null Beeld Els Zweerink
Beeld Els Zweerink

GeboortedorpLize Spit

Terug naar de Kempen met Lize Spit: ‘Het leven was niet makkelijk, zeker niet als mijn ouders veel gedronken hadden’

In de zomer is er tijd om achterom te kijken en terug te blikken op wat er achter ons ligt. Wat is er nog over van het verleden? Vandaag: terug naar Viersel met romanschrijver Lize Spit. ‘Het leven wordt moeilijker naarmate het langer duurt.’

Meestal is een gat in een heg gewoon een gat in een heg. Vandaag in Viersel, een dorp in de Antwerpse Kempen, is het veel meer dan dat.

De dag begint idyllisch. Ik haal Lize Spit op in de Diamantbuurt in Amsterdam, waar ze in het appartement van haar verloofde, collega-schrijver Rob van Essen, verblijft. Net voor ik wil aanbellen kijk ik omhoog en zie ik Lize en Rob samen in het vroege ochtendzonnetje op het balkon staan. Ze kletsen over wat het ook maar is dat ze waarnemen aan de overkant. Het geluk spat eraf en stemt me zacht. Gedurende de lange autorit spreken Lize en ik over van alles, behalve over wat we in haar geboortedorp aan zullen gaan treffen. Zeker spreken we nog niet over de heg met het gat erin. We zijn nog maar bij het begin.

Op het dorpsplein in Viersel, vlakbij het voormalig ouderlijk huis waar we zo naartoe lopen, staat nog altijd de Sint-Willibrorduskerk. Er is veel groen, zowel hoge naaldbomen als in keurige bolvormen geknipte struiken. Er staat ook een 24-uurs broodautomaat, die er vroeger al was. “Mijn moeder bakte zelf brood”, herinnert Spit zich, “maar als dat op was kregen we 50 franc om een brood te halen. Een groot grof gesneden, zei mijn moeder en ik herinner me dat ik hierheen liep en dat steeds maar in mijn hoofd herhaalde, in de maat waarop ik liep: Eén groot grof gesneden... Eén groot grof gesneden...”

Marlboro Medium

Ik bauw haar na, alsof we samen in een tijdmachine zijn gestapt en naar de jaren negentig van de vorige eeuw zijn teruggeflitst. “Iets verderop zat het winkeltje van Josephineke”, vervolgt Spit. “Daar haalde ik toen ik nog heel klein was snoep en ook wel eens sigaretten voor mijn vader, samen met mijn zusje. De bestelling bestond uit twee moeilijke woorden, dus om het niet te vergeten zei onderweg naar het winkeltje de een het ene woord – ‘Marlboro...’ – en de ander vulde dat dan aan: ‘...Medium!’

Hoe lieftallig de naam ook, aan Josephineke kleven minder positieve herinneringen: “Ze woonde eerst bij de winkel, maar liet op een gegeven moment een hele lelijke villa bouwen op het grasterrein vlak naast ons. Dat was ons speelgebied, maar toen Josephineke er ging wonen mochten we niet meer door haar tuin. Ze had een gazon dat keurig werd gemaaid en had altijd ruzie met mijn ouders, omdat die de heg niet bijhielden en zij wel.” Lachend: “Aan haar kant was sprake van een perfect gecoiffeerde heg en aan onze kant werd het meer een punkkapsel”.

Het huis waar Lize Spit opgroeide. Beeld Els Zweerink
Het huis waar Lize Spit opgroeide.Beeld Els Zweerink

Over tien minuten zullen we er echt voor staan, voor die heg. De spanning naar dat moment toe bouw ik zorgvuldig op, zoals Spit ook driftig van suspense gebruikmaakt in haar beide romans Het smelt (2016) en Ik ben er niet (2020). Dat doet ze bijna filmisch, wat ook weer niet gek is, want ze studeerde scenarioschrijven in Brussel, de stad waar ze op haar zeventiende naartoe verhuisde.

