Tour de France: de Colombiaanse guerilla, tussen coke & koers

Met een parcours vol Alpen- en Pyreneeëncols krijgt Nairo Quintana de kans van zijn leven. De geschiedenis van het Colombiaanse wielrennen is even bewogen als die van het land zelf.

'Wie in de toekomst aan Colombia denkt, zal aan die kleine Quintana denken, en niet meer aan drugs of geweld'

‘Ik nam een stoel en zette me op de achtersteven van het schip. Voor zolang ik kon, bleef ik naar de kustlijn van Colombia kijken. Tot ik werkelijk geen puntje meer kon onderscheiden. Met op de achtergrond enkel het ronkende geluid van het schip.’ We zijn in Drogenbos, de Brusselse rand is het verrassende begin van ons verhaal. In 1962 kocht de toen 20-jarige Giovanni Jiménez (73) in de noordelijke havenstad Santa Marta een ticket voor een bananenboot met bestemming Hamburg. Nieuwsgierig en met een hart vervuld van wielrennen, wilde hij naar Europa om profrenner te worden.

Giovanni Jiménez «Ik kom uit Medellín: la ciudad de la eterna primavera – de stad van de eeuwige lente, het is er nooit kouder dan 22 graden. Medellín ligt in een vallei, omgeven door hoge bergen. Een stad vol warme mensen, overal weerklinkt muziek. Daar ligt ook het mekka van het Colombiaanse wielrennen.

»Ik was nationaal kampioen tijdrijden en blonk uit op de piste. Een Duitse ingenieur die voor Siemens werkte en over heel Medellín verkeerslichten plaatste, nodigde me uit en vertelde dat ik volgens hem veel kans maakte om een succesrijke carrière als baanwielrenner uit te bouwen in Duitsland. Ik nam dus mijn fiets en ging voor het avontuur. Hoewel, die 12 dagen op zee bleken een hel: ik was de hele tijd zeeziek (lacht).»

Uiteindelijk kwam Jiménez in München terecht, waar hij moest wennen aan het weer, het eten én de muziek. Voor de kost werkte hij in fabrieken, ook om geld naar huis te kunnen sturen. Na een tussenstop in Keulen ging het naar België, waar hij na enkele jaren als amateur prof kon worden bij Mann-Grundig, de ploeg van Herman Vanspringel. Tot zijn 38ste bleef hij in het peloton, overwinningen boekte hij vooral in kleinere koersen.

Jiménez «Ik was de allereerste Colombiaanse prof en vertegenwoordigde als enige mijn land op de wereldkampioenschappen. Steun van de bond kreeg ik niet, zij verplichtten al hun renners om amateur te blijven. Tja, zo ging dat nu eenmaal. Gelukkig voelde ik me thuis in België, al lag dat vooral aan het meisje dat ik hier had leren kennen (lacht).»

Jiménez vertelt het in vlekkeloos Nederlands. Het meisje heette Yolande en werd al snel zijn vrouw. Toen haar vader zich destijds over die eenzame Colombiaanse renner ontfermde, was de vonk meteen overgeslagen. Ook vandaag heeft Yolande het nog altijd liefdevol over ‘Jimmy’. Op de vraag waarom hij destijds als enige de sprong naar Europa waagde, vindt hij niet meteen een antwoord.

Jiménez «Ik dacht er niet bij na: ik volgde gewoon mijn hart. Het zal aan mijn avontuurlijke aard gelegen hebben, want eigenlijk droomden wij er allemáál van om in Europa te koersen. In 1957 kwam Fausto Coppi op bezoek in Medellín: hij was als een god voor ons, en ik weet nog goed hoe ik als 14-jarige op training in zijn wiel reed. In België vond iedereen me een rariteit: een Colombiaan die meedeed aan de Vlaamse kasseiklassiekers. Mijn ploeggenoten vroegen me zelfs of ze in Colombia wel met de fiets reden.»

Dat deden ze er nochtans al jaren. Medellín is altijd een welvarende stad geweest, en de textielindustrie zorgde er voor goede wegen. Ook het landschap, dat wordt getekend door het Andesgebergte, leende zich met zijn hoge pieken en brede vlaktes uitstekend tot fietsen. Maar het waren vooral de Colombianen zélf die sinds de eerste Vuelta a Colombia in 1951 op wielrennen verzot bleken te zijn.


