'VOS': lees de exclusieve voorpublicatie uit de biografie van Luc De Vos

Dit najaar is het drie jaar geleden dat Luc De Vos is gestorven. Voor de nieuwe biografie ‘VOS’ ging de Nederlandse journalist en schrijver Leon Verdonschot praten met familie en vrienden van Luc. In deze exclusieve voorpublicatie beschrijft hij de jeugd van ‘Vos’ in Wippelgem. ‘Luc fantaseerde hardop over een leven met geld en vrouwen in overvloed, een leven waarin hij meer op Freddie Mercury zou lijken dan op om het even welke inwoner van Wippelgem.’

'Luc was onze prins. Hij kreeg veel meer, maar er wás ook veel meer'

Een jaar of 10 was Luc De Vos toen hij het zijn moeder vroeg. ‘Kinderen, ma, hoe komen die er eigenlijk?’ Haar antwoord was kordaat. ‘Da komt allemoale vanzelfs.’

Het was volgens de kalender 1962 toen Luc De Vos werd geboren, maar hij kwam in meerdere opzichten ter wereld in een vooroorlogs gezin. Zijn vader Robert was van 1912. Zijn moeder Irma, met wie Robert in de oorlog was getrouwd, was vijf jaar jonger. Maar ze was wel al 45 toen ze beviel van Luc, haar zevende kind, en door een leeftijdsverschil van acht jaar met nummer zes een klassiek nakomertje.

Raymond, Solange, Nicole, Bea, Mark, Erik. Acht jaar later en zeer ongepland: Luc. Zus Nicole: ‘Dat ze zwanger was, acht jaar na haar laatste zoon, dat was een tijdlang wel een onwennig idee voor moeder. Ze was er zelfs even verdrietig over. Maar dat veranderde al snel. Luc was zeker welkom.’

De visie van Robert en Irma op het leven stamde niet uit de jaren 60, maar van ver daarvoor. Werken, niet dromen. Heb je zorgen? Bidden, niet praten. Zo was het leven in Wippelgem Eindeken, aan de achterkant van de Burggravenstroom, in het Meetjesland. Plat land, waterland. Wippelgem ligt vlak bij het dorp Sleidinge, geboortegrond van de voormalige premier Wilfried Martens en in ‘Ex-drummer’ van Herman Brusselmans de plek waar de drie gehandicapte muzikanten van The Feminists meedoen aan de Eerste Grote Rockprijskamp. Wippelgem ligt ook vlak bij Ertvelde, waar Eddy Wally zijn eigen feestzaal had, Paris-Las Vegas.

Wippelgem zelf had niets van dergelijke frivoliteiten. Het had wel de Gerardsmolen, die drie jaar na Lucs geboorte werd gerestaureerd. En Wippelgem had een enorm gebied aan kasteelgrond rond het Kasteeldomein uit 1375, waar de ‘Ecce Homo’ van Jeroen Bosch nog een tijd had gehangen. Recht tegenover het kasteel lag de Boskapel, waar Luc later zijn eerste communie zou doen, waar hij zou trouwen, waar zijn zoon zou worden gedoopt en waar de begrafenisplechtigheid van zijn moeder zou plaatsvinden. Wippelgem was, kortom, zeker geen onooglijk gat, maar een gat was het.

Vader was fabrieksarbeider in de staalindustrie. Sadaci heette de fabriek, in het uitdijende Gentse havengebied. Luc had geen idee wat zijn vader er precies deed. Hij zag hem ’s ochtends vertrekken op zijn brommer, en ’s avonds kwam Robert terug om te eten en zich daarna naar de tuin te begeven. Zwart van het roet, schreef Luc weleens op. ‘Daar klopt niets van,’ zegt zus Solange. Ze maakt er een wegwuifgebaar bij, en voegt eraan toe: ‘Zoals van vrijwel alles wat hij over zijn jeugd heeft geschreven niks klopt. Wij waren een modern en mooi gezin, en daar is in zijn schrijfsels niets van terug te vinden.’ Broer Erik, vergoelijkend: ‘Luc had gewoon een levendige fantasie. Wij zijn nooit iets tekortgekomen. Altijd mooie kleren gehad, nooit honger geleden. Maar daar moest wel voor gewerkt worden.’

