null Beeld

Tour de France: in het wiel van de dalers

Zijn het kamikazes of beschikken over een buitengewoon talent? Humo gooide alle remmen los en zette zich in het wiel van de beste dalers uit de wielergeschiedenis.

‘Ik voelde me als een roofvogel, de bochten waren mijn prooi.’ Aan het woord is de Nederlander Rini Wagtmans (67), iemand op wie de zwaartekracht nooit vat heeft gekregen. Als kind liep hij graag over de dakgoten van de kerk, zestig meter hoog. ‘Die sterft niet in zijn bed,’ zeiden de buren. Dankzij de koersfiets ontsnapte hij aan de losgeslagen moraal van zijn drankzuchtige ouders en werd hij iemand: hij wonbeginjaren70 ritten ind e Tour en de Vuelta. Als ploegmaat van Eddy Merckx ging hij de geschiedenisboeken in als de bedenker van ‘de stunt van Orcières-Merlette’, één van de strafste exploten uit de Ronde van Frankrijk – maar daarover later meer. Wagtmans was vooral de eerste renner die zich toelegde op de kunst van het dalen. In zijn huis in St. Willebrord, vlak bij de Belgische grens, word ik in zijn geheimen ingewijd.

'Een goeie daler moet op élk moment afscheid van het leven durven te nemen'

Rini Wagtmans «In de Ronde van de Toekomst van ’66 reed ik in een afdaling in één ruk van het peloton naar de kopgroep die minuten voorlag. Na de rit werd ik bij de jury geroepen: ze dachten dat ik binnendoor was gereden – ik ging zo snel dat ze me niet hadden opgemerkt. Toen wist ik het zeker: dit is mijn grote talent.

»Vanaf mijn veertiende had ik de grafieken van alle Tourcols bijgehouden en nauwkeurig bestudeerd. Ik kocht er speciaal Het Volk voor. Weet je trouwens wat Merckx altijd tegen mij zei? ‘Gij zijt geen echte Hollander, daarom mocht ge bij mij in de ploeg’ (lacht).»

HUMO Kende u elke col uit het hoofd?

Wagtmans(knikt)«Nogsteeds kan ik het verloop van elke bergpas schetsen. Neem de Col du Soulor: vanuit Argelès-Gazost eerst een scherpe bocht naar links en 100 meter rechtdoor, dan meteen naar rechts... (gaat zo nog even door). Ik keek ook naar het jaar waarin een weg was aangelegd, want dat zegt al veel. Elke wegenbouwer hanteert een andere structuur: in de Alpen zijn er daarom een pak minder bochten dan in de Pyreneeën. Die verkende ik in de winter, zodra het parcours van de Tour bekend was. Meestal lag er nog sneeuw en nam ik de bus. Ik ging naast de chauffeur zitten, die de wegen door en door kende, visualiseerde alles en sloeg het op. Soms sloot ik mijn ogen: als de bus afremde, kon ik aan het janken van de motor horen of het een gevaarlijke bocht was of één waar je op kon meedeinen.»

HUMO U was maniakaal.

Wagtmans «Omdat parcourskennis absoluut noodzakelijk is: als je een moeilijke bocht goed kent en vlot doorkomt, win je 4 seconden. Maar als je vol in de remmen moet, verlies je er 20! Wel, op de Col du Tourmalet zijn er 44 bochten: tel de tijdwinst maar uit. Ik heb er in de Tourvan1970eenachterstand van 5 minuten goedgemaakt – zo veel winst kan een afdaling je opleveren. En ik eindigde daardoor vijfde in het eindklassement. In een tijdrit rijd je met moeite een minuut sneller dan je tegenstander, en toch doen ze daar alles voor: ze spenderen weken in een windtunnel, laten speciale fietsen en kledij maken, enzovoort.»

HUMO Nemen ze dalen dan niet genoeg au sérieux?