De pelé van de fiets

’s Lands eerste wielerheld – ook die van Jiménez – was Ramón Hoyos. Toen Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez hem in 1955 vijf dagen lang interviewde om zijn biografie op te tekenen, stond hij te kijken van het grote aantal bewonderaars dat permanent voor Hoyos’ woning bivakkeerde. Hij schreef: ‘In de Colombiaanse huizen prijkt naast de beeltenis van de talloze heiligen ook een uit de krant geknipte foto van Hoyos.’ De pers doopte Hoyos ‘el escarabajo de la montaña’, waardoor sindsdien álle Colombiaanse renners los escarabajos genoemd worden: kevers, wegens de wonderlijke manier waarop ze élke berg opspurten.

Jiménez «Ramón was sterk en kon wreed uithalen op de fiets. Hij bracht massa’s mensen op de been. We zijn een gepassioneerd wielerland, ik heb nooit anders geweten.»

Terwijl Jiménez in Europa zijn geluk beproefde, stond er in zijn thuisland een nieuwe kampioen op: zijn generatiegenoot en vriend Martin ‘Cochise’ Rodríguez (73), die in zijn thuisland werd uitgeroepen tot Sportman van de Eeuw. In Colombia houdt iedereen van Cochise: hij bulkt van het charisma, waardoor zijn populariteit ruimschoots die van zwijgzame types als Luis Herrera en Fabio Parra overtreft. Dat bleek vorig jaar nog maar eens toen Nairo Quintana na zijn overwinning in de Giro d’Italia werd gehuldigd door president Santos: alle wielerkampioenen vormden een erehaag, maar het was Cochise, in eenvoudig trainingsjack, die de show stal. Als ik hem opbel, steekt hij meteen van wal. Mensen van Antioquia, de provincie waarin Medellín ligt, zijn habladores en praten honderduit.

'Martin 'Cochise' Rodríguez: 'Was ik vroeger naar Europa gekomen, dan had ik de Tour kunnen winnen, daar ben ik zeker van.'

Martin Rodríguez «Ik was heel succesvol in eigen land en won vier keer de Vuelta a Colombia. Daarom verkoos ik in Colombia te blijven, ook omdat ik zag dat het voor Giovanni niet evident was om het te maken in Europa. Ik wilde ook amateur blijven om mijn deelname aan de Olympische Spelen niet op het spel te zetten. Ik was wereldkampioen op de 4 kilometer achtervolging: de Spelen van München in 1972 moesten mijn gloriemoment worden. Maar toen ik in 1970 het werelduurrecord voor amateurs brak, had ik het toch aangedurfd om op mijn truitje reclame te maken voor een fietsmerk: prompt werd ik door de Colombiaanse bond geschorst. ‘In Colombia sterven meer mensen door afgunst dan door kanker,’ heb ik toen gezegd. Volgens mij was het een complot: want wie had mij in München van een gouden medaille kunnen houden? Enfin, daarna móést ik wel prof worden. Ik kon meteen tekenen bij Salvarani, de ploeg van Felice Gimondi. De faam van Cochise was uiteraard tot in Europa gekend.»

HUMO De legende gaat dat je minstens even goed was als Jacques Anquetil, en misschien zelfs beter dan Eddy Merckx.

Rodríguez «Van Merckx ben ik niet zo zeker, al waren we hetzelfde type renner. We waren allebei sterk en blonken op alle terreinen uit. Ik kon goed met Eddy opschieten, hij noemde me Coco (lacht). Nu, toen ik prof werd, was ik al 30: mijn beste jaren had ik achter de rug. Was ik vroeger naar Europa gekomen, dan had ik de Tour kunnen winnen. Ja, daar ben ik zeker van. Ik heb ook spijt dat ik die kans niet heb gekregen. Ik tekende bij Gimondi als knecht: ik moest de gaten voor hem dichtrijden. En in de cols zette hij zich af tegen mij als hij moest lossen en duwde ik hem weer omhoog tot bij de leiders. Hij was el capo, daar viel niks tegen te beginnen. Felice is een fantastische mens, maar ik was wel zijn meerdere: toen we in 1973 samen de beruchte koppeltijdrit Trofeo Baracchi wonnen, had ik de hele tijd op kop gereden.»

