null Beeld

TV-review: Chef in nood - Junior Masterchef

Dwarskijker bekijkt voor u het tv-seizoen, zo hoeft u dat niet meer te doen. Of misschien wél? Deze keer voor u besproken: Chef in nood en Junior Masterchef op vtm.

Rudy Vandendaele

In mijn stereoscopisch beeld van een betere wereld zijn sterren wondere schijnsels aan een nachtblauw firmament – zie Vincent van Gogh. Het zijn in geen geval waardeaanduidingen van wat cholesterollijders haute cuisine noemen. Een sterrenchef is volgens mij dan ook een hemellichaam dat feller en baziger glimmert dan de kosmische theelichtjes eromheen.

Maar op de platgetreden begane grond is een sterrenchef iemand als Stéphane Buyens, bij wiens aanblik me geen andere versregel dan ‘Daar gaan we weer’ te binnen schiet. Ik schrijf dit op Gedichtendag. Of beter: ik typ dit op Gedichtendag.

Alsof het een roeping is, gaat die man in het gezelschap van een cameraploeg het leven van heilloze eettenten rekken. Dit keer troonde hij ons mee naar Blankenberge, een kustplaatsje waar we allemaal wel geboren hadden willen worden, maar – leer er in godsnaam mee te leven – slechts weinigen zijn daartoe uitverkoren. In Blankenberge rees Poco Loco enigermate op, een onbeklant etablissement dat zich, weer of geen weer, op Spaanse cuisine liet voorstaan.

Restaurants die een grappig bedoelde naam torsen zou ik vanzelf al links laten liggen, maar dat kan Buyens zich niet permitteren in dit programma. Wat baat het eigenlijk om een sterrenchef te zijn? Tussen haakjes: ik betreed ook nooit frituren die ’t Frituurke heten. Laat ik me hoeden voor nog meer autobiografische informatie, die toch alleen maar tégen mij gebruikt kan worden.

Buyens stapte Poco Loco binnen, keek rond, en gruwde geheel naar wens. En toen had hij er de Spaanse cuisine nog niet aan den lijve ondervonden. Buyens spuugde vrijwel elke hap van zijn Andalusisch noenmaal zo beleefd mogelijk uit, zij het met een al te illustratieve gezichtsuitdrukking erbij. Tussendoor bracht hij geluiden voort waaruit je kon opmaken dat hij, als pièce de résistance, ook nog een aanzienlijke haarbal van eigen makelij had klaarzitten.

‘Mocht ik mijn vrouw naar dit restaurant meenemen,’ sprak Buyens, ‘dan zou ze onmiddellijk de echtscheiding aanvragen.’ Schaamteloos greep hij dit programma aan om de broze staat van zijn echtverbintenis wereldkundig te maken.

De uitbater van Poco Loco was een op het eerste gezicht geheel onaangedaan type dat met Antwerpse tongval mompelde dat de zaken slecht gingen. Daarbij verried hij geen herkenbare emoties – hij leek me ook iemand die diep kan slapen tijdens een bombardement.

Er hing een faillissement in de lucht, maar daar wilde hij liever niet aan denken, en waar hij ondertussen wel bij stilstond, hield hij voor zichzelf. Deze zo goed als kale man onderscheidde zich van veel medemensen door een veterdun, iel paardenstaartje aan zijn achterhoofd te gedogen: veeleer een muizenstaartje.

Wat wil een manspersoon van middelbare leeftijd, die in een restaurant obert, daarmee tot uitdrukking brengen? Dat hij, voor de aandachtige toeschouwer, nog niet helemaal kaal is? Of is er een dieper motief, waar geen woorden voor zijn, tenzij in de poëzie? Vergeet het maar.

Buyens drong tot de donkere keuken door, waar hij in de slagschaduw van het noodlot de chef aantrof: een zichtbaar onderdanige man die meteen deed alsof hij een speelbal van de omstandigheden was, kwestie van de muizenstaart tersluiks de schuld van het debacle te geven. Zulke lieden komen merkwaardig vaak voor in de laagste regionen van de horeca.

Deze chef – ‘Zes jaar koksschool’ – zou in dit programma ook een keer of vier volschieten, teneinde zijn gevoelige natuur niet onopgemerkt te laten voorbijgaan. Zoals gewoonlijk trok Buyens voorraad- en koelkasten open, en ondertussen maar walgen en foeteren en plaatsvervangend wanhopen met een West-Vlaams accent.

Uiteraard zou het wekelijkse wonder niet lang meer uitblijven, maar toch riep ik: ‘Opschieten, Stéphane!’ Ik spreek nu eenmaal graag voornamen uit met 'ph' erin. Ieder zijn talloze afwijkingen.

De muizenstaart en de chef moesten van Buyens eerst leren samenwerken, en daarom drong hij hen teambuilding op. Er kwamen tragikomische taferelen op een hindernissenparcours van: de lamme raakte op een zwiepende loopbrug in de blinde verstrengeld, maar ze haalden, een nat pak ten spijt, binnen de afgesproken tijd de overkant. Wij, de argeloze kijkers, moesten geloven dat ze voortaan een team vormden.

