Van schrijven kun je niet leven: schrijver Geerten Meijsing in armoe in Sicilië

Een bericht in de krant had het over de stichting De Vrienden van de Vorm, dat geld inzamelt om het voortbestaan te verzekeren van Geerten Meijsing (64), één van de belangrijkste levende Nederlandse schrijvers. Is die man dan echt zo arm? Waarop ik afreisde naar het Siciliaanse Siracusa om de man en de mythe te ontmoeten, of wat daar nog van overschiet.

Hij is magerder en oogt breekbaarder dan die avond in Antwerpen in 1999, toen ik hem de Gouden Uil zag winnen met zijn roman ‘Tussen mes en keel’. Het welkom is warm. ‘Ik heb schoongemaakt, dat ruik je toch? Ik verwachtte je. Alleen heb ik geen idee wat je precies wil.’ We zitten in zijn woonkamer in Ortigia, het oude stuk van Siracusa, dat als een scheepsboeg in zee vooruitsteekt. Het is veertig jaar geleden dat hij onder het pseudoniem Joyce & Co. met het boek ‘Erwin’ als een belofte de letteren in sprong. Met een knipoog naar de beroemde titel van James Joyce, ‘A Portrait of the Artist as a Young Man’, zeg ik hem dat ik gekomen ben om een portret te maken van de kunstenaar als een oude man.

Geerten Meijsing «Ik neem elke dag een foto van mezelf. Om het verval vast te leggen. Af en toe zie ik een soort angst in mijn ogen. Ik vraag me dan af waarom. Mijn huisarts zegt: ‘Je hebt alle redenen om de dingen uiterst somber in te zien. Je hebt geen geld, geen pensioen, je hebt geen boeken meer. De boekenmarkt heeft opgehouden te bestaan. Er is níks.’ En dat is waar.

»Het gezicht op al die foto’s valt me erg mee. Ik heb een broer die sneller veroudert. Maar verder kun je wel stellen dat ik een invalide ben. Ik heb een hartkwaal, mijn hart werkt op halve kracht. En een zenuwkwaal, daar loop ik moeilijk door. En er was nog een derde ding – o ja, ik heb beslist een brillenprobleem. En ik ben doodsbang voor dementie. Dat kan ik mijn dochter niet aandoen, dan kan ik mezelf beter uit de weg ruimen. Maar ook dat is niet goed voor een enig kind.»

Hij schaatst meer dan dat hij spreekt, de ene associatie brengt de andere mee. Dat went snel.

Meijsing «Ik neem allerlei pillen, daardoor loop ik wat wankeler, ik ben al een paar keer onderuitgegaan. Antidepressiva neem ik al twintig jaar, ik heb een heleboel merken geprobeerd: als ik die dingen niet neem, gaat mijn huid kriebelen en slaat mijn hart op hol. De gewrichten van mijn handen zijn kapot, ik kan nauwelijks meer viool spelen of een boordenknoopje dichtdoen. Maar ouder worden heeft ook zijn voordelen. Je hebt meer herinneringen, je kunt je smaak verfijnen. Proef deze olijven eens. Lekker, hè? Een soort oerolijven. En dit oerbrood heb ik bewaard om het je te tonen. Heb ik een maand geleden gebakken en er zit nog geen schimmel op, omdat ik er veel olie in doe. Ik gebruik geen gist en laat het twee keer lang rijzen voor het de oven in gaat. Dit gooi ik nu weg, ik heb vers brood voor je gebakken. En ik heb een hele doos goedkope rode wijn laten bestellen – 39 euro, nog niet betaald. Wijnglazen heb ik niet.»

Ik neem een oerolijf en vraag wat het moeilijkst is aan een leven in armoede.

Meijsing «Drinkwater! Ik ben steeds in paniek als het drinkwater op is. Van het kraantjeswater hier word je ziek, ga je dood, zegt iedereen me. Soms heb ik geen geld voor mineraalwater, want als ik een beetje geld heb, weet ik het altijd snel uit te geven. Maar ik doe wel verstandig boodschappen. Ik heb olie in huis, en meel. Ik kan nog wel twee of drie keer brood bakken.