HUMO Waar komt je bijnaam Cochise vandaan?

Rodríguez «Ik was 9 jaar toen ik de western ‘La flecha rota’ (‘Broken Arrow’, red.) zag en volledig in de ban van Apache-leider Cochise raakte. De moed en de strijdlust waarmee hij alle indianenstammen verdedigde, vond ik fenomenaal. Sinsdien vroeg ik mijn vrienden om me met Cochise aan te spreken. Al noemen ze me hier in Latijns-Amerika ook ‘de Pelé van de fiets’.»


Panela en bocadillo

'Ploegleider Eusebio Unzué over Quintana: 'Deze zomer staat er een hele natie achter Nairo, en daar maak ik me nog de meeste zorgen over: er ligt veel druk op zijn schouders.'

Hét sleutelmoment in de geschiedenis van het Colombiaanse wielrennen kwam er in 1980, toen Alfonso Flórez de eindzege behaalde in de Ronde van de Toekomst, toen nog een amateurwedstrijd waarin men het vooral moest opnemen tegen de sterke en brutale Sovjetrenners. Bij hun thuiskomst in Bogotá stonden duizenden toeschouwers Flórez en zijn ploegmaats op te wachten. Drie jaar later, toen de mondialisering van het wielrennen een feit was, nam de Colombiaanse Pilas Varta-ploeg voor het eerst deel aan de Tour. Geen groot succes: de renners zagen te veel af in de winderige, vlakke etappes en op de kasseien werden ze helemaal zoek gereden. Toen de Alpen in zicht kwamen, had de helft al opgegeven. Pas in de Dauphiné Libéré van 1984 traden de Colombianen echt voor het voetlicht. De Nederlandse klimmer Peter Winnen en onze Lucien Van Impe herinneren het zich nog levendig.

Peter Winnen «Ik kan daar heel kort over zijn: het was een schok. Op de cols reden de Colombianen ons volledig aan gort. Martin Ramírez, Pablo Wilches en... Hoe heetten die andere jongetjes? We hadden nog nooit van ze gehoord. En in de afsluitende tijdrit liet die Ramírez ook nog eens Bernard Hinault alle hoeken van de kamer zien. We dachten: wat gebeurt hier allemaal? Heel bijzonder was dat. En ze maakten veel lawaai, want je had ook nog die Colombiaanse commentatoren in hun zog (lacht).»

Lucien Van Impe «Ze vielen met z’n tweeën aan van links, en dan schoten er een paar langs rechts voorbij. Wij waren dat niet gewoon: ik moest voor het eerst iederéén in het oog houden.»

'De overwinning van Lucho Herrera in de Vuelta van 1987 was symbolisch: we plantten onze vlag in de grond van de kolonisator' Martin ‘Cochise’ Rodríguez


Winnen «Er kwam ook een raar mechanisme op gang in het peloton: de Colombianen werden van de weg gereden, alsof het ongewenste indringers waren. Daar heb ik me verschrikkelijk kwaad om gemaakt.»

Van Impe «Ik heb me daar ook tegen verzet, het moest een eerlijke strijd blijven. Ze werden door de andere renners echt in de kant geduwd en zelfs geslagen. Nadien kwam de wedstrijdmotor ertussen rijden, om boetes te geven als er nog zoiets zou gebeuren. Enkele maanden nadien won Luis ‘Lucho’ Herrera de Tourrit naar Alpe d’Huez en was de Colombiaanse trein definitief vertrokken.»

Rodríguez «Lucho boekte jaar na jaar succes in de Tour, tot hij in 1987 de Vuelta won. Een symbolische overwinning: we plantten onze vlag in de grond van onze kolonisator, en het was de eerste niet-Europese overwinning in een grote ronde. Tegen kleppers als Pedro Delgado en Laurent Fignon! Door die overwinning werden we niet meer louter als exoten bekeken. Maar de verwachtingen waren navenant: we dachten dat ook de Tour binnen handbereik lag.»