Er was liefde, maar die werd niet uitgesproken en zeker niet fysiek getoond. Geen knuffels, geen zoenen, wel zorgzaamheid. Warmte, maar niet in woorden. Vader was kort van stof, moeder aanmerkelijk langer. ’s Ochtends ontbeet het gezin samen aan de grote tafel in de keuken. Kaas, worst van de goede slager, paté uit Gent. Moeder Irma hechtte niet alleen aan beleefdheid, nette kleding en goede omgangsvormen, maar ook aan goed eten. ‘Moeder was een fiere vrouw,’ zegt Erik. ‘Fier en kieskeurig. Haar regels waren duidelijk: u deftig kleden, niet gemeen zijn, niet liegen, stelen of bedriegen, en niet te veel over seks praten. Geen onkuisheden dus.’

Irma was op haar 14de al begonnen met werken, als dienstmeid bij rijke mensen. En ze was van de oorlogsgeneratie: geluk is een volle koelkast. Met kerst zat iedereen rond de kerstboom, zong liedjes, dronk chocolademelk en at Gentse mastellen met kaneel. Soms liepen ze met zijn allen langs de Burggravenstroom, naast de Schelde ooit de enige waterweg van Gent naar de zee. De grote eettafel had acht stoelen, en die waren vaak allemaal bezet. Erik: ‘Alleen vader was vaak afwezig, omdat hij dan werkte. Als hij namiddagdienst had, werkte hij tot negen uur ’s avonds, bij nachtdienst tot vier of vijf ’s ochtends. Maar moeder zorgde altijd dat er eten voor hem was als hij thuiskwam.’

Vader Robert was zelf van boerenafkomst en hij had het kleine boerenbedrijf van zijn schoonvader overgenomen. Achter het huis hield hij koeien en varkens. Als de grote vakantie begon, was hij op zijn land te vinden. Op zijn 58ste zou Robert De Vos met brugpensioen gaan en zou hij er hele dagen doorbrengen.

Hij stak preien. ‘We hadden er wel vijfentwintigduizend in onze tuin,’ zegt Erik. ‘Dat kan niet,’ zegt Nicole stellig, ‘maar zeker wel tienduizend.’ ‘Dan toch zeker twintigduizend,’ houdt Erik vol.

Aardappelen teelde hij ook. Er bestonden inmiddels machines om die te rooien, maar die hadden ze nog niet, dus dat moest handmatig. De kinderen moesten meewerken. Steken, rooien en anders wassen of kuisen: er was altijd wel iets te doen. Voor iedereen. Op één na: Luc. Die mocht spelen.

Als Luc niet speelde, dan droomde hij. Ook hardop. Zijn fantasie was groot. In de ogen van zijn broers en zussen had Luc dan ook een koninklijk leven. Erik: ‘Luc heeft, in tegenstelling tot wat hij later soms heeft beweerd, een zeer mooie jeugd gehad. Er was altijd iemand voor hem thuis. En zijn moeder en zussen deden alles voor hem. Nooit iets moeten doen, altijd in de watten gelegd.’ Nicole: ‘Luc was onze prins.’

‘De opvoeding die Luc heeft gehad, was een totaal andere dan die van ons,’ zegt Erik. ‘Hij kreeg veel meer, maar er wás ook veel meer. Sinterklaas kwam zelfs langs in de fabriek van vader om cadeautjes voor de kinderen uit te delen. Dat hadden wij nooit meegemaakt.’

Vader was de baas in huis, moeder in de keuken. Robert De Vos was voor duidelijkheid. Erik: ‘Als hij zei dat je iets vandaag moest doen, dan moest je het vandaag doen. En met zeven kinderen moet je natuurlijk weleens je stem verheffen.’

