Voor u handzaam opgelijst: de àllerbeste platen uit 9 decennia HUMO-geschiedenis!

Wat rolde de afgelopen 4.000 weken buiten Humo’s en baby’s nog meer van de band? Plaatjes, juist! En omdat er tussen de eerste Humoradio van 1936 en nu zoveel verschenen is dat zelfs Stevie Wonder er zijn oeuvre niet in zou terugvinden, hebben TTT-medewerkers van vroeger en nu per decennium de allerbeste elpees voor u opgelijst. Onderstaande platen houdt u voor eeuwig bij, met de rest kunt u terstond uw atoomschuilkelder gaan isoleren. Zonder dank!


★ 1936-1959: De oerknal en de heupen

We beginnen onze speurtocht naar de beste platen per decennium in de jaren 30, een tijd waarin de langspeelplaat eigenlijk niet meer was dan een handig zakje waarin je singles mee naar huis kon nemen. De elpee als kunstvorm bestond nog niet. Het was de tijd van de big bands van Benny Goodman en Glenn Miller, van de grote stemmen (Bing Crosby, Billie Holiday, Judy Garland, Marlene Dietrich, Nat King Cole, Frank Sinatra) en van eentje die het ook met de voeten kon: Fred Astaire. In het zuiden van de VS probeerden bluesmannen als Blind Willie Johnson, Son House, Lead Belly en Big Bill Broonzy zich met behulp van akoestische gitaren een weg uit de miserie te zingen. En toen de grootste onder hen, Robert Johnson, zich op 16 augustus 1938 fataal verslikte in een door een liefdesrivaal vergiftigde beker, was de 27 Club geboren: het macabere genootschap waarin Johnson later gezelschap zou krijgen van Janis Joplin, Jim Morrison, Jimi Hendrix, Brian Jones, Kurt Cobain, Richey James Edwards en Amy Winehouse.

Op een heel klein beetje oorlog na gingen de jaren 30 geruisloos over in de jaren 40. In het stof van The Great Depression in Amerika zette Woody Guthrie zijn gitaar in tegen het kapitalisme, maar in de hitparades bleven de grote namen van het vorige decennium aan zet. In Frankrijk lieten Édith Piaf en Charles Trenet van zich horen en weerklonk er vanuit een caravan met Belgische nummerplaat de heerlijkste en meest virtuoze zigeunergitaar die de wereld ooit zou kennen. Bing Crosby tekende in 1942 met ‘White Christmas’ voor de best verkopende single aller tijden; één jaar eerder had Les Paul de eerste elektrische solid body-gitaar uitgebracht, een uitvinding waar we pas in de jaren 50 en 60 goed de gevolgen van zouden dragen.

Een andere uitvinding waarvan de opgang de fifties muzikaal compleet overhoop zou gooien: televisie. De jaren 50 begonnen nog enigszins gezapig – ‘Unforgettable’ en ‘Mona Lisa’ van Nat King Cole, ‘(How Much Is) That Doggie in the Window’ van Patti Page – al liet Hank Williams in 1953 met ‘Your Cheatin’ Heart’ horen dat je ook met vlijmscherp hartzeer in de hitparades kon belanden.

De echte ommekeer begon in ’55: ‘Maybellene’ van Chuck Berry, ‘Blueberry Hill’ van Fats Domino, ‘I Walk the Line’ van Johnny Cash. En dan op 9 september 1956 de oerknal: Elvis Presley in ‘The Ed Sullivan Show’. Live op televisie: Elvis from the hips up in beeld gebracht opdat zijn sensuele heupwiegen de jeugd niet op slechte ideeën zou brengen. Maar het heerlijkste kwaad aller tijden was geschied: miljoenen kids hadden gezien wat ze met hun leven wilden doen. De rest van de fifties vloog voorbij: ‘Whole Lotta Shakin’ Goin’ On’ en ‘Great Balls of Fire’ van Jerry Lee Lewis, ‘All I Have to Do Is Dream’ van The Everly Brothers, ‘Johnny B. Goode’ van Chuck Berry, ‘Peggy Sue’ van Buddy Holly (allemaal 1957), ‘Summertime Blues’ van Eddie Cochran, ‘La Bamba’ van Richie Valens… In ’59 maakten Miles Davis en Charles Mingus met ‘Kind of Blue’ en ‘Ah Um’ als toetje twee van de beste jazzplaten aller tijden. En drie jaar later waren The Beatles er al. (jub)