'In de Vuelta deelden Colombiaanse mecaniciëns cocaïne uit die ze het land hadden binnengesmokkeld in de buizen van hun fietsframes' Tim Harris

Hadden zijn Spaanse ploegmaats hem niet geboycot, dan had een andere Colombiaan, Pacho Rodríguez, de Vuelta al in 1985 gewonnen. De Colombiaanse amateurs waren ondertussen gegeerd: iedereen wilde er wel één in zijn ploeg. Pacho had voor het Spaanse Zor-team gekozen. Geen goede keuze: zijn ploegmaats hadden liever dat hun landgenoot Delgado won, ook al reed die voor de concurrentie. Cochise Rodríguez zucht: ‘Mocht hij in een Colombiaanse ploeg gereden hebben, was dat nooit voorgevallen. Samenzweringen bij Spanjaarden zijn schering en inslag.’

Desondanks ging iedereen op zoek naar het geheim van de Colombianen: elke Europese soigneur wilde weten wat voor een goedje ze in hun drinkbus deden (panela, ongeraffineerd en gedroogd suikerrietsap) en hoe die bocadillo (een gelatineachtige zoetigheid, gemaakt van het sap van guave) – smaakte. De erkenning was een feit.


Pablo ‘Robin Hood’ Escobar

'Pablo Escobar was gek op wielrennen: hij pompte drugsgeld in de wielerploegen van zijn broer en liet gratis marihuana aan het publiek uitdelen tijdens wedstrijden'

De Colombiaanse successen in Europa brachten zelfs de strijd tussen de regering en guerrillagroepen zoals M-19 en de FARC tot stilstand. De Britse journalist Matt Rendell schreef met ‘Kings of the Mountains’ een standaardwerk over het Colombiaanse wielrennen en noemt Colombia ‘een land van uitersten, waar alles kan’.

Matt Rendell «De woelige binnenlandse politiek – met burgeroorlogen en corrupte politici – heeft zich altijd vreemd tot het wielrennen verhouden. Ondanks de bloedige gevechten zorgden alle partijen ervoor dat de Vuelta a Colombia jaarlijks kon doorgaan. Alsof ze wisten dat enkel wielrennen de mensen nog wat levensvreugde gaf. De rebellen steunden de renners, en omgekeerd wilde ook de politiek niet achterblijven: na die eerste triomfen in de Tour genoot de Colombiaanse wielrennerij structurele overheidssteun. Je kunt zeker zeggen dat wielrennen een natiebindende factor was.»

Het gevaar werd er niet minder om. Giovanni Jiménez miste zijn thuisland, maar weigerde het risico te nemen om in de jaren 80 met zijn vrouw naar Colombia te reizen. Tim Harris, toen één van de weinige Britse profrenners, en nu iemand die buitenlandse renners opvangt in België, durfde het wel aan.

Tim Harris «Ik had enkele Colombiaanse ploegmaats die me hadden uitgenodigd. Wellicht dachten ze dat ik nooit zou komen, maar op een dag stond ik daar. Terwijl ik eerst twee weken wilde blijven, ben ik uiteindelijk drie maanden blijven plakken: fantastisch land, wondermooie natuur, geweldige mensen. Medellín was toen de gevaarlijkste stad ter wereld: ik zag de lijken op straat liggen en er ontploften bommen op plaatsen waar je even tevoren nog was geweest. Jaarlijks vielen er 7.000 doden en je moest oppassen voor de sicarios – huurmoordenaars die vanop hun scooters opereerden en plots in de straten opdoken.

»De oorlog tussen het Medellín-kartel en dat van Cali hield de stad en het land in een dodelijke greep. Maar het vreemde is: ik heb me er nooit onveilig gevoeld, misschien omdat ik me liet leiden door mijn Colombiaanse vrienden. Het was ook heel dubbel allemaal: vele mensen beschouwden drugsbaron Pablo Escobar als een Robin Hood.»

Hector Castaño, een verdienstelijke wielerprof in de jaren 90 bij onder andere Kelme, en een goede vriend van Harris, maakte het van dichtbij mee.

Hector Castaño «Escobar bouwde scholen en ziekenhuizen. Wij erkennen dat hij ook een goede kant had, vooral de arme bevolking van Medellín kwam hij tegemoet. Maar het was een vreselijke tijd, bijna iedereen verloor wel een familielid of een vriend. Vanaf het moment dat Escobar werd doodgeschoten in 1993, konden we vooruit. Het gaat steeds beter met ons land.»

