Voor immer afgehaakt: het einde van de telefooncel

Deze week zal Belgacom/Proximus bekendmaken dat de laatste telefooncel begin juni uit België verdwijnt. Daarmee komt een eind aan 83 jaar bestaan. Als laatste eer vergezelt Humo hen op hun laatste tocht.

In januari bel ik met Dieter Caron (38) van de West-Vlaamse firma Petillion. Dieter is de doodgraver: in de afgelopen twee jaar heeft zijn hijskraan zo’n duizend cellen uit de grond getild. Onze eerste afspraak is aan de kerk van Sint-Joris Alken. De cel is zo’n kloeke aluminium kast van minstens dertig jaar oud die de postbus en de bushalte gezelschap hield. ‘Vandaag gaat ze weg,’ zeg ik tegen de drie omstanders. Het klinkt onbedoeld opgetogen vanwege de buitenstaander die nieuws kan brengen in Sint-Joris Alken. Niemand is rouwig. ‘Het kan niet anders, hè, meneer, iedereen heeft een telefoon op zak.’ Dieter zit in z’n vrachtwagen fel te telefoneren, en zegt dat de cel vandaag níét weggaat. Normaal moet vooraf de stroom afgesloten zijn, en dat is niet gebeurd: ‘Dat is al de achtste keer dat ik hier kom, en nog staat er stroom op.’ Ooit heeft hij zo’n niet-afgesloten voedingskabel doorgeknipt. Een knal, een steekvlam en gelukkig geen brandwonden, ‘maar de halve parochie wel in het donker’.

We rijden naar de volgende locatie. Op zijn laadbak staat één afgebroken cel. Het is Jacques Tati, zo’n belkast die levenslang stokstijf heeft gestaan en die nu met zekere snelheid door het landschap reist.

Wellen was ooit een dorp waar bokkenrijders op de brandstapel zijn gezet, en recent is het naar de 21ste eeuw geheveld met hoekig steendesign en blinkende spiralen die fietsenstallingen moeten uitbeelden. De telefooncel is een pijnlijke verrassing, ze staat gebukt onder de stellingen van een bouwwerf. Dieter vraagt voorzichtig hoelang de arbeiders denken dat de stellage zal blijven staan. Nog minstens een jaar, is het antwoord. Hallokes, de laatste Belgische cel moet over vier maanden al weg zijn.

Vroeger ging een prospecteur de afbreeklocaties vooraf bekijken, ‘maar om personeel te besparen zijn ze op Google Streetview overgeschakeld, en dan krijg je dit natuurlijk’. De Google-prospectie van de aannemer is niet altijd betrouwbaar, maar de adressenadministratie van Belgacom is dat evenmin. In de eerste maanden arriveerde Dieter ‘op tientallen plaatsen waar de cellen al jaren geleden waren weggehaald’.

'Wat krijgen we in de plaats? Er gaat alleen maar publieke dienstverlening weg, en op de duur is iedereen op zichzelf aangewezen'


Bakbeest

Het is januari en dan kan het koud zijn naast het station van Herentals. Kille bloembakken en fietsers die de sjaal steviger voor de mond wikkelen. De cel is een zogenaamd spiegelei-model: een design uit 1994, met zo’n gele dooier op het dak. België had toen 15.000 cellen en Belgacom wilde naar de 20.000. Zes jaar later brak de gsm door.



Ik blijf niet buiten op Dieter wachten. In de wachtzaal zijn er nog gietijzeren radiatoren, je kunt erop zitten en je achterste warmen. Ik ken dit station nog van in 1978. In het nabije ziekenhuis lag m’n grootvader op sterven, en met de trein kwam ik hier toe om een nacht bij hem te waken. Het perron ligt er onaangeroerd, alsof 37 jaren ongemerkt voorbij zijn kunnen gaan.



Dieter arriveert uit Leuven. Daar wilde de cel niet uit de grond en heeft-ie het ding aan stukken moeten trekken. Hier gaan de kettinghaken vlot op de cel, een korte snok van de hijskraan en de betonnen voet komt meteen los uit de stoep. In de broodjeszaak volgt een koppel vijftigers de werkzaamheden. De vrouw zegt dat de cel ‘nog frequent werd gebruikt’ en uit haar portefeuille haalt ze een Belgacom Telecard van 5 euro. Ze heeft een gsm, ‘maar als mijn batterij plat is, kan ik met die kaart in een kotje bellen’.