★1960-1969: Kiezen is verliezen

Als het klopt dat wie de sixties écht meegemaakt heeft, ze in geen geval nog kan navertellen, ben ik de uitzondering. Ik herinner mij die jaren 60 nog haarscherp, ook al heb ik ze zeer bewust beleefd, van bijna puber tot bijna man. Natuurlijk zijn al die historische platen (‘Pet Sounds’, ‘Revolver’, ‘Let It Bleed, ‘Blonde on Blonde’) historisch, maar in mijn eigen geschiedenis komen ze toch maar als lustobjecten voor, niet als concrete souvenirs. Ik had namelijk helemaal geen geld om langspeelplaten te kopen en op de radio hoorde je ze ook nauwelijks. Dus lazen we erover. In Humo, bijvoorbeeld. De kranten deden toen nog niet aan ketelmuziek. Ik had zelfs meningen over al die meesterwerken, ook al had ik ze soms nog nooit beluisterd. Ik herinner me ook heel goed dat werkelijk niemand hier ooit van The Velvet Underground gehoord had toen, en al zeker niet van Nick Drake. Dat hun sleutelplaten nu als meesterwerken beschouwd worden, is dus louter het gevolg van creatieve geschiedschrijving.

Ik ben aan de sixties begonnen met singles, die tweedehands 19 frank kostten, omgerekend is dat 0,47 euro. De eerste die ik de mijne mocht noemen, heette ‘Apache’ en was een instrumental van The Shadows. Ik vind het nog steeds een geweldig nummer. En de tweede was ‘Hey! Baby’, van Bruce Channel. Die moet u ook maar eens beluisteren. Pure pop for now people. Toen kwam ‘The Twist’ van de fantastische Chubby Checker. En dan The Beatles (‘It Won’t Be Long’) en The Stones (‘Tell Me’) en soms ook Tom Jones (‘It’s Not Unusual’). Toen de jaren 60 bijna halfweg waren en onze haren wat langer werden, verschenen The Who, de Small Faces, Manfred Mann en The Kinks in onze levens, en later ook Jimi Hendrix, Jefferson Airplane en vooral onze werkelijke helden: The Lovin’ Spoonful, met ‘Summer in the City’ en zeker de wonderlijke langspeler ‘Hums of the Lovin’ Spoonful’. Wat er mij aan doet denken dat ik The Animals niet mag vergeten: makers van een spectaculaire reeks diep in de rhythm-and-blues gedrenkte hits, alsook van in lijstjes altijd over het hoofd geziene platen als ‘Animal Tracks’.

Wie toen ook nog gewoon mocht, was Donovan. Klonk als een elf met honing op de tong, maar schonk de wereld wel vette hits als ‘Catch the Wind’, ‘Colours’, ‘Hurdy Gurdy Man’ en ‘Mellow Yellow’, om maar een paar meesterwerkjes te citeren. Omdat wij toen nog Belgen waren en niet bang van de Franse taal, klinken in onze herinneringen ook nog altijd de mooie stemmen en dito songs van Michel Polnareff, Salvatore Adamo en Nino Ferrer door. Wat niet wegneemt dat, als we onder dwang zouden moeten bekennen wie we toen écht het liefst hoorden, we toch op hartverscheurende wijze zouden moeten kiezen tussen Aretha Franklin en Dusty Springfield.

Kiezen is, ook deze keer, verliezen. (md)


★1970-1979: Tien jaar weelde

Natuurlijk is dit lijstje wat kenners met een beperkte woordenschat ‘een momentopname’ noemen, en bovendien heeft elke luisteraar z’n afwijkingen, dada’s en persoonsgebonden nostalgie. Het zou ook interessant zijn om voor elk decennium twéé aparte lijstjes op te stellen: eentje van zij die dat decennium hebben beleefd en geleefd, en een ander van, bijvoorbeeld, mensen die na 2000 zijn geboren en de beste of, in hun ogen, minst slechte platen uit de seventies kiezen. Ook bij Humo heb je zowel recensenten van 22 jaar als eentje van 137.