'Luc zou kunstenaar worden volgens de meester. 'Oei, oei,' zei moeder, 'dat zijn allemaal armoezaaiers''

Robert De Vos was ook zuinig: elke grote uitgave was wat hem betreft overbodig. Geld moest niet rollen, maar stilliggen. Bovendien hield hij niet van veranderingen. Alles was goed zoals het was, zo was het immers al jaren. Alle grote uitgaven in huize De Vos werden gedaan omdat Irma het daar tijd voor vond. Een badkamer, één van de weinige onderwerpen waarover de kinderen hen echt woorden hoorden hebben. Een Amerikaanse keuken. De televisie kochten ze aanvankelijk vooral om de serie ‘Wij, heren van Zichem’ te kunnen zien. Een echte wc in huis, in plaats van die houten bak boven een aalput, waarvan de inhoud elk jaar werd uitgestort over het land, over de aardappelen en preien die uiteindelijk weer in diezelfde aalput terechtkwamen. Zus Solange: ‘Daar moest wel hard voor gespaard worden.’ Zelfs het toilet vond Robert verspilling, met al dat water.

'Met vader Robert en moeder Irma. 'Er was liefde, maar die werd niet uitgesproken en zeker niet fysiek getoond.'

Aan Wippelgem Eindeken woonden geen twijfelaars, geen creatievelingen, maar werkers. Nuchtere mensen, mensen die maat weten te houden. Alles wat Luc niet was, alles wat Luc niet werd. Luc ging naar de bewaarschool, de voorloper van de kleuterschool, en daarna naar de gemeenteschool van Wippelgem, een dorpsschooltje met twee onderwijzers en dertig jongens. Iedere dag op die school was een blije dag, zou Luc veel later in Humo zeggen.

‘Vooral de twee jaar met meester De Vos als leraar was een gouden tijd,’ zegt jeugdvriend Franky. ‘Als de grote vakantie gedaan was, vond niemand het erg dat de school weer begon. Het was alsof de zomervakantie gewoon doorging. De zomers zullen nooit meer zo ruiken als toen. Het was alsof we de hele wereld aankonden.’

‘Meester De Vos had op zijn lessenaar altijd een appel liggen. Die lag er dan een paar uur voor hij hem opat. Af en toe poetste hij hem op. Op een ochtend draaide hij zich om naar het schoolbord om aantekeningen te maken, en toen sloeg Luc toe: hij pakte de appel, nam er een grote hap van, legde de appel met de hap eruit aan de onderkant terug op het bureau, en slikte de hap snel door. Tien minuten later begon meester De Vos zijn appel te schillen. We zágen hem gewoon afwegen wat hij moest doen. Meester De Vos heeft zijn appel verder geschild, en er niets van gezegd. Dat was zo mooi. Andere meesters in die tijd deden aan lijfstraffen, meneer De Vos niet.’

'Aan het Sint-Lievenscollege. 'Plots kwam Luc op een nieuwe school waar hij niemand kende, en dan nog op internaat. Hij zei niks, hij deed niks.'

Als Luc op school een opstel schreef, zei meester De Vos dat het wel iets korter mocht, zegt Franky. ‘Hij zei tegen Luc: ‘Niet meer dan vijf pagina’s, hè?’ Anders bleef hij maar bezig.’ Broer Erik beaamt: ‘Zijn opstellen waren al zijn eerste boeken.’ Zijn lievelingsmeester zei tegen Irma dat Luc slimmer was dan hij zich voordeed. En dat hij kunstenaar zou worden. Erik: ‘‘Oei, oei,’ zei moeder. Want kunstenaars, dat waren allemaal armoezaaiers.’

In de herfst knikkerde iedereen en in de winter speelden ze Dikke Bertha, waarbij je moest proberen elkaar van de grond te tillen. Het was een zeer fysiek en tamelijk lomp tijdverdrijf, maar Luc was er gek op. Van vechten hield hij niet. Franky: ‘We zijn een keer op schoolreis geweest samen met de school van Evergem: met z’n allen naar Bobbejaanland. Onderweg gingen ze al aan het vechten. Zij van Evergem, wij van Wippelgem: dat was reden genoeg. Luc en ik hebben ons toen verstopt in een rioolbuis tot het voorbij was.’