Harris «Ik kom er ondertussen al meer dan dertig jaar, en ik heb veel zien veranderen. De drugskartels bevinden zich nu in de omliggende landen: Venezuela lijkt enorm op het Colombia van de jaren 80 en 90. Of neem Mexico: de voorbije jaren vielen daar zo’n 70.000 doden.»

Ook de wielerwereld kreeg met het geweld en de drugs te maken. In zijn biografie ‘Nous étions jeunes et insouciants’ vertelt Laurent Fignon hoe Colombiaanse mecaniciens in de Vuelta cocaïne uitdeelden die ze het land hadden binnengesmokkeld in de buizen van hun fietsframes. En hoe in de RCN Clásico, een belangrijke Colombiaanse rittenwedstrijd, álle renners – Fignon incluis – op coke koersten. Castaño en Harris kunnen dat maar moeilijk geloven – ‘Zodra je je met drugs inliet, eindigde je in de cel of onder de grond’ – maar het is een feit dat veel wielrenners zich lieten overhalen om drugstrafikant te worden. Voor het snelle geldgewin, natuurlijk. Doordat ze het gewend waren om fysiek en psychologisch onder druk te staan, bleken ze er ook uitermate geschikt voor, waardoor de drugsbazen graag onder renners rekruteerden. Zo werden Gustavo Wilches en Raphael Tolosa betrapt toen ze met een maag vol heroïnecapsules op weg naar Mexico waren. Bij Tolosa werden maar liefst 125 capsules teruggevonden. Andere renners werden dood teruggevonden: telkens wees alles op een afrekening. Het beroemdste slachtoffer was Alfonso Flórez: de man die de natie buitenlandse roem schonk door in 1980 de Ronde van de Toekomst te winnen. ‘Nochtans een goede jongen,’ zegt Jiménez, ‘maar hij werd verliefd op het meisje van een maffiosi.’

'Pablo Escobars oudere broer Roberto was een succesvol renner. 'De wielersport was zeker verweven met de kartels: ook dát maakt helaas deel uit van onze geschiedenis.'

De familie Escobar zélf schrijft ook een merkwaardig hoofdstuk wielergeschiedenis. Pablo’s oudere broer Roberto – zijn rechterhand en het logistieke brein achter het Medellínkartel – was een succesrijk wielrenner. Toen hij na een koers onherkenbaar door slijk besmeurd over de finish reed, kreeg hij de bijnaam ‘El Osito’ – de beer. Roberto heeft altijd beweerd dat-ie de gewelddadige kant van zijn broer, die rechtstreeks verantwoordelijk wordt geacht voor 8.000 moorden, veroordeelde. Sinds hij in de gevangenis een bombrief kreeg, gaat hij half blind door het leven. Ook Pablo Escobar was gek op wielrennen: hij pompte drugsgeld in de wielerploegen van zijn broer en bouwde een wielerbaan in Medellín, waarmee hij opnieuw zijn imago van wilde weldoener alle eer aandeed. In dezelfde categorie: de verzorgers van hun ploeg deelden tijdens wielerwedstrijden gratis marihuana uit aan het publiek.

Castaño «Roberto was een verdienstelijke wielercoach, iedereen had goede ervaringen met hem. En als wielrenner kwam je sowieso met Pablo in contact. Ik herinner me mijn eerste wedstrijd bij de profs: een etappe met aankomst in Hacienda Nápoles, Escobars beruchte landgoed. De wielersport was zeker verweven met de kartels: ook dát maakt helaas deel uit van onze geschiedenis. Al stelden we ons er toen geen vragen bij: Pablo werd lange tijd als een respectabele burger beschouwd.»

En dan was er nog het probleem van de ontvoeringen. Als nationale held werd Herrera in 2000 gekidnapt door een bende die hem als gijzelaar aan de FARC wilde uitleveren. Na 24 uur werd hij echter vrijgelaten. Maar de schrik zit er nog altijd in bij bekende wielrenners: sommigen trainen in zwarte kledij om niet herkend te worden. Want ook al zegt iedereen dat het beter gaat: de strijd tegen de drugshandel, die met de hulp van de VS rond de eeuwwisseling werd ingezet, is nog lang niet gestreden. De binnenlandse situatie blijft onrustig en de vredesgesprekken met de FARC in Havana zijn vooralsnog geen succes.


