Vandaag 75 jaar geleden: het bloedbad van Oradour-sur-GlaneWaarom werden 642 Franse dorpelingen door de SS afgeslacht?

10 juni 1944. Op een warme zaterdag, vier dagen na de Gealliëerde Invasie van Normandië, werden de inwoners van een afgelegen dorp in Zuidwest-Frankrijk door SS-soldaten als vee bijeengedreven. In een lange namiddag van dood en vernieling werden 642 mannen, vrouwen en kinderen doodgeschoten of levend verbrand en werd hun dorp vernield. Het handjevol overlevenden begreep niet waarom de massamoord plaats had gevonden en ook geschiedkundigen zochten tevergeefs naar redenen die de zelfs voor SS-normen ongemeen wrede actie konden verklaren.

(Verschenen in Humo 2495 van 30 juni 1988)

Wat die middag in Oradour-sur-Glane gebeurde is een raadsel gebleven dat met de verschijning van het boek ‘Oradour. Massacre & Aftermath’ van de Brit Robin Mackness (1988) is opgelost. Hieronder volgt een deel van zijn verhaal: de waarheid over Oradour, hoe hij die heeft ontdekt en wat die ontdekking hem persoonlijk heeft gekost.

Ik ben voor het eerst naar Oradour gegaan in mei 1986, meer dan veertig jaar na de vreselijke gebeurtenissen die zich er hadden afgespeeld. In de tijd die ik in Franse gevangenissen doorbracht en ook na mijn vrijlating, in september 1984, had ik mijn onderzoek naar de ware toedracht van de slachting onverminderd voortgezet. En toen ik dan in 1986 Saint-Junien verliet, begon ik aan de laatste etappe van mijn reis naar de waarheid.

In de gevangenis had ik negen punten gevonden die voordien nooit waren opgehelderd, maar die nu, nadat ik Raouls verhaal van het goud had gehoord, wèl betekenis schenen te krijgen. En nu was ik dus zelf ter plaatse om te proberen alle geografische en andere details zo accuraat mogelijk na te trekken en vast te leggen.

Eerst en vooral heeft nooit iemand kunnen uitleggen waarom majoor Dickmann, op weg naar Oradour die zaterdag 10 juni 1944, een omweg maakte over het smalle kronkelige baantje via Saint-Victurnien, in plaats van de relatief veilige en veel snellere weg te nemen die van Saint-Junien naar Oradour leidde.

Die omweg heeft alleen zin als men weet dat hij eerst wou gaan kijken of het goud niet in het wrak van de truck was achtergebleven op de plaats van de hinderlagen. Hinderlagen van maquisards waren meestal ‘hit-and-run acties’: er was dus een kans dat het goud nog in de vrachtwagen lag. Hier moet ik aan toevoegen dat er geen officiële rapporten te vinden zijn over een hinderlaag in de nacht van vrijdag op zaterdag.

Ten tweede is de aanwezigheid van Dickmann op zich al buitengewoon. Na de ontmoeting met zijn divisiecommandant, generaal Lammerding, kon hij onmogelijk nog illusies hebben gekoesterd over de algemene strategische toestand: die was hopeloos, en het kwam er op aan geen tijd te verliezen en naar Normandië op te rukken om er versterking te bieden na de invasie van de Geallieerden. Dickmann was ongetwijfeld uitgeput na de beproevingen van de voorbije dagen en had al meer dan zijn handen vol met zijn verantwoordelijkheden als bataljoncommandant. Maar Raouls verhaal verschaft Dickmann voor het eerst een echt motief om zelf naar Oradour-sur-Glane te gaan: hij beschouwde zich samen met Lammerding en zijn ontvoerde kameraad majoor Kämpfe als de persoonlijke eigenaar van het goud en vermoedde dat het zich in Oradour bevond.

Ten derde: vanaf het ogenblik dat Dickmann Saint-Junien verliet, praatte hij geregeld over de boordradio van zijn auto, niemand weet naar wie en waarover die boodschappen gingen. Het lijkt me nu zeer waarschijnlijk dat hij in verbinding stond met Limoges, waar het hoofdkwartier van generaal Lammerding gevestigd was, en meldde dat majoor Kämpfe nog steeds niet was gevonden en dat er nog geen nieuws was van de verdwenen ‘divisie-archieven’.

