Topdokters getuigen: Inez Rodrigus & Tessa Kerre'Een patiënt verliezen went nooit. Je moet telkens weer rechtkrabbelen'

Vorige week is het derde seizoen van het voortreffelijke ‘Topdokters’ van start gegaan, de VIER-reeks waarin acht specialisten in hun hoofd en hart laten kijken. Een ware verademing in het huidige tv-landschap, omdat het programma kan boeien zonder inkijk in kookpotten, smakeloos gedecoreerde woonkamers of slaapkamers in een exotisch luxeresort.

'Geniet alstublieft van het leven: dat doen wij wellicht zelf te weinig, maar we proberen het toch aan anderen mee te geven'

Onderweg naar het UZ Gent, waar we, in een gebouw dat herinneringen aan het voormalige Oostblok oproept, hebben afgesproken met hematoloog Tessa Kerre (UZ Gent) en cardiochirurg Inez Rodrigus (UZ Antwerpen), moeten we – beroepsmisvorming – plots denken aan een aflevering van de Canvas-reeks ‘Het voordeel van de twijfel’. Daarin vroeg filosoof Stefaan Van Brabandt aan voorbijgangers of ze al waren geconfronteerd met tegenslag. Bleek dat een geblokkeerde bankkaart voor sommigen al onoverkomelijk was. Hoe zouden Kerre en Rodrigus, wier transplantaties en operaties de laatste redding bieden voor hun patiënten, tegen zulke futiliteiten aankijken? Want zoals Rodrigus in de eerste aflevering van ‘Topdokters’ zei: ‘Ik heb een hall of fame, maar ook een kerkhofje.’ Waarom kiest iemand voor een job waarin je geregeld met de genadeloze dood geconfronteerd wordt?

HUMO Was het voor jullie een roeping om geneeskunde te studeren?

Inez Rodrigus «Ik heb niemand horen roepen (lacht). Bepaalde studiekeuzes leiden tot een voor de hand liggende job – wie Germaanse talen studeert, weet bijvoorbeeld dat hij wellicht in het onderwijs zal terechtkomen. Dat wilde ik niet: ik wilde niet al weten wat ik vier jaar later voor de rest van mijn leven zou doen. En ik wilde ook langer studeren.»

Tessa Kerre «Als je geneeskunde studeert, weet je toch dat je dokter zult worden?»

Rodrigus «Ja, maar binnen de geneeskunde zelf heb je nog zoveel mogelijkheden. Ik ben eraan begonnen omdat ik wilde weten hoe de mens in elkaar zit. Tijdens je studie loop je stage, waardoor je in aanraking komt met verschillende specialiteiten en je begint te beseffen wat je wel en niet ligt. Al lachend wordt weleens gezegd dat er drie soorten specialisten zijn: de chirurgen, die vooral doen, de internisten, die vooral denken, en de psychiaters, die doen noch denken.»

Kerre «Die luisteren (lacht).»

Rodrigus «Ik wist in ieder geval al snel dat ik me in een chirurgische discipline wilde bekwamen.»

Kerre «Bij mij was het van kinds af aan al duidelijk. Ik ben zelf een cardiochirurgische patiënt geweest: ik had een open ductus Botalli. Professor Rodrigus zal u perfect kunnen uitleggen wat dat precies is.»

Rodrigus «Een aangeboren afwijking. In de bloedsomloop van een foetus zitten allerlei openingetjes, omdat een foetus natuurlijk niet kan ademen – anders verdrinkt die in het vruchtwater van de baarmoeder. Die openingen zorgen ervoor dat er verbindingen zijn tussen de rechter- en linkerbloedcirculatie in het hart. Zodra het kind geboren is, groeit dat normaal vanzelf dicht. Is dat niet het geval, dan moet dat chirurgisch dichtgemaakt worden.»