Wagtmans «Nee, en dat komt omdat iedereen denkt dat goeie dalers zotten zijn, kamikazes. Maar ik heb nooit iets gedaan wat niet kon, ik ben ook nooit gevallen. Ik besefte wel: als er nu een steentje ligt, ben ik dood. Daarom is het belangrijk dat je met een helder hoofd aan een afdaling begint: je reactievermogen en concentratie moeten perfect zijn. Als ik beneden kwam, was ik kapot.»


Koelbloedigheid

Francesco Moser (63) kreeg eind jaren 70 de kroon van beste daler doorgespeeld. Volgens de Italiaan, berucht in zowel de klassiekers als de grote rondes, draait het om moed – niet moeilijk voor iemand die onbevreesd in het leven staat en zich indertijd zelfs door Merckx niet liet imponeren. Het verkennen van afdalingen, zoals Wagtmans deed, vindt hij onzin. Francesco Moser «Hoe zou je al die bochten moeten onthouden? Nee, dat lijkt me onbegonnen werk. Mijn huis ligt op een bergtop, ik zie de Dolomieten vanuit mijn tuin, dus ik begon mijn training al met een afdaling. Het belangrijkste: je moet altijd zeker zijn van je zaak, je mag geen angst hebben of overweldigd raken – dan blijf je beter thuis. Of goeie dalers zotten zijn? Ach, over mij is al zoveel gezegd (lacht). Ik ben nooit gevallen omdat ik te veel risico’s nam, wel door lek te rijden – als je voorband leegloopt, kan je niet meer sturen. In de Tour lagen de wegen er slecht bij, het gevaar loerde achter elke bocht – bij warm weer smolt het asfalt en wist je niet of je overeind zou blijven of tegen de grond zou smakken. Zo ben ik in de afdaling van de Col d’Aubisque ooit zwaar gevallen.»

Als we over dalen spreken, en zeker over de pure schoonheid ervan, blijft die andere Italiaan, Paolo Savoldelli (41), de maat der dingen. De manier waarop hij van de bergen dook, sierlijk en stijlvol, met hoge snelheid, bezorgde hem de bijnaam Il Falco – de valk, het snelste roofdier ter wereld. De Rai, de Italiaanse publieke omroep, zette tijdens de Giro ooit een extra motor in – die hem helaas niet kon volgen – én een helikopter, om de wonderlijke taferelen voor de eeuwigheid vast te leggen. Herbekijk de beelden op YouTube: het valt op hoe gemakkelijk het eruitziet. Savoldelli is niet van het krankzinnige type, en weerlegt met zijn beschaafde manier van praten alvast een cliché.

Paolo Savoldelli «Het is een aangeboren talent: toen ik BMX reed met mijn vriendjes, moest ik beneden altijd zo lang wachten, dat ik vreesde dat er iemand gevallen was. Ook in de jeugdcategorieën stak ik iedereen voorbij: plots zat ik alleen voorop en won ik. Bij de profs realiseerde ik me dat aanvallen tijdens een afdaling een unieke troef was. Zelfs de sterkste renners van nu kunnen niet wat ik kon: de koers omgooien in de aanval en winnen, zelfs nadat ik eerst bergop gelost was. Vergeef me deze opschepperij (lacht). Ik sneed altijd heel scherp de bochten aan, veel sneller dan de anderen, maar reed daarvoor soms rakelings langs de afgrond.»

HUMO Wat is de beste positie op de fiets?

Savoldelli «Je moet zo compact mogelijk zitten, maar zorgen dat je lichaam in harmonie met je fiets is: handen onderaan het stuur, vingers op de remgrepen, in de aanslag. Tegenwoordig zie ik profs het stuur bovenaan vasthouden – belachelijk en amateuristisch. Vóór een bocht moet je genoeg remmen om tot de juiste snelheid te komen, zodat je die bocht met een ideale lijn kan indraaien. Als je schuin hangt, geef je tegengewicht: zo hou je je fiets in evenwicht. Wat ik ook zie: renners die te snel de bocht ingaan. Fout, want dan moet je corrigeren en verlies je snelheid. Nee, met de daalkunsten van het peloton is het pover gesteld.»

