Tussen hel en hel: de kinderen van Calais

Een zwarte man tilt een meisje van 3, gekleed in een felroze legging en een gele jas, over het veiligheidshek aan de Kanaaltunnel. De tv-beelden groeiden uit tot symbool van het vluchtelingendrama dat zich hier elke dag afspeelt.

‘Isra?’ Een jonge zwarte vrouw roept naar een barak, neergepoot naast twee tenten en vlak achter een open stort met gedumpt plastic, blikjes, papier, afval en een eenzaam winkelkarretje. In de duisternis zien we twee blinkende oogjes oplichten. Een schattige krullenbol kruipt uit de barak. Flink trekt ze eerst haar paarse laarsjes aan voor ze in het vuilnis stapt. Ze prikt met haar wijsvinger in haar buik en begroet ons met een stralende glimlach: ‘Me, Isra!’

We bevinden ons in het almaar uitdijende vluchtelingenkamp in de haven van Calais. Toen de politie jaren geleden het kamp in Sangatte opdoekte, begonnen migranten op zoek naar een toekomst aan de overkant van de Noordzee hier neer te strijken. Inmiddels proberen alsmaar meer migranten zonder papieren, zoals Isra en haar mama, van hieruit via de tunnel of met de ferry in Engeland te raken. Eén nacht bestormden ze de treinen zelfs met bijna tweeduizend tegelijk, met de moed der wanhoop. Ongeveer 3.000 vluchtelingen zitten er nu – vooral uit Eritrea, Soedan, Syrië en Afghanistan – en elke dag komen er nieuwe mensen bij.

Isra is het meisje in de roze broek, bevestigt haar mama in gebroken Engels. Het is behelpen met gebarentaal en tekeningen om elkaar te begrijpen. Same (16), Isra’s neef, stak haar omhoog en Amsong (21), een vriend, tilde haar over het hek. De tv-beelden gingen de wereld rond, maar veel heeft dat niet opgeleverd: niet veel later stonden ze weer hier. Met hun voeten in het vuilnis. Terug naar af.

‘Honger?’ gebaart Isra’s moeder naar een stoofpotje dat op een houtvuurtje staat te pruttelen, en ze nodigt ons uit om binnen te komen. Ze slapen met vier in een snel in elkaar getimmerde constructie met planken van weggegooide paletten, bedekt met bontgekleurde dekens en overspannen met wit zeil. Het hutje is amper 3 vierkante meter groot, maar je zou het bijna knus kunnen noemen. Op de zelfgemaakte matras die zowat de hele ruimte inneemt, ligt Isra’s speelgoed: een barbiepop, een tekenboek en een handvol kleurpotloden. Hoe smerig het terrein van de jungle ook is, iedereen probeert er een tijdelijke thuis van te maken.

Drie maanden geleden vertrokken Isra en haar moeder uit Asmara, de hoofdstad van Eritrea – ‘een land in de vorm van een gitaar’, maar vooral ook een straatarme dictatuur – richting Soedan, door de Sahara naar Libië en dan via de Middellandse Zee naar Sicilië. Waarom bleven ze niet in Italië, dat is toch ook Europa? Same tikt op zijn vingertoppen. De politie wilde hun vingerafdrukken nemen om hen te kunnen registreren. Ze weigerden: ‘In Italië is geen werk, geen opvang, geen school. Ze lieten ons gaan.’

'Soms is de politie ook vriendelijk. Eén keer sprak een agent me zelfs moed in nadat hij me had opgepakt: 'Volgende keer beter'' Same, 16 jaar

Ze willen naar Engeland, naar Isra’s vader. Een jaar geleden wist hij aan boord van een trein te glippen, en verborgen in de laadbak van een vrachtwagen haalde hij de Britse bodem. Hij woont nu in Leeds en zijn familie wil hem achterna.

