TV-review: Superfans

Dwarskijker bekijkt voor u het nieuwe tv-seizoen, zo hoeft u dat niet meer te doen. Of misschien wél? Deze keer voor u besproken: 'Superfans' op VT4.

De jongste casus van reality-tv behelst mensen die, naar ze publiekelijk staande houden, hun leven veil hebben voor een idool: fans aan de rand van dwangopname, zou je kunnen zeggen. Maar als je niet het aangewezen diploma hebt, een graad in de zielkunde bijvoorbeeld, heb je niet het recht om te beweren dat die lui niet goed bij hun hoofd zijn, laat staan dat ze zich moeten laten nakijken.

Dat doe ik dan ook niet: ik dénk het hooguit in een privévertrek onder mijn schedeldak, waar ik vaak met mijn demonen mens-erger-je-niet zit te spelen. Wars van mijn diploma’s durf ik me wel hardop af te vragen of de makers van dit programma te goeder trouw zijn, want zoals steeds in dit genre komt het me voor dat geen van hun prooien beseft dat iemand als ík, als ik dan toch een treffend voorbeeld moet geven, ze met zijn eigen ogen kan zien.

Het zou me dan ook niet verwonderen dat de makers van een programma als ‘Superfans’ ordinaire premiejagers zijn, die zonder scrupules toeslaan als ze naïveteit ruiken. Nu ja, ze moeten ook wel, want anders raken ze hun baantje in de van sensatiezucht vergeven media kwijt. Zo, dat moest me even van het hart.

Ik ben fan van niemand, al heb ik ooit wel een aantal mensen bewonderd, maar dan altijd op een afstand, al was het maar omdat de meesten morsdood waren. Ik hou ook niet van fans, maar goed, tienermeisjes, die met een turbulente hormoonhuishouding kampen, vergeef ik zowat alles: ook dat ze zich gillend verslingeren aan ene Ian Thomas, een Vlaamse roofdruk van Justin Bieber, die dan weer een in het heelal afgedreven proefpersoon van een Canadese kappersvakschool is.

Die trits troela’s die in ‘Superfans’ voortdurend ‘Oh my Gawd’ kreten, en bij de aanblik van hun idool kirrend van blijdschap tegen elkaar opsprongen, laat ik liever buiten beschouwing. Ze groeien er wel uit. Maar wat goed dat ik niet over ze moet vaderen, want wat dat betreft heb ik mijn portie wel gehad.

Toen ik een grenzeloze fan van Sven Nys zag, maakte ik me al meer zorgen. Het mens van middelbare leeftijd, of hoe oud ben je na zevenenvijftig winters, reed met de auto rond in de hoop dat ze de trainende veldrijder zou kruisen – cruisen heet het eigenlijk: ‘Als ik Sven zie, dan is mijn dag goed.’

Reed ze dan elke dag met die intentie rond? Voor de duidelijkheid zei ze ook nog dat Svenneke – ze noemde hem met hetzelfde gemak ook ons Svenneke – haar god en haar leven was. Ze hield halt voor de woning van haar god en haar leven, en stelde op deskundige toon vast dat hij wellicht thuis was: dat kon zij op één of andere manier merken aan de tuinmuur die zijn huis aan onze blik onttrok. ‘Misschien is hij nu naar ons aan het kijken,’ zei ze ook nog, en een gedachte aan stalking kon ik niet langer onderdrukken.

Later zat ze samen met twee middelbare kennissen uit verschillende gewichtscategorieën die óók het geloof in de vermodderde god op fietswielen beleden. Die drie gratiën hadden plaatsgenomen in een schrijn ter ere van ons Svenneke, of godbewaarme: hún Svenneke.

Overal foto’s en relikwieën van hem. Ze beweerden er zeer gelukkig te zijn, en weldra bleek hun religie meer op je reinste verliefdheid dan op sportverdwazing neer te komen: ‘Hij geeft precies iets af’ – ‘Ja, elektriek.’ De verering van ons Svenneke had zelfs een duidelijke seksuele ondertoon. ‘Svenneke, wil jij mijn muismat even tekenen?’ had Sylvia (57) hem ooit gevraagd: jááá, dat was lachen!

En vermoedelijk ook unilateraal geilen, al weet je maar nooit met die driftige veldrijders. Sylvia bezat ook een platte tube van de kampioen – nudge nudge wink wink - en ook een paar fietskettingen, die ze nog voor geen miljoen van de hand zou doen. Ik, die het volgens menigeen niet erg met mezelf getroffen heb, was nog blijer dan doorgaans dat ik Sven Nys niet hoefde te zijn.