Dieter kreeg nabij een Oost-Vlaams station ook een telecard te zien: ‘Die man vroeg zijn geld terug. Hij was ze twee dagen eerder gaan kopen en ineens zag hij de laatste cel van zijn gemeente de lucht ingaan.’ Hij denkt dat er nog altijd telecards worden verkocht ‘alsof er nog overal cellen staan’. Enige navraag leert dat sommige verkooppunten al een half tot twee jaar gestopt zijn met telecards. De kaarten raakten niet verkocht en hadden een vervaldatum. Eén uitbaatster had haar telecards kort voor de vervaldatum ‘weggegeven aan een zwerver’. Een andere gaf wel degelijk toe dat hij ze tot eind 2014 had verkocht, in een stad waar hij zelf geen enkele cel wist staan.

Waar de Herentalse cel was, zit nu een gat in het trottoir. Een vierkante meter rul zand, sous les pavés is nog altijd la plage. Dieter vindt daarin soms bank-, SIS- en identiteitskaarten: plastic dat ooit uit een geldbeugel is getuimeld en verzand. Verder ook stukken van 5 en 20 frank. Die kaarten en valuta lagen vooral onder aluminium cellen, daar zat zo’n geniepige kier in de vloer: wie goed luisterde, kon het gesakker van de verliezers nog horen.

In de broodjeszaak bestuurt het meisje haar smartphone met een vingertip. Ze zit aan een raam dat uitkijkt op de cel, maar ze heeft geen oog voor wat 5 meter verder wordt weggevoerd. Terwijl dat een historische voorloper is van haar handscherm. Moet ik haar wijzen op dat oude bakbeest, en dat je vroeger je jas moest aantrekken, en stappen of fietsen, een zware deur opentrekken, genoeg muntstukken klaarhouden en op de kiestoon wachten, eer je d’r nog maar aan kon denken om te telefoneren? Niet dat je het als een calvarie zag. Een kleuren-tv kon toen nog de toekomst zijn.

Cel 14.524 wordt met spankabels op de laadbak geriemd en in die stramme houding verlaat ze Herentals. In 2010 werd voor het laatst haar gemiddelde gebruik gemeten: circa 18 minuten gespreksduur per week. Een enorm verschil met bijvoorbeeld 1997: toen bedroeg de gemiddelde gespreksduur per cel nog 3,5 uur per week.


Meelij

Er ligt sneeuw op deze vroege morgen en op de Antwerpse Linkeroever. Aan de Blancefloerlaan ter hoogte van nummer 183 is er geen cel te zien. Ook de haastige passanten weten van geen cel. Een fietser wijst naar een verre krantenwinkel, ‘daar kunt ge bellen’. Maar ik moet niet bellen, ik moet een telefooncel afbréken. Ik heb zelden een gsm op zak en moet in de stedelijke sporthal al vóór openingstijd op de glazen schuifdeuren kloppen: of ik met iemands gsm mag bellen? Dieter aan de lijn: het adres is fout, de cel is een kilometer verder!

'Soms is de cel helemaal overwoekerd door een grote boom, met dikke takken van boven en grove wortels van onderen. Dan moet ik aan die cel trekken tot ze aan stukken springt'

Hij staat aan een tramterminus annex park-and-ride. Met ook een winters uitzicht: de witbestoven cel en de opkomende zon boven de ingesneeuwde tramsporen. Dieter is vanmorgen al om 5 uur uit Poperinge vertrokken, hij maakt lange dagen en lange afstanden.

Op deze drukke plek met trams, auto’s en veel passage is vroeger zeker veel getelefoneerd, maar nu moet die ouwe spoetnik uit de grond. Het gras groeit over de vloer en naast de cel liggen een kapotgewaaide paraplu, een plank en een bierfles. Rond openbaar meubilair zwerft altijd spul dat nooit een meter ver geraakt.