Dat ze daar halsbrekende toeren voor moeten uithalen, nemen ze erbij. Sames onderbenen zijn bedekt met vuile bloedkorsten. Opengehaald aan de prikkeldraad. Maar dat vindt hij minder erg dan de honden of de pepperspray. Al is de politie soms ook vriendelijk: ‘Eén keer sprak een agent me zelfs moed in nadat hij me had opgepakt: pech gehad vandaag, volgende keer beter.’


Alleen op de wereld

Isra heeft het geluk dat ze hier met haar moeder en neefje is. De 10-jarige Syrische jongens die Leigh Daynes, de directeur van de Engelse afdeling van Dokters van de Wereld, een ngo die medische hulp biedt in de jungle en daarbuiten, onlangs in de buurt van Calais ontmoette, hadden níémand. Ze waren hier moederziel alleen.

Leigh Daynes «Toen ik hun vroeg waar ze leefden, namen ze me mee naar een afgelegen gebied niet ver van een grote snelweg. In de regen daalden we af tot in een soort modderige sloot. Daar hokten ze samen in een houten barakje, met moeite bij elkaar gehouden door stukjes zeil. Het was er ontzettend smerig. Ik was geschokt. De jongens zaten onder de schurft!»

Vroeger zag je in de kampen rond Calais vooral jonge mannen tussen 16 en 30. Zij vormen nog steeds de overgrote meerderheid. Maar er duiken nu ook vaker kinderen en vrouwen op. Dat is nieuw, zegt Daynes.

Daynes «Het is een zeer verontrustende evolutie. Onze vrijwilligers hebben de voorbije weken 1.300 patiënten behandeld, onder wie 43 kinderen die hier helemaal alleen waren. We zien ook geregeld zwangere vrouwen.»

Waarom de kinderen alleen zijn, is niet altijd duidelijk. ‘Soms hebben ze onderweg hun broer, zus of ouders verloren, soms zijn ze door hun ouders op pad gestuurd in de hoop dat ze opgevangen zullen worden.’ Vorig jaar kwamen er in totaal 238 niet-begeleide minderjarigen aan in Groot-Brittannië, in 2015 zijn het er tot nu toe al meer dan zeshonderd. De Britse lokale overheid is verplicht voor opvang te zorgen als minderjarige verstekelingen in het VK aankomen.

'Die kinderen leven hier in erbarmelijke omstandigheden – er is geen stromend water of elektriciteit en amper toiletten voor duizenden mensen' Leigh Daynes, Dokters van de Wereld

In het Centrum Jules Ferry in het kamp is opvang voorzien voor vrouwen en kinderen. Toen het in november opende, waren de bedden – een honderdtal – meteen bezet. Dokters van de Wereld probeert de andere kinderen een veiliger onderkomen te bieden. Eenvoudig is dat niet.

Daynes «Kinderbescherming wordt doorgaans opgestart nadat je de politie hebt ingeschakeld, maar veel migranten willen dat niet. Ze zijn bang voor de politie.»

Extra hulp is hoogdringend, zeker voor de kinderen.

Daynes «Ze leven hier in erbarmelijke en ongezonde omstandigheden – er is geen stromend water of elektriciteit en amper toiletten voor duizenden mensen. Bovendien gaat het er hier soms agressief aan toe. Dat rakelt de trauma’s die de kinderen onderweg hebben opgelopen, opnieuw op.

»Er zitten ook mensensmokkelaars in de kampen. Toen ik de wonde van een Afghaanse jongeman onderzocht, vertelde hij dat een smokkelaar hem met een mes in de arm had gestoken en van een vrachtwagen had getrokken. Wij proberen naast medische ook psychologische hulp te bieden.»


Alternatieve route

‘De laatste tijd zie ik hier steeds vaker kinderen van 12, soms amper 10, ronddolen,’ zegt ook Maya Konforti. Als vrijwilligster van de Franse ngo L’auberge des Migrants komt ze hier schoenen, dekens en eten uitdelen, en daarbij let ze steevast op de kleintjes.