Het was een radioboodschap die Dickmann nog verscheidene keren zou herhalen voordat hij Oradour bereikte. Het vierde mysterie van Oradour was waarom de SS alle inwoners bijeendreef die woonden tot op drie kilometer ten zuiden van de dorpskern (en niet diegenen die ten westen, ten oosten of ten noorden ervan woonden). Het zou veel efficiënter - en bovendien veel gebruikelijker -zijn geweest de slachtoffers allemaal ter plekke voor een muur te zetten en dood te schieten, in plaats van tijd te verspillen door hen te transporteren naar het centrum. Maar als Dickmann ervan overtuigd was dat zijn goud zich in Oradour bevond, dan had deze manier van optreden - de plaats van de hinderlaag in aanmerking genomen - wel degelijk zin: alle boerderijen en gehuchten ten zuiden van Oradour vielen onder verdenking.

De boeren waren die ochtend op hun veld geweest en de meesten onder hen keerden er net van terug voor het middagmaal, toen de SS-soldaten arriveerden. De meeste dorpelingen werden opgepakt en kregen het bevel op een bepaald punt te verzamelen in het bezit van hun identiteitspapieren. Sommigen werden in de truck gestopt, anderen gingen te voet naar Oradour. Niemand werd ontzien, niet eens kinderen en zuigelingen. De SS-ers staken hun bajonetten in het kreupelhout op zoek naar mogelijke ontsnapten. Ze gingen uiterst grondig te werk, en voor de weinigen die erin slaagden te ontkomen was het duidelijk dat dit méér dan een routineoperatie was. Terwijl de bange mensen in rijen werden weggeleid, zagen ze dat hun huizen in brand werden gestoken en met behulp van granaten verwoest.


Een drukke middag

Oradour was niet bepaald een schilderachtig dorp : de huizen waren vierkantig en onopgesmukt, de meeste waren bepleisterd en met een dunne laag verf beschilderd. Bovenal was Oradour een vredig oord dat tot dan toe nog niet door het oorlogsgeweld was getroffen. Zelfs in die tijd van ontbering had het nog iets van een welvarend marktplaatsje. Sommigen zouden het een stadje hebben genoemd. Er waren 254 gebouwen geregistreerd, waaronder twee hotels en een tiental winkels. Het konvooi vrachtwagens stak via de brug de Glane over, de rivier die langs het dorp liep, en reed de heuvel op die leidde naar de hoofdstraat. De eerste truck, waarin ook de twee Franse miliciens zaten die Dickmann die ochtend als tolken had meegenomen, reed helemaal tot aan het eind van het dorp.

Soldaten sprongen eruit en grendelden de uitgang van het dorp af. Een andere vrachtwagen hield halt in het midden van het dorp, bij een kruispunt waar één straat uitmondde op de rechtstreekse weg naar Saint-Junien en een andere leidde naar het Champ de Foire, het dorpsplein. De soldaten klommen uit de laadbak en namen hun vooraf aangeduide posities in. De reactie van de bewoners toen het angstwekkende konvooi met veel geraas voorbij kwam gereden, was verrassend bedaard. Als het dorp tot dan toe niet zo geïsoleerd was geweest van het krijgsgewoel, zouden de mensen bij de komst van de SS-troepen vast in groten getale zijn weggerend om wapens te halen of dekking te zoeken. Waarom de SS zo'n dorp had uitgekozen om de inwoners ervan uit te roeien, was het vijfde mysterie met betrekking tot Oradour, dat zonder Raouls verhaal nooit zou zijn opgehelderd.

Die zaterdagmiddag was er veel volk in Oradour. Het eigenlijke inwonertal bedroeg 330, maar het dorp was nu aangegroeid tot een 650 mensen. Oradour was namelijk één van de vele dorpen in de streek dat vluchtelingen opgenomen had. Er verbleven zowat dertig Spanjaarden - Republikeinse ballingen uit de burgeroorlog - en heel wat geëvacueerden uit het noorden en noordoosten van Frankrijk, onder wie 44 mensen uit Lotharingen. Er was een bijzondere school opgezet voor de 21 kinderen uit Lotharingen, waar ook een priester zijn intrek had genomen.