De cel wordt simpel uit de aarde getild en zoals ze vanuit haar jarenlange onbewogenheid ineens in de verste hoek van de laadbak belandt, krijg ik meelij. Misschien omdat ze zo overdekt is met sneeuw en kou. Misschien omdat ze zo jarenlang haar plicht heeft vervuld en nu ongezien uit dit bestaan moet verdwijnen. Het was een accommodatie die meer dan een halve eeuw ten dienste stond van het publiek. Een auto gaat nooit zo lang mee en dient enkelingen; een telefooncel heeft tienduizenden gediend.


Het Rozenperk van Rijmenam

De volgende bestemming is een plein in Rijmenam. Hier heeft het gemeentebestuur postbus, bushalte en telefooncel onder een semirustieke koepel geplaatst. Een dorpsverfraaiing die het midden houdt tussen een carport en een pergola, met rozenranken tegen het gewelf. Dit is het Rozenperk van Rijmenam. Het bekende obstakel, de beruchte steen des aanstoots, het fameuze blok aan het been van Belgacom. Al ettelijke keren is Dieter hier geweest en vergeefs weer vertrokken. De gemeente heeft het gewelf al opengemaakt, maar nog altijd staat één steunpaal in de weg. Dieter belt in driftig Poperings naar zijn baas, ’t is weer Rijmenam, ’t is weer van hetzelfde. En de cel blijft waar ze is.

De samenwerking met de gemeente verloopt ook elders niet gemakkelijk. Vaak is de nabestrating van het ‘stoepgat’ een probleem. Stefaan Bellemans, Belgacom/Proximus-coördinator van de wegnames, kan ervan meespreken: ‘Elk dorps-en stationsplein is intussen heraangelegd en zowat elke gemeente heeft daarvoor een eigen plaveisel gekozen. Couleur locale in het kwadraat.’

Om de gaten te dichten beschikt de bestratingsploeg van aannemer Petillion over vijftien soorten straatstenen. Een gamma van klinkers en plavuizen dat rechthoekig, vierkant, dun, dik, grijs, blauwig, geel en roze is. ‘Maar dan nog zijn er gemeenten met ándere straattegels. Onze ploeg vraagt vooraf de juiste tegels, krijgt geen antwoord, legt dan iets gelijkends en ontvangt gelijk een klacht van de gemeente dat die tegels vloeken met de rest.’

En dan hebben we het nog niet over Brussel gehad. Daar vergeten ze vaak parkeerborden te plaatsen waardoor hij niet tot bij de cel kan vanwege de geparkeerde auto’s. Ja, Brussel, daar krijgt Dieter koppijn van.


Muizennest

Anderhalf jaar geleden waren er nog 3.800 cellen, nu zijn er nog driehonderd over. In Edegem staat de cel tegenover de kerk. Laatst gemeten gebruik: 13 minuten per maand. Dieter manoeuvreert zijn kraan tussen een tros fietsen. Een jonge gast komt af: ‘Hey! Nostalgie!’ In 1999 kwam hij hier dikwijls bellen naar zijn lief. ‘Ik zag haar overdag op school. ’s Avonds belde ik van thuis, en als mijn moeder dat te lang vond duren, kwam ik hier nog verder bellen. Babbelen, altijd maar babbelen.’ Dat lief is zijn lief niet gebleven, en nu verdwijnt die cel ook uit zijn leven, spijtig.

Een vijftiger komt een foto maken. ‘Ah ja, dees komt nooit meer terug.’ Hij heeft vroeger veel gekampeerd in Duitsland en Luxemburg en ’s avonds stond er aan elk van de vijf cellen wel vijf man aan te schuiven. Telefoneren was toen nog iets voor geduldige mensen en voor de goedkopere uren na het avondeten.

Een derde man haalt de schouders op: ‘Vroeger was zo’n kot groter dan een mens, en nu steekt zo’n telefoon in uw broekzak. Alles gaat vooruit, meneer, en wij moeten volgen.’ Pragmatische mens. Zo kan deze aardbol wel weer een lichtjaar verder.

Nog een voorbijganger neemt een foto, mét zijn telefoontoestel, en dan trekt de kraan een gat in de stoep, als tandvlees waaruit een kies wordt losgetrokken. In dat gapende zand is een muizennest te zien, met lindeblaadjes, wikkels van Milky Way en cellofaan van sigarettenpakjes.