HUMO Hoe komt dat?

Savoldelli «Veel renners bezitten niet die koelbloedigheid – je moet alles in één oogopslag kunnen zien: hoe liggen de bochten, waar moet ik remmen. De hand-oogcoördinatie is heel belangrijk. En dat is, vrees ik, natuurlijke aanleg.

»Om zo snel mogelijk te dalen, moet je een berg begrijpen: het wegdek, de muurtjes of de vangrails langs de weg – alle details zijn van belang, anders kan je niet op honderd procent rijden. Ik ben nooit bang, ook niet als ik met de auto rijd of ga skiën – en daarom ben ik nooit gevallen. Volgens mij liggen mijn limieten veel verder dan bij normale mensen (lacht).

»Mijn koelbloedigheid heeft ook al mijn leven gered. Ik reed in een amateurkoers eens met 111 kilometer per uur naar beneden. Maar de bocht die ik nam, bleek veel scherper te zijn dan ik dacht. Op de koop toe stond er een volgwagen stil, want iemand voor mij was gevallen. In een flard van een seconde besloot ik om me in de ruimte tussen de auto en het muurtje – nog geen halve meter – te smijten, terwijl ik probeerde af te remmen met mijn voeten. Het lukte wonderwel, maar helaas had de jongen die net achter mij kwam, Diego Pellegrini, niet hetzelfde geluk. Hij begon te remmen, kon de volgwagen niet ontwijken en overleed ter plekke (zwijgt).

»Ik heb veel renners achter mij horen vallen. Ik was de referentie tijdens een afdaling en iedereen wilde in mijn wiel zitten. Slecht idee, want om iemand af te schudden, ging ik altijd even tot op mijn limiet.»

Ook Rini Wagtmans maakte zulke situaties mee. Wagtmans «Marino Basso wilde absoluut met me naar beneden. Ik zei: ‘Doe dat nou alsjeblieft niet, Marino.’ Maar er was geen houden aan, en na twee bochten hoorde ik metaal over het asfalt schuren – als een trein die ontspoorde.

»Wanneer iemand me probeerde te volgen, dan riskeerde hij zijn leven. Want ik deed ook dingen met een fiets die eigenlijk niet konden. Maar daarvoor moet je wel weten wat er allemaal mogelijk is.»

HUMO Geef eens een voorbeeld?

Wagtmans «Wel, een bandje is ongeveer 2 centimeter breed. In een bocht slaagde ik erin om er maar 2 millimeter van te gebruiken – daarvoor moet je de zwaartekracht doorgronden, je snelheid kennen... Aan een lucifer kan duizend kilo hangen, hoor. Maar eerst moeten je hersenen het zien, voor ze iets soortgelijks kunnen uitvoeren. Ik had alles vooraf uitgeprobeerd, en wist dat het kon. Want als je iets doet waar je niet zeker van bent, dan ben je een sukkel. Italo Zilioli zei op een avond in de Tour tegen mij: ‘Ik stop met koersen, want ik heb iets gezien wat niet kan. Voor mij is het onmogelijk dat jij op jouw manier kan rechtblijven!»

Vaststaat dat goeie dalers nooit het gevoel hebben dat ze risico’s nemen, ze hebben een andere definitie van gevaar dan de doorsneemens. Ook de Noor Thor Hushovd, door het peloton geprezen om zijn afdalingskunsten, is daarvan het bewijs. In 2011 won hij, een geboren sprinter, de Pyreneeënrit van Pau naar Lourdes.

