'Tv-series doen wél wat literatuur vandaag nalaat: mensen samenbrengen' Jong, bestsellend en Zwitser: Joël Dicker

Als de Zwitsers dan eens aanvallen, doen ze ’t grondig en precies en bestsellend: Joël Dicker (30) annexeerde met ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’, zijn tweede roman, eerst de Franstalige en vervolgens ook maar de rest van de wereld. Hij verkocht meer dan anderhalf miljoen exemplaren in zijn moedertaal – het Frans van zijn geboortestad Genève – en nog eens datzelfde aantal in veertig vertalingen. Nu is er ‘Het boek van de Baltimores’ (De Bezige Bij).

'We denken dat onze kinderen in gevaar zijn zodra ze buitenkomen, maar het is net in hun kamertje dat ze te zien krijgen hoe de ene mens de andere het hoofd afhakt'

Net als ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’ lijdt Dickers nieuwe niet aan literaire pretentie, maar des te meer aan ambitie: de schrijver wil tonen hoe je de verwoeste enclave van je gelukkige jeugd gerestaureerd krijgt – een tutorial van 446 spannende pagina’s. ‘Het boek van de Baltimores’ is een prettig weerzien met Marcus Goldman, de succesvolle schrijver die ook al in ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’ het verhaal vertelde.

Joël Dicker «Tijdens het schrijven van dat boek had ik er haast maniakaal op toegezien dat élk personage onmisbaar was. Haal er eentje uit, en het verhaal zakt als een pudding in elkaar – dat idee. Maar net bij mijn belangrijkste personage was ik dat principe uit het oog verloren: pas toen het boek klaar was, besefte ik dat Marcus Goldman eigenlijk overbodig was. Hij was een vlak personage, je kwam weinig te weten over zijn psychologie, en het verhaal had perfect zónder hem gekund. Nu, dat maakte ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’ nog geen mislukte roman: ik vond het waardevol dat hij de verteller was, omdat de lezer zo niet naar de werkelijkheid keek, maar naar zijn vervorming van de werkelijkheid. Dat principe heb ik ook toegepast in ‘Het boek van de Baltimores’: je kijkt door de ogen van Marcus en hoort het allemaal uit zijn mond, waardoor je een interpretatie van een geschiedenis krijgt, niet de geschiedenis zelf.

»Toch vond ik het belangrijk dat Marcus aan diepte zou winnen. Weet je, je kan jarenlang met een collega samenwerken zonder hem te kennen. Jullie begroeten elkaar ’s ochtends en wisselen wat beleefdheden uit aan de koffieautomaat, maar kennen elkaar niet wezenlijk. En dan komt plots die ene avond op café waarin jullie elkaar vinden, en die veel meer betekent dan al die jaren van formele beleefdheid. Zo zie ik Marcus: in ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’ is hij de collega die je nauwelijks kent, in ‘Het boek van de Baltimores’ wordt hij een vriend.»

HUMO Zou hij een vriend van jou kunnen zijn?

Dicker «Allicht wel, maar dat geldt voor al mijn personages. Ik heb drie jaar met die mensen moeten doorbrengen: dat lukt niet als je ze verafschuwt. En zelfs wanneer ze vreselijke dingen uitvreten, blijft de liefde. Dat probeer ik ook in het echte leven toe te passen. In élke hechte relatie komt ooit het moment waarop je beseft dat de ander niet de perfecte mens is. Ik probeer dat te aanvaarden, eerder dan het te bevechten. Niet oordelen: ik vind dat nogal belangrijk. Wat, nu ik er zo over nadenk, nogal bizar is voor iemand die rechten gestudeerd heeft (lacht).»

