null Beeld

Ty Segall (Trix)

Als Ty Segall – garagegod en platenkakker par excellence – zijn voet op het fuzzpedaal duwt, dan beeft de hele aardbol. Misschien vandaar dat Loris Karius vanavond al die ballen door zijn handen liet glippen.

Ty Segall is altijd bezig met duizend-en-één dingen. Tussen het onafgebroken touren door vindt hij somehow toch nog de tijd om jaarlijks gemiddeld drieëndertig platen te releasen. Qua genre variëren ze van brutale noisepunk en gortige protometal over folkachtige sixtiespop en met eyeliner omrande glamrock – vaak binnen één en dezelfde song. Het was dus alleen maar toepasselijk dat hij vanavond niet één, maar víjf groepjes meehad in zijn voorprogramma. Waarom ook niet.

Het resultaat was een garagefestival waar je tussen Oblivians en Mike Donovan door een hotdog kon gaan opsmikkelen in het zonnetje. Toen Ty het podium betrad – Gareth Bale had net zijn verbluffende omhaal ingezet – was de gitaarwaanzin al vier uur onafgebroken door Trix aan het razen. En garagerockfans zijn zwijnen. De nette concertzaal was herleid tot een oorlogsgebied, na de passage van The Glücks rook het café naar een sauna uit de hel, en intussen zat mijn maag waar even voordien mijn lever nog lag – God weet wat díé de hele avond heeft uitgespookt.

Omdat iedereen toch al straalbezopen was, vond Ty het niet nodig om hallo te zeggen: hij vloog erin met de subtiliteit van een stormram. ‘Wave Goodbye’ herinnerde in zijn mitrailletteachtige drumsalvo’s aan het Metallica van ‘Master of Puppets’. ‘Fanny Dog’ – evenveel ruis, méér catchiness – bleek het coolste nummer ooit geschreven voor een huisdier. (Mijn trouwe cavia Chewbacca is stikjaloers.) Tijdens ‘Finger’ werd de eerste moshpit feestelijk in gebruik genomen, de gitaren van Ty en van Emmett Kelly raakten verwikkeld in een steeds intensere call and response – en soms ging het tempo even liggen. Dan werd het opeens een soort gedementeerd wiegenliedje, één waarin alles ruiste en kraakte en waarin de wieg uiteindelijk vrolijk uit het raam werd gekeild.

‘Squealer’ klonk alsof alle versterkers tegelijk in een zwembad waren gegooid zonder dat de band dat iets kon schelen. Dat werd in één vloeiende plectrumbeweging ‘Breakfast Eggs’: ‘Candy, I want your candy,’ zong Ty. In ‘Candy Sam’: ‘Pick me up / I am done / Candy’s gone / No more fun.’ Ofwel lust Ty héél graag gummibeertjes, ofwel schuilt hier een soort beeldspraak in – wie weet! De Freedom Band die Ty flankeerde, stond intussen te freewheelen alsof ze The Doors waren op de Sunset Strip in 1971. Uit datzelfde jaar: ‘Cherry Red’ van The Groundhogs, dat hier een lijzig coole cover kreeg.

Beetje lullig voor Karius en de rest van Liverpool dat-ie het nummer nét vanavond moest bovenhalen, maar een hoogtepuntje was de Hot Chocolate-cover ‘Every 1’s a Winner’. Vuiler maar even sexy als het origineel. In ‘Despoiler of Cadaver’ – toevallig mijn totem bij de scouts – kon Ty niet kiezen tussen Black Sabbath, Suicide en disco-met-gitaren, dus koos hij níét. Dat is wat hij altijd doet. Zie ook: ‘Warm Hands (Freedom Returned)’, uit zijn vorige, zelfgetitelde plaat, de eerste die hij opnam met zijn Freedom Band. In dat epische nummer van dik tien minuten – dichter zou hij vanavond niet komen bij zijn held Marc Bolan – zat onder meer psychedelica, folk, glamrock, metal… Al Ty’s paradepaardjes, en je weet nooit wanneer hij wat zal bovenhalen. Alleen dat het lúíd zal zijn.

En dat is meteen ook het pijnpunt van een Ty Segall-show (op Pukkelpop vorig jaar was het ook zo): in de beenharde wall of sound, in de genadeloze geluidschaos en in de onophoudelijke gitaarstormen dreigt soms Ty’s grootste troef verloren te gaan – zijn perfecte oor voor klassieke pop- en rockmelodieën. Weet je hoe mensen soms zeveren dat je al eens down moet zijn om geluk écht te kunnen appreciëren? Dat gaat ook op bij Ty: als alles altijd op maximum staat, dan ben je op den duur niet meer opgewonden, maar afgestompt.

Gelúkkig dus dat er net op tijd een minimum aan aaibaarheid de setlist in sloop. Het stille begin van ‘My Lady’s on Fire’ had een schattig sixtiessfeertje met bijpassend na-na-na-na-koortje, ‘Sleeper’ had zelfs iets meditatiefs. Maar het béste nummer? Zonder twijfel ‘Alta’, waarin Ty zijn ziel voor één keer wagenwijd open legde (denk aan de schitterende zin ‘Before the sailors came / I would fight to save you’). Daar zaten stille en luide stukken in op precies de juiste momenten. En de explosies kwamen aan als granaatscherven, omdat de dynamiek klopte. Tevens in ‘Alta’: de coolste, meest romantische gitaarsolo die Joe Satriani nooit speelde. Toen, in het laatste halfuur, vond Ty met z’n band de perfecte groove, en jamde hij vrolijk de nacht in.

Conclusie: Ty Segall gaf een puik optreden en volgende keer staat Simon Mignolet gewoon weer in doel.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234