Thor Hushovd «Ik weet dat er nogal lyrisch wordt gedaan over die overwinning. En ik heb ze inderdaad behaald omdat ik de Col d’Aubisque op uitstekende wijze afdaalde en mijn achterstand goedmaakte. Maar wat ik me van die dag vooral herinner, is dat ik net heel weinig risico’s heb genomen. Ik dacht de hele tijd aan mijn dochtertje dat pas geboren was. Dat zette voor mij alles in perspectief: ik wilde in de eerste plaats heelhuids beneden raken, en dan pas focussen op een ritzege.»

HUMO Je doet er nogal laconiek over, zeker als ik de commentaren van je collega’s erover hoor.

Hushovd (lacht) «Als je wilt winnen op het hoogste niveau, moet je goed kunnen dalen. Bij mij kwam het heel natuurlijk, ook dankzij mijn motorcrossverleden. Anderen moeten erop werken, maar je kunt het trainen. Ik vind het niet extreem gevaarlijk, in een sprint worden meer risico’s genomen. En vallen hoort helaas bij onze job.»

HUMO Klopt het dat sprinters meestal uitstekende dalers zijn?

Hushovd «Niet alleen sprinters: iedereen die flirt met de tijdslimiet, probeert in de afdaling veel tijd goed te maken. Goeie dalers vind je niet enkel bij de klassementsrijders, ook achteraan in het peloton kunnen ze bergaf rijden.»

Gratis snelheid

Als de tijdwinst die je ermee kunt bereiken zo groot is, waarom is dit spectaculaire doch wezenlijke onderdeel van het wielrennen dan zo onbemind? Als klassementsrenners vooraf elke rit verkennen, waarom prenten ze dan niet een belangrijke afdaling in hun hoofd?

Renners als Contador en Froome – ook al kreeg ’s mans stuurmanskunst recent zware klappen – zijn behoorlijke dalers, maar halen hun voordeel toch enkel uit hun talent als klimmer en tijdrijder. ‘Voor hen staat er te veel op het spel: ze nemen geen risico’s als dat niet hoeft, en dus zeker niet in een afdaling,’ vertelt Jan Bakelants, zelf vooral bij nat weer een verdienstelijk daler. Hij geeft toe dat er een pejoratieve bijklank hangt aan een overwinning die behaald is in een afdaling.

Jan Bakelants «Zeker als er nog één col te gaan is en de aankomst beneden ligt. Dan wordt er gezegd dat hij bergop niet de sterkste was, en door slimmigheid in de afdaling is weggereden. Belachelijk, want bergaf is het ook gewoon koers.»

Ook Mark Uytterhoeven (57) is als wielertoerist een verdienstelijk daler en vooral liefhebber van de discipline.

Mark Uytterhoeven «Vroeger eindigden ritten in de Tour vaker met een afdaling: een aankomst bergop is een redelijk recent fenomeen, de finish lag bijna altijd in het dal. Zo liet de organisatie een col als Alpe d’Huez links liggen, en koos men voor Bourg d’Oisans dat aan de voet van de berg ligt. Dalerscapaciteiten kwamen vroeger dus beter van pas dan nu. Vanaf de jaren 70 is dat veranderd, om rechtstreekse duels bergop tussen de toppers te creëren. En reclame te maken voor skioorden. Enkel in de Giro werden dalers nog bevoordeeld. Stel je voor, de proloog van de Ronde van Italië van 1987 was simpelweg de afdaling van de Poggio. Roberto Visentini was de snelste. Er kwam veel kritiek op, maar ik vond het fantastisch: niemand verplicht je om risico’s te nemen, hè.»

HUMO Vanwaar jouw fascinatie voor afdalingen?