De ontmaskering van de idylle: dat is ook het heikele examen dat Marcus moet afleggen in ‘Het boek van de Baltimores’. Hij groeit op als enig kind in Montclair, New Jersey, maar brengt veel tijd door bij zijn oom en tante in Baltimore, Maryland. Het is een koppel dat een gloed van succes afwerpt: Saul en Anita zijn welgesteld, fijnzinnig en warm. Marcus is een Goldman-uit-Montclair, maar wil een Goldman-uit-Baltimore zijn. Dat lukt hem een beetje, want samen met zijn twee neven – Hillel en de aangenomen Woody – vormt hij een op dure eden gebaseerde, in de plakkerige warmte van jongensvriendschap kiemende, niet zo heilige drievuldigheid: de Goldman Gang.

Dicker «We zijn altijd geneigd om de relatie tussen twee geliefden als het allerhoogste te beschouwen. Dáár zit de intensiteit, dáár kan een mens thuiskomen. Maar volgens mij kan je diezelfde intensiteit ook vinden in een relatie tussen twee vrienden of familieleden. De liefde tussen twee partners heeft niet het alleenrecht op ‘tot de dood ons scheidt’.»

HUMO Toch ziet ook Marcus de idylle door een achterdeurtje wegglippen. Zodra ze volwassen zijn en de traag zingende zomers van hun jeugd uit het zicht verdwijnen, reduceert een serietje dramatische gebeurtenissen het bondgenootschap van de drie tot scherven.

Dicker «Al te vaak betekent volwassen worden: je jeugd verraden. Je breekt de dure eden die je gezworen hebt toen je leven zich nog helemaal moest openvouwen, je loopt teleurstellingen op die je niet voorzien had toen je 15 was, en je wordt uiteindelijk iemand anders. Ik vind dat je dat zo hardnekkig mogelijk moet tegengaan. Al die dromen, fantasieën en idealen mag je niet zomaar laten sterven: je moet je best doen om iets uit je jeugd levendig te houden. Alleen maar de prozaïsche werkelijkheid van de volwassene volstaat niet voor mij.»

HUMO Dat doet vermoeden dat er veel van jou in Marcus zit, want hij idealiseert zijn vriendschap met Hillel en Woody: in zijn hoofd ontstijgt ze het aardse. Tot de realiteit hem fluimend in het gezicht hoest, natuurlijk.

Dicker «Waardoor je je afvraagt: heeft hij zich al die tijd vergist? Of wílde hij het niet zien? Ik geloof zelf dat je je dat soort idealen mag permitteren. Meer zelfs: dat dat moet. Niet dat je de werkelijkheid permanent moet ontkennen, maar ik geloof dat dromen goed doet. De droom mag een doel op zich zijn.»

HUMO Laat ik maar geen doekjes winden om het ziektebeeld: je bent een romanticus.

Dicker «Ik pleit schuldig (lacht). Daarom ben ik ook zo verhangen aan film en – vooral – literatuur: ze houden de droom intact.»

HUMO In Paris Match zei je vorig jaar – tegen Valérie Trierweiler nog wel – dat romans ‘superieur zijn aan alles: aan vrienden, aan film, en misschien zelfs aan de liefde’.

Dicker «Ik vind het heerlijk om belogen te worden. Als ik in een fancy reisbrochure het perfecte eiland zie, gelóóf ik in de parelmoeren stranden en de kalme, warme zee – en denk ik niet aan de muggen die in grote zwermen op dat eiland wonen, en me mogelijk een tropische ziekte zullen opleveren. Zo kijk ik ook naar film en literatuur: het zijn leugens waar ik graag, vrijwillig en bij mijn volle verstand in trap.

'Ik schrijf niet om mijn genialiteit aan te tonen, om te pochen met wat ik kan. Mijn lezer een fijne avond bezorgen: dat is wat ik beoog'

»Je kan in je eigen leven de idylle najagen, maar je zal ze niet vinden. Ook aan de ideale liefde zal een vervelend praktisch kantje zitten, ook in de ideale relatie zal je weleens een nerveus onbehagen voelen. In de literatuur hoeft dat niet zo te zijn: daar kan iets wél perfect zijn.»