Spuwen in de soep

'Luis Herrera in de Tour van '85. Hij was ten val gekomen in de afdaling van de slotklim op weg naar St. Etienne, maar won toch nog de rit, alsook de harten van alle Colombianen.'

Nadat Herrera en Fabio Parra uit beeld verdwenen waren, kwam er in de jaren 90 geen opvolging. Het is pas de laatste jaren dat de escarabajos opnieuw massaal tevoorschijn komen, met succesvolle renners als Rigoberto Urán, Sergio Henao, Carlos Betancur én Quintana. De droom om ooit de Tour te winnen, hadden de Colombianen opgeborgen toen Herrera het op 31-jarige leeftijd voor bekeken hield: hij kon niet langer aanzien hoe hij bergop plots door renners met ‘dikke konten’ werd voorbijgestoken.

Castaño «Het klinkt als een cliché, maar dat we in de jaren 90 niet meer meekonden, lag wel degelijk aan epo. Wij leven in Colombia op grote hoogte, en dat natuurlijke voordeel waren we kwijt. Dat gezegd zijnde: we moeten niet hypocriet zijn, ook ónze renners reden niet altijd zuiver.»

Rendell «We mogen niet vergeten hoe Santiago Botero bij Kelme recht in de armen van dopingdokter Eufemanio Fuentes vloog. En de laatste twee edities van de Vuelta a Colombia zijn gewonnen door die andere dopingzondaar: de Spanjaard Óscar Sevilla. Hij bouwt in Colombia een tweede carrière uit en naar verluidt zou hij op zijn 38ste nog hogere wattages trappen dan Alberto Contador. Momenteel is er ook nog het geval van Juan Pablo Villegas, een jonge Colombiaanse renner die de courante dopingpraktijken aanklaagt. Die jongen wordt nu bedreigd: er hangt hem zelfs een schorsing boven het hoofd omdat hij in de soep gespuwd heeft. Ook hier geldt de omertá.

»Maar bij Quintana heb ik een heel goed gevoel: zijn opleidingsploeg Colombia es Pasión reed bij wijze van spreken op kraantjeswater en moest een voorbeeld zijn. Want geloof me vrij: niemand wil nog drugs en Colombia in één zin horen. Het nieuwe, positieve imago van het land moet door het wielrennen uitgedragen worden.»

Vlak voor de Tourstart in Utrecht legt Urán me uit hoe vroeger niemand de stap naar Europa zette: ‘Ze hadden geen geld of ze durfden gewoon niet. Nu spiegelen jongeren zich aan onze successen. Madre mia: wat is er weer een sterke lichting op komst. Het lijkt wel of in Colombia iedereen met een koersfiets rijdt.’

Castaño «Coldeportes, het nationaal comité voor sport, stopt veel geld in het wielrennen: er zijn nu overal wielerscholen en opleidingsploegen. En er is Team Colombia: een profploeg met een uitvalsbasis in Italië die jongeren de kans geeft in Europa te koersen. Dat bestond vroeger allemaal niet. Er is talent zat: ze zeggen dat als je hier een steen omdraait, je een hoop wielrenners vindt. De meeste renners zijn nog altijd campesinos: ze komen uit arme plattelandsfamilies en beschouwen wielrennen als een manier om vooruit te komen in het leven. Kijk naar Nairo, die ik al mijn hele leven ken: zijn ouders hadden zelfs geen geld om voor hem een fiets te kopen. Een Colombiaanse beroepsrenner voedt altijd een hele familie. Wat ook het verschil maakt: we worden nu uitgespeeld als kopman. In de Spaanse ploegen mochten we destijds alleen maar voor knecht spelen.»


Symboolfunctie

In de lobby van zijn hotel heeft Quintana even tijd voor ons. Hij is al bijna twee maanden in Europa en mist Colombia en Boyacá, zijn thuisfront op bijna 3.000 meter hoogte in de Andes. Hij praat over zijn 1-jarige dochtertje Mariana, dat hem nóg sneller doet rijden. Als zijn ploegmaats in het voorbijgaan over zijn bol aaien, verschijnt er een glimlach op zijn gezicht: ‘Laat ze maar doen. In de koers omringen ze me altijd met de beste zorgen.’