Bobbejaanland in Lichtaart: dat was al een hele reis. ‘We zijn echt in een cocon opgegroeid,’ zegt Franky. ‘De schoolreis ging naar Bobbejaanland of naar Gent. We stonden in het stadhuis ademloos naar een maquette van Gent te kijken, met een lichtspel erbij. Of een schoolreis naar Opglabbeek in Limburg, dat was iets exotisch, dat geurde naar iets nieuws. Normaal gesproken kwamen we ons dorp niet uit. Later gingen we in de zomer een week naar de kust met de fiets, en daar namen we de tram naar Blankenberge. Dat was het walhalla: daar hadden ze bruine kroegen en muziekcafés.’


De dood die komt

Het bidprentje meldde dat Robert De Vos, echtgenote van Irma De Puydt, geboren in 1912 en ‘godvruchtig overleden’ op 29 juli 1971, niet bezorgd was om zichzelf, maar alleen verwachtingen voor het geluk van zijn gezin had. ‘Gewoon was zijn leven, zoals brood en wijn in de eucharistie gewoon zijn, maar zij zijn het niet. Zij drukken het mysterie van Gods liefde uit. Ook zijn schijnbaar gewone dagelijkse leven was eveneens vol van het geheim van de liefde, die alleen maar hoop en verwachtingen koestert voor anderen.’

Kanker maakte een einde aan dat schijnbaar gewone dagelijkse leven. Longkanker. Het woord viel niet in de spreekkamer, waar Robert De Vos aan de dokter vroeg hoeveel kans hij had. Dat wist hij niet, zei die. Wat hij wel wist: een mens geeft zichzelf niet op. Nicole hoorde het de dokter zeggen en keek naar haar vader. Die zweeg. De dokter zei ook niet dat ze hem gingen opereren en een stuk van zijn long zouden verwijderen. Maar wel: ‘We gaan een nieuwe mens van u maken.’ Robert vroeg: ‘Denkt u dat u dat kunt?’

Bang was hij, doodsbang. Voor wat zou volgen, voor de waarheid, voor de dokter. Voor de rit naar het ziekenhuis, want er kwamen steeds meer auto’s op de Vlaamse wegen en in de krant stonden steeds vaker berichten over ongevallen. ‘Ik zag mijn vader voor het eerst hardop wenen,’ herinnert Erik zich, ‘en mijn moeder ook. Het waren zware maanden.’

Ook thuis viel het woord ‘kanker’ niet. Het ging niet goed met vader, dat was alles wat de kinderen wisten. En dat hij zijn best zou doen, want dat had hij gezegd, in die woorden. Thuis nam Nicole veel taken op zich, ze was als verpleegster gewend om de naderende dood in de ogen te kijken.

In het ziekenhuis kwam Robert op een aparte kamer te liggen, vanwege de ernst van zijn toestand. Zijn adem rook bedorven, zijn hoest klonk naar de ziekte die niet werd benoemd. Zijn kinderen bezochten hem daar geregeld, alleen Luc de laatste weken niet meer. Op de vrijdag vóór de dinsdag dat Robert De Vos overleed, was hij bovendien op vakantiekamp gestuurd naar Middelkerke, bij de christelijke mutualiteiten, met zijn kleren in een kartonnen doos. Nicole belde de leiding en vertelde dat Luc zijn vader was overleden.

Luc ging niet meteen met de bus terug naar huis, maar werd pas vrijdag door de aalmoezenier naar huis gebracht. In de auto baden ze nog een weesgegroetje. Nicole ziet de auto nog voorrijden. ‘En Luc uitstappen. Wenend, zoals wij allemaal.’ Toen ze Luc drieënveertig jaar later het bidprentje van zijn vader toonde, zei hij dat hij dat nog nooit had gezien. ‘Hij was geschokt. Ik dacht toen: misschien hebben we ons destijds te weinig bekommerd om zijn verdriet.’

Iederéén in het huis was verdrietig, maar het waren niet de jaren waarin de mens zijn gevoelens onder woorden bracht. Niet de jaren, en niet het huis. Zes weken lang liepen de broers en zussen rond met een rouwband om hun bovenarm. Twee weken na de dood van Robert vroeg Irma aan Nicole: ‘Vader is toch niet aan kanker gestorven?’ Het was de eerste keer dat ze het woord uitsprak, en Nicole wist toen dat het lang zou duren voor haar moeder de dood van haar man verwerkt zou hebben.