Die zaterdag was de dag waarop het tabaksrantsoen werd verdeeld, en heel wat boeren uit de omgeving hadden dit gebeuren als excuus aangegrepen om een bezoek te brengen aan één van de plaatselijke cafés. Er zou die middag ook een medisch onderzoek plaatsvinden voor de lokale schooljeugd. Naast de kinderen uit Lotharingen waren er 64 scholieren in de jongensschool ingeschreven en 106 in de meisjesschool.


Stuitend

Zodra de SS-soldaten hun posities hadden ingenomen, werden schoten in de lucht afgevuurd. Toen werd in de hoofdstraat een wit signaalvuur afgeschoten om de voltooiing aan te kondigen van de eerste fase van de operatie. Oradour was nu hermetisch afgesloten. De burgemeester werd ontboden en naar Dickmann gebracht op het Champ de Foire, waar ook de twee miliciens heen waren geleid. De miliciens zouden de rest van de namiddag bij Dickmann blijven. Ze hadden duidelijk het bevel gekregen niet van zijn zijde te wijken. Hoewel ze lid waren van de militie die door het collaborerende Vichy-regime was opgericht om het verzet te bestrijden, waren beide Fransen niet uit vrije wil meegekomen met Dickmann. De burgemeester kreeg te horen dat er een identiteitscontrole plaats zou vinden. Alle inwoners en bezoekers moesten zonder uitzondering onmiddellijk op het Champ de Foire verzamelen. De burgemeester vroeg of ook de ouden van dagen en invaliden moesten komen. Ook zij, luidde het antwoord, en de kinderen. Er zouden geen uitzonderingen zijn.

Monsieur Depierrefiche, de gemeentelijke omroeper, werd het dorp rond gezonden, waar hij met zijn trom het bevel bekend moest maken. Algemeen reageerde men opgelucht op het nieuws dat de heisa alleen maar een identiteitscontrole betrof. Op bevel van kapitein Kahn, de officier die door Dickmann was uitverkoren om de actie te leiden en die vermaard stond om zijn wreedheid, stormden de soldaten toen het dorp binnen, beukten de deuren in en doorzochten alle huizen. Ze vonden oude mensen die zo ziek waren dat ze niet meer konden lopen. Sommigen werden ter plaatse doodgeschoten, anderen werden naar buiten gesleept en aangepord door schoppen en slagen van geweerkolven. De bejaarde hoofdonderwijzeres van de meisjesschool werd ziek aangetroffen in bed. Ook zij werd de straat op gedwongen er naar het Champ de Foire geleid, slechts gekleed in een nachtjapon met daarover een jas. Sommige mensen probeer den te ontsnappen, maar de SS-ers die aan de rand van het dorp post hadden gevat, stonden hen op te wachten. Iemand die de weiden in rende kon makkelijk worden neergeschoten. Een jonge man viel dood neer tegen een omheining van prikkeldraad. Bij wijze van stuitende grap bond een SS-er een paard vast aan de arm van het lijk.


Schone schijn

Op het Champ de Foire sloeg Dickmann de gebeurtenissen stilzwijgend gade. Om twintig voor drie zag hij tot zijn tevredenheid dat de hele bevolking op het plein verzameld was. Terwijl hij de 650 samengetroepte mensen overschouwde, dacht Dickmann na over wat hem nu te doen stond. Er was onvoldoende tijd om iedereen aan een verhoor te onderwerpen, in de hoop dat iemand zou opbiechten waar het goud verborgen was. Hij had besloten selectief te werk te gaan. Maar voordat de volgende fase in kon gaan, werd de actie plots onderbroken. In de hoofdstraat kwam een auto aangereden die halt hield ter hoogte van het kruispunt dat naar het Champ de Foire leidde. De chauffeur stapte uit. Het bleek dokter Jacques Desourteaux te zijn, één van de zonen van de burgemeester. Hij kwam terug van een bezoek aan een patiënt. Dickmann deed alles om de nieuw aangekomene ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was.