Een 66-jarige komt vertellen dat hij nog altijd zonder gsm kan. Hij heeft geen zin in een antenne onder zijne frak. En als hem iets gebeurt waardoor hij moet bellen, dan stapt hij ‘het dichtstbijzijnde gebouw binnen en overal zijn er mensen met een gsm’.

'Op een camping wilde de uitbater ons geen toegang geven. Later zagen we dat hij stroom aftapte uit de cel. Daar hebben we snel een kortsluiting veroorzaakt: de hele camping in het donker!'


Stroom aftappen

Voor de middag wil Dieter de laatste cel van Puurs weg hebben, die staat tegen het station. Ze komt moeilijk uit de stoep van blauwe hardsteen, hij moet beitel en hamer gebruiken. De kraan trekt een tweede keer, maar alleen de camion schokt en schommelt, de cel beweegt geen centimeter. Ook volgende pogingen mislukken, Dieter kijkt ongelovig: in twee jaar is zoiets hem nog niet overkomen. Hij belt z’n baas, allicht de enige keer dat er vanuit deze cel met een gsm is gebeld, en krijgt de taak om later met een zware slijpschijf terug te komen.

We drinken koffie. Dieter vertelt van een ‘straf geval’. Op een camping werd hem ooit de toegang geweigerd, wat verdacht was. Een week later reden ze daar incognito met een auto binnen en zagen ze dat er van de cel stroom werd afgetapt voor eigen gebruik. Ze hebben toen snel een kortsluiting veroorzaakt, en hij beschrijft hoe – poef! – het licht uitging in het campingbureau. En in de campingshop. Overal eigenlijk. Alleen het purperen fluolicht van de insectenverdelger was blijven branden, ‘maar ook die vliegen vlogen in het donker’.

Hij vertelt ook van onvindbare cellen. ‘Ik kwam op een adres tussen een wei en een snelweg, daar kon nooit iets gestaan hebben, en in de huizen daarrond wisten ze ook van geen cel.’ Moet hij dan geen foto nemen als bewijs dat daar geen cel was? Nee, zegt hij filosofisch, ‘als er niks is, kun je geen foto nemen van iets wat er niet is’.

Dieter laat doorschemeren dat niemand exact weet hoeveel cellen er overblijven en waar ze staan. De registratie loopt moeilijk door al die cellen-met-stroom die langer blijven staan dan gepland. Onlangs belde een schooldirectrice van Ternat: ze wist nog een cel staan, terwijl op alle officiële papieren geregistreerd stond dat Ternat helemaal geruimd was. Het zou dus best kunnen dat tien of vijftien cellen overleven, ergens in dit land.


Stamcel

Het voorbije halfjaar heeft Dieter vooral op plaatsen geruimd waar nog lang klandizie was: aan stations, ziekenhuizen, winkelcentra, campings, recreatieparken ‘en zelfs op de binnenpleinen van kazernes’. Hij heeft ook de laatste cabine van zijn eigen gemeente geruimd. Of zo’n cel voor hem meer is dan metaal en glas? Of hij daarbij stilstaat, bij al die jaren en die tienduizenden gevoerde gesprekken? Hij schudt van nee. ‘Zo’n kotje is een kotje dat weg moet, meer niet.’ Maar dat hij wel fier is. Hij zal later kunnen zeggen dat hij de man van de laatste telefoonkotjes in België was, hij gaat er licht van blozen.

Er zijn ook altijd toeschouwers voor zijn ‘optreden’. Op de Meir in Antwerpen waren er zelfs te veel: ‘De solden waren net begonnen, daar liep een massa volk. De politie moest met zwaailichten voor m’n camion rijden.’ De cellen waren ‘prachtig van design’ en geheel in natuursteen. ‘Dat waren misschien wel de duurste cellen van heel België, en nu moesten ze kapot. En ze stonden er nog niet lang.’

Ik leer ook van ‘lastige cellen’ die zich schrap zetten tegen de deportatie. Eén cel stond aanvankelijk voor de gevel van een school, maar bij de uitbreiding van dat onderwijsgebouw zat ze ineens ín de gevel. Dieter moest een put in de stoep graven ‘tot de cel voorover in dat gat viel’. Elders werd zijn weg versperd door een frituur en moest hij 11 meter kettingen leggen om ze op afstand omver te trekken en rond het frietkot te leiden.