Het werk in de tuin, met al die aardappels en die misschien wel vijfentwintigduizend preitjes: het ging nog even door, maar het liep al snel fout. Na de oogst werd alles afgebouwd en weggedaan. Ook de dieren. De varkens, de twee koeien, de kalfjes. Allemaal, op een paar konijnen na. Broer Erik: ‘Binnen de vier maanden waren alle dieren weg.’

Het gezin leefde voortaan van een weduwepensioen, zonder extra inkomsten van de verkoop van wat er zoal groeide op het veld, dus het inkomen viel fors terug. Het huis werd ook leger: na de oudste zoon Raymond trouwde ook Mark en die verliet eveneens het huis. De bruiloft was in dezelfde week als de begrafenis van vader. Afgelasten was niet mogelijk: alles was al geregeld en besteld, en iedereen uitgenodigd. Wel werd de bruiloft soberder dan eerst bedoeld was. Het diner ging door, het dansen niet. Luc mocht opnieuw een kamer in huis doorschuiven. Nicole ging als laatste van de broers en zussen het huis uit toen ze trouwde, op haar 36ste. Moeder Irma was er niet gelukkig mee en liet dat ook merken. Erik: ‘Ik denk dat moeder zeven of acht jaar nodig heeft gehad om over de dood van haar man heen te komen. Ze heeft enorm afgezien. Ze heeft troost gezocht bij Luc, ze heeft zich aan hem vastgeklampt. En Luc klampte zich vast aan haar.’

'Weet ge wat, Bock? We beginnen een popgroep. Koopt u ook een gitaar!'


Leute maken

Zijn moeder en Nicole namen samen een besluit dat Luc slecht zou bekomen: ze stuurden hem naar het internaat. Niet zozeer uit angst hem niet aan te kunnen, maar vooral omdat zijn moeder vreesde dat ze hem te veel zou verwennen. Dat hij dan niet zou presteren op school, want zoveel aanleg leek hij niet te hebben. ‘Ze zag hem zo graag,’ zegt Erik, ‘dat ze bang was zwak voor hem te zijn. Hij kreeg altijd wat hij vroeg.’

Het internaat, met die strengheid en die enorme nadruk op schoolse prestaties, heeft volgens Erik vast veel jongens gesterkt, maar Luc niet. Niet voor niets noemt hij Luc opeens ‘Lucske’. Ook jeugdvriend Franky zegt hoofdschuddend: ‘Na de jaren met meester De Vos moet het contrast enorm zijn geweest.’

De school lag in Gent, ruim een uur met de bus vanuit Wippelgem, waar Luc iedere watergeul en iedere dorpsgenoot kende. En elke straat – al waren dat er maar een paar. Als Luc op vrijdag thuiskwam, maakte Irma zijn lievelingseten. Net als op zaterdag. En op zondag.

Een paar weken duurde het, toen durfde zijn medescholier Wim De Bock op het Sint-Lievenscollege aan de Zilverenberg het hem te vragen. Waarom deed Luc niet mee met voetballen, of met wat dan ook, maar stond hij tijdens pauzes altijd op dezelfde plek naast de toegangspoort van de school? ‘Omdat dat het dichtst bij de uitgang is,’ antwoordde Luc.

Wim: ‘Die overstap van Wippelgem naar het Sint-Lievenscollege was voor hem veel te groot. Van die paar straten van Wippelgem waar hij na vijf minuten van school terug was bij moeder, kwam hij plots op een nieuwe school waar hij niemand kende, en dan nog op internaat. Hij zei niks, hij deed niks.’

Toen de christelijke mutualiteiten een skikamp organiseerden naar het wintersportdorp Fiesch in Zwitserland, had zijn moeder Luc ingeschreven. Toen Wim in de koude januarilucht op de dag van het vertrek op de speelplaats van de school kwam, zag hij Luc staan, en vermoedde hij dat die er precies zo over dacht als hij. Hij sprak Luc aan en zei dat hij helemaal geen zin had in deze reis, maar dat hij van zijn ouders mee moest. Wim: ‘Luc zei: ‘Trek het u niet aan, Bock, we gaan leute maken.’’