Als drie zwarte meisjes zien hoe Maya Badur, een jonge Afrikaan met een flinke jaap in zijn been, sneakers geeft, zodat hij niet langer op vrouwenschoenen met hakken door het verharde slijk moet strompelen, vragen ze snel of ze geen slaapzakken heeft. Voor hen wil ze wel iets extra doen, knipoogt ze, en drukt Helen (14), Fithawit (15) en Kobob (16) elk een deken in de armen. Ze zijn net aangekomen na een lange tocht vanuit Eritrea, via Italië. ‘Vandaar hebben we per bus en trein gereisd. Zonder ticket, we moesten er stiekem proberen op te springen,’ giechelen ze zenuwachtig. ‘Soms lukte dat, soms niet.’

We worden in de gaten gehouden. Een man voegt zich bij ons als hij ons ziet praten. Hij stelt zichzelf voor als een ‘vriend’. Als ik vraag hoeveel ze voor de overtocht betaald hebben, antwoordt hij naast de kwestie. ‘We zijn met twintig vertrokken in Soedan, de rest is elders in Europa gestrand.’ Waar zijn de ouders van de meisjes? ‘Die hadden niet genoeg kennis om tot in Engeland te raken. Het zijn boeren,’ antwoorden ze in gebroken Engels. Of zij drie dan familie zijn? ‘Nee, just friends.’

‘De kinderen vertrekken doorgaans niet alleen, maar komen soms wel in hun eentje aan,’ vertelt Maya.

Maya Konforti «Er is een soort circuit waar vluchtelingen bij elkaar komen. Zij die iemand verloren hebben, klitten daar samen. Zo zag ik hier onlangs een groepje van vier jongens van 14: ze zochten steun bij elkaar. Wat verderop, achter de toiletten, woont Abrar. Hij is ook 14, en is helemaal alleen van Eritrea gekomen.»

Abrar lijkt nu verdwenen. ‘Misschien zit hij in Engeland?’ zegt een jongen half ernstig, half smalend. Hij zit met twee gebroken enkels in een rolstoel, in de verharde modder raakt hij amper vooruit. Nijdig trekt hij aan zijn sigaret, hij heeft geen zin om te praten.

‘Ik ken Abrar wel,’ steekt een andere jongen slaperig zijn hoofd uit een half ingezakt tentje. ‘Hij is vanmorgen naar Haezebroeck gefietst. Hij hoopt zich daar te kunnen verschuilen in een vrachtwagen die naar Engeland rijdt. Hij gaf zichzelf twee dagen. Als het niet lukt, komt hij terug.’ Na twee maanden hier hoort Abrar bij de habitués. Als de ‘normale’ oversteek – de tunnel – maar niet wil lukken, beginnen die alternatieve routes te zoeken.

Mohammed (9) en zijn broer Maisra (12) uit Soedan zijn nieuwkomers. Ze trappen wat verveeld met een oude basketbal naar elkaar. Ze zijn amper drie dagen hier, een eigen slaapplek hebben ze nog niet, maar ze hebben wel al drie nachten op rij geprobeerd om door de tunnel te raken. ‘Ik doe dit voor mijn kinderen,’ zegt Insaf, Mohammeds moeder. ‘Ik wil dat ze kunnen studeren. Mijn man is achtergebleven in Darfur, hij vecht in de oorlog. Ik mis hem.’ Ze hebben al hun spaarcenten neergeteld voor de reis: 1.000 dollar voor haar, 900 voor Maisra en 600 voor Mohammed. ‘En dat was enkel voor de boot naar Italië.’

Allemaal willen ze uiteindelijk naar Groot-Brittannië. Als je vraagt waarom, geven ze allemaal hetzelfde antwoord: ‘Jobs. Facilities. Study. Freedom. A life.’ En je bent er niet verplicht een identiteitskaart op zak te hebben.


In duikerspak

Groot-Brittannië blijft dus het beloofde land, ook al weet iedereen dat er geregeld doden vallen tijdens de oversteek. Onlangs verdronk een jongen in een bassin niet ver van de tunnel. Iemand anders overleed na een val van een vrachtwagen. De ene spreekt over tien doden, de andere over twaalf in twee maanden. Een vrouw werd aangereden door een wagen toen ze de weg overstak – volgens geruchten omdat ze bevangen was door het traangas dat de politie inzette. Een andere, zwangere vrouw uit Eritrea overleefde een val van een vrachtwagen, maar verloor haar ongeboren kind.