Allemaal best vies

Viersel is veranderd, onderkent Spit, als we door de straatjes wandelen waar ze voortdurend wordt aangesproken. “Best moeilijk om te zien hoeveel er is bijgebouwd”, verzucht ze. “Het oogt een beetje toegetakeld. Alsof ik in een droom loop die niet meer helemaal juist is.” Na uit huis te zijn gegaan kwam Spit eerst nog regelmatig terug, daarna steeds minder. De feesten van de Chiro, de plaatselijke jeugdbeweging, sloeg ze niet over. “Dan was iedereen er weer, maar ik kon het nooit opbrengen om op mijn oude kamertje te slapen. Als het feest was afgelopen, ging ik in mijn ouderlijk huis op de bank zitten wachten tot het ochtend werd.” Gevraagd naar het waarom komen allereerst zintuigelijke argumenten op tafel: “De geur in de kamers stond me tegen. Toen ik er woonde zag ik het niet zo, maar toen ik weg was gegaan en terugkeerde dacht ik: het is allemaal best vies. De ramen werden zelden gelapt, er was niet veel verluchting. Stickers die ik op straat vond, plakte ik zomaar op de muur. Ik was er uitgegroeid op zo’n manier dat ik er weerzin bij voelde.”

Lize Spit (1988) groeide op in Viersel en woont sinds 2005 in Brussel. Ze studeerde scenarioschrijven aan het Royal Institute for Theatre, Cinema & Sound en won de publieks- én juryprijs bij de schrijfwedstrijd Write Now! in 2013. In 2016 verscheen haar debuutroman Het smelt. Met het boek won ze onder andere de Bronzen Uil en de Boekhandelsprijs. In 2020 verscheen haar tweede roman Ik ben er niet. Lize Spit is columnist bij de De Morgen

Van het zintuigelijke gaat het snel naar het fundamentele: “Als kind heb ik me vaak onveilig gevoeld in huis. Het leven was niet makkelijk, zeker niet als mijn ouders veel gedronken hadden, al kan ik wel kiezen of ik me iets moois wil herinneren of juist iets lelijks. We gingen nooit op vakantie, maar wel af en toe een dagje naar een pretpark, bijvoorbeeld de Efteling of Bobbejaanland. We hadden een kleine auto en we waren met vier kinderen in totaal, wat betekende dat er twee in de kofferbak moesten. Daar lag een oude deken waar je op kon liggen en dan lazen we stripboeken, dat is een mooie herinnering. Maar ik herinner me ook dat mijn ouders weleens dronken van een familiefeest terugreden, hevig ruziënd. Als kind was ik op zo’n moment uiterst alert, ik had het gevoel dat ik heel scherp moest opletten dat er niets ergs zou gebeuren. Dat waakzame ben ik nooit kwijtgeraakt. Ik was niet vrij, zoals je als kind zou moeten zijn. Ik was altijd aan het zorgen dat het niet uit de hand zou lopen. Dat heb ik nu nog als ik bij iemand in de auto zit, net ook naast jou onderweg hier naartoe. Het werkt zelfs door in mijn schrijverschap. Ik let enorm op de details, ben richting mijn personages de hele tijd aan het tellen: hoeveel is er gedronken, hoeveel geld is er uitgegeven? Alles moet kloppen.”

 Lize Spit: ‘Ik herinner me hoe ik als ik ’s nachts thuiskwam van een feestje vanaf het erf mijn vader voor de tv zag zitten’. Beeld Els Zweerink
Lize Spit: ‘Ik herinner me hoe ik als ik ’s nachts thuiskwam van een feestje vanaf het erf mijn vader voor de tv zag zitten’.Beeld Els Zweerink

Zorgende rol

Haar tweede roman Ik ben er niet is deels gebaseerd op eigen ervaringen met een liefdesrelatie waarin Spit de zorgende rol voortzette die ze richting haar ouders had aangenomen. In haar huidige relatie kan ze dat eindelijk loslaten. “Rob behoudt zelf de controle. Hij drinkt bijvoorbeeld nooit te veel, wat voor mij een voorwaarde is om me veilig te voelen. Net als ik maakt hij zich snel zorgen – als ik de deur uitga zegt hij: ‘Pas op voor dit, kijk uit voor dat’. Hij is net zo bezorgd als ik.”