Uytterhoeven «Dalen is gratis snelheid en als je het goed kunt, is het dubbel zo plezant. Ik heb het geleerd met een video van Eddy Merckx: iedereen lachte met zijn schoolse uitleg, maar ik heb er goed naar gekeken. In de ideale lijn dalen kan je ook leren met een beperkte snelheid, en zo ben ik begonnen. Op een rit voor het honderdjarige bestaan van de UCI slaagde Moser er in een afdaling niet in om me te lossen. Hij is nadien aan Roger De Vlaeminck gaan vragen wie ik was – ik fier, natuurlijk. Toen Roger tijdens het dalen eens mijn wiel niet kon houden, dacht ik dat hij me een compliment ging geven. Maar hij zei het op zijn manier: ‘Mocht je even goed bergop rijden als je kan dalen, je zou een vree goeie coureur zijn’ (lacht).»

Mozart en Beethoven

Wie een slechte daler is, verliest de Tour sowieso. De Italiaan Gianni Bugno (50) kreeg eind jaren 80 de hoon van een hele natie over zich heen omdat hij als een bange wezel de bochten aansneed en de koplopers liet rijden.

Gianni Bugno (zucht) «Op een gegeven moment werd het echt een probleem: ik moest altijd lossen en verloor zo mijn voorsprong die ik tijdens de beklimming had opgebouwd. Ik dacht te veel na: is de bocht niet te scherp, het wegdek niet te glad of liggen er niet te veel steentjes? En dat mag je dus vooral niet doen. De vraag ‘Wat als?’ remt je enkel af (lacht). Nee, ik moest opnieuw leren dalen, en langzaam mijn vertrouwen weer opbouwen.»

HUMO Klopt het verhaal dat je met een walkman op het ritme van klassieke muziek een betere balans in de bochten moest zoeken?

Bugno «Die walkman, dat klopt niet. Het ging over een overkoepelende aanpak: de bedoeling was om een beter evenwicht te vinden – zowel mentaal als op de fiets. Door te luisteren naar klassieke muziek – vooral symfonieën van Mozart en Beethoven – zou het evenwichtsorgaan in mijn oor gestimuleerd worden, en zou ik harmonieuzer door de bochten gaan.»

HUMO En, heeft die aanpak geholpen?

Bugno «Dat laat ik in het midden (lacht). Ik moest ervoor naar een professor in Milaan: het was best stresserend om er verplicht naar te luisteren.

»Ik leerde in de eerste plaats mijn afdaling af te stemmen op de betere dalers en probeerde vooral hun lijn te volgen – zoals sommige renners ook graag de motards volgen. Met wisselend succes: ik won de Giro, ik won ook Milaan-Sanremo door mij op de Poggio vol adrenaline naar beneden te storten, maar in de Ronde van Lombardije verloor ik een comfortabele voorsprong omdat ik in de regen te voorzichtig afdaalde.»

Bugno is nu helikopterpiloot en heeft zijn angsten overwonnen. Het peloton deelt hij op in dalers en niet-dalers, en die laatsten staan soms doodsangsten uit.

Bakelants «Zeker als het regent! Dan beginnen veel jongens te panikeren, terwijl je zo rationeel mogelijk moet blijven. Als het boven koud is, of als je door de mist niks kunt zien, zit die angst er bij mij ook in. Eigenlijk kan je vooral in de regen tijd winnen, maar dan voel ik mijn achterwiel al eens wegschuiven en probeer ik dat te corrigeren met mijn rug. Wat ook speelt: met die carbonwielen sta je niet meteen stil. Weet je, afdalen is een ander soort wielrennen – eentje dat meer op lef gebaseerd is.»

Moser «Ik herinner me nog dat de Spaanse klimmers – Fuente, López Carril en zelfs Ocaña – als eerste bovenkwamen, maar de koers verloren in de afdaling. Ze waren bang, alsof ze nooit hadden leren dalen. Quintana heeft minder angst.»

Wagtmans «Ik heb renners gekend die de Tour hadden kunnen winnen, maar die niet van hun bangigheid afraakten: faalangst is de grootste bedreiging voor de mensheid. Anderzijds: elke renner weet dat als er in een afdaling iets gebeurt, het niet meer goed komt met zijn leven. Ik heb gehuild als een kind bij de dood van Fabio Casartelli en Wouter Weylandt.