'Op weg naar de Kanaaltunnel sprinten sommige vluchtelingen een razend drukke snelweg over, en daarna nóg één: 'Wij zijn niet bang om te sterven''

Ook Martha (25) uit Ethiopië kent de verhalen, maar ze houden haar niet tegen. Ik werp een blik op haar bolle buik: ze is vijf maanden zwanger. Het is toch waanzin om dan aan boord van een trein te proberen raken? ‘Not crazy,’ lacht ze al haar tanden bloot. ‘Crazy is the African way of life. De dokters onderzoeken me elke dag, alles is in orde. Ik kruip niet over de hekken, ik kruip eronder.’ Haar man is al in Engeland: ‘Een week geleden wist hij aan boord van de trein te springen. Ik wou ook springen, maar de politie heeft me vastgegrepen. Ik heb mijn man zien wegrijden. Hij heeft geluk gehad. Nu ik nog.’ Ze werpt een blik op de hemel. ‘Als het God belieft.’

Vanavond probeert ze weer. ‘Maar niet als het regent. Ik ben trager: ik doe er soms vijf uur over om tot aan de tunnel te raken. Tegen dan ben ik doorweekt.’

Dokters van de Wereld is bezorgd over de vele dodelijke slachtoffers. ‘Het wordt alsmaar moeilijker om erdoor te raken. Naarmate de kansen slinken, groeit de wanhoop,’ zegt Leigh Daynes. ‘De druk neemt toe om toch maar niet op te geven. En dus blijven ze proberen, proberen, proberen.’

Op álle mogelijke manieren. In Parijs probeerde een man vanop een stilstaande trein op het dak van de Eurostar te springen. Hij werd geëlektrocuteerd. Een Syrische jongeman kocht een duikerspak om het Kanaal over te zwemmen, maar verdween. Toen maanden later een lijk aanspoelde op de Nederlandse Waddeneilanden, wist lange tijd niemand wie de ‘wetsuit’-man was – tot een Noorse journalist erachter kwam dat het de Syrische jongen uit Calais was. Vlak voor zijn vertrek had hij zijn oom in Groot-Brittannië een berichtje geappt: ‘Ik zie Engeland al liggen.’

'We zien de politie niet, we zien de veiligheidshekken niet, we zien de prikkeldraad niet. We zien alleen de overkant en weten: dat is de weg naar Engeland'


Go! Go! Police

‘Wij zijn niet bang om te sterven,’ zegt Amsong als ik vraag of hij wel beseft welke risico’s hij neemt. ‘We zien de politie niet, we zien de veiligheidshekken niet, we zien de prikkeldraad niet. Wij zien alleen de overkant en weten: dat is de weg naar Engeland,’ zegt hij terwijl hij over Isra’s krulletjes aait. ‘We leven voor een droom.’

Same knikt: ‘Ik wil studeren, veel studeren. In Eritrea volgde ik al twee jaar automechaniek.’ Amsong: ‘En ik wil burgerlijk ingenieur worden. Ik wil huizen bouwen.’

Opgeven is geen optie, Isra en haar familie zijn al door de hel gegaan om hier te raken. De tocht door Libië was zwaar en gevaarlijk. Same werd geslagen met stokken, hij was bang, iedereen had er wapens. Een vriend van hem raakte zwaar gewond toen een Libiër een steen in zijn gezicht keilde. In de Sahara kwamen vijf mensen van hun groep om bij een auto-ongeval. De overtocht van de Middellandse Zee duurde 48 uur. Met 315 zaten ze in een bootje, als sardientjes op elkaar gepakt. Maar het kon nog erger, op het andere bootje zaten ze met 700. De zee was wild – iedereen kotste de ziel uit zijn lijf – maar ze haalden het. Zij wel, twee vrienden van Amsong overleefden hun overtocht niet.