Het was een kenmerk van de SS-techniek een redelijke uitleg voor hun acties te geven, om te vermijden dat hun slachtoffers voortijdig zouden panikeren. Vandaar dat Dickmann het erop aan legde dat de rest van de inwoners hem duidelijk in gesprek zou zien met de burgemeester en zijn zoon, de arts, wiens onverwachte komst een wilde vlucht had kunnen veroorzaken. De twee kregen van Dickmann te horen dat zich, naar verluidt, wapens en ander verboden materiaal in het dorp bevonden, en dat dertig gijzelaars vereist waren, terwijl Oradour zou worden uitgekamd. De burgemeester bood zichzelf en zijn vier zoons spontaan als gijzelaars aan, en verklaarde dat hij zeker was dat er geen wapens in zijn dorp verborgen waren.


Een kwestie van veiligheid

Het was intussen drie uur geworden en Dickmann voelde zich bepaald onbehaaglijk bij de gedachte dat hij om acht uur 's avonds al in Limoges moest zijn om verslag uit te brengen bij generaal Lammerding. Hij had nauwelijks meer dan vier uur tijd om het goud nog te vinden. Toen werden de dokter en de burgemeester bij de rest van de inwoners op het Champ de Foire gevoegd. Nu iedereen op het dorpsplein verzameld was, zou het snel - en ook ‘normaal’ - zijn geweest als de mensen ter plaatse met machinegeweren waren geëxecuteerd. Er is nooit een verklaring gegeven voor wat er toen gebeurde, en dat was het zesde raadsel in verband met Oradour.

Vrouwen en kinderen werden van de mannen gescheiden. De mannen moesten in drie rijen neerzitten, met hun gezicht gericht naar de noord en oostkant van het plein. Ze kregen te horen dat eenieder die zich omdraaide zonder waarschuwing zou worden neergeschoten.

De vrouwen en kinderen werden van het plein weggeleid en heuvelafwaarts naar de kerk gebracht. Er zouden huiszoekingen worden ondernomen, zo werd hen verteld, en intussen zouden zij veiliger zijn als ze met z'n allen in de kerk zaten.

De vrouwen en kinderen, zo'n 450 mensen in totaal, vertrokken lijdzaam naar de kerk. Het geklepper van hun houten klompen weergalmde in de straat. Een gezin dat zich in een kelder had verscholen, zou het geluid later beschrijven als geroffel van de doodstrom. Dickmann kon zich nu op hun ondervraging concentreren. Hoewel enkele vrouwen misschien wel op de hoogte waren van de plaats van het goud, zouden er volgens Dickmann beslist mannen nodig zijn geweest om een halve ton goud van de plaats van de hinderlaag naar Oradour te brengen. Hij was er zeker van dat die mannen nu voor hem zaten.

‘Verboden waar’ was een term die, ironisch genoeg, geregeld werd herhaald die middag. Een Franssprekende Elzasser die deel uitmaakte van de SS-eenheid, riep de verzamelde mannen toe: ‘Wij weten dat er wapens en andere verboden waar in het dorp verstopt zijn.’ Eenieder die iets over de schuilplaats afwist, zo ging de soldaat door, moest onmiddellijk opstaan; zodoende zou hij het dorp en zijn bewoners verdere narigheid besparen. Jean Lamaud stond op en gaf toe een jachtgeweer te bezitten waar hij echter een geldige vergunning voor had. Hij werd genegeerd en de Elzasser zette zijn betoog verder: hij vertelde de mannen dat ze in zes groepen zouden worden onderverdeeld terwijl de huizen werden doorzocht en dat ze om veiligheidsredenen naar stallen zouden worden geleid. Het klonk allemaal vrij plausibel. Alleen zij die weet hadden van de verborgen wapens en andere verboden waar, zouden geneigd zijn een ontsnappingspoging te wagen, maar nergens blijkt uit dat ook maar iemand heeft trachten weg te rennen.