Voor allerhande hoogtepunten kunnen we altijd in West-Vlaanderen terecht, volgens de provinciale dienst voor toerisme: ene Viviane, drieënvijftig barre winters, vond Willy Sommers achtereenvolgens maar wellicht ook in willekeurige volgorde ‘haar god, haar Jezus, haar alles’.

Dit geheel van overtreffende trappen was in haar woning te bezichtigen: je kon er de beeltenis van Willy Sommers niet ontlopen. Vooral veel kiekjes waarop Viviane zich in onflatteus licht tegen haar schaapachtig lachende idool aanvlijde.

Al sinds haar dertiende had ze haar hart verloren aan Willy, en sindsdien ging ze, haast knappend van verlangen, overal naar zijn optredens. Ik dacht aldoor dat ze alleen was, en misschien ook wel eenzaam, tot de aap uit de mouw kwam: ze had een partner, ene Erik, die in dit programma als apotheose werd geserveerd. Zodra hij in beeld was, leek hij gelatenheid na te streven.

Nu ja, hij keek ook sip. Vóór hem had Viviane al twee vrijers aan de deur gezet omdat die de denkbeeldige ménage à trois met Willy na verloop van tijd onprettig vonden. Erik was anders: hij was braaf, zei ze, wat wellicht op doffe berusting neerkwam. Eén keer had ze hem diep gekwetst. Hij was hevig transpirerend thuisgekomen van zijn werk, en toen had ze hem walgend naar de douche gejaagd.

‘En Willy, die óók zweet, val je na zijn optreden in de armen!’, had hij opgemerkt. Waarop Viviane terstond geantwoord had: ‘Het zweet van Willy stinkt niet.’ Willy: in den beginne schiep hij zeven anjers en vervolgens zeven rozen, omdat er hem niet zo gauw iets anders dan bloemen te binnen wilde schieten tijdens de scheppingsdagen.

En maar welriekend zweten ondertussen. Zou hij ooit tegen dat mens hebben gezegd dat ze te ver ging? En dat ze zich vooral niets moest inbeelden? Viviane plukte nog een paar foto’s van haar en Willy uit haar portefeuille, en sprak terloops tot haar man: ‘Van jou zit er geen foto tussen, schat.’ Dat ‘schat’ was ook voor een buitenstaander als een speldenprik in de top van je pink.

Ik dacht: ren, Erik, ren, maar hij bleef zitten waar hij zat. ‘Zolang ze in bed maar niet aan hem denkt,’ zei hij ook nog. ‘Of toch niet hardop,’ lachte ze. Ren, Erik, ren. Maar voor de rest bemoei ik me nergens mee.

Voor Gerrit toonde ik eerst enig begrip: hij verafgoodde Ray Charles – goede smaak – en dat kon hij ook duiden. Hij groeide vaderloos op in een café met een slechte reputatie, dat ‘Bij Zwarte Lola’ heette, ook wel omdat zijn moeder van lichte zeden werd verdacht door lui die ik in moreel opzicht nu ook weer niet zó hoog zou schatten.

Hij kreeg er met grof volk te maken, en dat rauwe milieu zorgde ervoor dat hij zich een verschoppeling voelde, wat hij wellicht ook was. Hij werd in ieder geval op zijn afkomst aangekeken. Op een dag vestigde een klant van het café de aandacht van het knaapje Gerrit op een plaatje van Ray Charles in de Wurlitzer.

Waarna die man het levensverhaal van de zwarte zanger begon te vertellen: hoe die ondanks racisme en blindheid iets gemaakt had van zijn leven. Op slag voelde Gerrit ook de kracht van de zangstem van Ray Charles, en vanaf dat moment was de zanger zijn rolmodel, dag in dag uit: ‘Ik sta op en ik ga slapen met Ray Charles.’

Dat betekende onder andere dat hij een overhemd en stropdas van Ray Charles, allebei ingelijst, meenam naar zijn slaapkamer, want overdag hingen die in de woonkamer op. Het zij zo, dacht ik, maar toen hij in ‘Superfans’ zijn echtgenote ontroerd de opdracht gaf om na zijn dood een deel van zijn as ongezien in de lijkbus van Ray Charles in Inglewood Park Cemetery in Los Angeles te wurmen, dacht ik: ‘Zo is het wel genoeg geweest, malle Gerrit.’ Dat had ik in dit programma een keer of tien eerder kunnen denken.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234