Plots begint Isra te roepen: ‘Baba! Baba!’ ‘Ze zegt dat ze naar haar papa wil. In Eritrea was haar vader soldaat, net als mijn vader,’ zegt Amsong. ‘Hij kreeg 10 euro per maand: daar kun je niet van leven. In Eritrea zijn geen jobs, enkel militairen.’

En dus wagen ze hun kans, elke avond opnieuw. ‘Als de treinen trager rijden, proberen we op de open vrachtwagons te springen. Dan verstoppen we ons in de laadbak van een truck.’ Same heeft het al geprobeerd, zelfs met Isra op zijn rug, maar kon zich niet vastklampen. Isra kijkt hem met grote ogen aan en begint plots te lachen. ‘Hai! You go! Go!’ roept ze, en ze zwaait met haar handjes alsof ze iemand wegjaagt. ‘Go! Go! Police!’ Ze schaterlacht alsof het een leuk spelletje is.

Vanavond blijven ze hier. ‘Een verplichte rustdag,’ zegt Same. ‘De tocht naar de tunnel is zwaar en duurt twee uur – énkel. Na een paar nachten ben je uitgeput. Als je het wil halen, moet je snel kunnen zijn.’


Stroom

De volgende dag trekt zich vanaf een uur of zeven langzaam een stroom mensen op gang. Met een voedselpakket in de hand, en een hoopvolle glinster in de ogen. Ook al zijn de meeste pogingen tevergeefs, allemaal hebben ze wel een verhaal gehoord van iemand die het wél heeft gehaald. Doorgaans vertrekken ze in groepjes van drie à vier – dat is veiliger. Eergisteren is nog iemand met een stok in elkaar geslagen op straat. Zomaar. Niet iedereen verwelkomt de vluchtelingen met open armen.

Als drie Afghaanse jongens passeren, wens ik hun een veilige reis. ‘13 en 10, mevrouw,’ zeggen ze als ik opmerk dat ze er zo jong uitzien. Dat ik hen niet stiekem in mijn koffer naar Engeland wil voeren, deert hen niet. ‘Dan wandelen we wel,’ roepen ze vrolijk, terwijl ze zwaaiend en joelend wegrennen, richting tunnel.

De fotograaf stapt met Isra en haar mama mee. Een jonge kerel draagt het kleintje kilometerslang op zijn schouders. Zwijgend wandelen ze mee in een mensenstroom die hetzelfde onzichtbare spoor lijkt te volgen: langs een spoorlijn, over verlaten industrieterreinen, door grauwe, doodse achterbuurten tot aan een supermarkt, dan linksaf het veld in. Velen sprinten hier een razend drukke snelweg over, daarna nog één. Te gevaarlijk, vindt Isra’s mama. Dan maar een langere route, door een tunnel.

Het donker valt. Iets voor de Kanaaltunnel splitsten de groepjes zich op en verdwijnen de mensen als schimmen in de nacht. De ene sluipt door het struikgewas, de andere door velden, nog één verschanst zich in de berm langs de snelweg of tussen de bosjes naast de veiligheidshekken. Isra en haar mama steken een straat over. Nog 300 meter. Dan schrikken ze. Iedereen ziet het: daar, een politiecombi. En nog één. Ze houden even halt, wringen zich door de struiken verder naar de treinen. Er zijn hier verraderlijke waterbekkens – onlangs is hier nog iemand verdronken, gisteren iemand ternauwernood gered – maar ze stappen verder.

Het kat-en-muisspelletje begint. Eén schim loopt naar voren, de combi rukt uit, de schim vlucht terug. De anderen wachten. Een halfuur, een uur. Ze hebben geen eten of drinken meer, het is koud. Zodra ze een gaatje zien, proberen Isra en haar mama het opnieuw. Weer niets. ‘Te veel politie.’ Na twee uur geven ze het op. Terug naar af. Voor de zoveelste keer.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234