Van zijn zogezegde timide aard, die naar verluidt typisch is voor de mensen van Boyacá, merken we niks. Ook zijn Spaanse ploegleider Eusebio Unzué, een krijger van vele oorlogen die grote successen boekte met Miguel Indurain, Pedro Delgado en Abraham Olano, zegt dat daar niks van aan is.

Eusebio Unzué «Nairo is niet timide, hij observeert en analyseert de hele tijd. Het klopt dat hij niet veel zegt: hij blijft altijd kalm – onder elke situatie. Ik zie geen enkele andere kopman die hem dat nadoet. Wat hij wél met alle grote kampioenen gemeen heeft, is een verschroeiende ambitie. Het kan niet snel genoeg gaan. En dan maak je al eens een fout. Maar ach, wat zou het leven saai zijn zonder fouten (lacht).»

HUMO Wanneer merkte je zijn talent voor de eerste keer op?

Unzué «Op La Subida a Urkiola in 2009, een klimkoers in het Baskenland. Hij was amper 19 jaar, maar reed als een doorgewinterde prof met de besten mee naar boven. Daarna ging het snel: in 2010 won hij de Ronde van de Toekomst, en sindsdien is hij nooit gestopt met ons te verrassen. Zoals die tweede plaats in de Tour van 2013: werkelijk niemand had dat verwacht, het was zijn debuut.»

HUMO Het zwakke punt van vele Colombiaanse renners is heimwee. Is dat ook bij Quintana het geval?

Unzué «Ja, we waken erover dat hij nooit langer dan twee maanden in Europa verblijft en passen zijn programma daaraan aan. Hij is nog maar 25, maar draagt als een echte pater familias de verantwoordelijkheid voor zijn familie.

»Colombianen houden ook nog echt van hun land, een gevoel dat wij in Europa een beetje verloren zijn. Deze zomer staat er een hele natie achter Nairo, en daar maak ik me nog de meeste zorgen over: er ligt veel druk op zijn schouders.»

'Ik ben een grote fan van Quintana: je bent zo blij dat er weer een echte klimmer meedoet voor de zege meedoet. En ja, hij weet wie ik ben' lucien van impe

Vanuit Colombia klinkt het inderdaad alsof er heel veel op het spel staat: overwinnen zou niks minder zijn dan een erkenning van het nieuwe Colombia. Maar ook in Erpe-Mere klinken hoopvolle geluiden.

Van Impe «Ik ben Nairo gaan opzoeken toen hij dit jaar de Vlaamse klassiekers reed. ‘Dit is de kans van je leven,’ zei ik, ‘het parcours is op jouw maat gesneden.’ Alleen die eerste week met de wind en de kasseien moet hij zien te overleven, want zijn prestaties in Dwars door Vlaanderen en de E3 Harelbeke vond ik belabberd. Maar hij reageerde daar laconiek op: ‘In de Tour zal me dat perfect lukken.’ Ik hoop het, want als hij veel tijd verliest, zit Contador voor de rest van de Tour in zijn wiel. Ik ben een grote fan: je bent zo blij dat er weer een echte klimmer voor de zege meedoet. En ja, hij wist wie ik was (lacht).»

Castaño «In zijn hoofd is Nairo zo sterk: dat is zijn krachtigste wapen, nog meer dan zijn klimcapaciteiten. Hij is Colombia’s grootste ambassadeur.»

Rodríguez «Colombia verdient het dat Nairo de Tour wint. Ons land heeft de laatste jaren hard gewerkt en is er sterk op vooruitgegaan. En Nairo is het symbool van het nieuwe Colombia. Als je in de toekomst aan Colombia denkt, dan zul je aan die kleine jongen uit Boyacá denken, en niet meer aan drugs of geweld.»

Jiménez «De laatste jaren dansen de mensen in Medellín opnieuw massaal op straat op oudejaarsavond. Voordien bleef iedereen angstig binnen. Het toont aan hoe Colombia veranderd is. Als Nairo wint, zal het feest alleen maar groter worden.

»Weet je, destijds was ik de eerste die de oversteek waagde, maar je kunt niet geloven hoe blij ik ben dat ze nu met zovelen zijn.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle verhalen van de Humo rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234