null Beeld

TV-review: Telefacts 360: Zwarte soldaten

Dwarskijker bekijkt voor u het tv-seizoen, zo hoeft u dat niet meer te doen. Of misschien wél? Deze keer voor u besproken: 'Telefacts 360: Zwarte Soldaten' op vtm.

Rudy Vandendaele

De zomer is begonnen als 'Telefacts' en 'Koppen' mensen opvoeren die aan een zonderlinge kwaal lijden waarmee zij in nog iets ruwere tijden dan heden veel bekijks zouden hebben gehad op de kermis - een ziekte waarvan je destijds dan ook je beroep kon maken.

En precies omdat het zomer is en mijn levensverwachting korter dan ooit, sla ik zulke actualiteitenprogramma's graag over. Ik wacht liever zo gedachteloos mogelijk de tweede bloei van de blauweregen af.

Maar verrek, toch moet ik toegeven dat 'Telefacts 360' me vorige week dinsdag aangenaam verrast heeft met een documentaire over een plaag die vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog woedde.

Een zeldzame kwaal kon je het in dat tijdsgewricht niet noemen, en je riskeerde zelfs je hachje als je toen openlijk van een 'kwaal' gewaagde. Verraad zat in een klein hoekje, waar het overigens nog steeds zit.

In 'Zwarte soldaten' van Joost Seelen kwamen zes langlevende Nederlanders aan het woord die nog voor hun twintigste vrijwillig tot de Waffen-SS waren toegetreden. Ze mochten in hun eigen Lebensraum hun zegje doen: Joost Seelen stelde vragen zonder de blaftoon van een harde verhoorder in een vale, raamloze kamer aan te slaan.

Er schoot mij een interviewboek van Armando en Hans Sleutelaar te binnen: 'De SS'ers', dat uitkwam in 1967, het jaar van The Summer of Love. Daarin mochten oud-SS'ers ook ongehinderd hun kijk op hún en meteen ook op dé geschiedenis te kennen geven, en ik weet dat een groot deel van de publieke opinie in Nederland aanstoot aan die ongefilterde vrijheid van meningsuiting nam.

Mijn gedachten gingen ook naar de aanpak van Maurice De Wilde uit, die in zijn befaamde programma's over de collaboratie allerlei nazi's van eigen bodem als het ware standrechtelijk interviewde. Nog het liefst had hij ze, na eerst snuivend van woede z'n hemdsmouwen te hebben opgestroopt, eigenhandig een pak slaag gegeven, met de blote vuist, en al helemaal als ze niet precies nazegden wat hij hen tijdens de repetitie op barse toon had voorgezegd.

Allemaal interviewtechniek en stof voor de journalistenopleiding. Zijn gesprekspartners, als je ze zo kon noemen, hapten naar lucht, soms met een Duits accent. En in hun Oostenrijkse asiel raakte hun koekoeksklok van slag toen Maurice zevenendertig jaar na de Tweede Wereldoorlog in naam van de gerechtigheid zijn gruizige stem verhief.

Je kon er een louterend soort plezier aan beleven als je niet fout was geweest in de oorlog. Ik heb de oorlog niet hoeven meemaken, zodat ik nu makkelijk praten heb, een voordeel waarvan ik tot op heden schaamteloos gebruikmaak. Je kunt maar hopen dat je een leven lang makkelijk praten hebt over van alles en nog wat.

Die oud-SS'ers onbelemmerd laten lullen leverde blijkens 'Zwarte soldaten' wel iets op: je kon bijvoorbeeld zien dat blind fanatisme duurzamer is dan de eikenhouten Beierse linnenkast op bolpoten, en dat lessen trekken uit de geschiedenis minder vanzelfsprekend is dan je in een aanval van optimisme na een fles riesling zou denken.

Het viel me op dat de zes oud-SS'ers, gevorderde tachtigers, er vitaal uitzagen en de rug nog konden rechten, maar ik zou ze daarom nog niet meteen bij het zogeheten Herrenvolk indelen, tenzij dat een carnavalsvereniging zou zijn.