De hel breekt los

De mannen werden in zes groepen weggebracht. Dickmann, die achterbleef op het dorpsplein, hoorde tumult in de hoofdstraat. Het waren de bevelen die de SS-soldaten schreeuwden terwijl ze de mannen naar de zes zorgvuldig uitgekozen bestemmingen leidden. De twee miliciens die Oradour van vroeger kenden, hadden zich uitstekend van hun taak gekweten: de SS-ers wisten precies waar ze hun gevangenen heen moesten brengen. De hele operatie verliep vlekkeloos. Maar aangezien het weekend was, bleken de stallen vol gereedschap en vee. De mannen werden dus eerst gedwongen de dieren naar buiten te brengen om plaats te maken voor zichzelf, en door dat oponthoud duurde de evacuatie langer dan Dickmann had verwacht.

Uiteindelijk kwam een sergeant hem melden dat alle mannen in de stallen zaten en dat de deuren vergrendeld waren. Dickmann stond nu met zijn twee miliciens op het kruispunt vlakbij de auto van de dokter, en kon zien dat het op enkele van zijn mannen na volkomen leeg was, en volkomen onder zijn controle. Hij knikte naar kapitein Kahn, die zijn pistool bovenhaalde en één schot in de lucht afvuurde. Dat schot verbrak de stilte die over Oradour gevallen was. Na nog een kort moment van stilte volgde het lawaai van machinegeweren, geroep en gegil. Na de knal van Kahns pistool hadden de SS-ers de staldeuren bruusk geopend, en hadden onder luid geschreeuw, het vuur geopend. Deze hele operatie duurde vermoedelijk niet langer dan 30 seconden.

In de kerk, waar de vrouwen en kinderen bijeengepakt zaten, hadden twee soldaten een geheimzinnige, zware kist binnengebracht. Op Kahns teken werden drie lonten aangestoken die uit de kist hingen. Slechts enkele seconden later vulde het gangpad zich met een dikke, zwarte rook die terreur zaaide onder de vrouwen en kinderen. Maar de enorme rookgranaat die iedereen in de kerk had moeten verstikken, bleek niet snel en doeltreffend genoeg te functioneren, en de SS-ers zagen zich verplicht het werk af te maken met machinegeweren en granaten die door de kerkpoort naar binnen werden gegooid. Ze gingen hier zo lang mee door tot ze door de rook naar buiten werden gedreven toen mikten ze de rest van de explosieven door de kerkramen. Binnenin woedde de hel. De klokken vielen met krakend geraas naar beneden, gevolgd door het brandende dak. Een SS- luitenant, Knug genaamd, kwam om toen zijn schedel werd verbrijzeld door vallend metselwerk.


Puur sadisme?

Dickmann zette intussen zijn bijzondere werkzaamheden voort. Vergezeld van de twee Franse miliciens, liep hij naar de eerste van de zes stallen en beval de SS-wachters aan de overkant van de weg te gaan staan: hij kon pottekijkers missen. Hij ging met de twee Fransen naar binnen en inspecteerde het werk van zijn soldaten. Ze hadden hun opdracht kennelijk perfect volbracht. Slechts enkele mannen waren dood. Een oude man lag tegen de muur in doodsangst te roepen om zijn vrouw. Dickmann haalde zijn pistool te voorschijn, pauzeerde even om de aandacht te wekken van de mannen die nog bij bewustzijn waren, en schoot toen de oude man een kogel door één oog. Vervolgens ging hij van de ene gewonde naar de andere en stelde vragen bij monde van de miliciens. Hij kreeg niet de antwoorden waar hij naar zocht en schoot sommige van zijn slachtoffers recht in het gezicht.