Buyens praatte het kersverse team vervolgens driftig de Spaanse keuken uit het hoofd, en hield hen een toekomst vol tex-mex voor, ‘een nieuw concept’ waarin de zelfbereide, in een sombrero gegaarde hamburger, met de eigengemaakte ketchup, een eventueel hoogtepunt zou zijn. Daartoe gebruikte hij veel loze aanmoedigingskreten uit het Engelse voordeelpak.

Op goede raad en splijtende wetenswaardigheden was hij ook niet zuinig: ‘Kruiden bepalen de smaak van een gerecht.’ Zijn onderliggende boodschap was volgens mij: ‘Probeer het niveau van een gemiddelde snackbar te halen, of zoek eindelijk eens een andere baan. Word bijvoorbeeld iets hoogs bij de vtm!’

De binnenhuisinrichting van Poco Loco, die zo Spaans was als een wegens een verdacht sterfgeval gesloten Vlaams café in Benidorm, kreeg een opknapbeurt: lichte tinten die het in Mexico ongetwijfeld goed doen, maar in Belgisch, door grijzige regensluiers gezeefd licht, nogal snel een goedkope aanblik bieden.

Afijn, de uit het niets opgedoken cliëntèle was in ieder geval tevreden: dat is te zeggen, ze was bereid teksten van de productieassistente (M/V) na te zeggen: dat je zo lekker at in Poco Loco, en dat alles er zo ten goede veranderd was.

Dat moet de argeloze kijker telkens weer slikken in ‘Chef in nood’, zoals hij ook moet geloven dat die noodlijdende eettenten voortaan levensvatbare horecabedrijven zijn, die wegens succes ook belastingen moeten betalen. Het belieft mij daar niets van te geloven, en ik vind ‘Chef in nood’ ook geen reclame voor geredde crepeergevallen.

Waarom krijgt de commerciële televisie maar geen genoeg van keukenpieten en hun spectrum, zelfs niet van uiterst middelmatige keukenpieten? Nu krijgen we zelfs keukenpietjes te zien, kinderen met culinaire neigingen. Nu, geen kwaad woord over kinderen, want in veel gevallen zijn ze kneedsels van hun nare ouders, en daar kunnen ze niets aan doen.

Aangezien ik nu ook weer niet doorlopend honds ben, vond ik de kinderen van ‘Junior MasterChef ’ bepaald mondig – ze zijn gemiddeld elf – en het verbaasde me dat ze van zoveel vaardigheden blijk konden geven in de keuken, en dat ze iets lekkers konden bereiden met de niet vanzelf samenhangende ingrediënten die ze in een zogeheten mystery box aantroffen – het Nederlands was alweer ontoereikend.

Wat zou ik kunnen aanvangen met de aardappelsoort vitellote, tenzij ermee naar een nietsvermoedende voorbijganger gooien? Die kinderen wisten van pureren. En ze lieten zich voorts ook niet door risotto afschrikken.

Ik vond het heel even jammer dat de kinderarbeid te onzent is afgeschaft, maar zo’n gedachte corrigeerde ik natuurlijk bliksemsnel, om nu ook weer niet als ronduit laakbaar bekend te staan in politiek correcte kringen, waar die zich ook mogen bevinden.

Waarom koken deze kinderen graag? Zien ze koken als een spel? Liever dan ‘Junior MasterChef’ had ik een documentaire gezien waarin ik een soortement antwoord op die vragen kreeg, en waarin mij ook een blik in hun milieu vergund zou zijn.

Mijn ideale kinderen komen voor in ‘The Little Rascals’, een Amerikaanse televisieserie uit de jaren dertig van de vorige eeuw – wat is me dát lang geleden zeg! – die een jaar of vijf geleden op de VPRO te zien was: ik geloof dat die kinderen, innemende boefjes, vooral moddertaarten bakten, ook al bootsten ze voor de rest heel graag volwassenen na, met alle karikaturen van dien. En díé zijn dan weer van alle tijden.

Ik heb Wout Bru, die al vaker als gezaghebber in culinaire afvalwedstrijden opdook, altijd iets aardiger gevonden dan andere chefs – hij was in ieder geval geen nadrukkelijke drilsergeant, en dat is hij ten overstaan van die kokkerellende kinderen al helemaal niet: hij evalueert verregaand positief - ‘Dit is topklasse’, ‘Wat een gerecht!’ - en dan nog wel met de aldoor brede, welhaast verrukte glimlach van de stralende en al even positieve Fatima Marzouki erbij.

En maar goed ook. Die kinderen moeten nog niet op de ratrace worden gewezen. Nu ja, één van die kokjes vond dat positieve en erg empathische gedoe niet al te betrouwbaar: ‘Hij zei dat hij stress in mijn plaats had, terwijl ik niet eens stress voelde.’ Je kunt die snotjochies ook niets meer wijsmaken.

Voor het overige heb ik, nu ik aan de volwassenheid grens, geen enkele behoefte aan een kinderprogramma om kwart voor negen ’s avonds.

undefined

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234