»Op zich vind ik het niet zo moeilijk zonder geld, als je maar water hebt. Ik red me wel. ‘Een handvol rijst per dag volstaat de inlander,’ zei mijn vader graag. Heb ik geen geld voor tabak, dan rook ik niet, punt. Ik drink geen alcohol meer in m’n eentje. Gelukkig heb ik het verslavingsgen niet, dat mijn zus Doeschka wel had (in 2012 overleden Nederlandse schrijfster, red.). Crack, coke, ik heb álles gedaan, maar ben nooit verslaafd geraakt. Doeschka is een hondennaam in Nederland, dat weet je toch?

»Op de markt krijg ik altijd wel ergens een venkeltje mee, of sinaasappelen. Er is hier een Egyptische visser die me weleens een octopus laat voor 5 euro of zo. Octopus moet je drie keer na elkaar aan de kook brengen, weet je dat? Als ik plotseling wat meer eet, ga ik kotsen. Ik word er mager van, dat is meegenomen: ik was een tijd heel dik, ik haatte mezelf daarom.

»En verder: niet elke dag je overhemden wassen. Een fles wasmiddel kost 6 euro. ‘30 wasbeurten’ staat erop, maar die haal je nooit uit zo’n fles.

»Laatst heb ik wat etenswaar gestolen, dat zat me niet lekker. Het stelen zelf ging wel makkelijk, vroeger heb ik veel boeken gestolen. Ik vind de status van bedelaar vervelend, familieleden spreken me er weleens op aan, maar ik schaam me er niet meer voor.»

Is er nooit paniek (ik vraag het omdat ik het zelf zou voelen) dat echt de laatste cent op zou zijn?

Meijsing «Gelukkig betaalt de stichting De Vrienden van de Vorm de huur. Ze geeft me ook een klein maandgeld, maar daar kan ik de lopende rekeningen niet van betalen. Soms krijg ik van hen of van mijn dochter een voedselpakket toegestuurd – worst, melkpoeder, allerlei lekkers – om wat bij te eten. Vier van die pakketten zijn in de afgelopen twee jaar zoekgeraakt, dat vind ik heel erg. Mijn buren tonen onbeschoft weinig belangstelling voor me: ze nemen nog geen pakje aan.

»Alle post van banken en deurwaarders doe ik in een grote tas, ik kijk er niet naar. De telefoon neem ik niet op. Ik denk niet dat ze me komen halen: de overheid vraagt een beetje clement te zijn met het innen van schulden, omdat de mensen hier toch al in totale armoede leven. Als ik in de gevangenis kom, kom ik in de gevangenis, dat vind ik niet erg. Daar kan je ook schrijven. En elke dag krijg je een glas melk; nu kan ik één of twee keer in de maand een pak melk kopen.»

Vindt hij het vernederend, zo uit de hand van een stichting te leven?

Meijsing «Kríjgen is moeilijk. Je ziet vaak dat mensen die afhankelijk zijn van anderen, steeds kribbiger en kwaaier worden. En het ís ook een beetje vernederend. Maar goed, het is een experiment, en het werkt wel. De leden van de stichting zijn tevreden, er worden speciale boekjes voor hen gemaakt – voor 60 euro mag je daar blij mee zijn.

»Ik heb dat genootschap zelf mee voorbereid, omdat ik de neergang zag aankomen. Lang geleden zei mijn vriend Thomas Graftdijk, die als vertaler veel geld van het Letterenfonds kreeg: ‘Het houdt een keer op, en wat dan?’ Nu is het zover. Het ís opgehouden. Ooit was er sprake van pensioenvorming voor schrijvers, vandaag is daar geen sprake meer van. Vroeger keerde het Letterenfonds een paar duizend gulden uit aan oude wrakken. Waarom die mensen dat nu onthouden? Louis Ferron kreeg 9.000 euro per jaar; het is niet veel, maar ik heb het niet.»

Hij is afkomstig uit een gegoed Haarlems milieu. Was er dan geen erfenisje te verdelen?