Over de nummer één bestaat echter een consensus: het machtige ‘London Calling’ van The Clash. Ik zag hen in 1979 live op het concert voor Kampuchea – de politiek bewuste rockgroep trad daar uiteraard gratis op. Kijk op YouTube hoe goed ze toen waren, in de eerste plaats Joe Strummer, een natuurkracht die een tijdlang niets verkeerd kon doen: gebald, bezeten, bezield, elke zucht, elk gebaartje zit juist, en je proeft zijn ziel, zijn oprechte passie. Plus: The Clash waren een punkgroep in kleur, eentje die, zoals Elvis Costello, het juk van spuwen, veiligheidsspelden en meer-dan-drie-akkoorden-is-verraad algauw afgooiden. Op ‘London Calling’ wordt punk ingewisseld voor een uniek brouwsel van reggae, ska, rockabilly, rock en soul. Zelfs hun covers waren meesterlijk, zie de liveversie van ‘Armagideon Time’. Tip voor groepen die zich voorbereiden op de Rock Rally 2018: gevraagd wat de voornaamste ingrediënten waren van ‘London Calling’, zei Strummer: ‘Discipline. Uitsloverij. Lange uren. Geen oogkleppen.’

Dat je geen appelen met citroenen moet vergelijken, blijkt uit de nummer twee in onze lijst: ‘Blood on the Tracks’, een vrijwel perfecte plaat van Bob Dylan, de protestzanger die op dit meesterwerk bewees dat ook egocentrisch navelstaren en zelfbeklag grote kunst kunnen voortbrengen. Briljante teksten, een ziel, een bloedend hart en vooral, zeldzaam voor Dylan, prachtige melodieën en een subliem, subtiel maar bezield spelend kransje vrijwel onbekende muzikanten. Die subtiliteit heeft de Nobelprijswinnaar sindsdien nooit meer gehaald.

Popmuziek vat vaak ook een levensgevoel. Ik ben een optimist, ik zweer bij euforische, passionele, opzwepende muziek en bij warme ontroering; songs die een regenboog zijn of vuurwerk of een gezellige open haard. Ik heb dus nooit iets gehad met de in mijn oren vaal, dof, somber, kleurloos en deprimerend klinkende soundtrack bij levens in zwart-wit van Joy Division. En ik vind de boodschap van iemand als Ian Curtis, die zelfs het leven als rockster en boegbeeld niet de moeite waard vond, toch een tikje verdacht. In het genre zijn trouwens veel betere platen gemaakt: ‘Faith’ van The Cure, om er maar één te noemen.

Maar goed, des goûts et des couleurs... En uit deze lijst en de titels die de top tien niet haalden – we vergeten bijvoorbeeld nog ‘Physical Graffiti’ van Led Zeppelin, ‘On the beach’ van Neil Young, ‘Let It Be’ van The Beatles en zoveel andere – blijkt toch vooral dat de jaren 70 een decennium van muzikale weelde waren. Maar zo vergaat het alle oordelen: de herinnering is een milde oude man, je vergeet de crap en onthoudt de parels en de mijlpalen. (ss)


★1980-1989: Uiteraard mét beenwarmers

‘Dankzij de chip word ik nummer 1,’ zongen De Kreuners in 1980. ‘Remain in Light’ van Talking Heads – ook van dat jaar – is alleen dankzij rekenwerk achter de komma onze nummer één geworden, want zeven (!) platen haalden evenveel vermeldingen. En toch vinden wij ‘Remain in Light’ – lente, en relatief weinig paardenbloemen uit te steken, dit jaar – prachtiger tachtig dan de rest, een beknopte samenvatting van de lijst én het decennium. Een klein beetje omdat backingzangeres Nona Hendryx meedoet. Zij was één van de drie dames van Labelle (die van de vraag ‘Voulez-vous coucher avec moi, ce soir?’) en één van de Artists United Against Apartheid, en haar ‘I Sweat’ zit in een B-film met een aerobiccende Jamie Lee Curtis. Maar vooral omdat de plaat vooruitloopt op muziekjes die later in het decennium opduiken. Toen de Heads aan hun magnum opus werkten, was zanger David Byrne met Brian Eno aan het sleutelen aan ‘My Life in the Bush of Ghosts’, een poppenstoet vol vocale samples – Arabische zanger, radio-evangelist, duiveluitdrijver. Dé hit uit ‘Remain in Light’, ’Once in a Lifetime’, blijkt een echo van de trancerige tracks van Byrne en Eno, die pas later uitkwamen omdat er eerst samples gecleard moesten worden – toen een onvoorziene omstandigheid.