»Ik vond het wel schandalig dat Cancellara een keer de koers neutraliseerde omdat Andy Schleck gevallen was. Onvoorstelbaar, die man kan echt niet dalen. Tja, wat kan hij wel nog?»

Savoldelli «Valpartijen kunnen in je hoofd kruipen. De Spanjaard Samuel Sánchez was vroeger een uitstekend daler, maar durft nu niks meer: hij nam te veel onnodige risico’s. Ik reed enkel op de limiet, tot ik alleen voorop bleef. Je moet je tegenstanders dwingen in de fout te gaan, dáár draait het bij het dalen om.»

Ook de mecaniciens moeten een knop omdraaien, het materiaal kan het altijd laten afweten – en vooral de tubes.

Chris Van Roosbroeck (mecanicien Lotto-Belisol) «Als je te veel remt, raakt de velg oververhit. Met als gevolg dat de lijm week wordt waarmee de tube op de velg is geplakt. En dan bestaat de kans dat die na een bocht van het wiel rolt.»

HUMO En dat valt niet op te lossen?

Van Roosbroeck «We lijmen de tubes met de grootste zorg, meer kunnen we niet doen. Misschien kiest iedereen op een dag voor schijfremmen, dan is het probleem van de baan.

»Soms krijg je na een koers een velg waar de tube bijna volledig van is afgedraaid. Dan slik je, hoor. Goeie dalers remmen daarom weinig. Mijn nonkel was mecanicien van Joop Zoetemelk – aan zijn wielen te zien, leek het alsof Joop nooit remde. Maar ook de kwaliteit van de tubes speelt mee: hoe ouder, hoe beter – je laat ze rusten en uitdrogen als wijn.»

Huilende Merckx

Kan een renner dankzij zijn talent als daler de Tour winnen? Jazeker, dat is in het verleden al meerdere keren gebeurd. De Fransman Lucien Aimar viel in de Tour van ’66 in een afdaling de gele trui van Jan Janssen aan. Die kon hem niet meer terughalen en verloor de Tour aan Aimar. En de Italiaan Gastone Nencini zag zijn Franse concurrent Roger Rivière in ’60 een ravijn in vliegen toen die hem probeerde te volgen – Rivière raakte verlamd voor het leven.

In zijn boek ‘De kunst van het dalen’ (uitgeverij Thomas Rap) rangschikt auteur Martin Bons Aimar als beste daler op basis van de Tour die hij uitsluitend dankzij zijn talent voor dalen won, en waarin hij geen enkele rit won. Bij ons is vooral het verhaal van Eddy Merckx in de Tour van ’71 bekend: als hij in de rit naar Orcières-Merlette bijna 9 minuten aan een ontketende Luis Ocaña verliest, lijkt een derde Tourzege verloren.

Wagtmans «Eddy lag te huilen als een kind, zo hadden wij hem nog nooit gezien. Maar bij het avondeten lagen er al tientallen steuntelegrammen en kreeg hij weer moed. Ik stelde hem voor om in de volgende rit meteen in de aanval te gaan: we vertrokken boven op de berg – iets wat niet meer gebeurt – en Ocaña zou zoiets nooit verwachten. Eddy fleurde helemaal op bij het idee. De volgende dag was een rustdag en we gingen de afdaling verkennen. Ik vroeg mijn landgenoot Jos van der Vleuten, ook een uitstekend daler, om ons een handje toe te steken. Bij de start stond Luis nog achteraan in het peloton een interview te geven aan de Franse tv. Wij gingen er als een speer vandoor: beneden hadden we al twee minuten voorspong. De hele rit hebben we als gekken gereden: 251 kilometer tot in Marseille, waar we twee uur te vroeg aankwamen. Merckx was teleurgesteld: we hadden ‘maar’ enkele minuten teruggepakt. ‘Niks van, we hebben hem de nek afgereden,’ heb ik hem gezegd. Lijkbleek stond Ocaña op het podium.»