Meijsing «Er is een huis. Het is in 2007 in de verkoop gegaan, net toen de huizenmarkt in elkaar was gestort, en het is nooit meer goed gekomen. We krijgen het niet verkocht. De dag dat het wel lukt, volstaat mijn deel misschien om mijn schulden af te betalen. Dan ben ik tenminste van die telefoons af. ‘U hebt zich niet aan de afbetalingsregeling gehouden.’ Precies, ik wil éérst eten, en dán komen de banken.»

Alleen de kunst

We eten wat bij in een restaurant aan de Via Roma. Een uitstekende plek, blijkt uit Meijsings recensie van onze Deense buurvrouw. ‘Wat een bloedmooi gezicht! Het lichaam interesseert me niet. Je kan een keihard pornolichaam hebben, maar als er een rotkop op zit, is het nog niks.’

Ook de filetto di manzo is uitstekend en zit zijn spraakdebiet niet in de weg. ‘De week dat ik de AKO-prijs won (in 1988, voor de roman ‘Veranderlijk en wisselvallig’, red.), ging ik zeven keer na elkaar naar hetzelfde restaurant in Amsterdam, Bordewijk. Elke keer met een andere vrouw. Op de duur zei ik tegen de kok: ‘Vandaag wil ik gewoon griesmeelpap.’ En die kreeg ik, ook al stond ze niet op de kaart. Die AKO kwam maar net op tijd: ik was toen van plan de boel vaarwel te zeggen. Ik had begrepen dat je van de literatuur niet kunt leven, en ik wou niet blijven vertalingen maken tot ik dooie vingers had. Dan liever… Ja, wát eigenlijk? De marine? De lange vaart? Ik kan alleen maar iets tot de kunst bijdragen, en zelfs dat is nog fragwürdig. Ik had mezelf over de brug kunnen gooien. Overbodig, geen goed mens.’

En dan loopt hij plots weg, ik zie hem wat verder boven een plantenbak hangen. Terug aan tafel herstelt hij snel. ‘Sorry, ik moest echt kokhalzen. Dit is buitengewoon lekker rundvlees, maar ik ben het niet gewend veel te eten. Hebben de mensen van het restaurant het gezien, denk je?’

Drukke toegevoegde tijd

Een andere dag zitten we weer in zijn woonkamer, als ik met citaten bij de hand een algemene vaststelling moet maken: de ontgoocheling over zijn carrière begeleidt hem al zijn hele carrière lang.

Meijsing «Ik vind het verschrikkelijk hoe het is gegaan. De kwaliteit is er, dat wéét ik. Ik ben een groot fan van mijn eigen werk. Maar ik gedraag me niet fanachtig: ik neem die boeken stiekem mee naar bed, lees ze met een zaklantaarn (lacht). ‘Altijd de vrouw’: nog steeds een steengoed boek! En mijn beste boek vind ik ‘Cecilia’, het derde deel van de Erwin-trilogie. Dat vindt niemand anders, omdat niemand het lezen kan. Probeer het eens, rustig, gewoon een bladzijde: je weet niet wat je ziet! Ik begrijp de weerstand niet, het heeft me altijd verbijsterd dat ik de wind zo tegen had. Waarom heb ik mijn hele leven alleen maar narigheid moeten lezen in de NRC, de enige krant in Nederland waarvan de lezers boeken kopen? Waarom al die rabiate reacties van Snorremans, Piet Gerbrandy (Nederlandse dichter en recensent, red.), en al die andere klootzakken? Misschien is het omdat ik zo on-Nederlands ben, denk ik weleens.»

On-Nederlands kan dan staan voor de flamboyante levensstijl, zijn provocerende uitspraken, zijn hang naar elitarisme, waarmee hij zich op de literaire scène meldde?

Meijsing «Het grootste kunstwerk is je eigen leven, vind ik, dat heb ik vroeger met dandyachtige aspecten in de praktijk willen brengen. Ook later heb ik altijd à la carte geleefd, nooit voor het menu gekozen. En ook als je gedwongen wordt tot een nederig, armoedig levensniveau, moet je nog proberen je artistieke en morele normen hoog te houden.