Hiphop, dan: de in deze lijst opgenomen bom ‘Straight Outta Compton’ van N.W.A. is hiphop van veel, veel later en veel meer naar het westen, maar in 1980 was het genre nog een kleine, louter New Yorkse aangelegenheid, met vooral woordspelletjes boven funky disco. Heads-drummer Chris Frantz – nochtans zo blank als een biggetje – speelde in 1979 mee op het geweldige ‘The Breaks’ van pionier Kurtis Blow.

De Afrikaanse Fela Kuti-ritmes en een song die halfweg het Midden-Oosten in wordt getoeterd (‘Houses in Motion’) zijn voorafschaduwingen van de wereldmuziek die eraan kwam. In de door Brian Eno geleverde loops, in de wriemelende jungle- en onderwatergeluidjes en in de als een modem van 15 jaar later klinkende gitaarsolo van Adrian Belew in opener ‘Born under Punches (The Heat Goes On)’ snerpt, vloeit en piept elektronica van later. Van een beest als Prince, die met het magistrale ‘Sign o’ the Times’ zeer nipt tweede wordt, kan de groep onmogelijk het funkgoud afpakken, maar Chris Frantz en bassiste Tina Weymouth doen de trein over funky sporen denderen, terwijl de zenuwpees David Byrne in de teksten een predikant en een paranoïde government man neerzet. In ‘Listening Wind’ blijkt zelfs een indiaan een aanslag te plannen.

Gaf de groep in 1980 nog om new wave, een genre waarbij ze in de begindagen weleens werden ingedeeld en dat met wat goeie wil in deze lijst wordt vertegenwoordigd door The Jesus and Mary Chain en The Smiths? Jazeker. De afsluitende doemdenker ‘The Overload’ is naar verluidt gemaakt afgaande op de Joy Division-recensies in de Britse pers, maar zonder die groep ooit echt gehoord te hebben. Als dat verhaal waar is, zijn Talking Heads én de Britse pers écht straf. (gvn)


★1990-1999: Ennui als brandstof

‘Ik weet niet wat ik zou doen als deze plaat tien miljoen exemplaren zou verkopen. Wellicht zou ik paranoïde worden, een geweer kopen en me in de bossen verschansen.’ Dat zei Thom Yorke, een paar maanden voor er van ‘OK Computer’ tien miljoen exemplaren over de toonbank gingen. De nineties: tien jaargangen gevuld met rare snuiters, zonderlingen en anti-helden die plots spreekbuizen van een generatie moesten verbeelden. De eeuwig gekraakte blik van Elliott Smith, de balorigheid van Kurt Cobain en het torment van Reznor Trent. Zelfs notoire dwarsliggers als Sonic Youth bevonden zich plots in het hol van de mainstream. Buitenstaanders Beck en DJ Shadow staan in deze lijst (of maar nét niet) omdat ze goede truukjes vonden om twintig platen in één te persen. Faith No More en Rage Against The Machine deden iets soortgelijks in de afdeling metalen. En waarom niet? Noel Gallagher destijds over de manier waarop zijn groep Oasis, verrassend snel verrassend groot geworden, tot stand was gekomen: ‘Vroeger startten mensen een eigen groep nadat ze The Velvet Underground hadden gehoord. Nu omdat ze zich steendood vervelen.’

Ennui als brandstof voor nieuwe muziek: zie ook Seattle en de grunge. De triphop van Bristol. Of Goldie: ‘Waarom drum-’n-bass uitgevonden werd? Omdat het nódig was. Ben je de laatste tijd nog naar een feestje geweest?’ U2 viel naar eigen zeggen in slaap van hun eigen jaren 80-imago en -sound, en wordt wakker in een psychedelische droom: ‘Achtung Baby’. In andere uithoeken vinden Sigur Rós, Boards Of Canada en Aphex Twin hun eigen talen uit omdat er dan tenminste iets gebeurt. Over Will Oldham wordt gezegd dat hij drie troeven heeft: het sarcasme van Dylan, de vertelstijl van Springsteen en het doodsaaie leven van zichzelf. Ten bewijze: ‘I See a Darkness’.