Kerre «Tegenwoordig valt dat op te lossen met katheterisatie via de lies, maar ik moest dus nog een hartoperatie ondergaan – daar heb ik een groot litteken aan overgehouden. Ik was toen net geen 4 jaar oud en heb er wekenlang voor op de kinderafdeling gelegen. En complicaties opgelopen, waaronder een longontsteking. Het is op een bepaald moment zelfs kantje boord geweest. Ik wou al dierendokter worden, maar kort na die operatie is dat veranderd in mensendokter (lacht). En ik ben daar nooit meer van afgeweken. Op mijn 18de ben ik even beginnen te twijfelen, net omdat ik al mijn vriendinnen zag worstelen met hun studiekeuze: ‘Waarom twijfel ik niet?’ Volgens de vragenlijsten van het PMS (de voorloper van het CLB, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, red.) moest ik dokter of pastoor worden. Toen was de keuze rap gemaakt (lacht).

»Huisarts was geen optie: het is een fantastische job, maar ik had het gevoel dat je heel vaak je patiënten moet doorverwijzen eens het echt interessant begint te worden. Ik had snel door dat ik interne geneeskunde wilde doen. Ik wist dat chirurgie mij niet gelukkig zou maken, en ik voel dat nog altijd wanneer ik bij patiënten in het operatiekwartier een punctie moet gaan doen. Er hangt daar een te snijden sfeer waarvan ik denk: ‘Niet mijn ding.’ De stress en het hectische (roept op botte toon): ‘De chirurg is aangekomen!’ Als stagiair word je soms ook uitgescholden door chirurgen, die niet altijd de meest aimabele mensen in het operatiekwartier zijn. (Op snauwende toon): ‘Wat doe jij hier? Uit mijn veld!’»

Rodrigus (lacht hartelijk)

Kerre «Ik wilde vooral heel veel praten met mensen. Doordat onze patiënten lange tijd opgenomen zijn en levenslang opgevolgd moeten worden, bouwen we er een band mee op. Dat zou ik missen als chirurg: daar zijn de contacten met patiënten vluchtiger, denk ik – je ziet ze kort voor en na de operatie. Uiteindelijk koos ik voor hematologie (ziekten van het bloed en het immuunstelsel, red.) en niet voor oncologie (onderzoek en behandeling van kanker, red.), omdat het een ongelooflijk boeiend en complex domein is, waar nog heel veel te doen is.»

'Tessa Kerre (links) en Inez Rodrigus (rechts): 'We zijn bescheiden genoeg om niet de held uit te hangen'

HUMO Professor Rodrigus, ik las dat uw laptop met uw doctoraatsverhandeling indertijd gestolen werd.

Rodrigus «Dat verhaal blijft me achtervolgen (lacht). Het was een stommiteit. Ik was met m’n laptop naar het ziekenhuis gegaan omdat ik daar iets wilde printen – als arme jonge specialist had ik zelf nog geen printer. Ik ging daarna mijn was bij m’n mama afleveren en liet mijn laptop in de auto liggen. Tien minuten later was die weg. Ik had net alle gegevens ingevoerd – dat doctoraat was zo goed als af. Vreselijk. Ik heb prompt de regionale zender ATV ingeschakeld en er een geldprijs aan vastgehangen. Met succes: om elf uur ’s avonds kreeg ik telefoon van iemand die zei dat hij informant van de BOB (de Bewakings- en Opsporingsbrigade, in 1998 opgegaan in de federale gerechtelijke politie, red.) was en dat de vinder bij hem stond. Ik stelde me er verder geen vragen bij, maar het leek me het verstandigst om op neutraal terrein af te spreken, dus koos ik voor het ziekenhuis. Daar ben ik in de hal geld gaan afhalen. Ik had m’n laptop terug, en verschillende mensen die later hetzelfde hebben meegemaakt, zijn me om raad komen vragen (lacht).»


Leukemuis

HUMO Bij hartpatiënten denk ik meteen aan oudere mensen. Klopt dat?

Rodrigus «Neen: we opereren mensen van 7 tot 77 jaar. Of zelfs ouder: ik heb vanmiddag een Marokkaanse dame van 89 op consultatie gehad.