»Van mijn leven een kunstwerk maken is me niet helemaal gelukt. Maar dat mijn boeken niet meer leverbaar zijn, is veel erger voor me dan je kan denken, man! Ik behoor tot de top. Als ik daar niet van overtuigd was, had ik toch onmiddellijk bedankt voor dat schrijven? Binnenkort verschijnt een studie over de Nederlandse literatuur van de tweede helft van de twintigste eeuw, met als stelling dat slechts twee schrijvers echt iets nieuws gebracht hebben: A.F.Th. van der Heijden en Geerten Meijsing. Helemaal mee eens. Alleen: míjn boeken zijn niet verkrijgbaar! Van Oorschot wil een goedkope editie van ‘Erwin’ uitbrengen, maar dat wil ik niet. Je geeft een boek goed uit, of niet. Ik vind het walgelijk hoe ze in Nederland boeken uitgeven, van die verkeerd afgesneden bakstenen waar geen typograaf aan te pas is gekomen… In een boek horen touwtjes te zitten, dat laat ik in het contract zetten. Mijn vroegere uitgever, De Arbeiderspers, heb ik verboden nog een boek van me te verkopen. Alle boeken die ze nog in huis hadden, heb ik in grote dozen gestopt en met de auto opgehaald. Ze hebben er niks van gebakken om mijn werk vertaald te krijgen in het Duits of Italiaans: daar horen die boeken vertaald te zijn!»

In 2008 was de transfer van Meijsing van De Arbeiderspers naar uitgeverij Athenaeum krantennieuws. Een paar nieuwe boeken werden toen aangekondigd: een roman en een boek over een aantal van zijn heldinnen, zoals Jean Seberg en Marie-Jo Simenon. Sindsdien achtervolgen hem de vraag en de twijfel of er ooit nog een nieuw boek van hem komt.

Meijsing «Natuurlijk! Er komen víér nieuwe boeken. Eerst ‘Anderzijds’, een roman over iemand die niet weet dat hij al dood is, en meteen daarna ‘Tragische heldinnen’. Die zijn allebei klaar, en een groot boek over ‘De wellevenskunst’ is ook min of meer klaar, en dan volgt nog een boek over George Gissing, één van mijn voorbeeldschrijvers. Een andere kwestie is of Athenaeum het gaat redden in de nieuwe constellatie: de uitgeverij is net uit de WPG-groep weggekocht. Ik wil ook mijn dagboeken uitgeven, en bepaalde briefwisselingen. Wacht maar wat voor boeken er nog van mij zullen komen!»

En dat voor een man die al bij het begin van de eeuw verklaarde in zijn ‘toegevoegde tijd’ te leven.

Meijsing «Ja, het wordt erg druk in de toegevoegde tijd. Ik heb al vaak de banden van mijn rolstoel moeten vernieuwen (lacht). Maar af en toe een meisje dat op bezoek komt, dat mis ik wel.»

Weer niet dood

Ortigia heeft een binnenzee en een buitenzee. We staan aan de binnenzee, de Porto Grande. ‘Hier ging Wolf zwemmen.’ Wolf is de grote geliefde in zijn laatste boek, ‘Siciliaanse vespers’ (2007). ‘Topless. Als ze weer uit het water kwam, vroegen de kinderen haar: ‘Doet dat geen pijn?’’

Meijsing «Er zijn een vijftal vrouwen van wie ik in mijn leven zielsveel gehouden heb. Wolf is daar één van, één van de grootste inzetten van mijn leven. Ik hou nog van haar, en zij van mij, maar het kan niet.

»Op deze wereld heb ik het meest aan landschappen. Landschappen blijven liggen. Er is geen vrouw die altijd blijft liggen om op je te wachten. Ze moeten naar de bioscoop. Of ze willen een baan, ze willen iets worden. Vrouwen zijn overigens ook landschappen voor mij, ik voel me een lilliputter bij Gulliver als ik zo’n landschap betreed (lacht).