Dé kracht van verandering voltrok zich het helderst binnen de hiphop. Dr. Dre, Nas, de Beastie Boys. En GZA, de enige die twee keer in deze ninetieslijst figureert. Zijn ‘Liquid Swords’ waagde zich ver genoeg buiten het vaarwater van het moederschip Wu-Tang Clan om het genre (en een stuk of acht aanpalende genres) voorgoed te veranderen.

Het zegt veel over de rijkdom – én de verscheidenheid – van een decennium wanneer kunststukken als ‘Homework’ (Daft Punk), ‘To Bring You My Love’ (PJ Harvey), ‘69 Love Songs’ (The Magnetic Fields) en ‘Slanted & Enchanted’ (Pavement) uit de top tien vallen. Zie ook: ‘Bee Thousand’ (Guided By Voices), Portishead en andere Massive Attacks.

Favoriete fun fact van het decennium: Weezer kwam pas in tweede instantie bij ‘Buddy Holly’ uit. Eerst was het: ‘Oo-wee-oo, you look just like Ginger Rogers / Oh, oh, I move just like Fred Astaire’. Beste anekdote: Richard Ashcroft van The Verve en Noel Gallagher die in de vroege uurtjes werden betrapt terwijl ze stomdronken een kerk probeerden binnen te breken. Alle cafés waren gesloten en ze wilden een paar flessen miswijn stelen. Nóg een goed verhaal uit de jaren 90: na jaren stilstand, gecureerd door De Kreuners en The Scabs, kwam er weer beweging in de Vlaamse rockmuziek. Evil Superstars, Noordkaap, dEUS, Soulwax, Gorki en Dead Man Ray speelden op de klokradio. Toepasselijk: ‘The Ideal Crash’ is de enige Belgische plaat van dit hele stuk. In 1999 omschreven als ‘de frontale botsing tussen de tegendraadse rock-’n-razernij van de groep dEUS en de bitterzoete pop die zijn voorzitter Tom Barman dezer dagen ejaculeert’. In 2017 nog steeds een fantastische plaat, die niet méér naar nostalgie ruikt dan toen al het geval was. En geen enkele rare snuiter die sindsdien béter stond met een bloemetjesjurk dan Danny Mommens. Voilà, een ronde cirkel. (fvd)


★2000-2009: Alles opnieuw

En toen was daar de 21ste eeuw. Wat moet een mens in godsnaam als werkelijk álles al gedaan is? Simpel: het helemaal opnieuw doen. En nieuwe geluidsdragers uitvinden, natuurlijk. Wie de muziekwereld van 2000 vergelijkt met die van 2010, ziet een groter verschil dan tussen pakweg 1970 en 2000. Platen werden niet meer verkocht, ze werden vanaf nu gedownload. Streaming en sociale media vervoegden de dans, en terwijl de old farts zich achter het oor krabden, grepen de jeugd en de eeuwig jeugdigen hun kans. Met als gevolg: alle genres die we al kenden in nagelnieuwe, pepermuntfrisse uitvoeringen. Een decennium dat bij voorbaat werd toebedeeld aan een net-niet-generatie, werd een periode van wij-willen-alles-en-rap-een-beetje. Perfect voorbeeld: Arctic Monkeys – vier snotneuzen uit Sheffield die een waanzinnig talent koppelden aan een MySpace-pagina, en de rest was geschiedenis.

Het was een decennium dat pionierswerk verrichtte voor wat we nu, anno 2017, alweer doodnormaal vinden. Neem de niet van de studio te onderscheiden huisvlijt van de ultieme slacker Mike Skinner van The Streets. Missy Elliot en Timbaland joegen genres als hiphop en r&b het nest uit, zowel richting indie als richting mainstream. Jongens als Fleet Foxes en Bon Iver kwamen vanuit hun blokhut de berg afgerold. En die laatste had binnen de kortste keren het werk van Kanye West ontdekt.

De gescheiden subculturen van voor 2000 lijken nu wel de steentijd. En als we al geen genres mengen, dan wel tijdperken. Met je maatjes in de woestijn Black Sabbath-riffs gaan verbouwen en terugkomen met een onvergetelijk meesterwerk, zoals Queens Of The Stone Age. Of, zoals Jack White, in Detroit de blues opnieuw uitvinden, maar dan wel in autistische Piet Mondriaan-uitvoering. New Yorkse rock-’n-roll kwam niet langer uit de goot, maar werd op plaat gespuugd door The Strokes, een stel rijkeluiszoontjes die nog maar net terug waren van hun Zwitserse kostscholen. Dat we zoiets authentiek zijn gaan vinden, is dé verworvenheid van de eerste tien jaar van deze eeuw.