En precies dat deden ze, een week lang. Ze kozen elkaar als kamergenoot en lachten. Om elkaar, om anderen, om alles. Toen één van de kampleiders, uitgerekend degene die maar bleef herhalen dat iedereen netjes moest aansluiten, uitgleed en in een ravijn stortte, bleven ze er bijna in. ‘Zelfs nog voor we zeker wisten dat hij niet dood was.’

Was er niks te beleven, dan verzonnen ze wel iets. Ze verzonnen een hond, Asker, die ze tijdens het eten voerden. Niemand begreep er iets van, maar dat maakte het alleen maar leuker. Met Luc kon je lachen en hij verstond de kunst een grap zo vaak te herhalen dat de grap een verbond sloot: iedereen die er de eerste keer niet bij was, werd een buitenstaander.

'Schoolfeest op het Sint-Lievenscollege, 1980: (v.l.n.r.) Wim De Bock, Zygmund Recki en Luc De Vos.'

In het najaar van 1975 nodigde Luc Wim bij hem thuis uit. ‘Maar waar woont gij, Vos?’ ‘In Wippelgem,’ antwoordde Luc. ‘Eindeken 21.’ Thuis zocht Wim Wippelgem op een kaart op. Tien kilometer van zijn eigen woonplaats Mariakerke, in het verlengde van die lange Industriebaan. Die kende hij wel, hij had alleen nooit geweten waar die eindigde.

Toen hij de straat in fietste, zag hij Luc al voor zijn raam zitten. Hij was enthousiast en nodigde hem meteen op zijn kamer uit. Daar op zijn bed lag de reden van zijn enthousiasme: de twaalfsnarige gitaar die zijn broer Mark, inmiddels getrouwd en het huis uit, hem had gegeven, samen met zijn banjo. Luc pakte de gitaar op en speelde. Hij had duidelijk geoefend.

De kamer was opvallend kaal. Voornamelijk spullen die zichtbaar van oudere broers afkomstig waren. Van broer Erik was ook een poster blijven hangen: de filmposter van het voorzichtig erotisch getinte ‘Bilitis’ uit 1977, zo bevestigd met plakband dat hij snel kon worden omgedraaid als Irma de kamer betrad. Ze luisterden naar muziek op een primitieve platenspeler. Zijn platencollectie bestond uit de muzikale overlevering van zijn broers en zussen, van ‘’k Zou zo gere willen leven’ van Walter De Buck tot ‘De laatste dans’ van Anja van Avoort. Naar welke bands ze nog meer moesten luisteren, lazen ze in Humo.

'Een jamsessie met jeugdvriend Wim De Bock. 'Ik weet een goede naam: The ­Bocking Fox!' 'Godverdoeme, ja!'


Hippie worden

Op school bloeide Luc langzaam open. Hij kreeg door dat hij grappig was: hij kon onder meer volledige sketches uit de ‘Dik Voormekaar Show’ van André van Duin uit zijn hoofd voordragen. Hij kwam ook met al zijn grappen weg: niemand werd ooit echt boos.

Toen Eddy Merckx in 1976 opnieuw zegevierde in Milaan-Sanremo, belde Wim, die zo snel mogelijk naar huis was gefietst om Merckx live aan het werk te zien, Luc op om samen te vieren. Die had geen idee over wie of wat Wim het had. Nee, dan de muziek; daar praatten ze vaak over en die beleefden ze samen. Toen Luc Bruce Springsteen op de radio had gehoord, fietste hij vijftien kilometer naar Gent en vijftien terug, om in de Bilbo zijn nieuwe lp ‘Darkness on the Edge of Town’ te kopen en dan samen te beluisteren, keer op keer, en zijn teksten te analyseren.