»Gelukkige schrijvers bestaan niet. Dat verzin ik niet, hè, dat is allemaal bestudeerd, daar bestaan statistieken van: ambtenaren van de fiscus zullen zich niet zo gauw van kant maken als kunstenaars. Of dacht je dat Proust, Joyce of Kerouac gelukkig waren? Misschien Thomas Mann, omdat het een zelfverzekerde aap was. Schrijven is keihard werken, en meestal levert het niks op. En het is eenzaam werk; een sociaal leven heb je niet. Geen vrouw houdt het bij je uit. En waar vind je weer een nieuwe? Barkeepers en universiteitsprofessoren komen voortdurend vrouwen tegen. Dat is gewoon een kwestie van repertoire: een schrijver ziet geen mens.»

Inmiddels staan we aan de buitenzee, tegenover Libië.

Meijsing «Hier is het water properder, ik zwem hier in de ochtend, ik ga diep in zee. Zo zou je kunnen verdwijnen. Je moet er toch niet aan denken ooit in een flatje in Nederland te belanden? Dat zal ook niet gebeuren. Ik heb zware jaren achter de rug. Soms ben ik gewoon moe en denk ik: het is een mooie avond, laat het de laatste zijn. Ik ben tot bij de Ionische Zee geraakt, ik ben niet ontevreden.»

Hij schreef heel openhartig over enkele zelfmoordpogingen, in 1997 en 2005.

Meijsing «Freitod. Ik denk er elke dag aan. Het is een vloek dat je voortdurend met die vraag geconfronteerd blijft worden. De eerste keer dat ik veel pillen nam was ik een jaar of vijftien, mijn ouders waren een maand weg. Doeschka heeft me er toen door gehaald. Ik begrijp niet dat het zoveel mensen lukt zelfmoord te plegen, mij lukt het gewoon niet. Ik heb zoveel zware middelen geslikt, zoveel gesneden, zoveel bloed verloren, ik heb me opgehangen, enzovoort: dat werkte allemaal niet! De laatste keer, die ik in ‘Siciliaanse vespers’ beschrijf, was een heel lang en akelig gevecht, wel negen uur lang. Je zit daar in een plas bloed, met een pak aan, je kunt nog naar de telefoon kruipen, maar je doet het niet. Je gaat maar weer onder de douche zitten, want dan stroomt het bloed beter. Uiteindelijk zat het hele huis onder het bloed, maar ik raakte niet weg.»

Een mislukte relatie, is dat het patroon achter die zelfmoordpogingen?

Meijsing «Ja, dat is het patroon. Wij Meijsings kunnen erg lijden als het verkeerd loopt in de liefde, Doeschka had dat ook. Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand die door de liefde van zijn leven verlaten wordt op straat gaat leven. Vandaag speelt verliefdheid niet meer zo’n grote rol in mijn leven. Eindelijk verlost van de eeuwige begeerte naar jonge vrouwen, heb ik weleens gedacht. (Valt even stil) Nou, mooi niet! Ik heb een paar goeie vriendinnen. Ik mis seks elke dag dat ik zonder leef.

»Verliefd worden zit er niet echt meer in. En ik verwacht nauwelijks dat er ooit nog een vrouw is die met mij wil of kan leven. Als ik het zelf al zou kunnen. Er staan wel goeie aanbiedingen op het internet. Maar je weet niet of het echt is. Dat er nu niemand is, is voor het werken minder goed: ik heb geen haast meer. Want ook al gaan literaire criteria steeds voorop, je schrijft toch ook om iemands hart te winnen. Het is helaas onmogelijk verliefd te zijn op je publiek.

»Of het me geholpen heeft dat ik lange tijd in een psychiatrische kliniek zat? Ik ben nog steeds niet dood: in die zin heeft het me geholpen. Dat verblijf heeft me veranderd, het heeft een veel empathischer mens van me gemaakt. Toen ik me afvroeg of ik naar een kliniek zou gaan, zei mijn beste vriend me: ‘Het is altijd goed materiaal.’ En hij had gelijk: ik heb er veel mensen leren kennen, psychopaten, echte bandieten uit het drugsmilieu. Zo’n kliniek is een dwarsdoorsnede van de maatschappij: je hebt er professoren én Marokkanen. Ik heb er dus veel geleerd, en ik ben psychiaters zó gaan minachten.