Volgens een getuige, één van de soldaten aan de overkant van de weg, bleef Dickmann een tiental minuten in de stal. Toen hij naar buiten kwam, snauwde hij zijn mannen toe dat ze hun orders verder moesten uitvoeren. Daarop keerden de soldaten terug naar de stal, namen zo veel stro en ander brandbaar materiaal mee als ze hadden kunnen vinden, en legden het op de lichamen. Het is goed mogelijk dat ongeveer de helft van de mensen in de stal nog in leven was. Slechts weinige ogenblikken later werden ze levend verbrand toen de stal in een vuurgloed herschapen werd. Zo'n tien minuten later verscheen Dickmann uit de tweede stal die net achter de verlaten auto van de arts gelegen was. De majoor was zichtbaar kwaad. De laatste stal op zijn ronde - de stal van boer Laudy - lag een stuk verwijderd van de rest. Tot Dickmanns woede stond die al in brand toen hij er arriveerde. De soldaten hadden hun orders door elkaar gegooid. Door hun achteloosheid konden ook zeven mannen ontsnappen : vier van hen brachten het er levend af. Als zij niet hadden kunnen getuigen - de enige overblijvenden van alle mannen die op het Champ de Foire waren bijeengebracht - zouden we geen details over die middag hebben gehad, behalve de onbetrouwbare, want gezuiverde verslagen van de SS. Toen de soldaten aan de stal van Laudy arriveerden, moesten ze tot hun ergernis vaststellen dat hij vol was. Ze verplichtten de gevangenen hem leeg te maken. Iemand had een radio te voorschijn gehaald - schetterende muziek, voorafgegaan door een of andere aankondiging in het Duits, loeide door de ruimte. Onmiddellijk na kapitein Kahns pistoolschot, hadden de SS-ers geheel overeenkomstig hun orders hun taak uitgevoerd. Ze hadden het aantal dodelijke slachtoffers opzettelijk beperkt gehouden: de meeste mannen in de schuur waren alleen maar in de benen geschoten. Die schotwonden kwamen zo veelvuldig voor dat ook dit deel van de operatie duidelijk volgens Dickmanns orders moet zijn uitgevoerd, hoewel niemand heeft kunnen verklaren waarom. Een andere uitleg dan pure wreedheid kon onmogelijk worden gegeven voor het pijnlijk, maar niet dodelijk verwonden van onschuldige mensen die weinige ogenblikken later levend werden verbrand.

Eén van de vier overlevenden, Jean Darthout, was twee keer in de kuit en nog eens twee keer in de dij getroffen. Zijn vriend Aliotti was in beide benen geschoten en kwam om in het vuur. Ook gendarme Duqueroy was in beide benen geraakt. Medisch onderzoek dat achteraf werd uitgevoerd op niet volledig verkoolde lijken, heeft telkens diezelfde schotwonden aangetoond. Er moest een andere verklaring dan puur sadisme voor zijn. Dat was het zevende mysterie van Oradour.


De hoop wordt kleiner

In plaats van zoals het bevolen was op Dickmann te wachten, staken de soldaten de stal van Laudy onmiddellijk in brand. De stal lag een eind van de hoofdstraat af en het was mogelijk dat de onderofficieren in het dorp de fout te laat opmerkten.

Zeven van de gevangen mannen slaagden erin via een spleet in de achtermuur uit de stal te ontsnappen en zich in een naburige stal te verschuilen. Ze waren allen zwaar gewond en drie onder hen raakten niet meer verder. Zij bezweken aan hun verwondingen of werden verteerd door het vuur dat zich tot buiten de stal had verspreid. De vier overblijvenden wisten zich uit de voeten te maken.

De enige andere overlevende van die namiddag was een vrouw die uit de kerk was ontsnapt door uit een raam hoog boven het altaar naar beneden te springen. Hoewel zij vijf zware verwondingen had opgelopen, kroop ze weg en verborg zich in een moestuin waar ze 's anderendaags op sterven na dood aangetroffen werd. Ze kon nog worden gered.

Toen Dickmann aan de stal van Laudy arriveerde, was er geen schijn van kans meer binnenin iemand te vinden die nog in leven was. Buiten zichzelf van woede verzekerde Dickmann de soldaten dat ze voor de krijgsraad zouden worden gedaagd vanwege hun domme en onoplettende gedrag. Via ondervraging had hij niet gevonden waar hij naar zocht en nu bleef er niemand meer over die nog ondervraagd kón worden. Al wat hij doen kon in de tijd die hem restte, was het dorp doorzoeken in de vage hoop alsnog op de bergplaats van het goud te stoten.

De twee Franse miliciens had hij nu niet meer vandoen en hij maakte zich van hen af door hen een kogel door het hoofd te jagen en hun lijken in de brandende stal te schuiven.

Mogelijk besefte Dickmann op dat ogenblik dat zijn operatie tot mislukken gedoemd was. Door met lege handen naar Lammerding terug te keren, zou hij de bescherming van de generaal allicht verliezen, en zonder die bescherming zou het afslachten van zoveel burgers narigheid voor hem betekenen. In dat geval was het beter zo weinig ooggetuigen te hebben. De miliciens, die tijdens de verhoren als zijn tolken hadden gefungeerd, waren de enigen, die, behalve hijzelf, de eigenlijke reden kenden voor de SS-aanwezigheid in Oradour.