In Wallonië gaf het gemeentebestuur de cel soms een stenen overkapping om de wachtenden te beschermen tegen weer en wind. Nuttige dienstverlening, maar als die cel bovenaan dicht zit en onderaan met een zware voet in de grond, dan rest er maar één oplossing: de ketting rond de romp en zo lang sleuren tot ze aan stukken springt. Zo’n inkapseling kan ook in de natuur. Dieter heeft al cellen moeten kapottrekken die door grote bomen compleet overwoekerd waren, met dikke takken langs boven en grove wortels van onderen. Dat had ik graag willen zien, een boom met een deur en een lamp ’s avonds.

'In een cel naast een terras vinden we twee parasols, een regenjekker en een tuinslang. Laatst gemeten gebruik in de cel: gemiddeld één minuut per maand'


Asbest

In het recreatiepark De Ster in Sint-Niklaas treffen we een cel die dienstdoet als tuinhok. Met de jaren is het taverneterras uitgebreid tot tegen de klapdeur, en zo verschaft de cel onderdak aan twee Gerolsteiner-parasols, een regenjekker en een tuinslang. Laatst gemeten gespreksduur in dit tuinhok: gemiddeld 1 minuut per maand.

Zeker vijftig jaar oud is deze cel, getuige het fabrieksplaatje van de IJzerwerken Michel Brussel-Bruxelles en het zeer korte telefoonnummer (zonder 02). De greep van de deur telt vele krassen en arabesken: het spoor van geldstukken, trouwringen en autosleutels.

Dieter wijst naar de ruwe vloerplaten, dat is nog asbest: hij moet die verwijderen met een beschermend pak, een stofbril en een mondmasker. Zoals hij dat bedenkelijk opsomt, begrijp ik dat hij het zonder doet. Als kind in de jaren 60 zagen we nog minder risico. Wij gooiden asbestgolfplaten op een vuur, dat knalde dan fantástisch aan stukken. Elk gevaar was toen kinderspel.

In De Ster is Dieter al zés keer geweest, en telkens was de stroom niet afgesloten. Nu is de stroom wel af, maar is het grasveld zo drassig dat zijn wielen te diep zouden wegzakken bij het lostrekken. ‘Het zal voor een andere keer zijn.’

Dan maar de cel ruimen aan de achterkant van het station van Sint-Niklaas. De pendelaars passeren zonder op te kijken, alsof we een wrakke fiets op de camion gooien. Een zeventiger vindt het maar normaal ‘dat die koten weggaan’. Hij heeft een gsm met een ‘maandabonnementje van 5 euro’. Dat is 20 minuten bellen: twee keer afspreken bij de kapper, één keer bij de dokter, en dan heeft hij nog minuten over. Om naar de familie te bellen? ‘Waarom zou ik hen bellen? Zij bellen mij ook niet.’ IJzeren logica, een mens wordt harnas.

Ook hier zit een muizennest in het zand. Aangemaakt met stro, cellofaan en zilverpapier. Als Belgacom 18.000 cellen weghaalt, mag je rekenen dat vijfduizend muizengezinnen dakloos zijn geworden.

Vlak bij het station is er een beschermde kerk. Waarom beschermt men kerken en kapellen, en cellen niet? Als er één godsdienst is in dit tijdsgewricht, dan is dat toch de telecommunicatie. In 2013 belden de Belgische gsm-gebruikers 15,5 miljard minuten. Anders gezegd: op een goeie halve dag anno nu bellen we evenveel als tijdens een heel jaar in 1980.


Drilboor in spoorwegkathedraal

21 februari, een licht historische dag: de laatste vier telefooncellen van het Antwerpse Centraal Station moeten vandaag weg. Geen gemakkelijke klus, en dus treedt Dieter met twee collega’s aan in de spoorwegkathedraal. Het type arbeiders dat met de sigaret in de mond nog moeiteloos kan spreken. Al vanaf minuut één is zwaar materieel nodig: kopsleutels, beitels en hamers. Een kinderklasje stapt het station uit. Ik wenk de onderwijzer: dat kan de kinderen toch interesseren, de laatste telefooncellen van België?! Hij knikt en wil zich tot de dubbele rij richten, maar alras roept de medejuf: ‘Jongens, meisjes, oversteken én aansluiten!’ De eindterm is: voorthollen-volgens-schema.