»Ik zou metéén weer terug willen: de verpleging is er zo goed, net of je bedienden hebt. Ik ben al vaker teruggegaan voor de gezelligheid en de rust. Je hebt er geen zorgen, je neemt wat boeken mee. Je eet goed, je hebt een eigen kamer, je praat met die psychiatrische meisjes in opleiding: o, dat zijn vaak zulke geile meisjes!

»Je maakt dit stuk toch niet te somber, over zelfmoord en zo? Dat meen ik allemaal wel, maar er staan ook vier boeken in de steigers. Ik ben fijn aan het schrijven. En ik kan elke ochtend in het water. Wat wil een mens nog meer?»

Orgasme in de Pallas

Als ik informeer hoe de weg naar Italië voor hem verliep, wil hij foto’s gaan kijken.

Meijsing «Ik kijk de hele dag naar foto’s. Ik kijk graag naar mijn verleden, omdat het zo mooi geweest is. Kijk je naar de toekomst, dan zie je toch maar ‘de verschrikkingen van het ijs en de duisternis’, om het met een titel van Christoph Ransmayr te zeggen.

»Ik was nog maar vijf toen ik al wist: ‘Italië is mijn land.’ Zo gauw we vanuit het Zwitserse Ticino de Italiaanse grens overstaken, was het me duidelijk dat er méér was dan ik tot dan toe gezien, geroken of gehoord had: de geur van gorgonzola, het geluid van pratende Italianen – de opera die er al in doorklinkt. Een totaal andere, oudere wereld was het; sindsdien is veel daarvan verwoest. Ik heb San Gimignano nog gezien met ossen en stro, met winkeltjes waarin oude mannetjes bij een zak bonen en zaden zaten, onder een peertje van vijf watt.

»Het eerst heb ik er voet aan de grond gekregen in Bellagio, aan het Comomeer. Daar ben ik een paar jaar intens gelukkig geweest, in een goedkope kamer in een herberg. Ik heb er mijn tweede boek, ‘Michael van Mander’, geschreven. En op de uiterste pier, het Punto Spartavento vanwaar je de drie armen van het meer kunt zien, heb ik in de winter op het glibberende ijs geslachtsverkeer beoefend met mijn toenmalige echtgenote en is mijn dochter geconcipieerd.

»En dan zijn er de twintig jaren in Arsina bij Lucca, de mooiste stad van de wereld. Ik woonde er in een bouwval, maar ik had het er naar mijn zin. Nu staan er wel duizend woningen in dat dal, toen was het haast onbewoond. Ja, je had er een huis waar gedrogeerden woonden, met leuzen van de Rode Brigades op de muur. Daar heb ik altijd een grote sympathie voor gehad. Ik ben een anarchist, ik ga nog wel eens bommen leggen. Ik wil dat de banken schade lijden!

»Nadat ik uit het ziekenhuis was gekomen, woonde ik drie jaar in de Provence, en daarna was ik weer terug in Nederland. Dat kon ik echt niet aan, ik had Italië nodig. Zo ver mogelijk weg van alle rotzooi, en toch nog aan de rand van de Europese beschaving: dan kom je in Siracusa uit. Ik hoef echt niet naar Afrika of Zuid-Amerika. Hier kan je een boek kopen. En het harde licht van Siracusa is mijn beste antidepressivum.

»We zitten hier op 3.000 kilometer van Amsterdam. Mijn auto kan het nog wel in twee dagen, maar ik niet meer. Als ik naar Nederland ga, vlieg ik. Lucca was 1.500 km, dat kon in 24 uur – gewoonlijk deed ik het in twee delen. Ik ga met Renger van den Heuvel een roadmovie maken, over mijn reizen van Amsterdam via Bellagio en Lucca tot hier. Ik ben de hoofdpersoon, samen met mijn auto. Ik heb het altijd geweldig gevonden tussen Amsterdam en Italië op weg te zijn. Gewoonlijk stopte ik in het heerlijke Pontarlier, in de Doubs. Ik dronk er een chocolat chaud in het grand café, en er waren twee boekhandels waar ik de nieuwe Jacques Laurent kocht, later Michel Houellebecq of Jonathan Littell. Die slingerende Franse provinciewegen lijken voor de Citroën gemaakt te zijn.»