»Er zijn twee grote groepen hartaandoeningen: dingen die te maken hebben met kransslagaders en infarcten waarvoor patiënten bypassoperaties moeten krijgen, en anderzijds een hele hoop hartklepoperaties – dat is ongeveer fiftyfifty. En dat heb je in allerlei leeftijdscategorieën. De jongste patiënt bij wie ik al een bypassoperatie heb uitgevoerd, was 18, maar de klassieke leeftijdsgroep is wat dat betreft rond de 70. Dat is ook één van de redenen waarom ik aan ‘Topdokters’ wilde meedoen: voor het educatieve aspect. Want waarom gaat het mis bij pakweg een 35-jarige? Omdat niemand eraan denkt dat ze een infarct zouden kunnen krijgen. Maar als dat gebeurt en het probleem niet erkend wordt, kom je in een stadium van hartfalen terecht en moet je een transplantatie krijgen. Meteen een heel ander verhaal: als iemand je zes uur eerder had onderzocht, was een transplantatie misschien niet nodig geweest.

»Bypassoperaties zijn de confituur op de boterham voor elke hartchirurg: dat is routine. Maar elke cardiochirurg wil hartklepoperaties doen: dat is wat complexer en vraagt meer creativiteit.»

HUMO Professor Kerre, de patiënten die bij u terechtkomen zijn veelal gewoon pechvogels.

Kerre «Vaak is er ergens in het genetische materiaal van hun gezonde cellen iets gebeurd waardoor die cellen kwaadaardig zijn geworden. Bij celdeling ontrolt het genetische materiaal van de moedercel en wordt er een kopij gemaakt, zodat de twee dochtercellen een volledige kopij van het genetische materiaal krijgen. Op het moment dat dat gebeurt, kunnen er veel fouten ontstaan. Meestal worden die fouten hersteld: we beschikken daarvoor over een fantastisch efficiënt mechanisme. Maar soms faalt dat mechanisme en wordt de fout niet hersteld. Als hierdoor de cel dan begint te delen en niet meer stopt met delen, kan dit aanleiding geven tot kanker.

»Ook chemo kan kwaadaardige hematologische ziektes veroorzaken: mensen die bijvoorbeeld voor borstkanker met chemo behandeld werden, komen soms ook bij ons terecht, omdat de chemo bepaalde fouten in het genetisch materiaal van de cellen veroorzaakt heeft, waardoor die cellen kwaadaardig zijn geworden. Of straling: denk maar aan de kernramp in Tsjernobyl, waar veel inwoners aan de bestraling beenmergfalen of leukemie hebben overgehouden. Verder kunnen ook virussen de boosdoener zijn. Maar dikwijls is het inderdaad gewoon pech hebben.»

'Er zijn altijd charlatans die bij wanhopige patiënten voor een paar duizend euro stamcellen willen inspuiten en genezing beloven. Dat is quatsch'

HUMO En dan is er een stamceltransplantatie nodig – wat geen operatie is.

Kerre «Inderdaad, dat is een vaak voorkomend misverstand. De stamcellen worden toegediend via een eenvoudige transfusie, die via een centraal infuus gegeven wordt. Stamcellen hebben antennes op hun celwand waarmee ze richting beenmerg ‘gezogen’ worden: eens ze daar aangekomen zijn, nestelen ze zich in het leeggekomen beenmerg en beginnen ze bloedcellen te maken. Uiteindelijk zorgen ze ook voor een nieuw immuunsysteem.

»Een stamceltransplantatie is vaak de enige optie op genezing, maar ter voorbereiding van de transplantatie laten we mensen zich nog veel slechter voelen: ze krijgen chemo, meestal in combinatie met bestraling of antistoffen. Die voorbehandeling legt het immuunsysteem van de patiënt plat, zodat de stamcellen van de donor aanvaard worden – je wilt natuurlijk niet dat de afweercellen van de patiënt beginnen te vechten tegen de goede cellen van de donor.

»Maar ook de donor kan de gezonde weefsels van de patiënt aanvallen en zo aanleiding geven tot ernstige afstotingsreacties. De kans hierop is kleiner bij een goede match tussen donor en patiënt: het weefseltype moet dus zoveel mogelijk overeenstemmen. Daarom testen we in eerste instantie de broers of zussen van de patiënt. Maar vaak vinden we in de familie geen donor. Dat is pure statistiek: je hebt één kans op de vier. Er zijn mensen met maar één broer of zus die gelukkig identisch blijkt te zijn, maar er zijn er ook met acht broers of zussen waarvan er geen enkele identisch is. In zo’n geval doen we een beroep op de wereldwijde donorbank: meestal vinden we op die manier een geschikte donor.

