexloos als eerlijk voor uitkomen dat ze St. Paul & The Broken Bones niet kennen, een wit voetje bij me hebben. Als kenner van niets in het bijzonder spreek ik in dezen met kennis van zaken.

In de drie inleidende afleveringen van ‘Rock Werchter’ gaven drie muzikanten die op Rock Werchter zullen optreden en drie professionele kenners van populaire muziek tekst en uitleg bij namen die hen op de affiche van Rock Werchter het meest aanspraken. Tussendoor kregen we ter illustratie een montage van fragmenten uit clips en liveconcerten te zien. Geen fonkelend idee, laat staan dat het enigermate origineel zou zijn, want nagenoeg alle media proberen het publiek tot balens toe wegwijs te maken in de mastodontische en daardoor niet aldoor sympathieke muziekbeurs die Rock Werchter ondertussen is. Laat ik zeggen dat de televisie niet kon achterblijven.

De muzikanten en de connaisseurs werden in hun meest vertrouwde omgeving gefilmd: hun hoogstpersoonlijke woonkamer, waar ze de affiche van Rock Werchter op een hoogstpersoonlijke tafel hadden uitgespreid. Was het de bedoeling dat we daar iets bij dachten? Bijvoorbeeld: dat er geen andere levende wezens in huis waren, tenzij dan de kat van Kurt Overbergh, de enthousiaste smaakmaker van de AB? Er heerste orde, alles lag er spic en span bij, soms op het antiseptische af. Ik dacht aan de rommelige bohème van weleer, en veranderde snel van gedachten. De rapper Vjèze Fur van De Jeugd Van Tegenwoordig, die volgens zijn naaste familie ook naar de naam Freddy Tratlehner luistert, droeg binnenshuis in een cleane en heldere flat een interessante zweetband om zijn hoofd. Hij of de thermostaat wisten wellicht waarom. Bij Katia Vlerick van Humo zag ik in het voorbijgaan een uitvergrote zwart-witfoto van twee Arctic Monkeys – eindelijk een teken van rock-’n-roll. Katia zei iets dat ik heb opgeschreven: ‘Een muzieksoort die voor altijd uit de mode is, of passé, bestaat niet.’ Op één of andere manier vond ik dat als teenager op jaren een troostrijke gedachte.

Voor de rest kon ik uit deze drie op Rock Werchter vooruitlopende programmaatjes alleen maar opmaken dat de openbare televisie misschien weer eens aan een volwaardig muziekprogramma toe is.

Rudy Vandendaele

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234