De zanger die hij het hoogst had zitten, was Freddie Mercury. Dat begon toen hij in 1975 bij ‘Toppop’ de videoclip van ‘Bohemian Rhapsody’ zag. De zanger leek wel van een andere planeet. Een man die de schaamte voorbij was, zoveel was duidelijk. Het spiegelbeeld van de gemene deler. Niets, maar dan ook niets had die zelfbevrijde, hedonistische opperjanet te maken met het Vlaanderen van de jaren 70, waar de verzuiling je nog steeds in een rechte lijn van je doopsel via je communie, je katholieke school, de katholieke jeugdbeweging, na een levenslang abonnement op je katholieke dagblad en lidmaatschap van de katholieke vakbond naar het katholieke rusthuis leidde, ter voorbereiding op je kerkelijke begrafenis. Luc sloot Freddie Mercury in zijn hart, en toen hij later de verhalen hoorde over diens decadente feestjes waar cocaïne vanaf schalen op het hoofd van lilliputters werd gesnoven, werd de liefde alleen maar groter: Mercury had theater en decadentie verheven tot levenskunst.

Luc had nog meer fascinaties. Hippies bijvoorbeeld. Hij was als 7-jarige weleens met zijn moeder met de bus naar Gent gegaan om met eigen ogen te zien dat daar, net als op de Dam in Amsterdam, inmiddels ook hippies zaten. Zijn moeder vond ze afstotelijk, in hun afkeer van netheid, arbeidsethos, godsvrucht en álles waar ze belang aan hechtte. Maar Luc zei toen al dat hij later een hippie wilde worden. Nicole: ‘Hij wilde ook een jeansbroek, maar dat mocht niet. Moeder zei altijd: ‘Mijn kinderen moeten netjes zijn.’ Met de flowerpower en zo kon ze niet omgaan, al werd ze met de jaren wel toegeeflijker. Maar Luc wilde nu eenmaal altijd zijn goesting doen.’

Behalve op zijn kamer hing Luc graag hele weekends en vakanties rond in de oudemannencafés vol dronkenlappen. Die mannen hadden iets belangrijks gemeen met hippies: ze deden de hele dag niks. Daar hield Luc van. Luiheid was meer dan een deugd, het was een statement. In Wippelgem was er zo’n kroeg vol vaste gasten, Santana, maar dergelijke cafés vond je nog meer in Gent, toen nog een wat verloederde stad, en dan met name in het Patershol, waar Luc en Wim zich voor een dag één voelden met de vele alcoholisten.


Geld en vrouwen

In 1978 ging de klas opnieuw op schoolreis, nu naar Parijs. ’s Avonds liepen de scholieren samen met hun leraren door de stad. Ze zagen enkele zwarte mannen staan die juwelen op een uitgerold tapijt verkochten. Dat vonden ze spannend, want zulke mannen had je niet in Evergem. Ze hadden net voldoende woordenschat om een gesprek met die mannen aan te knopen. Toen ze uitgepraat waren en Luc en Wim om zich heen keken, bleek de rest van de groep doorgelopen.

Ze waren 16, het was nacht, ze waren in Parijs en ze vonden het geweldig. Dat hun hotel ergens in de buurt van de Champs-Elysées lag, herinnerden ze zich nog, dus dat zouden ze wel terugvinden. Maar eerst viel er een wereld te ontdekken. Een wereld waar de gezichten van Jean-Paul Belmondo en Catherine Deneuve op de gevels van bioscopen hingen, waar de restaurants oogden als in films, waar uit ieder steegje een wereld leek op te doemen die werkelijk spannend was, en die beleefd diende te worden. Géleefd vooral, en wel door hen.

Luc fantaseerde hardop over een leven met geld en vrouwen in overvloed, een leven waarin hij meer op Freddie Mercury zou lijken dan op om het even welke inwoner van Wippelgem. Wim vroeg hem hoe zo’n leven in zicht zou kunnen komen. ‘Hij antwoordde: ‘Weet ge wat, Bock? We beginnen een popgroep. Koopt u ook een gitaar!’ ‘Wijs! En ik weet al direct een goede naam: The Bocking Fox!’ ‘Godverdoeme, ja!’’

Ter plekke, in Parijs bij nacht, schreven ze het eerste nummer: ‘Walking Along the Champs-Elysées’. Daarna gingen ze maar eens op zoek naar hun hotel.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234