We zien het huis liggen, aan de overkant van een drukke weg. We steken over. Spit ziet in het asfalten pad het oude putdekseltje zitten van de watervoorziening. Het is iets heel kleins, maar toch een toonbeeld van wat intact is gebleven. Eerst kijkt ze naar de heg en vervolgens erdoorheen. Ineens wordt ze door iets groots overvallen. De sfeer slaat om, ze zwijgt even en zegt: “Dat ik hier nu sta maakt me een beetje melancholiek en ook verdrietig. Het is lang geleden dat ik hier was. Toen mijn ouders verhuisden ben ik ook niet komen helpen. Het meeste uit mijn kinderkamer is weggegooid, ik heb geen afscheid genomen.”

De heg is nog altijd slecht geschoren, maar de tuin ziet er ordentelijker uit dan vroeger. “Toen was het echt een rommeltje. Alles was begroeid en overwoekerd. Er was een keer een hoop zand gestort waar niets mee gebeurde, dat lag er dan maar. Mijn vader had een speeltuintje voor ons gebouwd, dat stond er nog toen ik uit huis ging, maar toen was het inmiddels helemaal verrot. De zandbak werd een poepbak voor de katten. Mijn ouders hadden de gewoonte om oude of defecte spullen buiten te zetten, en dan te denken dat ze weg waren. Zoiets kon heel lang blijven staan: de rotzooi van twee mensen die niet de moed hebben om dingen te veranderen of beter te maken.” Het gesprek is anders van toon geworden, het gat in de heg werd een toegangspoort naar een verleden. Een vroeger waarin twee ouders worstelden, met het leven, met elkaar en met zichzelf. “Op den duur werd het allemaal te veel voor ze”, zegt Spit. “Het leven wordt moeilijker naarmate het langer duurt. Dat zag je af aan de staat van het huis en de tuin: het ging allemaal bergaf.”

null Beeld Els Zweerink
Beeld Els Zweerink

Niets achterstalligs

Haar huidige leven in Brussel is in zekere zin een tegenreactie op dat vroeger. “Mijn huidige appartement is helemaal tot in de puntjes klaar. Eerder wilde ik er ook niet intrekken. Er is nergens iets achterstalligs en de handdoekjes vouw ik allemaal op in steeds dezelfde vorm. Het beddengoed was ik wekelijks.”

Ineens is er nog een herinnering, die met een slag lijkt binnen te komen: “Ik herinner me hoe ik als ik ’s nachts thuiskwam van een feestje vanaf het erf, waar we nu staan, mijn vader daar in de veranda voor de tv zag zitten. Hij had dan veel gedronken en ik vond het verschrikkelijk om erlangs te moeten. Slaapt hij, dacht ik. Is hij dood? Ik hoopte dat hij sliep, want op zo’n moment wilde je niet met hem in aanvaring komen. Want dat betekende vervelende, verdrietige gesprekken, over hoe het leven hem had teleurgesteld, soms agressief van toon. Dan zocht hij troost en het maakte me triest dat ik ’m niet kon helpen. Thuiskomsten hier waren niet prettig. Dat is nu in Brussel wel anders. Ik woon in een appartement, wat betekent dat als ik binnenloop ik alles in één keer kan overzien. Ik check wel nog altijd eerst alle kamers, of het veilig is. Dat zit erin gebakken. Dat raak ik nooit meer kwijt.”

(Trouw)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234