Grondig werk

Dickmann gaf Kahn nu de opdracht het dorp systematisch te vernietigen. Hij herinnerde Kahn eraan dat ze zochten naar verborgen wapens en andere ‘verboden waar’.

Oradour was een robuust gebouwd dorp waarvan de huizen in steen waren opgetrokken. De schade die in slechts enkele uren tijds kon worden toegebracht, zou dus noodzakelijk beperkt blijven. Maar de SS ging grondig te werk. De huizen werden in brand gestoken en er werden granaten naar binnen gegooid zodat alle daken instortten.

Het puin werd doorzocht in een laatste vertwijfelde poging schuilplaatsen te ontdekken. Er werd niets gevonden.

Slechts één huis bleef gespaard: dat van Monsieur Dupic, helemaal aan het uiteinde van het dorp, net voorbij de tramhalte. Het was een mooi huis met sierlijke meubelen. Dat was Dickmann meteen na zijn aankomst opgevallen. Hij had het zelf doorzocht.

Hoewel het heel wat mooie snuisterijen bevatte, bleek de halve ton goud er niet te zijn verstopt. Het zat vol levensmiddelen en lekkere wijn, en de SS-ers maakten er voor de rest van de dag hun hoofdkwartier van. Nadien werden verscheidene lege champagneflessen in het huis gevonden.

Rond vijf uur 's middags begonnen de vlammen stilaan te doven in Oradour. Dickmann had nog twee uur voor hij de terugweg naar Limoges aan moest vatten. Het moeten voor hem uren van woede en frustratie zijn geweest, die hij vulde door over en tussen de brokstukken te kruipen, wanhopig op zoek naar de schat die aan de basis lag van deze hele vernieling. Zijn mannen wisten wanneer ze hun majoor best uit de weg gingen en besloten dat ze in de gegeven omstandigheden zijn voorbeeld moesten volgen. Vandaar dat de verwoesting van Oradour zonder pauze doorging tot zeven uur 's avonds.


Het gebaar

Dickmann had duidelijk te kennen gegeven dat hij iedereen aan de tand wou voelen die in Oradour woonde of die er de afgelopen twee dagen was geweest. In de late namiddag werd die belangstelling levendig gedemonstreerd toen, net als in een scène van een surrealistische film en tot verbazing van de SS-wachten die op de brug hadden postgevat, de tram uit Limoges aan kwam gereden en stipt op het voorziene tijdstip halt hield net voor de Glane.

De wachten die aan boord van het voertuig sprongen om de identiteitspapieren van de passagiers te controleren, waren dezelfde soldaten die de stal van boer Laudy te vroeg in brand hadden gestoken. Passagiers uit Oradour kregen het bevel uit te stappen. Daarop werd de conducteur bevolen terug te rijden naar Limoges met de rest van de reizigers.

Als, zoals in enkele historische werken geopperd wordt, de keuze van Oradour puur op toeval berustte, dan zou de scheiding van de trampassagiers niet de minste zin hebben gehad.

Dit was het voorlaatste mysterie van Oradour. De tweeëntwintig reizigers uit Oradour werden door de soldaten langs de oever van de Glane naar het dorp geleid.

Toen ze dicht genoeg genaderd waren, zagen ze SS-soldaten granaten in de huizen gooien. Na kort onder elkaar te hebben beraadslaagd, zeiden de SS-ers tegen de verbijsterde en geterroriseerde toeschouwers dat ze zo snel mogelijk weg moesten komen en niet naar Oradour terugkeren. Deze soldaten waren geen Duitsers, maar Elzassers. Eén van hen gaf een fiets, die hij die middag gestolen had, aan een jong meisje om haar te helpen vluchten. Dezelfde Elzasser stootte later in de avond op twee zusjes en hun jonger broertje - joodse kinderen - die door de hitte van de vlammen uit hun schuilplaats in een kelder waren gedreven.