HUMO Het boek als aspirientje tegen de werkelijkheid: is dat niet een wat benepen visie? Op z’n best vermag literatuur toch veel meer?

Dicker «Voor mij betekent dat aspirientje net heel veel. Ik schrijf niet om mijn genialiteit aan te tonen, om te pochen met wat ik kan. Een wereld ontsluiten voor mijn lezer, en die lezer daarmee een fijne avond bezorgen: dat is wat ik beoog. Niet: ‘Kijk eens, mama, hoe ik hermetische zinnen van drie pagina’s lang schrijf, met slimme knipoogjes naar de canon strooi, en alle literaire handigheden beheers.’

»De hedendaagse literatuur brengt mensen te weinig samen. Tv-series doen dat wél: ze verenigen kijkers van verschillende leeftijden, klassen en gezindten. Vroeger deed de literatuur dat ook. De feuilletons in de kranten: fantastisch, toch? Alexandre Dumas publiceerde zijn boeken, ook ‘De drie musketiers’, op die manier. Iedereen las ze, en er werd druk over gesproken. Maar nu is ‘populaire literatuur’ een denigrerende term geworden. Ik vind dat kwalijk. Voor mij is het summum nog altijd iemand die me komt vertellen dat hij mijn boek gelezen heeft, en zijn ouders ook, en zijn kinderen ook – en dat ze er ’s avonds aan tafel over gepraat hebben.»


Te weinig chaos

Het is Dicker menens met dat pleidooi voor het slechten van sociologische grenzen. Met liefdevolle overtuiging heeft hij de interviewplek uitgekozen: ‘Les Saveurs d’Italie’, een Italiaanse kruidenierswinkel die zich verstopt houdt in de studentenbuurt van Genève. In het belendende kamertje wordt aan één lange gastentafel het lekkers du jour geserveerd. Als we willen, en dat willen we, kunnen we doorspoelen met de prettigste vloeibare variant van de druif. ‘Het is die ene gastentafel die het ’m doet,’ zegt Dicker enthousiast: ‘De student, de arbeider, de ambtenaar en de professor lunchen hier naast elkaar, en raken aan de praat. Waar zie je dat nog?’

HUMO Hoewel het buurlanden zijn, lijken Zwitserland en Italië me niet hetzelfde esprit te delen.

Dicker «Of ik wel een Zwitser ben, is dus je vraag? Ja hoor: dat keurige, correcte, onopvallende zit heel erg in mij. Maar dankzij het succes van ‘De waarheid over de zaak Harry Quebert’ ben ik in veel verschillende landen geweest, en daar heb ik ontdekt dat ik me ook soepel beweeg tussen mensen die anders zijn. Italianen en Spanjaarden bijvoorbeeld zijn heel aanwezig, hè – luid, nonchalant en altijd van mening dat er iets te weinig chaos heerst (lacht). Maar ik vind dat fijn, en het heeft me erg bewust gemaakt van mijn Zwitserse identiteit. Je weet pas dat je een Zwitser bent zodra je naar het buitenland gaat. Want hier zijn we heel erg op onszelf: afhankelijk van of je Frans, Duits of Italiaans spreekt, behoor je tot een bepaalde gemeenschap, en die gemeenschap laat zich niet in met andermans zaken. Maar reizen we naar het buitenland, dan stellen we onszelf toch trots voor als Zwitser. Datzelfde mechaniekje speelt in de familie van Marcus. Die bestaat ook uit eilandjes met uiteenlopende achtergronden, talenten en temperamenten. Maar zodra ze zich aan de buitenwereld presenteren, is het als één familie: de Goldman Gang.»

HUMO Een Amerikaanse familie. Het lijkt gedurfd, als Zwitser je romans situeren in de Verenigde Staten, zeker als je ze de vaart en de epiek meegeeft die de literatuur daar zo typeren. Maar je hebt een voorsprong op de gemiddelde Europese schrijver: in je jeugdjaren heb je veel tijd doorgebracht bij familie in Washington.