»Ik ben tien jaar geleden begonnen met onderzoek naar immunotherapie, waarbij het immuunsysteem van de patiënt gebruikt wordt in de strijd tegen kanker, in het bijzonder tegen acute myeloïde leukemie. Gezonde stamcellen worden door ons genetisch gemanipuleerd: we brengen daar een bepaalde genetische code in, zodat die stamcel enkel uitgroeit tot een afweercel tegen kanker. We experimenteren hier in het labo op muizen: de muizen krijgen leukemie, en dan kijken we of de leukemie afneemt door het inspuiten van die afweercellen. Maar je moet de afweercellen in de muizen natuurlijk lang genoeg in leven kunnen houden om te zien of het effectief werkt, en een muis is nog altijd geen mens. Ik hoop dat ik het in mijn carrière nog mag meemaken dat we die therapie effectief kunnen gebruiken, want ze zou naar alle verwachtingen veel minder bijwerkingen hebben dan een stamceltransplantatie.»

'Om arts te worden moet je mensen graag zien. En ik ben ze door arts te zijn alleen maar líéver gaan zien'

HUMO Dat zou uiteraard geweldig zijn, maar er zijn vaak ethische discussies over het gebruik van stamcellen. Hoe maakbaar is de mens, volgens u?

Kerre «Wat nu intensief onderzocht wordt, is hoe je uit iPSC-cellen (induced pluripotent stem cells, red.) een soort universele stamcellen, allerlei weefsels en organen kunt maken. Uit een huidbiopsie worden bijvoorbeeld huidcellen gehaald die zodanig genetisch gemanipuleerd worden dat ze eender wat kunnen worden: spiercellen, levercellen, noem maar op. Dat zou fantastisch zijn: dan is iemand die bijvoorbeeld een levertransplantatie moet ondergaan niet meer afhankelijk van een donor, maar kun je een lichaamseigen lever uit eigen stamcellen laten groeien. Dat klinkt als sciencefiction, maar daar kun je niets op tegen hebben. Dat moet natuurlijk wel gecontroleerd gebeuren, want het brengt ook gevaren met zich mee: doordat ze genetisch gemanipuleerd zijn, dragen die cellen misschien eigenschappen in zich die je niet wilt – zoals kankereigenschappen. En er zijn altijd charlatans die bij wanhopige patiënten, voor wie de klassieke geneeskunde geen oplossing biedt, voor een paar duizend euro stamcellen willen inspuiten, en genezing beloven. Dat is uiteraard quatsch.»


Tekort aan donoren

HUMO Terug naar u, professor Rodrigus: hoe zit het met de donorharten?

Rodrigus «Er zijn er helaas te weinig. Er zijn momenten geweest dat er in België ongeveer honderd harttransplantaties per jaar uitgevoerd werden, maar nu zijn dat er nog maar zeventig. Niet alleen omdat er minder verkeersongevallen gebeuren, maar ook omdat onze competentie inzake traumaopvang enorm verhoogd is. Mensen blijven in leven door betere intensieve zorgen, waardoor de donorpopulatie veroudert. De voornaamste poule van hartdonoren bestaat nu uit mensen die een hersenbloeding gekregen hebben. Mensen die wachten op een hart, kunnen we ondersteunen met een kunsthart – als we dat niet zouden doen, zouden ze sterven. Maar in alle Belgische centra zijn er nu meer mensen met een kunsthart dan vroeger, die dus langer op een donorhart moeten wachten. Vroeger was het binnen de zes maanden in orde, nu is de wachttijd al gemiddeld een jaar. Moeilijk, want een kunsthart is geen vervanghart voor de rest van je leven: je blijft blootgesteld aan enkele grote risico’s. Recent had ik nog een patiënt die anderhalf jaar met een kunsthart werd ondersteund, en een hersenbloeding kreeg door de vele medicijnen die je moet nemen om je bloed onstolbaar te maken: dan is het gedaan met je. Maar hij heeft wel nog z’n lever en nieren gedoneerd.