Ook bij de pendelaars dezelfde haast en amper belangstelling. Terwijl zich precies nu een spannend conflict aandient met een opgewonden NMBS-bediende: ‘Hola, ge kunt hier zomaar niks afbreken! Wij zijn hier wel met een station bezig!’ Alsof de spoorlijn bij deze buitendeur vertrekt.

De bediende is formeel: ‘Ik wil aanvraag én toelating zien.’ Hij vraagt ook of er nieuwe cellen in de plaats zullen komen. Dieter is confuus: weten ze bij de NMBS dan echt niet dat het gedaan is met telefoneren uit de muur?!

Na overleg met een hoger echelon mag er toch worden afgebroken. De slijpschijf bijt in de sokkel, een grote stofwolk onttrekt de stationsingang aan het gezicht, maar zelfs als ze met z’n drieën gaan trekken en sleuren, komt het voetstuk amper los. Wel valt de hoorn van het toestel, slingerend in het ijle; voor immer is hier afgehaakt. Er komt zelfs een drilboor aan te pas, maar de cel verroert geen vin. Dieter zwoegt op z’n knieën, de loshangende hoorn kletst tegen z’n oren, en pas vele stofwolken later hangt de cel schuin in de riemen van de hijskraan: een bokser in de touwen, maar nog steeds niet tegen de mat. Pas als de onderste staafbouten met veel gensters zijn doorgezaagd, valt de cel met een snok voorover. Het zal drie uur duren om de vier cellen op te ruimen. Een week later staan er op die plek vier vuilnisbakken.


Blote draad

In april ga ik een laatste dag mee. Dieter is al enige tijd in Wallonië onderweg, vandaag staat Thuin op zijn planning. Een aantrekkelijk stadje met belfort en de Samber aan de voet van zijn hellende straten. Buiten Thuin komen we in een tuinwijk met kersenbloesems en frisse hagen en daar staat een aluminium cel die écht een kot is. Zo’n cabine is robuust, die kan met zijn aluminium even lang blijven staan als het Atomium, maar hier ziet de cel eruit alsof ze van de schroothoop komt. Zonder deur en zonder glas in de zijwanden. En met witte schroeiplekken waar sigaretten zijn uitgeduwd.

Dieter wijst op de laadbak, kijk maar wat hij sinds vanmorgen al heeft opgeladen: twee van de drie cellen hebben ook geen deur en glaswanden meer. Terwijl ik dat vandalisme opmeet, klinkt er een vloek uit de cel: ‘Mô vint, een blote stroomdraad!’ En dan ziet hij het omgevallen plaatje, ‘Attention 220 volt!’ – dat was dus de waarschuwing. Hier kun je vrijelijk en à volonté geëlektrocuteerd worden.

Dieter meet vooraf altijd of er nog stroom op de kabel zit, zelfs al is hem plechtig beloofd dat de stroom in alle cellen is afgesloten. Vorige week had hij weer prijs. In een cabine van Charleroi was er één kabel zonder stroom, maar een tweede, onvoorziene kabel mét stroom. Bàf, een steekvlam en een stuk uit zijn tang. En ze zijn met een blauw zwaailicht moeten komen om de buurt te depanneren. Het probleem zit ’m niet zozeer bij Belgacom/Proximus, dan wel bij de verschillende stroomleveranciers en intercommunales: die moeten toezien op het afsluiten.

'In 2013 belden de Belgische gsm-gebruikers 15,5 miljard minuten. Op een goeie halve dag anno nu bellen we evenveel als tijdens een heel jaar in 1980'


Geen deur, geen glas

Dieter toont een souvenir, een bordje met de tekst ‘Wegens Vandalisme Buiten Dienst’. Dat gaat-ie in zijn tuinhuis hangen. Het bord is Vlaams, maar volgens hem zijn er in Wallonië ‘vijf keer meer kapotte cellen dan bij ons’. Ik heb het ook kunnen vaststellen: in de landelijke gemeentes zijn de cellen nog intact, maar in de agglomeraties van Luik en Charleroi hadden de meeste cellen geen deuren of glazen zijwanden meer. Dat is een systematische werkwijze van Belgacom. Door de dalende belinkomsten en de dure vandalismereparaties is zeven jaar geleden beslist om de cellen met veel vandalisme te strippen: enkel het metaalframe en het telefoontoestel bleven behouden. Soms werd er een rood-witte metaalstrook aangebracht op de plaats van de glazen zijwanden, ‘om te voorkomen dat mensen nog tegen die glaswand willen leunen en dan uit de cel vallen’.