Dat onderwerp rijdt niet voor het eerst door onze gesprekken: zijn grijze Citroën CX Pallas is een belangrijke partner.

Meijsing «Ik ben onrustig, maar zodra ik in mijn auto ga zitten, valt er een gelukzalige rust over me. En als hij het helemaal goed doet, is dat een orgastisch genot. Het liefst zou ik mijn auto hier dag en nacht bij me in huis hebben. Je bent er tenslotte mee vergroeid, en de kamertemperatuur is ook het beste voor zo’n auto. In de openbare garage heb ik een duur abonnement, maar moet ik altijd voor een deuk vrezen. Weet je dat Erich Honecker zes van die auto’s had, zoals ik er twee heb? Zes!»

Diner in Laken

Een uitstap met de huurwagen, hij loodst ons door de stad. Rood licht bij het kruispunt: ‘Doorrijden! Dat doet iederéén hier!’ Een zebrapad: ‘Niet stoppen voor die mensen! Denk aan de CO2-uitstoot!’ Een steile helling naar beneden: ‘Hier daal ik zelf altijd af in vrije stand, om benzine te sparen.’ Bij een volgend kruispunt benadert een bedelaar ons. ‘Op een dag ga ik wel op straat leven, maar dít zal ik nooit doen.’

We zijn op weg naar het graf van August Graf von Platen (1796-1835), de Duitse schrijver (Meijsing: ‘mijn grote vriend’) die op z’n twintigste naar Italië trok en in Ortigia, op de vlucht voor de cholera in Napels, een rochelend einde vond. Het kan niet anders of de doden passeren nu de revue. Onder wie Kees Snel (1951-2010), ofte Keith Snell, de man die samen met Meijsing achter het collectieve pseudoniem Joyce &Co. schuilging.

Meijsing «Kees is gruwelijk gestorven, hij heeft zichzelf uitgehongerd en uitgedorst. Hij bleek later schizofreen, nam waarschijnlijk zijn medicijnen niet meer. Hij is dood gevonden met de Erwin-trilogie opengeslagen naast hem, op bladzijde 286.»

En dan die nog recentere dode, zus Doeschka Meijsing (1947-2012).

Meijsing «Haar begrafenis was mooi, een eenvoudige kist met scheepstouwen. We waren met zes dragers, ze was loodzwaar. De Amstel was bevroren, dat was erg mooi. ‘Je mag erbij zijn,’ was mij gezegd, ‘maar je trekt je bek niet open.’

»Doeschka haatte me literair, maar tegelijk was ik haar knuffelbeertje. Ik heb haar niet kunnen redden, de psychiater heeft haar niet kunnen redden. Ze wilde dood toen ze een derde keer ten diepste gekwetst was in de liefde.»

Steekt het dat hij in zekere zin haar kleine broertje gebleven is, met minder succes in de grachtengordel en in de boekhandel?

Meijsing «Mij is de wereld bitter tegengevallen, het literaire wereldje voorop. Je vindt daar echt geen verwante geesten om het over Schopenhauer te hebben. Het is een goedkope wereld. Doeschka heeft die wereld wel omhelsd, en ze is groot geworden omdát ze dat gedaan heeft. Zij had een enorme sociale intelligentie en dat is het belangrijkste om beroemd te worden. Voorts heb je genoeg aan een beetje talent en een brandende ambitie.»

Is die ambitie er nog bij hem?

Meijsing «Ambitie, waartoe? Mijn boeken zijn er. Moet ik nog een kruisje krijgen? Een standbeeld? Ridder worden? Ja, de Prijs der Nederlandse letteren wil ik nog wel, voor het geld, plus dat diner in Laken.»

We hebben het graf van Von Platen gevonden, hij ligt geheel alleen in een park bij het archeologisch museum, standbeeld incluis. Het moet Meijsing pijn doen, gok ik, dat hij geen kans maakt ooit de door hem zo begeerde plek naast Von Platen te verwerven.

Meijsing «Hoezo, geen kans? Wacht maar, je zult zien hoe beroemd ik word! Juist, ik!»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234