Het oudste meisje vroeg hem bedaard wat van hen verlangd werd. De Elzasser keek om zich heen en vertelde hen dat ze alledrie zo snel mogelijk uit Oradour weg moesten zien te geraken. Het was één van de misschien twee, drie menselijke gebaren die de SS die dag heeft gemaakt. Om zeven uur 's avonds moest majoor Dickmann zijn nederlaag toegeven. Het laatste mysterie met betrekking tot Oradour was het feit dat die avond twee auto's met Duitse militairen in Veyrac waren waargenomen. Ze raasden door het dorp dat een paar kilometer verderop, op de weg naar Limoges lag. De auto's werden rond zeven uur opgemerkt en keerden later diezelfde avond terug. Over de inzittenden en het doel van de rit is lang gespeculèerd, aangezien de SS Oradour verliet om de rest van het bataljon te vervoegen in Bellac, naar het noorden toen en dus in de tegenovergestelde richting van Limoges. Die avondlijke trip zou dus totaal geen zin hebben gehad, tenzij het Dickmann was die bij generaal Lammerding in Limoges verslag ging uitbrengen. Er rest evenwel een mysterie over de tweede wagen.

Dickmanns auto was de enige personenwagen in het konvooi dat die ochtend Saint-Junien verlaten had. Als de ooggetuigenverslagen kloppen en die avond twee auto's door Veyrac reden, dan was de tweede auto vast in Oradour gestolen. Wellicht ging het om de doktersauto die in de hoofdstraat was achtergebleven. Als het inderdaad die auto was, dan is hij later die avond naar Oradour teruggebracht, want zijn roestige overblijfselen staan er nog tot op vandaag.


A la recherche du temps perdu

Ik parkeerde mijn auto aan de brug over de Glane, in de buurt van de halte waar de tram uit Limoges moet hebben gestopt. Ik stond ervan te kijken hoe klein de Glane was, nauwelijks meer dan een lieflijk kabbelend beekje. De omgeving was overal welig groen en zag er vredig uit, tot ik de brug overstak en zag wat van het dorp restte. Oradour is gebleven zoals het door de SS op 10 juni 1944 was achtergelaten. De ruïnes zijn beschermd en de tijd is stil blijven staan. De zes stallen waar de executies plaats hadden, vertonen duidelijk kogelgaten in het metselwerk. Een oude poort hangt in verroeste hengsels, het hout is doorzeefd met gaten van kogels, afgevuurd op mannen die uit de stal probeerden te vluchten. De spleet achteraan in de stal van Laudy, waarlangs vier mannen konden ontkomen, is er nog altijd. De vreselijkste aanblik biedt de kerk waarvan het dak totaal ontbreekt. Een verroeste kinderwagen, waarvan de buizen helemaal zijn vervormd, staat nog naast het altaar. Zonder al te veel verbeelding kon ik het gehuil horen van de vrouwen en kinderen die hier meer dan veertig jaar terug de vreselijkste pijnen hadden ondergaan. Toen ik er was in mei 1986, was ik de enige mens die wist waarom Dickmann naar dit dorp was gekomen. Lammerding was dood, Kämpfe was dood. Dickmann was dood. Kahn leefde nog, hij had zich in Zweden verscholen, maar ik geloof niet dat hij ooit in het geheim van het goud was ingewijd. En nu was ook Raoul dood. Hij was in 1984 aan kanker gestorven. Na de oorlog was hij teruggekeerd naar de plaats van de hinderlaag, waar hij het goud stiekem had opgegraven. Hij had er een beetje van gebruikt om een zaak te beginnen. Het was zijn wens de rest van het goud naar een plek te brengen, waar het na zijn dood veilig ter beschikking zou staan van zijn familie. Vandaar dat hij de Zwitserse bank had gecontacteerd. Ik was haast zeker de laatste persoon die wist waar Dickmanns onbegrijpelijke handelingen door waren ingegeven en waarom 642 mensen waren vermoord. Ik vond dat ik, omwille van hun nagedachtenis, verplicht was te vertellen waarom.

(Uit "Oradour. Massacre & Aftermath", Robin Mackness, uitg. Bloomsbury, Londen 1988. Neder'. bewerking : Peter Cremers)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234