Ruim de helft van de Nederlandse SS'ers die in dit programma aan bod kwamen, was voor de Duitsers puur kanonnenvoer: na een korte opleiding werden die snotneuzen aus Holland meteen aan het Oostfront geofferd, waar één van hen in de kortste keren meer gruwel had gezien dan de gemiddelde mens geestelijk kan verstouwen: hij riep nu dat het allemaal de schuld van zijn vader was, want díé was bij de NSB, de Nationaal-Socialistische Beweging van Mussert, het buikige Hitlertje van Nederland.

De meeste van die oud-SS'ers behoorden ook niet bepaald tot de intelligentsia: 'Ik kon net zo min Duits spreken als een koe vogeltjes kan zoeken,' deed er een met een boers accent. In Volk & Vaderland, het weekblad van de NSB, had hij een oproep gezien om bij de Waffen-SS te gaan: blond zijn en blauwe ogen hebben was nagenoeg een basisvereiste, en wat wilde het geval? Dat hij blond was en blauwe ogen had!

'Dat was ík!' kreet hij met vermoedelijk hetzelfde idiote enthousiasme als die keer in de vroege jaren veertig toen hij zichzelf in het Arische ideaalbeeld had herkend. Bij de herinnering aan driestemmige samenzang terwijl hij in colonne marcheerde, werd hij zo sentimenteel als een oude mie. Wellicht wás hij ook een oude mie, Arisch ideaalbeeld of niet.

Daarna bleef hij weer even haken aan wat hij ooit aan het Oostfront had gezien, met zijn kinderogen, of aan die sjtetl in Polen waar de Duitsers op Joden joegen en Befehl godverdomme Befehl was. Nooit meer weg te cijferen ontzetting, maar die driestemmige samenzang, die was mooi. Simpele ziel. Boerenlul. Karhengst. Waarom zou een koe vogeltjes zoeken, zelfs als ze daartoe in staat was?

Iemand die om zich verstaanbaar te maken zeer plat sprak, het soort Amsterdams waarmee je in Amsterdamse volksbuurten niet overal terecht kunt, beleed zijn onverminderde Jodenhaat, en herinnerde zich in één moeite door zijn oude ploertendoder: een dierbaar rekwisiet dat met een lusje om z'n pols hing.

Als hij in de Gouden Jaren zag dat één van zijn geestesgenoten op straat een Jood aan het afrossen was, dan ging hij er snel nog een schepje bovenop doen met die ploertendoder. Hij zei het op een toon alsof we dat moesten begrijpen, alsof het niet anders kon: 'En ik was al zo agressief.'

En Hitler was een genie dat ons voor het communisme heeft behoed - hij had hem nog de hand geschud in Duitsland in de jaren dertig, bij het verlaten van een café. De concentratiekampen? Daar trok hij zich niets van aan.

Zijn zaak niet. Een aangelegenheid van overheidswege. Maar die Joden was hij al bij al liever kwijt dan rijk. Als ik me een inslecht mens wil verbeelden, zou ik eventjes aan hem kunnen denken, maar het lijkt me beter om hem nog voor zijn dood al uit te wissen in gedachten.

De meeste oud-SS'ers probeerden onder de concentratiekampen uit te komen door naar aloud Duits gebruik te doen alsof ze van niks wisten, en alsof de Holocaust hen in de verste verte niet aanbelangde. Maar de camaraderie van toen, daar konden ze allemaal over meespreken, 'en we ontmoeten elkaar nog steeds'.

We kregen een aantal foto's te zien waarop oude heren feestelijk bijeen waren. Half en half in uniform durfden ze nog net niet met hakenkruizen uit te pakken, maar wel met het Kriegsverdienstkreuz.

Wat destijds ook van groot belang was, was raszuiverheid, wist iemand. Nog voor de oorlog had hij daar ooit met een veearts een diepgravend gesprek over gevoerd, waarna hem een licht was opgegaan dat de rassentheorie van de nazi's onthulde. En van het ene kwam het andere. Hij ging ervan uit dat hij een ontwikkeld man was.

Hij praatte minder plat dan de andere oud SS'ers in deze documentaire. Hij had 'eerlijk gezegd' nergens spijt van, en reken maar dat hij niet de enige was in zijn kringen. Op het eerste gezicht waren deze mannen niet opvallend seniel.

undefined

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234