Dicker «Niet alleen in mijn jeugdjaren: ik ben er altijd blijven terugkeren. Ik heb er niet gewerkt of gestudeerd, dat is waar, maar ik heb er zoveel tijd doorgebracht dat ik mag zeggen dat ik de Amerikaanse samenleving begrijp. Ik kan erover vertellen met mijn ogen dicht. Daarom situeer ik mijn romans dáár, en niet in India.»

HUMO In de zoete zomer van 1997 noteert Marcus over de Goldman Gang: ‘Wij behoorden tot de gelukkige jeugd van een vreedzaam Amerika in volle groei.’ Hoe bizar, toch: dat is nog geen twintig jaar geleden.

Dicker «Het is haast niet te bevatten hoe de Verenigde Staten op zo’n al bij al korte tijd zo drastisch zijn kunnen veranderen. Even voor 9/11 is het allemaal naar beneden beginnen te gaan. En vervolgens kreeg je die waterval van kwalijke gebeurtenissen. We vinden het nu evident dat we op elke luchthaven een doortastende security check ondergaan. Maar dat ís helemaal niet evident: het had nooit zover mogen komen.

»Aan het wezen van de Amerikanen is volgens mij dan weer niets veranderd. Maar net als overal elders ter wereld worstelen ze er met de veranderende tijden. We beseffen nog maar half hoezeer het internet onze wereld heeft vervormd. De eigen, kleine, saaie normaliteit van een tienerleven bestaat niet meer, want die tiener ziet nu op zijn computer de meest expliciete filmpjes voorbijkomen. We geloven dat onze kinderen in gevaar zijn zodra ze buitenkomen, en veilig zolang ze in hun kamertje zitten. Maar het is net omgekeerd: het is in dat kamertje dat ze te zien krijgen hoe de ene mens het hoofd van de andere afhakt.»


IJsje met oma

Agressie hoeft nochtans niet altijd per megabyte te komen: ook in ‘Het boek van de Baltimores’ zit hoekig geweld. De tengere Hillel valt op school ten prooi aan gruwelijk getreiter. Een man heeft van partnergeweld zijn hobby gemaakt. En ‘Het Drama’ waar Marcus voortdurend op preludeert is er niet eentje van wat botsende woorden. Tegelijk voegt Dicker genereuze dosissen tederheid toe. De manier waarop Woody bevaderd wordt door zijn American football-trainer is aandoenlijk. En de relatie tussen Marcus en zijn jeugdliefde Alexandra is van een tere, speelse, uit een geheim paradijs gesmokkelde schoonheid. Als lezer ga je vanzelf je geheugen aftasten, op zoek naar sporen van gestolde euforie.

Dicker «Dat was ook mijn bedoeling met die passages. Al vond ik het niet gemakkelijk om ze te schrijven. Je stopt daar onvermijdelijk veel van jezelf in, hè. Maak ik mezelf zo niet te kwetsbaar? Maar uiteindelijk is het net dat waar het voor mij om draait: iets delen met mijn lezers.»

HUMO De grootste tederheid zit in de passage waarin Marcus zich tot zijn net gestorven grootvader richt. Ik maak me sterk dat daar de schrijver zélf aan het woord is.

Dicker «Misschien wel, ja. Al gaat het dan eerder over mijn grootmoeder. Ze is anderhalf jaar geleden gestorven, en al mijn boeken zijn bij haar thuis geschreven. Toen ik begon met schrijven, zocht ik een geschikte plek. Bij mij thuis was uitgesloten: het lukte me niet om te schrijven op de plaats waar ik ook slaap, eet en televisie kijk. Ik probeerde het vervolgens in cafés, maar daar haalde het rumoer me uit m’n concentratie. Uiteindelijk bood mijn grootmoeder me aan om bij haar te komen schrijven. Mijn grootvader was al jaren dood, en ze woonde alleen in een groot appartement. Tien jaar lang ben ik daar elke dag naartoe gegaan om te schrijven. Ik zette me aan haar bureau en begon aan mijn werkdag. Er is niemand die ik in die tien jaar méér heb gezien.»