»Je worstelt altijd met het tekort aan donoren: je wilt elke patiënt zo snel mogelijk aan een hart helpen. Eurotransplant is op zich een geweldige organisatie, maar andere landen kampen met exact hetzelfde probleem. Er is een systeem van high urgency: als een patiënt wegens bepaalde redenen geen kunsthart kan krijgen, maar wel zo snel mogelijk een transplantatie nodig heeft, kan hij internationaal boven aan de lijst terechtkomen. Zo kun je meestal wel binnen een drietal weken een hart krijgen.

»En (tot Kerre) om even terug te komen op jouw interesse om patiënten langdurig te begeleiden: met zulke kunsthartpatiënten heb ik natuurlijk ook langdurig contact. Met hen heb je een speciale band, en ze zijn je ook bijzonder dankbaar. Bij de transplantvereniging mag ik op het jaarlijkse banket de medailles uitdelen aan de mensen die vijf, tien, of vijftien jaar geleden een harttransplantatie ondergingen.»

': 'Ik probeer een sterfgeval cerebraal te benaderen: als we niets doen, gaan veel van onze patiënten dood. Maar het lukt niet altijd om in die redenering troost te vinden' Tessa Kerre

HUMO Beseffen jullie dat jullie heldhaftig werk verrichten? Professor Rodrigus, iemand van de ‘Topdokters’-ploeg vertelde me dat u eens klaarstond om een operatie uit te voeren, toen u plots werd opgeroepen om op intensieve zorgen een reanimatie te gaan uitvoeren. Waarna u direct weer naar het operatiekwartier ging om uw eerste plan uit te voeren. ‘Maandagmorgen tien uur, en al een leven gered.’

Rodrigus «We beseffen dat wel, maar we zijn bescheiden genoeg om niet de held uit te hangen. En bij het voorval dat je nu aanhaalt, was dat leven uiteindelijk niet gered. Je hebt dan wel even de circulatie hersteld, maar die jonge vrouw was drie dagen later wel hersendood. Bij al dat geluk hoort dus ook een afgrond – de euforie wordt snel tenietgedaan. Je zit niet (maakt golfbewegingen met de hand) in een manisch-depressieve bandbreedte: om jezelf te beschermen, probeer je emotioneel constant op dezelfde golflengte te zitten.»

Kerre «Ik heb dat jaren geleden plots beseft. Ik was met mijn moeder op een concert, en er kwam een patiënt naar ons toe. Die zei tegen mijn moeder: ‘Uw dochter heeft mijn leven gered.’ Mijn moeder kreeg tranen in de ogen: ‘Dat is toch ongelofelijk! Zelfs al zou het je maar één keer lukken!’ Dat was de eerste keer dat ik dacht: ‘Wow.’ Maar verder sta je daar niet bij stil. Eigenlijk heb je gewoon je job gedaan.»

Rodrigus «Ik denk dat vrouwen daar minder macho in zijn dan mannen.»

HUMO U maakt deel uit van het meest vrouwelijke cardiochirurgische team van het land. Hebt u ooit last gehad van seksisme?

Rodrigus «Het is geen typische vrouwenjob. Momenteel zijn we met twee vrouwelijke en twee mannelijke cardiochirurgen: dat is een mooi genderevenwicht in vergelijking met veel andere chirurgische diensten.

»De opleiding heelkunde, die je moet volgen voor je je kunt specialiseren in cardiochirurgie, is een mannenwereld en het is niet simpel om daar als vrouw je mannetje te staan. En als je dan de ridder op het witte paard tegenkomt, en die heeft een volledig andere beroepskeuze… Je lacht, maar je moet wel het geluk hebben dat je een inschikkelijke man treft, want het is geen nine-to-five job. Als je een man hebt die niet pikt dat de patatjes ’s avonds niet op tafel staan, dan wordt het leven moeilijk. Maar eigenlijk ben ik wat dat betreft geen barricadespringer: er mag gestreefd worden naar een gelijk aantal vrouwen en mannen in de sector, maar je moet het ook zelf waarmaken. (Tot Kerre) Jij zit waarschijnlijk in een wat vrouwelijker discipline?»