Ten slotte waren er ook dingen die niet veranderden. Een frêle dame uit Engeland die de hele wereld omverblies om zichzelf daarna helaas naar het zwarte gat te katapulteren: Amy Winehouse is een legende, en haar muziek pakken ze ons gelukkig nooit meer af. De grootste triomf van het decennium kwam evenwel op naam van een stelletje nukkige lieden uit Chicago. Wilco, een goeie americanagroep tot 2000, maakte met ‘Yankee Hotel Foxtrot’ een meesterwerk dat tegelijk 100 procent tijdloos en 100 procent futuristisch was. De platenfirma weigerde de plaat uit te brengen, maar Wilco was koppig en overwon. Wie de jaren 2000 echt wil snappen en voelen, gaat te rade bij Jeff Tweedy, grootmeester van de twijfelkonterij. (vc)


★2010-2017: Hiep hiep voor hiphop

Als de beste muziek gemaakt wordt in woelige tijden, stevenen we af op het summum van de muziekgeschiedenis. En de afgelopen acht jaar hebben we niks te klagen gehad. Niet dat het allemaal geweldig is geweest: EDM (Eletronic Dance Music voor de niet-fans) overspoelde de FM-golven met The Chainsmokers en David Guetta, 90 procent van alle r&b-pop klonk als slechte The Weeknd, Amerika ontdekten samen met Lady Gaga foute eurobeats en dankzij Mumford & Sons denken duizenden tieners nu dat authentieke folk ‘iets met een banjo’ is. Veel erger is het massale afscheid van veel van de sterrenmannen die de decennia hiervóór vormgaven, en van wie er twee in onze lijst zijn vertegenwoordigd met hun zwanenzang. PJ Harvey leeft gelukkig nog wél – zij rondt met ’t machtige ‘Let England Shake’ de top 10 af – en ook al is Nick Cave sinds de dood van zijn zoon en de opname van ‘Skeleton Tree’ een lege huls, toch waart hij hier nog rond met ‘Push the Sky Away’, balsem voor zijn en onze ziel.

De opvolging komt uit de wereld van de hiphop en de r&b. De artiesten die vandaag risico’s nemen, heten Kanye West, Frank Ocean, Drake en Kendrick Lamar. Alle vier goed voor minstens twee meesterwerken per kop, maar het is die laatste die zijn eigen hoofdstuk verdient. Met ‘Good Kid, m.A.A.d. City’, de ultieme hiphopplaat, een film in CinemaScope over het boefjesleven en de weg naar buiten, en met ‘To Pimp a Butterfly’, waarin Lamar zestig jaar zwarte muziek samenbalde in een weergaloos kunstwerk waar we nog altijd niet klaar mee zijn.

Voor een genre waarvan het overlijden al vaak is aangekondigd, blijft indierock anno 2017 nog verdacht veel tekenen van leven vertonen. Zo moet Vampire Weekend z’n eerste misstap nog zetten. ConorBright EyesOberst heeft er wél al een paar achter de rug, maar maakte nu ‘Ruminations’ (net buiten de top 10 gevallen). Beach House, Deerhunter en Tame Impala leverden hun beste werk, een gebroken Sufjan Stevens hoestte ‘Carrie & Lowell’ op en Arcade Fire bewees met ‘The Suburbs’ dat ‘Funeral’ niet hun hoogtepunt was. En dan was er nog de plaat die de voltallige redactie het meest de adem afsneed: ‘Lost in the Dream’ van The War on Drugs, een americanaplaat die evengoed naar synthesizers greep, die ontstond uit gelijke delen ambitie en visie, die heel diep gaat maar evengoed vlakaf róckt. De beste Bruce Springsteen-plaat die nooit door Bruce Springsteen gemaakt is. Benieuwd of daar tegen 2020 nog iemand overheen kan. (vvp)

Het TTT-panel: Jurgen Beckers, Vincent Cardinaal, Mark Coenen, Marc Didden, Marnix Peeters, Nicolas Quaghebeur, Serge Simonart, Frank Vander linden, Frederick Vandromme, Gert Van Nieuwenhove, Vincent Van Peer, Marc Van Springel en Katia Vlerick.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234