HUMO Ik vind het een geweldig romantisch idee, schrijven bij je grootmoeder. Kwam ze je af en toe thee en koekjes brengen?

Dicker «Ja, zo was het helemaal. Maar ze was heel discreet, hoor: ze stond niet de hele tijd over mijn schouder mee te lezen. Meestal zat ze in haar grote sofa een film te kijken. En als ik even geen zin meer had in schrijven, aten we samen een ijsje. Het was zo’n relatie waarin woorden slechts bijzaak zijn: zwijgend zagen we elkaar graag. Ik denk met veel, héél veel warmte terug aan haar.»

Voor succes het aperitiefuur in zijn leven deed aanbreken, had Dicker bij zijn grootmoeder al vijf romans geschreven die honend afgewezen werden door de uitgeverijen. ‘Een uitstekende zaak,’ zegt hij nu. ‘Ik had training nodig. En ook nu beschouw ik mezelf nog altijd niet als gearriveerd. Het moet elk boek een beetje beter.’

'De wetenschap dat je slechts een stipje bent in een onmetelijk continuüm van ruimte en tijd, moet je op een bepaald moment toch naast je neerleggen, want anders kom je je bed niet meer uit'

HUMO Je klinkt als een sportman.

Dicker «Dat vind ik een geschikte vergelijking. Ik hou van altijd beter. Dat is toch wat iemand als Usain Bolt zo mooi maakt? Heeft al alle mogelijke prijzen, medailles en records, blijft trainen om toch nog net iets beter te doen. En dan pitst hij toch nog een fractie af van een wereldrecord, en verklaart hij op de persconferentie doodgemoedereerd dat hij terugkomt, want dat hij nóg een honderdste beter kan. Zo wil ik het ook doen. Dat de mogelijkheid van hoger, verder, beter bestaat – of het nu in de sport is, in de wetenschap of in de literatuur – is een opwindend besef. Het is de perfecte brandstof voor een mensenleven.»

HUMO Het is ook iets dat de personages in ‘Het boek van de Baltimores’ gemeen hebben: de drang om van zich te doen spreken. Ze willen excelleren.

Dicker «Beter worden: daar moet het leven toch om draaien? Dat hoeft niet iets grootschaligs te zijn: je kan ook buiten het oog van de wereldpers grootse daden leveren. Een betere echtgenoot worden, bijvoorbeeld, of een betere vader, of een betere zoon. (Abrupt) Zeg eens, in welk jaar ben jij geboren?»

HUMO In 1985. Net als jij.

Dicker «En beschouw je jezelf als jong of als oud?»

HUMO In de feiten zal dat wel jong zijn. Maar mijn hoofd zou al een wandelstok kunnen gebruiken.

Dicker «Ha, een oude ziel – welkom in mijn clubje!

»Nee, waar ik naartoe wil: we lopen hier maar eventjes rond, en in die tijd is er maar één zekerheid – dat we straks doodgaan. Wel, denk ik dan, als je het einde van het verhaaltje kent, en daar ook niets aan kunt veranderen, zorg er dan alsjeblieft toch voor dat het verhaaltje zelf de moeite waard is. Dat er passie in zit, en een droom waarin het aangenaam verdwijnen is. De wetenschap dat je slechts een stipje bent in een onmetelijk continuüm van ruimte en tijd, moet je op een bepaald moment toch naast je neerleggen, want anders kom je je bed niet meer uit. Gun jezelf de fantasie.»

En daar springt-ie weg, Joël Dicker, weer naar zijn dagtaak: schrijven. Buiten ligt Genève er dromeriger bij dan enkele uren geleden.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234