In Angleur staat zo’n gestripte cel. De lamp bovenin is nog intact, een doorzichtige boterhammendoos met gebruinde insecten. Naast de cel twee vuilniszakken en een geknakte bureaustoel. Een bureaustoel op straat is al ultiem nutteloos. Maar uitgerangeerd tegen die cel zijn het twee hopeloze meubelstukken naast mekaar.

Dieter heeft nog sluikstorten op zijn gsm: onder andere een foto van een afgedankte toiletpot in een cel! ‘Mèns, mèns, da wos nie normoal.’ Dat is nu Wallonië voor hem: sluikstorten en vandalisme. En ook nog eens Walen met wie hij moeilijk kan spreken wegens ‘vroeger altijd gebuisd voor Frans’. Voordien was Dieter zelfs nog nooit in Wallonië geweest, ‘tenzij dan in de bed and breakfast van Eddy Planckaert’.

In Gozée staat de cel naast de kerk en is er net een begrafenis afgelopen. De kist wordt in de corbillard geschoven en dan is het aan de cel om voor eeuwig te vertrekken. Op de zijwand hangt een papier. Iemand is z’n hond kwijt, lang zwart haar, 14 jaar, en in de bovenhoek de obscure foto van de bejaarde met zijn hond in een ouderwetse sofa. De tristesse van zo’n schrale fotokopie op een cel met graffiti.


Boze buren

Het is een dag van zon, magnolia en helle vlaggen aan de tankstations. In Châtelet sneeuwt het bloesemtrossen omdat Dieter zich een weg moet banen naast een wijde kerselaar (‘Ik heb ’m maar ineens gesnoeid’). Onder de cel ligt een mummie van een rat en een slijmnest van slakken. De buren komen niet eens aan het raam om de sloop te zien. Dat is niet overal zo: Dieter zag kwaaie omwonenden uit hun huis komen met de vraag waarom die cel weg moest. Vooral in Wallonië, ‘daar zijn precies minder gsm’s’. ‘Een bejaarde man was helemaal overstuur. Hij woonde vlak bij die cel, hij had ze heel zijn leven gebruikt. Het was alsof we zijn vast toestel kwamen wegnemen.’

In Marchienne-au-Pont is het middag en komen de kinderen uit de imposante Ecole Communale. Omdat ik met z’n vader sta te praten, geeft z’n zoontje me spontaan een kus, want wie met de papa praat, kan alleen een vriend zijn. De vader zegt dat die cellen inderdaad uit de tijd zijn. ‘Maar wat krijgen we in de plaats? Er gaat alleen maar publieke dienstverlening weg en welk bestaan houden we op de duur nog over? Een bestaan waar iedereen meer en meer op zichzelf is aangewezen.’

Aan enkele gastjes van 10 vraag ik of ze nog weten waarvoor die cel diende. Ze weten het nog, maar er kon al drie jaar niet meer gebeld worden, alles was cassé. In de krant stond dat zo’n duizend oudere cellen nog een asbestvloer hadden. In Marchienne is dat ook het geval. Dieter zit te sleuren aan de plaat, die breekt onverhoeds in stukken. Zo kunnen toch vezels vrijkomen? Hij haalt z’n schouders op: dat asbest is minder riskant dan die draden met 220 volt erop, ‘dat is pas levensgevaarlijk’. Maar ‘voor de schoolkinderen’ zal hij de plek afspannen. ‘Over anderhalf uur is de bestratingsploeg er, en die nemen alles mee.’

Er staan nu zes cellen op de laadbak, genoeg om ze weg te brengen naar het tijdelijke depot. We rijden door een buitenwijk van Charleroi, het koppel in de bushalte kijkt ze nog lang na. Telefooncellen die op reis vertrekken, die zie je nooit meer terug.


Eén van de laatste telefooncellen, vastgelegd voor de eeuwigheid:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234