HUMO Was het vooral een psychologische tik?

Wagtmans (knikt) «Eigenlijk kon Ocaña die Tour niet meer verliezen. Een scenario als het onze kon je ook niet bedenken – ik word er nog altijd over aangesproken. En twee dagen later, in de Pyreneeën, gaven we hem het genadeschot. Eerst gingen we loeihard de Col de Menté op: ‘Gas gas gas, Rinus!’ riep Eddy de hele tijd. Toen barstte er boven ons een verschrikkelijk onweer los, zodat het spekglad werd in de afdaling. Daar dwong Eddy Ocaña in de fout: hij viel en kreeg zowel Zoetemelk als Agostinho over zich heen. Een normale renner staat altijd op, omdat hij vol adrenaline zit. Maar hij bleef liggen, omdat hij helemaal leeg was – fysiek en mentaal had hij geen kracht meer. Ik zei het ’s avonds nog: ‘Die mankeert niks, hoor, die is morgen thuis.’»

Ook Savoldelli dankt zijn twee eindzeges in de Giro aan zijn dalerscapaciteiten.

Savoldelli «In 2005 ontsnapte mijn grootste concurrent Gilberto Simoni op de Colle delle Finestre – daar heb ik echt alles of niks moeten spelen (lacht).»

En wat te denken van Vincenzo Nibali – de beste daler van het peloton, die zijn kunsten leerde op de flanken van de Etna. Toegegeven: vóór de kasseirit naar Arenberg beschouwden we hem in deze Tour als een outsider naast Froome en Contador, en dachten ook wij dat hij in een afdaling zijn concurrenten zou verrassen. Nu zit hij comfortabel in het geel, en kan hij rustig volgen. Of niet? Wagtmans heeft een zakenverleden met het voormalige Oostblok – hij mag zich ereconsul van Kazachstan noemen – en staat dicht bij de Astana-ploeg van Nibali. Na de rit bel ik hem op. Wagtmans «Had ik u niet voorspeld dat Nibali en zijn ploeg een coup hadden voorbereid? Nibali is een renner die durft te improviseren: hij is een magistrale strateeg. Zo won hij vorig jaar trouwens de Giro: door zuinig en slim te rijden wanneer de anderen beter waren.»

HUMO Moet hij zijn dalerscapaciteiten dan nog gebruiken?

Wagtmans «Alberto Contador is de betere klimmer en kan in de bergen zo twee minuten pakken. Dus heeft Nibali nog één à twee briljante afdalingen nodig om zijn voorsprong uit te bouwen. Ook met het oog op de tijdrit en een eventuele kwaaie dag kan hij wat speling gebruiken. Maar Contador zal zijn aanval toch op de laatste col van de dag moeten plaatsen, Nibali haalt hem anders zo weer in – hij kan nu defensief rijden. Benieuwd ook of Contador hem kan volgen in de afdaling – hij zal er de grootste risico’s voor moeten nemen.»

HUMO Wat was uw geheim?

Wagtmans «Een washandje met azijn! Ik had het altijd in mijn achterzak steken en voor ik aan de afdaling begon, maakte ik er mijn banden mee schoon: alle vuil en steentjes veegde ik er op die manier af. Terwijl ik aan het fietsen was, hè!»

HUMO Mag ik stellen dat een goede daler over enig fatalisme moet beschikken?

Wagtmans «Als ik daalde, wist ik na één kilometer niet meer dat ik Rinus Wagtmans heette, na twee kilometer dat ik getrouwd was en na drie kilometer dat ik kinderen had – ik was volledig in trance. Maar het klopt: een goeie daler moet op élk moment afscheid van het leven durven te nemen.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234