Kerre «Bij ons op de dienst zijn er momenteel inderdaad meer vrouwen dan mannen. En ik heb gelukkig nooit het gevoel gehad dat ik minder kansen kreeg of tegen iets moest opboksen omdat ik een vrouw ben. Je merkt natuurlijk wel dat er in de academische wereld minder vrouwen zitten.»


De strijd verliezen

HUMO De operaties en transplantaties die jullie uitvoeren, zijn voor jullie patiënten vaak de laatste kans op redding. Hoe ga je dan om met het verlies van een patiënt?

Rodrigus «In een chirurgische kwestie is er zeker een reflectiemoment: ‘Wat is hier gebeurd? Heb ik het wel allemaal goed gedaan?’ En je moet er ook over spreken met de anderen die erbij betrokken waren: je staat nooit alleen aan een operatietafel. Meestal ben ik dan zo autistisch om er nog iets administratiefs rond te doen – ik zal dan bijvoorbeeld zelf de overlijdensakte opmaken, in plaats van dat over te laten aan de anesthesist, omdat ik dan even met m’n gedachten alleen wil zijn. En dan hangt het ervan af: ofwel zet je de muziek volle bak in de auto of juist niet – soms kun je dat echt niet hebben. Terug thuis kruip ik met een boekje in een hoekje, hoop ik dat ik zal kunnen slapen en dat de dag erna de zon weer schijnt. (Wijst naar m’n Pink Floyd-shirt) Ik ben een geweldige fan: ik heb ze twee keer in het Sportpaleis gezien. Om mezelf te troosten als zoiets gebeurt, ga ik vaak cd’s kopen. Na een aantal jaar als dokter kun je je wel de hele back catalogue van Pink Floyd permitteren (lacht).

»Soms gebeurt het ook dat je een patiënt via de spoed dringend moet opereren, en je hem in de operatiezaal verliest. Dat is dan niet omdat jij het niet kon, maar omdat de patiënt te ziek was, of gereanimeerd moest worden. Zonder oneerbiedig te willen klinken, maar zoals een collega eens zei: ‘You cannot make chicken salad out of chicken shit.’ Dat hakt er dan minder zwaar in, maar je weet dat je het gesprek met de familie moet aangaan. We doen altijd zoveel mogelijk moeite om een patiënt toch nog op de afdeling intensieve zorgen te krijgen. Daarom ben ik er ook grote voorstander van om iemand een tijdelijk kunsthart te geven, waarmee de circulatie op gang gehouden wordt. Spijtig genoeg zijn gereanimeerde patiënten dikwijls hersendood door een langdurig zuurstofgebrek in de hersenen, maar dat weet je niet onmiddellijk na een succesvolle reanimatie. De ondersteuning met een kunsthart geeft ons de tijd om medische beslissingen te nemen, en het geeft de familie ook de tijd om het gebeuren te aanvaarden en afscheid te nemen. Stel het je maar eens voor: je partner valt naast je neer, in de ambulance wordt hij gereanimeerd en ze nemen ’m mee. Je komt aan op de spoedafdeling en krijgt te horen: ‘Hij is overleden.’ Dan zoek je naar antwoorden. Maar als je ziet dat ze er op de spoedafdeling met z’n allen opvliegen om te proberen hem in leven te houden, en ze je drie dagen later zeggen: ‘We hebben alles geprobeerd, maar hij is hersendood,’ dan is dat toch anders. Ik zou in elk geval zelf liever in de laatste situatie verkeren.»

Kerre «Het is altijd hard om iemand te verliezen, en het went nooit. Maar je mag je er niet door laten meeslepen: je moet weer rechtkrabbelen voor de volgende patiënt – die heeft er namelijk geen boodschap aan dat je de vorige bent verloren. Er zijn altijd mensen die meer aan je ribben blijven kleven, omdat je ze maanden- of zelfs jarenlang begeleid hebt. Dan voelt het alsof je ook zelf de strijd verliest: het is een soort rouwproces waar je doorheen moet. Ik probeer dat cerebraal te benaderen: als we niets doen, gaan veel van onze patiënten dood. Maar het lukt niet altijd om in die redenering troost te vinden.

