null Beeld

'Van vlees en bloed': Lucas Van den Eynde, Patrick Janssens en Jan Becaus, slagerszonen

Met bijna twee miljoen kijkers en ontelbare bospoeper- en Herman-fans op Facebook behoort 'Van vlees en bloed' al vóór de laatste aflevering, nu donderdag, tot ons culturele erfgoed. Humo bracht drie slagerszonen samen om het leven van de Vangenechtens te spiegelen aan hun eigen verleden en heden.

Tegenover Lucas Van den Eynde, André in de serie, zitten nieuwsanker Jan Becaus en burgemeester van Antwerpen Patrick Janssens. Ook zij werden groot tussen pensen en koteletten, ook zij stellen zich weleens vragen bij de mens en zijn wegen die ondoorgrondelijk zijn - en ook zij zijn echte fans van de serie.


HUMO Gevraagd waarom 'Van vlees en bloed' zo goed is, zeggen veel mensen: het is zo herkenbaar.

Patrick Janssens «Helemaal mee eens. Alles doet mij aan vroeger denken. Met één uitzondering: mijn vader ging niet wandelen met de hond (lacht). Meer nog: er was geen hond. De enige dieren in ons huis hingen dood in de ijskast.

»De winkelbel voert mij helemaal terug naar de beenhouwerij. Da's pure Pavlov: meteen hoor ik mijn moeder roepen: 'Flor' - zo heette mijn vader - 'de bel gaat'. En dan moest alles wijken, want de klanten gingen voor. Ik zou heel graag zo'n bel installeren in het stadhuis, in de hoop dat elke Antwerpenaar die hier binnenkomt zó op zijn wenken bediend wordt dat hij net zo stralend weer naar buiten wandelt als de klanten van mijn ouders vroeger.»


Jan Becaus «De bel was een dictator, maar het geluid had ook iets bevrijdends: we moesten wel léven van die klanten.»


Lucas Van den Eynde «Wij hadden een extra bel in onze huiskamer. Die liet mijn moeder rinkelen als het druk was in de winkel: dan moest ik komen helpen. Of ik nu net lekker aan het repeteren was met mijn folkgroepje of ik maar wat in de zetel lag, ik moest alles laten vallen om voor iemand honderd gram paardenvlees te snijden. Mijn vader begreep niet dat ik daar weleens over zeurde: de beenhouwerij gaat áltijd voor, en als er nog tijd overblijft, dán mag je met je vrienden wat plaatjes gaan draaien (lacht).»


HUMO Hoe hard werkten jullie ouders?

Becaus «Wij hadden een kleine slagerij op de Muide, de volksbuurt in het havengebied van Gent. De concurrentie was moordend: in een straal van duizend meter waren er nog zes andere slagerijen. Onze klanten waren voornamelijk fabrieksarbeiders en dokwerkers die gehakt of uufflakke - kopvlees - kwamen kopen om mee te nemen naar hun werk. Dus moest de winkel al om halfzes of zes uur open. Mijn vader was elke dag om vijf uur op, zeven dagen per week. Pas in de jaren zestig werd de zaak 's middags een uurtje gesloten en hadden we één rustdag. Maar veel rust kwam daar niet bij kijken, want die dag werd er vlees geleverd dat uitgebeend moest worden. Het was een zware stiel.»


Janssens «Onze slagerij lag in Antwerpen-Zuid, toen een echte volksbuurt. Onze winkel ging om zeven uur open en 's avonds werkten mijn ouders tot tien, elf uur. Vanaf het einde van de jaren zestig deden ze op zaterdagmiddag de deuren dicht, maar dat vonden ze eigenlijk het toppunt van luiheid. Vakantie lag ook moeilijk. Pas toen ik vijftien was, zijn we voor het eerst vier dagen naar Echternach gegaan. Toen we terugkwamen, zaten mijn ouders echt met de schrik: wat als alle klanten naar de concurrentie zijn overgestapt?»


Becaus «Wij gingen nooit ergens heen. Alleen op zondagmiddag was de winkel gesloten: dan reden we naar de boerderij van mijn grootouders, twintig kilometer verderop. Als kind vond ik dat leuk, spelen met de dieren en de neefjes en de nichtjes. Maar op mijn zestiende was ik die eeuwige routine beu.»


Van den Eynde «Wij gingen nu en dan op reis, naar het buitenland zelfs. Horizonten verruimen. In Lloret de Mar heeft mijn vader voor het eerst scampi's besteld. Dat vond hij toch maar niks: zo'n armzalig bordje met vier kleine beestjes (lacht).


»Mijn ouders hadden een goed draaiende zaak in Kessel, bij Lier. Mijn vader wilde geen personeel omdat niemand aan zijn strenge normen voldeed, dus moesten ze alles zelf doen: hij het grove werk, mijn moeder de fijne bereidingen en de winkel. Dat was eigenlijk te veel voor haar. Een paar jaar voor mijn vaders pensioen is ze ziek geworden van al dat zware corvee.»


Becaus «Op het eind van haar leven stond mijn moeder stijf van de reuma. Warmte is niet goed voor vlees, dus was het in het winter in het atelier bijna even koud als buiten. En daar kon ze niet tegen.»

Het volledige interview met de drie slagerszonen leest u vanaf dinsdag 10 februari in Humo 3571.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234