»Wij hebben sinds anderhalf jaar ook een speciale stafvergadering: de mortaliteitsstaf. Een trieste vergadering, maar bon: daarin worden alle patiënten die die maand overleden zijn, met het hele team – inclusief de psycholoog – besproken. Je kunt elkaar dan vertellen wat je getroffen heeft of waar je het moeilijk mee had, maar evengoed over hoe blij je bent dat het heel sereen is verlopen. We hebben daar allemaal heel veel aan: soms ben je net iets te emotioneel betrokken bij iemand, en dan is het goed om het een paar weken later met iets meer afstand te kunnen bekijken.

»Wat ik in dat verband ontzettend hard mis: contrabas spelen. Ik ben ermee moeten stoppen door een peesontsteking: de combinatie van beenmergpuncties doen, tuinieren en contrabas spelen is blijkbaar zeer slecht. Pijnlijk, want het was één van de weinige dingen waardoor ik mijn hoofd volledig kon vrijmaken. Maar: het werk gaat voor.»


Ontspannen, nú!

HUMO Denken jullie, door de emotionele zwaarte van jullie beroep, weleens: ‘Waarover zágen sommige mensen toch?’

Rodrigus «Soms sta ik er versteld van over welke banaliteiten mensen zich kunnen opwinden. Het moet al erg zijn voor wij nog ergens van schrikken, en op den duur maak je nergens nog een probleem van. Daar moet je je een beetje voor hoeden.»

Kerre «Als ik iemand hoor klagen over kleine gezondheidsklachten, denk ik weleens: ‘Zeg jongen, niet neuten, je zou onze patiënten eens moeten zien!’ Maar je moet erover waken dat je niet alles begint kapot te relativeren.

»Aan de andere kant leer je op onze afdeling één en ander wel in perspectief te plaatsen: waar mensen zich soms druk in maken! Het kan zo snel gedaan zijn: wacht niet om tegen de mensen die je graag ziet te zeggen wat je hun wilt zeggen. En geniet alstublieft van het leven. Dat doen wij wellicht zelf te weinig, maar we proberen het toch aan anderen mee te geven (lacht).»

HUMO Het is inderdaad verwonderlijk dat jullie nog geen burn-out hebben: jullie zijn, naast dokter, ook diensthoofd, doen aan research en geven les – en dan hebben we het nog niet over jullie privéleven gehad.

Rodrigus «Vroeger dacht ik: ‘Pff, al die mannen die sabbaticals willen nemen!’ Maar nu begin ik te begrijpen waarover dat gaat. Er zijn weken dat ik reikhalzend naar het weekend uitkijk. We hebben zelfs geen tijd om op voorhand te bedenken wat we in onze vrije tijd willen doen, en ook vakanties worden zelden op voorhand gepland: je wilt er wel een tijdje tussenuit, maar dan liefst zonder gebonden te zijn aan een vliegtuig, omdat je al zoveel moet organiseren en plannen in je job. Het leukste is dan om gewoon in je auto te stappen en te zien waar je uitkomt.»

HUMO En kunt u dan effectief van uw vakantie genieten?

Rodrigus «Ik kan dat redelijk goed loslaten: als ik op dinsdag iemand opereer, weet ik dat die persoon op vrijdag al oké zal zijn en hoef ik me daar verder geen zorgen over te maken. En je vertrouwt op je collega’s om je afwezigheid zo goed mogelijk op te vangen. Maar het is ook al voorgevallen dat ik eerder uit vakantie moest terugkeren.»

Kerre «Bij mij lukt dat minder goed. Ik blijf mijn mails opvolgen, of vraag me plots af: ‘Hoe zou het met die of die zijn?’ Dan durf ik bijna niet te kijken naar het antwoord (lacht). Ik heb ook last van de druk om te ontspannen: ‘Dit is mijn verlof! Nu moet ik genieten!’ Vorige zomer liep ik rond als een kieken zonder kop: ‘Ik ga schilderen! Of nee, ik ga tuinieren!’ M’n verloofde zei: ‘Maar wat is dat toch met jou?’ Waarop ik, half roepend: ‘Ja, maar nu moet ik ontspannen, hè! Het is nu dat het moet gebeuren, hè!’ Dat je dan achteraf denkt: ‘Maar allee, hoe erg!’ Een rotvakantie (lacht).»

'Als arts leer je de pure mens kennen: de maskers vallen af'

HUMO Professor Kerre, volgende maand bent u in de Gentse Vooruit te gast op ‘Belezen wetenschappers’. Weet u al over welke boeken u het zult hebben?

Kerre «Ik kreeg een mail: ‘We zijn op zoek naar professoren die geen vakidioot zijn, maar zich ook graag in literatuur verdiepen. Voelt u zich aangesproken?’ Ik dacht: ‘Awel, ja!’ (lacht) Ik moet twee boeken kiezen, en één ervan zal zeker ‘Honderd jaar eenzaamheid’ van Gabriel García Márquez zijn. Het is mijn oerboek. Ik heb het voor het eerst op mijn 16de gelezen, en zit mijn zoon, die deze zomer exact even oud zal zijn, aan te porren het ook te lezen (lacht). Voor ‘Belezen wetenschappers’ heb ik het herlezen: ik vind het nog altijd even fantastisch, maar totaal anders dan in mijn herinneringen. Het magisch-realistische had mij destijds getroffen: ik herinnerde me bijvoorbeeld nog de regen van gele bloemetjes, en dat ik naar die stad Macondo wilde. Toen ik het onlangs herlas, dacht ik: ‘Maar jongens toch, zo’n donker boek!’ Boeiend: was ik als jong meisje gewoon zo naïef dat ik geen oog had voor het drama, of is m’n lezing nu gekleurd door de miserie waar ik dagelijks in het ziekenhuis mee geconfronteerd wordt? Voor mijn tweede boek ben ik nog aan het twijfelen. Ik wil iets recenters, maar de keuze is moeilijk: er zijn zoveel mooie boeken.»

Rodrigus «‘Mijn Strijd’ van Knausgård! Ik heb nog maar twee van de zes boeken gelezen – ik lees altijd voor het slapengaan – maar vind het nu al fantastisch. Knausgård is een beetje de Noorse Proust: mooi geschreven, maar hij schuwt de harde scènes niet. Het eerste boek begint met een scène in een mortuarium, en eindigt met hoe het hoofdpersonage zijn vader, die zich doodgedronken heeft, aantreft. Je ziet het volledig voor je: alle rotzooi die in huis rondslingert… Het is niet de spannende thriller die iedereen gelezen moet hebben, maar wel goeie literatuur.»

Kerre «Daar gaat mijn voorkeur ook naar uit. Neem nu ‘De Da Vinci Code’: ontspannend, maar achteraf denk je niet: ‘Nu heb ik mijn tijd nuttig besteed.’»

HUMO Ik zou nog uren met jullie kunnen kletsen, dames, maar ter afsluiting: wat vinden jullie het mooiste aan jullie job?

Kerre «Arts zijn is een unieke job, omdat het zo uitdagend en divers is: je bent tijdens het onderzoek met je hersenen bezig en je kunt met je handen in de natuur ingrijpen. Maar het is vooral bijzonder omdat je mensen kunt helpen en de pure mens leert kennen: de maskers vallen af. Patiënten kunnen mij soms dingen zeggen waarvan ik denk: ‘Nu heb je mij een mooie les geleerd.’ Het is mooi en ontroerend om te zien hoe mensen omgaan met hun ziekte, hoeveel ze aankunnen, en hoeveel er voor hen gedaan wordt door familie en vrienden.»

Rodrigus «Ondanks alles is de mens een sterk beest: als je ziet hoe diep sommigen kunnen gaan – als er bijna niets van hen overschiet – om dan twee jaar later plots als een halve bodybuilder voor je neus te verschijnen: fenomenaal. Ik kan door kleine dingen getoucheerd worden: wanneer een oud vrouwtje bijvoorbeeld nog speciaal naar de kapper is geweest vóór de operatie, en dan panikeert als de verpleegster haar erop wijst dat ze ’s avonds niet mag vergeten te douchen: ‘Maar mijn haar is juist gedaan!’ (Met vertederde blik) Schattig. Als je dat niet hebt, ben je volgens mij een minder goeie dokter.»

Kerre (knikt) «Om arts te worden moet je mensen graag zien. En ik ben ze door arts te zijn alleen maar líéver gaan zien.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234